rijk/ministeriele-regeling/voorschrift-vreemdelingen-2000/BWBR0012002
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Voorschrift Vreemdelingen 2000 BWBR0012002 ministeriele-regeling geldend 2006-03-15 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012002 Voorschrift Vreemdelingen 2000

Voorschrift Vreemdelingen 2000

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *het Besluit:* het Vreemdelingenbesluit 2000;

b. b.

    *EVRM*: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

c. c.

    *de TWV:* de tewerkstellingsvergunning, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen;

d. d.

    *de GBA:* de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in de Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 1.2

Ter uitvoering van een verdrag waarbij de grenscontrole is verlegd naar de buitengrenzen, wordt onder 'Nederland' in de artikelen 4.7 en 4.8 mede verstaan het grondgebied van andere bij dat verdrag aangesloten landen waarover de werking van dat verdrag zich uitstrekt.

Artikel 1.3

Voorzover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, worden de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de Minister. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden worden de algemene en bijzondere aanwijzingen van de Minister in acht genomen.

Hoofdstuk 2. Toegang

Artikel 2.1

1.

Als luchthavens, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit, zijn aangewezen:

a. a. de luchthavens die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, en b. b. de luchthavens, vanaf welke vluchten vertrekken voor het vervoer van personen in het ongeregeld vervoer, als bedoeld in het Besluit Vracht- en overige vluchten van de Minister van Verkeer en Waterstaat, met uitzondering van de vluchten die door onze Minister door tussenkomst van de Minister van Verkeer en Waterstaat van de verplichting tot het maken van een afbeelding zijn ontheven.

2. De Minister kan bepalen dat de verplichtingen ingevolge artikel 2.2 van het Besluit voor één of meer vervoerders vanaf één of meer van de in het eerste lid, onder a, genoemde luchthavens tijdelijk worden opgeschort.

3. De Minister kan bepalen dat de verplichtingen ingevolge artikel 2.2 van het Besluit van toepassing zijn op één of meer vervoerders door wiens tussenkomst de aanvoer van niet- of onvoldoende gedocumenteerde vreemdelingen op korte termijn vanaf een bepaalde, niet in het eerste lid, onder a, genoemde luchthaven aanzienlijk is toegenomen.

Artikel 2.2

Als de staten, bedoeld in artikel 2.3, derde lid, onder a, van het Besluit, zijn aangewezen de staten, vermeld in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 2.3

Als de categorieën vreemdelingen, bedoeld in artikel 2.3, derde lid onder b, van het Besluit zijn aangewezen de vreemdelingen die behoren tot een van de categorieën, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling, voor zover de vreemdeling:

a. a. voldoet aan de voor hem gestelde voorwaarden, en b. b. zich naar Nederland begeeft voor een tijdsduur of doel als aangegeven bij die categorie.

Artikel 2.4

Als de vliegvelden in Nederland, bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van het Besluit, zijn aangewezen de vliegvelden, vermeld in bijlage 4 bij deze regeling.

Artikel 2.5

Vervallen

Artikel 2.6

1. De aantekening, bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid, van het Besluit, luidt: 'Toegang tot het Beneluxgebied verleend van (datum) tot (datum), artikel 2.4, tweede/vijfde lid, Vreemdelingenbesluit (inreisstempel en handtekening van ambtenaar die toegang verleent)'.

2. Het model van de afzonderlijke verklaring, waaruit het verlenen van toegang op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit blijkt, is opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.

Artikel 2.7

Vervallen

Artikel 2.8

Vervallen

Artikel 2.9

Voor de ondertekening door een daartoe solvabele derde van de garantverklaring, bedoeld in artikel 2.11, derde lid, van het Besluit, wordt bij het verlenen van toegang aan:

a. a. een zeeman of meerdere zeelieden gebruik gemaakt van het model, dat als bijlage 6a onderscheidenlijk als bijlage 6b bij deze regeling is gevoegd; b. b. een andere vreemdeling gebruik gemaakt van het model, dat als bijlage 6c bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 2.10

De ambtenaren belast met de grensbewaking zijn bevoegd de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd, de verplichting, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet, op te leggen.

Hoofdstuk 3. Verblijf

Afdeling 1. Bescheiden rechtmatig verblijf

Artikel 3.1

1.

Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten, waarbij het vastgestelde model van dat document wordt aangegeven:

a. a. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet: het document I van het model dat als bijlage 7a bij deze regeling is gevoegd; b. b. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Wet: het document II van het model dat als bijlage 7b bij deze regeling is gevoegd; c. c. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder c, van de Wet: het document III van het model dat als bijlage 7c bij deze regeling is gevoegd, en d. d. voor vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Wet: het document IV van het model dat als bijlage 7d bij deze regeling is gevoegd.

2. De beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt verleend, wordt vermeld op het document, bedoeld in het eerste lid, onder a.

3.

Op het document, bedoeld in het eerste lid, onder b en d, wordt de aantekening gesteld arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Op het document, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt de aantekening gesteld:

a. a. arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist; b. b. arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; c. c. specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan; d. d. arbeid niet toegestaan; e. e. arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist; f. f. TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan; g. g. arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; h. h. andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV; of i. i. arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard. TWV vereist.

4.

