40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties | BWBR0006421 | ministeriele-regeling | geldend | 2003-05-28 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006421 | Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties |
Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties
Artikel 1
Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op € 1 134,45 per jaar indien het een periodieke premie betreft en op € 2 268,90 indien het een eenmalige premie betreft.
Artikel 2
Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 6°, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op € 10 000.
Artikel 3
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7°, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op € 15 000.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het in dat lid bedoelde bedrag, indien het een dienst betreft ter zake van de aan- of verkoop van schuldbrieven aan toonder of soortgelijke waardepapieren tegen contante betaling, waarbij er sprake is van fysieke in- of uitlevering van het waardepapier, vastgesteld op € 0.
Artikel 3a
Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 8(, "8(," moet zijn "8°,"van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op € 15 000.
Artikel 4
1. Vrijstelling van artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt verleend indien als cliënt optreedt een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder a, b, c, of d, van die wet.
2. Vrijstelling van artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt verleend indien als cliënt optreedt een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van of deelnemer aan een handelsplatform dat lid is van de Fédération Internationale des Bourses de Valeurs, en die is gevestigd in Argentinië, Aruba, Australië, Brazilië, Canada, Hong Kong-China, Japan, Mexico, de Nederlandse Antillen, Nieuw Zeeland, Singapore, Turkije, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland.
3. Vrijstelling van artikel 2, eerste lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt verleend indien als cliënt optreedt een onderneming of instelling waaraan door de bevoegde autoriteiten in een andere lid-staat vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 73/239/EEG en Richtlijn 88/357/EEG, Richtlijn 79/267/EEG en Richtlijn 90/619/EEG.
Artikel 5
Als document in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening wordt aangewezen:
a. a. de gemeentelijke identiteitskaart; b. b. een geldig buitenlands paspoort; c. c. voor zover de identiteitvaststelling een persoon betreft die in een andere lidstaat woonachtig is en in die lidstaat plaatsvindt, een geldig rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in die lidstaat en voorzien is van de pasfoto, de naam en het adres van de houder.
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
1.
Als staat in de zin van artikel 4, eerste en derde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening worden aangewezen:
Argentinië, Aruba, Australië, Brazilië, Canada, Hong Kong-China, Japan, Mexico, De Nederlandse Antillen, Nieuw Zeeland, Singapore, Turkije, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
2.
Als staat in de zin van artikel 5, vijfde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening worden aangewezen:
Argentinië, Aruba, Australië, België, Brazilië, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hong Kong-China, Ierland, Italië, Japan, Luxemburg, Mexico, de Nederlandse Antillen, Nieuw Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Singapore, Spanje, Turkije, Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zweden en Zwitserland.
Artikel 8
artikel 4, derde lid, onder c, van de Wet identificatie bij dienstverlening is van overeenkomstige toepassing:
1º 1º indien de dienst bestaat uit het openstellen van een rekening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van die wet, en deze dienst wordt verleend door een instelling uitsluitend vanuit haar hoofdvestiging; 2º 2º indien de dienst bestaat uit het openstellen van een rekening en deze dienst wordt verricht door een bij de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. aangesloten kredietinstelling en voor deze rekening hetzelfde nummer wordt gebruikt als voor een rekening van dezelfde cliënt bij een andere kredietinstelling die ook is aangesloten bij de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. en de eerste betaling bestaat uit het overboeken van het saldo dat wordt aangehouden op de rekening bij de ene kredietinstelling naar de rekening met hetzelfde nummer bij de andere kredietinstelling; 3º 3º indien de dienst bestaat uit het uitgeven van creditcards.
Artikel 8a
1.