Op het document wordt de aantekening 'beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht' gesteld, indien de verblijfsvergunning is verleend:

a. a. onder één van de beperkingen, bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Besluit; b. b. op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag (Stb. 1906, 279); c. c. op grond van het Nederlands-Zwitsers Tractaat (Stb. 1878, nr. 137); d. d. op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40), of e. e. op grond van de Associatieverdragen EG met Hongarije (PbEG 1993, L 347), Polen (PbEG 1993, L 348), Roemenië (PbEG 1994, L 357), Bulgarije (PbEG 1994, L 358), Slowakije (PbEG 1994, L 359) en Tsjechië (PbEG 1994 L 360).

5. De documenten, bedoeld in het eerste lid, zijn ingevolge artikel 4.21, eerste lid, onder a, van het Besluit tevens vastgesteld als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d, van de Wet.

Artikel 3.2

1.

Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:

a. a. voor gemeenschapsonderdanen die zes maanden in Nederland als werkzoekende of als grensarbeider verblijven: de sticker Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen van het model dat als bijlage 7h bij deze regeling is gevoegd; b. b. voor gemeenschapsonderdanen, niet zijnde onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, en voor gemeenschapsonderdanen die werkzaamheden in loondienst verrichten waarvan de te verwachten duur meer dan zes maanden maar minder dan een jaar bedraagt: het document I van het model, dat als bijlage 7a bij deze regeling is gevoegd, en c. c. voor de overige gemeenschapsonderdanen: het document EU/EER van het model dat als bijlage 7e bij deze regeling is gevoegd.

2. Op de documenten en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, wordt de aantekening gesteld: arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning niet vereist.

3.

Op de documenten en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, kan de aantekening worden gesteld:

a. a. een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, of b. b. een meer dan aanvullend beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.

4. De documenten, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, zijn ingevolge artikel 4.21, eerste lid, onder b, van het Besluit tevens vastgesteld als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet.

Artikel 3.2a

1. In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, wordt op de documenten en verklaringen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, de aantekening gesteld: arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist, indien het een vreemdeling betreft die de nationaliteit bezit van Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije of Tsjechië. Dezelfde aantekening wordt gesteld op de documenten en verklaringen van de echtgenote dan wel geregistreerde partner, van de in de voorgaande volzin bedoelde vreemdeling, en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn, ongeacht hun nationaliteit, voorzover zij geen onderdaan zijn van een staat die op 30 april 2004 partij was, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder b, en evenmin van Cyprus of Malta.

2. Het voorgaande lid is niet van toepassing indien de vreemdeling, bedoeld in de eerste volzin ervan, op 1 mei 2004 legaal in Nederland verbleef en diens toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt die dag gold voor de duur van tenminste twaalf maanden, ingevolge een tewerkstellingsvergunning of blijkens een daartoe strekkende aantekening op een eerder verleende verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, van zodanige duur.

3. In afwijking van het eerste lid wordt de aantekening gesteld arbeid toegestaan, tewerkstellingsvergunning alleen gedurende eerste 12 maanden vereist, indien de vreemdeling, bedoeld in de eerste volzin ervan, op een tijdstip na 1 mei 2004 Nederland is binnengekomen en hem toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt is verleend voor een duur van 12 maanden of meer.

Artikel 3.3

1.

Als document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder f tot en met h, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:

a. a. voor vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke beslissing omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet: het document W van het model dat als bijlage 7f bij deze regeling is gevoegd; b. b. voor vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder x, van het Besluit en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Wet hebben: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd; c. c. voor overige vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Wet hebben en waarbij naar oordeel van de Minister sprake is van zeer bijzondere omstandigheden: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd; d. d. voor overige vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f of g, van de Wet: de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het derde lid, en e. e. voor overige vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Wet: de sticker Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures van het model dat als bijlage 7i bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het vierde lid.

2. De documenten, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, zijn ingevolge artikel 4.21, eerste lid, onder c en d, van het Besluit tevens vastgesteld als geldend document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen.

3. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, luidt: 'aanvraag ingediend/verlenging aangevraagd voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14/20/33 Vw 2000 op (datum). arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormelde aanvraag is beslist'.

4. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder e, luidt: 'bezwaarschrift ingediend of beroep rechtbank ingediend op (datum). Arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormeld bezwaar/beroep is beslist.'

5. De aantekeningen, bedoeld in het derde en vierde lid, hebben een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien de geldigheidsduur van de aantekening verstrijkt voordat een beslissing is genomen op de aanvraag, onderscheidenlijk het bezwaar of beroep, kan de desbetreffende aantekening wederom worden gesteld met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien afwijzend is beslist, wordt de aantekening 'vervallen' geplaatst.

Artikel 3.4

1. Als document waaruit het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder i, van de Wet blijkt, is aangewezen de Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening, bedoeld in het tweede lid.

2. De tekst van de aantekening, bedoeld in het eerste lid, luidt: 'aangemeld op (datum) voor verblijf op grond van artikel 12 Vw 2000 tot (datum). arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingvergunning wel/niet vereist'. Indien het betreft een vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, wordt de aantekening omtrent aanmelding aangevuld met 'voor verblijf als zeeman tot (datum)'.

Artikel 3.5

Als document waaruit het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:

a. a. in de gevallen, bedoeld in artikel 4.29, derde lid, van het Besluit: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd; b. b. in de overige gevallen: de Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening 'verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, Vw 2000 tot (datum). Arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist'.

Artikel 3.6

Als document waaruit het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder k, van de Wet, blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen:

a. a. in het geval, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid onder d, van het Besluit: het document W2 van het model dat als bijlage 7f2 bij deze regeling is gevoegd; b. b. in de overige gevallen: de Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen van het model dat als bijlage 7g bij deze regeling is gevoegd, voorzien van de aantekening “verblijf als bedoeld in artikel 8, onder k, Vw 2000 tot (datum). Arbeid wel/niet toegestaan; tewerkstellingsvergunning wel/niet vereist”.

Artikel 3.7

1.

Als document waaruit het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder l, van de Wet blijkt, zijn aangewezen de volgende documenten en verklaringen, waarbij het vastgestelde model van dat document of die verklaring wordt aangegeven:

a. a. voor vreemdelingen die niet tevens rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b, c, of d, van de Wet hebben: het document I van het model dat als bijlage 7a bij deze regeling is gevoegd; b. b. voor vreemdelingen die tevens rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b, c dan wel d, van de Wet hebben: het document II, III respectievelijk IV van de modellen die als bijlage 7b, respectievelijk bijlagen 7c en 7d bij deze regeling zijn gevoegd.

2. Artikel 3.1, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.8

1.

De stickers van de modellen die als bijlagen 7g, 7h en 7i bij deze regeling zijn gevoegd, worden geplaatst:

a. a. in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of b. b. in de gevallen, aangewezen in artikel 4.29, derde lid, van het Besluit: op het afzonderlijk inlegblad van het model dat als bijlage 8 bij deze regeling is gevoegd.

2.

Op de stickers, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetekend:

a. a. het V-nummer; b. b. het paspoortnummer.

Artikel 3.9

1. Documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, b, d, e, f, g laatstgenoemde twee onderdelen voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 alsmede i en l van de Wet blijkt, worden verstrekt door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.

2. Documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder c, f, g laatstgenoemde twee onderdelen voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning bedoeld in de artikelen 28 en 33 alsmede j en k van de Wet blijkt, worden verstrekt door de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft.

3. In afwijking van het eerste lid geschiedt de afgifte van documenten of schriftelijke verklaringen waaruit rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, van de Wet blijkt voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid onder y, van het Besluit- door het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

4. In afwijking van het eerste lid geschiedt de afgifte van documenten of schriftelijke verklaringen waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a of f, van de Wet blijkt voor zover sprake is van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de wet onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid onder a, aa, e, f of n van het Besluit, ingediend door een houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dan wel de echtgenoot of het minderjarige kind van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Afdeling 2. De verblijfsvergunning regulier

Paragraaf 1. Inburgering in het buitenland

Artikel 3.10

1. De vreemdeling die door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a van het Besluit af te leggen, overlegt een verklaring van het model dat als bijlage 19 bij deze regeling is gevoegd, dat is ingevuld en ondertekend door een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige.

2. De kosten van een consult bij een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige zoals bedoeld in het eerste lid, komen voor rekening van de vreemdeling.

Artikel 3.11

1. De examenprogrammas bedoeld in artikel 3.98a, derde en zesde lid, van het Besluit zijn verkrijgbaar bij alle erkende boekhandels in Nederland en via internetboekhandels.

2. De kosten van de examenprogrammas bedragen € 63,90 per set.

Artikel 3.12

De kosten, bedoeld in artikel 3.98b, tweede lid, van het Besluit worden voldaan door storting of overschrijving van het verschuldigde bedrag in Euro op een door de Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen bankrekening.

Artikel 3.13

De vreemdeling met de Surinaamse nationaliteit die lager onderwijs in de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet, heeft gevolgd, overlegt:

a. a. een origineel diploma van de lagere school, behaald in Suriname voor 25 november 1975 en een verklaring van het Centraal Bureau Burgerzaken waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van afronding van de lagere school woonachtig is geweest in Suriname; b. b. een door het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling afgegeven schooldiploma of getuigschrift afgegeven na 25 november 1975 voorzien van een apostille; c. c. een in Nederland gehaald diploma hoger dan dat van het lager onderwijs; d. d. een historisch overzicht uit het Vestigingsregister te Den Haag waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf dan wel twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland; of e. e. een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf dan wel twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland.

Artikel 3.14

Vervallen

Artikel 3.15

Vervallen

Artikel 3.16

Vervallen

Paragraaf 2. Verlening onder beperking en voorschriften

Artikel 3.17

De beperkingen, bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Besluit, omvatten de beperkingen, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a en b, van het Besluit, slechts voorzover op het verblijfsdocument de aantekening is geplaatst 'arbeid niet toegestaan'.

Artikel 3.17a

Als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Besluit, worden aangewezen de beperkingen verband houdende met:

a. a. verblijf als meerderjarige ex-bama; b. b. afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet; c. c. voortgezet verblijf na verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

Artikel 3.18

Als de landen, bedoeld in de artikelen 3.21, 3.23, vierde lid, onder c, 3.31, tweede lid, onder d, en 3.79, tweede lid, van het Besluit, zijn aangewezen:

a. a. de staten die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; b. b. de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en c. c. Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika, en Zwitserland.