Als belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 7 en 8 van de Wet identificatie bij dienstverlening worden aangewezen:
a. a. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; b. b. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Pensioen- & Verzekeringskamer die daarmee door daartoe de Pensioen- & Verzekeringskamer belast zijn; c. c. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 4°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Stichting Autoriteit Financiële Markten die daarmee door de Stichting Autoriteit Financiële Markten belast zijn; d. d. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 6°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de ambtenaren die daarmee door de Minister van Financiën belast zijn; e. e. voor zover het betreft naleving door ondernemingen of instellingen die creditcards uitgeven, met uitzondering van de ondernemingen of instellingen waarvan de door haar uitgegeven creditcards alleen gebruikt kunnen worden bij die onderneming of instelling of bij een onderneming of instelling die behoort tot dezelfde groep in de zin van artikel 24b, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; f. f. voor zover het betreft naleving door geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Wet inzake de geldtransactiekantoren: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; g. g. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig een speelcasino in de zin van artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen organiseren: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; h. h. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94) die als advocaat, notaris of kandidaat-notaris dan wel in de uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf werkzaamheden verrichten: de werknemers van het Bureau Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht belast zijn; i i voor zover het betreft naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94) die als trustkantoor als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren werkzaamheden verrichten: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; j. j. voor zover het betreft de naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de werknemers van het Bureau Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht belast zijn; k. k. voor zover het betreft de naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de ambtenaren die daarmee door de Minister van Financiën belast zijn; l. l. voor zover het betreft de naleving door tussenpersonen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Autoriteit Financiële Markten die daarmee door de Autoriteit Financiële Markten belast zijn.
2.
Als belast met het toezicht op de naleving van artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties worden aangewezen:
a. a. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; b. b. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Pensioen- & Verzekeringskamer die daarmee door de Pensioen- & Verzekeringskamer belast zijn; c. c. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 4°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Stichting Autoriteit Financiële Markten die daarmee door de Stichting Autoriteit Financiële Markten belast zijn; d. d. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 6°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de ambtenaren die daarmee door de Minister van Financiën belast zijn; e. e. voor zover het betreft naleving door ondernemingen of instellingen die creditcards uitgeven, met uitzondering van de ondernemingen of instellingen waarvan de door haar uitgegeven creditcards alleen gebruikt kunnen worden bij die onderneming of instelling of bij een onderneming of instelling die behoort tot dezelfde groep in de zin van artikel 24b, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; f. f. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een ander munten of bankbiljetten wisselen, munten of bankbiljetten uitbetalen tegen inlevering van een of meer cheques of munten of bankbiljetten uitbetalen op vertoon van een creditcard: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; g. g. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig een speelcasino in de zin van artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen organiseren: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; h. h. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig in het kader van een geldelijke overmaking gelden of geldswaarden in ontvangst nemen, ten einde deze gelden of geldswaarden al dan niet in dezelfde vorm elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel in het kader van een geldelijke overmaking gelden of geldswaarden betalen of betaalbaar stellen, nadat deze gelden of geldswaarden elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; i. i. i. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94) die als advocaat, notaris of kandidaat-notaris dan wel in de uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf werkzaamheden verrichten: de werknemers van het Bureau Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht belast zijn;. j. j. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94) die als trustkantoor als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren werkzaamheden verrichten: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn; k. k. voor zover het betreft de naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het koninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de werknemers van het Bureau Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht belast zijn; l. l. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van hetkoninklijk besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de ambtenaren die daarmee door de Minister van Financiën belast zijn; m. m. voor zover het betreft de naleving door tussenpersonen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Autoriteit Financiële Markten die daarmee door de Autoriteit Financiële Markten belast zijn.
Artikel 8b
1. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening wordt verleend indien de natuurlijke persoon het beroep van advocaat, notaris, of kandidaat-notaris uitoefent in een lidstaat van de Europese Unie en deze de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
2. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening wordt verleend indien de natuurlijke persoon een trustkantoor is dan wel optreedt namens een trustkantoor, dat in bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht trustkantoren en deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
3. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening wordt verleend indien de natuurlijke persoon een toegelaten persoon is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Achtste richtlijn nr. 84/253/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid, 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PbEG L126) en deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
Artikel 8c
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet identificatie bij dienstverlening in werking treedt.
Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.