Artikel 3.18a

Als onderwijsinstelling die voltijds hoger onderwijs verzorgt als bedoeld in artikel 3.41 van het Besluit wordt aangewezen:

a. a. een instelling voor hoger onderwijs die de Gedragscode internationaal student in het Nederlands Hoger Onderwijs heeft ondertekend en voorkomt in het openbaar register van onderwijsinstellingen die de Gedragscode hebben ondertekend; b. b. een instelling die opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; c. c. een instelling die opleidingsactiviteiten faciliteert in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Artikel 3.19

1.

Middelen van bestaan ter hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.74, onder b, van het Besluit, zijn voldoende, indien de vreemdeling in Nederland wil verblijven voor een doel dat verband houdt met:

a. a. het volgen van studie; b. b. de voorbereiding op studie, of c. c. uitwisseling tussen Nederland en Australië, Canada of Nieuw-Zeeland.

2. Indien een in Nederland gevestigde persoon of rechtspersoon het verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, financiert, zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aangevuld met het bedrag, bedoeld in artikel 3.74, onder a, van het Besluit, voor de categorie waartoe de persoon behoort die het verblijf financiert.

3.

Middelen van bestaan ter hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.74, onder a, van het Besluit, voor de categorie waartoe de persoon behoort die het verblijf financiert, aangevuld met het bedrag bedoeld in artikel 3.74, onder a, van het Besluit, voor de categorie waartoe de vreemdeling behoort, zijn voldoende, indien de vreemdeling in Nederland wil verblijven voor een doel dat verband houdt met:

a. a. familiebezoek; b. b. verblijf als au pair, of c. c. het ondergaan van medische behandeling.

Artikel 3.20

1. Middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige zijn eerst duurzaam, indien zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog een jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag strekt tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige.

Artikel 3.21

Het model van de garantverklaring, bedoeld in de artikelen 3.12, derde lid, 3.29, derde lid, en 3.43, tweede lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 6c van deze regeling.

Artikel 3.22

Het model van de verklaring, bedoeld in artikel 3.33, tweede lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 9 van deze regeling.

Artikel 3.23

Het model van de verklaring, bedoeld in artikel 3.43, derde lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 10 bij deze regeling.

Artikel 3.24

Het model van de garantverklaring, bedoeld in artikel 3.44, tweede lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 11 van deze regeling.

Artikel 3.25

Het model van de antecedentenverklaring, bedoeld in de artikelen 3.77, vierde lid, en 3.86, negende lid, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 12 bij deze regeling.

Artikel 3.25a

Het model van de verklaring, bedoeld in artikel 1 d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is opgenomen in bijlage 12a van deze regeling.

Paragraaf 3. Procedurele bepalingen

Artikel 3.26

De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter a aangeduide model.

Artikel 3.26a

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Besluit, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter b aangeduide model.

Artikel 3.27

Vervallen

Artikel 3.28

Vervallen

Artikel 3.29

De aanvraag tot toetsing van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan en tot afgifte van een verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet blijkt, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter e aangeduide model.

Artikel 3.30

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter f aangeduide model.

Artikel 3.31

Een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 3.18a kan een convenant afsluiten met de Immigratie- en Naturalisatiedienst om toegelaten te worden tot een verkorte toelatingsprocedure in verband met de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met het volgen van studie als bedoeld in artikel 3.41 van het Besluit.

Artikel 3.32

De aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter h aangeduide model.

Artikel 3.33

Bij de indiening van de aanvraag, bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet, verklaart de vreemdeling of de wettelijk vertegenwoordiger ermee bekend te zijn dat de verblijfsrechtelijke gegevens via de koppelingen tussen het IND-informatiesysteem en de GBA worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben.

Artikel 3.33a

1. De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking, genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder s van het Besluit, ingediend bij de korpschef van de politieregio waar de aangifte is gedaan.

3. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid onder y van het Besluit, ingediend bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst;

4.

Indien de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft in een politieregio vermeld in kolom A van bijlage 18 bij deze regeling, wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, in afwijking van het eerste lid en onverminderd het tweede en derde lid, ingediend bij het met die gemeente corresponderende in kolom B van deze bijlage vermelde kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst indien de vreemdeling:

a. a. niet de nationaliteit bezit van één der door de Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen; b. b. geen gemeenschapsonderdaan is, en c. c. niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

5. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking, genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder n van het Besluit, voor studie aan de onderwijsinstelling, die is ingeschreven in het openbaar register van onderwijsinstellingen die de Gedragscode internationaal student in het Nederlands Hoger Onderwijs hebben ondertekend, indien die onderwijsinstelling een daartoe strekkend convenant met de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft gesloten, ingediend door de student door tussenkomst van de instelling bij het studieloket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Artikel 3.33b

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt ingediend bij het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Zwolle.

Artikel 3.33c

De aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt ingediend bij het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Zwolle.

Artikel 3.33d

De in artikel 3.102, tweede lid, van het Besluit genoemde gegevens en bescheiden worden op verzoek van de Minister overgelegd bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.

Artikel 3.34

1. Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling die in het bezit is van een mvv, geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, een bedrag van € 188 verschuldigd.

2.

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet in het bezit is van een mvv geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, een bedrag van € 331 verschuldigd, met uitzondering van de vreemdeling die:

a. a. ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid onder e, f, g, h, i, j, k, l, n, o, p, of q, van het Besluit, een bedrag van € 433 verschuldigd is; b. b. ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid onder a of d, van het Besluit, een bedrag van € 830 verschuldigd is; c. c. ter zake van de afdoening van de gelijktijdig met de aanvraag van de hoofdpersoon tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel dan bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, voor verblijf bij die hoofdpersoon, een bedrag van € 188 is verschuldigd; d. d. ter zake van de afdoening van de gelijktijdig met de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3. 4, eerste lid, onder a, van het Besluit, die daarvoor een bedrag van € 830 is verschuldigd, ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, een bedrag van € 188 is verschuldigd; e. e. ter zake van de afdoening van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, ten behoeve een in Nederland geboren kind uit één ouder die houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, 20, 28 of 33 van de Wet, een bedrag van € 188 verschuldigd is.

Artikel 3.34a

1.

In afwijking van artikel 3.34 is de vreemdeling een bedrag van € 30 verschuldigd die:

a. a. in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet; b. b. de nationaliteit van Australië, Canada dan wel Nieuw-Zeeland bezit en een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, doet voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder q, van het Besluit, in het kader van het Working Holiday Scheme of het Working Holiday Programme; c. c. de nationaliteit van Canada bezit en een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, doet voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder l, van het Besluit, in het kader van het Young Workers Exchange Programme.

2. In afwijking van artikel 3.34 is de vreemdeling die werknemer is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat een bedrag van € 60 verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder j, van het Besluit.

Artikel 3.34b

1.

In afwijking van de artikelen 3.34 en 3.34a is de vreemdeling geen leges verschuldigd indien hij:

a. a. in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder m of s, van het Besluit; b. b. als minderjarig kind een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, bij een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning dan wel verblijf geniet als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Besluit; c. c. blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komt voor het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel , verband houdend met artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, van het Besluit, dan wel voor een ander verblijfsdoel dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit; d. d. verblijf heeft als tijdelijk beschermde op grond van Richtlijn 2001/55/EG van 20 juli 2001 en die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder e of f, van het Besluit; e. e. vóór 1 april 2001 een aanvraag tot toelating als vluchteling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Vreemdelingenwet heeft ingediend en in de periode van 14 januari 2003 tot en met 17 maart 2005 rechtstreeks bij de Minister een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, anders dan met het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter a aangeduide model; f. f. als gezinslid van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet, gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon deze verblijfsvergunning is verleend, is nagereisd, en niet dezelfde nationaliteit heeft als de hoofdpersoon, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met gezinshereniging indient; g. g. een aanvraag indient in het kader van verblijf als gezinslid van een militair verbonden aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command-headquarters) onder de beperking conform beschikking Staatssecretaris; h. h. in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinsvorming bij een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, en de feitelijke gezinsvorming heeft plaatsgehad op of voor 13 december 2006.

2. In aanvulling op het eerste lid kan de Minister in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.

Artikel 3.34c

1.

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 331 verschuldigd, met uitzondering van de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, indien hij:

a. a. een aanvraag indient tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, in een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder e, f, g, h, i, j, k, l, n, o , p, of q, van het Besluit, ter zake van de afdoening waarvan een bedrag van € 433 is verschuldigd; b. b. een aanvraag indient tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, in een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a of d, van het Besluit, ter zake van de afdoening waarvan een bedrag van € 830 is verschuldigd; c. c. ter zake van de afdoening van een gelijktijdig met de aanvraag van de hoofdpersoon tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel dan bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, ingediende aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, voor verblijf bij die hoofdpersoon, een bedrag van € 188 is verschuldigd; d. d. ter zake van de afdoening van een gelijktijdig met de aanvraag van een vreemdeling tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, die daarvoor € 830 is verschuldigd, ingediende aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, een bedrag van € 188 is verschuldigd.

2. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling die werknemer is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat een bedrag van € 60 verschuldigd terzake van afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder j, van het Besluit.

Artikel 3.34d

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een bedrag van € 188 verschuldigd met uitzondering van de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die:

a. a. ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder n, van het Besluit, een bedrag van € 52 verschuldigd is; b. b. ter zake van een gelijktijdig met de aanvraag van de hoofdpersoon tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel dan bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, ingediende aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, voor verblijf bij die hoofdpersoon, een bedrag van € 52 is verschuldigd; c. c. ter zake van een gelijktijdig met de aanvraag van de vreemdeling tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, die daarvoor € 188 is verschuldigd, ingediende aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, een bedrag van € 52 is verschuldigd; d. d. ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder j, van het Besluit, een bedrag van €60 verschuldigd is, indien hij werknemer is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat.

Artikel 3.34e

In afwijking van artikel 3.34d is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, indien:

a. a. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.34d, eerste lid, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt; b. b. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 3.34g, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt; c. c. de vreemdeling in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder m of s, van het Besluit; d. d. het minderjarige kind van de vreemdeling, die verblijf heeft op grond van artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Besluit, een aanvraag indient tot het verlengen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit; e. e. de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend op grond van een schriftelijke verklaring van de Minister als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een ander verblijfsdoel dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit en die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning; f. f. aan de vreemdeling een verblijfsvergunning is verleend in het kader van verblijf als gezinslid van een militair verbonden aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command-headquarters) onder de beperking conform beschikking Staatssecretaris.

Artikel 3.34f

1. In afwijking van artikel 3.34 is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, indien hij om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.

2. In aanvulling op het eerste lid is de vreemdeling evenmin leges verschuldigd ter zake van ten behoeve van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, indien hij ontheven is van de legesverplichting voor de behandeling van de mvv-aanvraag, voorafgaande aan de ingediende aanvraag.

3. In afwijking van artikel 3.34c onder b is de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, in een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Besluit, indien deze vreemdeling om ontheffing van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en daarbij aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.

4. In afwijking van artikel 3.34d is de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, welke is verleend is voor het verblijfsdoel uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM, geen leges verschuldigd voor het afdoen van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning, indien deze vreemdeling om ontheffing van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en daarbij aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.

Artikel 3.34g

1. Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van € 201 verschuldigd.

2. In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet en in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet, een bedrag van € 30 verschuldigd.

Artikel 3.34h

Ter zake van de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument, is de vreemdeling een bedrag van € 30 verschuldigd.

Artikel 3.34i

De leges voor de afdoening van de aanvragen op grond van de artikelen 3.34, 3.34a, 3.34c, 3.34g, tweede lid, en 3.34h worden per aanvraag geheven door de burgemeester van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling, uitgezonderd de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder y van het Besluit.

Afdeling 3. De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf 1. Bevoegdheden

Artikel 3.35

Vervallen

Artikel 3.36

Vervallen

Artikel 3.37

Vervallen

Paragraaf 2. Procedurele bepalingen

Artikel 3.38

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter i aangeduide model.

Artikel 3.39

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met j-1 aangeduide model.

Artikel 3.40

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet, wordt gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met j-1 aangeduide model.

Artikel 3.41

Bij de indiening van de aanvraag, bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, verklaart de vreemdeling of de wettelijk vertegenwoordiger ermee bekend te zijn dat de verblijfsrechtelijke gegevens via de koppelingen tussen het IND-informatiesysteem en de GBA worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens voor de beoordeling van voorzieningen nodig hebben.

Artikel 3.42

1. De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt ingediend in het Aanmeldcentrum te Ter Apel.

2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag ingediend in het Aanmeldcentrum op de Luchthaven Schiphol, indien de vreemdeling de toegang is geweigerd.

3. In afwijking van het eerste lid, wordt de eerste aanvraag ingediend in het Aanmeldcentrum op de Luchthaven Schiphol, indien de vreemdeling stelt minderjarig te zijn en niet begeleid wordt door een ouder of wettelijke vertegenwoordiger.

Artikel 3.43

De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 33 van de Wet, wordt ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Artikel 3.44

1. De in artikel 3.110, tweede lid, van het Besluit bedoelde vragenlijst bevat in ieder geval vragen omtrent de personalia van de vreemdeling, zijn geboorteplaats en geboortedatum, zijn nationaliteit en etnische afkomst, de datum van zijn vertrek uit het land van herkomst, de datum van zijn aankomst in Nederland, eventueel verblijf in derde landen, en het bezit van een paspoort en identiteitsdocumenten.

2. Indien de beantwoording van de vastgestelde vragen onvoldoende duidelijkheid verschaft kunnen aanvullende vragen worden gesteld.

Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Artikel 4.1

Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zijn belast de ambtenaren, bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, die ingevolge een akte en proces-verbaal van beëdiging van de Procureur-generaal zijn belast met opsporing van een of meer strafbare feiten ingevolge de Wet.

Artikel 4.2

1. Als de plaatsen waar grensdoorlaatposten zijn gevestigd, zijn aangewezen de plaatsen vermeld in kolom A van bijlage 4 bij deze regeling. Personencontrole in het kader van de grensbewaking kan worden uitgevoerd op de locaties, vermeld in kolom B van bijlage 4 bij deze regeling.

2. De grensdoorlaatposten, bedoeld in het eerste lid, zijn voor het inreizen en uitreizen van personen opengesteld gedurende de tijden, vermeld in kolom C van bijlage 4 bij deze regeling.

Artikel 4.3

Het teken, bedoeld in artikel 4.9, onder a, van het Besluit, is een blauw flikkerlicht.

Artikel 4.4

1. Het model van de bemanningslijst, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid onder a, van het Besluit is opgenomen in bijlage 14a en 14b bij deze regeling. Op de bemanningslijst worden de gegevens verstrekt omtrent de familienaam, voornamen, rang, nationaliteit, geboortedatum en geboorteplaats, van zowel de gezagvoerder als van alle bij het binnenvaren van Nederland aan boord aanwezige personen die deel uitmaken van de bemanning en als zodanig op de monsterrol voorkomen.

2. Voor schepen die zijn gecertificeerd voor het vervoer van ten hoogste twaalf passagiers wordt de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid onder b, van het Besluit, verstrekt met het model van de passagierslijst, opgenomen in bijlage 14c en 14d bij deze regeling.

Artikel 4.5

1. Het model van de bemanningslijst, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, onder a, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 15 bij deze regeling.

2. Het model van de passagierslijst, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, onder a, van het Besluit, is opgenomen in bijlage 16 bij deze regeling.

Artikel 4.6

1. De aantekening, bedoeld in de artikelen 4.24, eerste lid, onder d, en 4.26 van het Besluit, luidt: 'aanmelden binnen drie dagen bij de korpschef te (plaats), (datum waarop de aantekening wordt gesteld, handtekening en stempel)'.

2. Het opleggen van een verplichting tot aanmelding bij de korpschef aan een vreemdeling, aan wie een bijzonder doorlaatbewijs als bedoeld in bijlage 3 onder I bij deze regeling is afgegeven, geschiedt door in dat document achter de woorden 'zich melden binnen drie dagen na afgifte van dit doorlaatbewijs bij' aan te tekenen: 'de korpschef te (plaats)'.

Artikel 4.7

1. De aantekening, bedoeld in de artikelen 4.24, eerste lid, onder f, en 4.27 van het Besluit, luidt: 'toegang geweigerd (datum) (handtekening en stempel)'.

2. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangevuld met een aantekening omtrent de grond waarop de weigering van toegang tot Nederland berust.

Artikel 4.8

1. De aantekening, bedoeld in de artikelen 4.24, eerste lid, onder g, en 4.28 van het Besluit, luidt: 'vertrokken/uitgezet verwijderd op (datum) (handtekening en stempel)'.

2. De aantekening, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangevuld met een aantekening omtrent de reden van de verwijdering uit Nederland.

Artikel 4.9

Voor het stellen van aantekeningen in de reis- en identiteitspapieren van de vreemdeling, bedoeld in artikel 4.29 van het Besluit, wordt gebruik gemaakt van het model dat als bijlage 7j bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 4.10

De aantekening, bedoeld in artikel 4.29 van het Besluit, omtrent het voldoen aan een verplichting tot aanmelding of vervoeging bij een korpschef ingevolge de artikelen 4.39, 4.47 tot en met 4.51 van het Besluit luidt: 'Aangemeld op (datum)'. Indien het betreft een vreemdeling die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, wordt de aantekening aangevuld met de zinsnede 'voor verblijf als zeeman tot (datum)'.

Artikel 4.11

1. In de reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling wiens uitzetting gedurende enige tijd achterwege blijft, wordt een aantekening gesteld, luidende: 'vertrek voor (datum)'.

2. In de reis- en identiteitspapieren van een vreemdeling wiens uitzetting achterwege blijft hangende de beslissing op een door hem ingediend verzoek om een voorlopige voorziening wordt de aantekening: 'verzoek voorlopige voorziening ingediend (datum). Arbeid is wel/niet toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is wel/niet verplicht. Geldig tot (datum), tenzij voor deze datum op voormeld verzoek is beslist' gesteld. Tevens worden aangetekend het V-nummer en het paspoortnummer.

3. De aantekening, bedoeld in het tweede lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien de geldigheidsduur van de aantekening is verstreken voordat een beslissing is genomen op het verzoek om een voorlopige voorziening, kan de desbetreffende aantekening wederom worden gesteld met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Indien afwijzend is beslist, wordt de aantekening 'vervallen' geplaatst.

4. Voor de aantekeningen, bedoeld in het tweede lid, wordt gebruik gemaakt van de Sticker Aantekening Voorlopige Voorziening, waarvan het model als bijlage 7k bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 4.12

De aantekening omtrent verandering van woon- of verblijfplaats binnen Nederland, bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder b, van het Besluit, luidt: 'verhuisd op (datum)'.

Artikel 4.13

De korpschef is bevoegd om met toepassing van artikel 4.51 van het Besluit:

a. a. ontheffing te verlenen van de verplichting tot periodieke aanmelding, en b. b. een andere dan een wekelijkse termijn te stellen voor de verplichting tot periodieke aanmelding.

Artikel 4.14

1. De aantekening omtrent de ontheffing met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, van het Besluit van de verplichting tot wekelijkse aanmelding, luidt: 'ontheffing verleend van de verplichting tot wekelijkse aanmelding onder de volgende beperking(en) en/of voorschrift(en) (beperkingen/voorschriften) (datum)'.

2. Indien met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, van het Besluit een andere dan een wekelijkse termijn voor periodieke aanmelding is gesteld, wordt de aantekening gesteld 'Verplichting tot periodieke aanmelding krachtens artikel 4.51 Vreemdelingenbesluit 2000', aangevuld met de periode van aanmelding en eventuele bijzonderheden.

Artikel 4.15

1. Indien met toepassing van artikel 54, tweede lid, van de Wet een individuele verplichting tot periodieke aanmelding is opgelegd, wordt de aantekening gesteld 'Verplichting tot periodieke aanmelding krachtens artikel 54, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000', aangevuld met de periode van aanmelding en eventuele bijzonderheden.

2. Indien de verplichting, bedoeld in 54, tweede lid, van de Wet, wordt opgeheven, wordt de aantekening gesteld: 'Verplichting tot periodieke aanmelding opgeheven op (datum)'.

Artikel 4.16

1.

De korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft, is bevoegd om

a. a. de plaats aan te wijzen waar de vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Wet, zich in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning dient op te houden; b. b. aanwijzingen, als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Wet, te geven, en c. c. de verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.38 van het Besluit, te vorderen.

2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt niet bij algemene bekendmaking gedaan dan na goedkeuring van, en volgens voorschrift te geven door, de Minister.

Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Artikel 5.1

Indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Wet, mandateert, doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.

Artikel 5.2

1. De Minister kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet, wijzigen of opheffen.

2. In spoedeisende gevallen kan de korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, een verplichting als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet voor de duur van ten hoogste een week opleggen.

3. Indien de korpschef van deze bevoegdheid ondermandaat verleent, doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.

Artikel 5.3

De maatregel, bedoeld in artikel 59 van de Wet, wordt opgelegd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is.

Artikel 5.4

De hulpofficier van justitie, die bevoegd is tot inbewaringstelling, is bevoegd tot het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit en tot het doen van de kennisgeving, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van het Besluit.

Hoofdstuk 6. Vertrek en uitzetting

Artikel 6.1

1. De ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd tot uitzetting over te gaan en daartoe alle benodigde handelingen te verrichten.

2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, gaan niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van de Minister over tot uitzetting van de vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst.

Artikel 6.2

De korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee zijn bevoegd de kosten van verwijdering te verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.

Hoofdstuk 7. Algemene en slotbepalingen

Artikel 7.1

1. Het bestuursorgaan of orgaan als bedoeld in artikel 107 van de Wet, dat de Minister met toepassing van artikel 8.1, derde lid, van het Besluit vraagt om onverwijld nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling te verstrekken, maakt daarvoor gebruik van het formulier van het in bijlage 17a bij deze regeling aangeduide model. Op dit formulier wordt tevens aangegeven om welke reden onduidelijkheid bestaat over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.

2. De verstrekking van de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling aan de in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan, vindt plaats door gebruikmaking van het formulier van het in bijlage 17b bij deze regeling aangeduide model.

3. Bij het vragen van gegevens omtrent de toekenning of beëindiging van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning bij het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan of orgaan op grond van artikel 8.2, eerste lid van het Besluit, wordt gebruik gemaakt van het formulier van het in bijlage 17c van deze regeling aangeduide model.

4. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan of orgaan dat de Minister desgevraagd of uit eigen beweging op grond van artikel 8.2, tweede of derde lid van het Besluit, gegevens verstrekt omtrent de toekenning of beëindiging van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning, maakt daarvoor gebruik van het formulier van het in bijlage 17d bij deze regeling aangeduide model.

Artikel 7.1a

1.

De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 107a, eerste lid, van de Wet is noodzakelijk:

a. a. voor de beoordeling van het bij een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Wet beoogde verblijfsdoel, voor de beoordeling van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur alsmede voor de beoordeling van de algemene weigeringsgronden of intrekkingsgronden van de verblijfsvergunning en ambtshalve beoordelingen; b. b. voor het beoordelen van een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Wet, voor de beoordeling van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur alsmede voor de beoordeling van de algemene weigeringsgronden of intrekking van de verblijfsvergunning en ambtshalve beoordelingen; c. c. voor het beoordelen van de gronden voor het ongewenst verklaren van een vreemdeling en de opheffing van de ongewenstverklaring; d. d. voor de beoordeling van de voorwaarden voor het verlenen van de toegang als bedoeld in artikel 2.1, 2.9 en 2.10 van het Besluit; e. e. voor de toepassing van vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregelen krachtens de artikelen 6, 56, 57, 58 en 59 van de Wet; f. f. voor de handhaving van de afschriftplicht van vervoerders als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van het Besluit; g. g. voor de beoordeling van de voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn als bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van het Besluit; h. h. bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het uitzetten van een vreemdeling als bedoeld in 6.1 van het Besluit, daaronder begrepen de verwerking van bijzondere gegevens in het kader van de beoordeling of de uitzetting achterwege dient te blijven als bedoeld in artikel 64 van de Wet.

2. De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde doeleinden opgenomen in documenten die in een persoonsgebonden dossier en in een geautomatiseerd bestand worden neergelegd. De gegevens in het geautomatiseerde bestand worden gebruikt voor het opstellen van beschikkingen.

Artikel 7.1b

1.

Voorzover de bijzondere persoonsgegevens zijn opgeslagen in een geautomatiseerd bestand, wordt dit bestand beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door:

a. a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben; b. b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.

2. De autorisaties als bedoeld in het eerste lid worden toegekend aan medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de ambtenaren, bedoeld in de artikelen 46 tot en met 48 van de Wet.

3. De verantwoordelijke stelt richtlijnen op voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens in het geautomatiseerde systeem.

Artikel 7.1c

1.

Bijzondere persoongegevens als bedoeld in artikel 107a, eerste lid, van de Wet kunnen worden verstrekt aan de volgende derde personen en instanties:

a. a. de Minister van Buitenlandse Zaken, voor het verrichten van onderzoek in het buitenland op verzoek van de Minister alsmede ten behoeve van de beoordeling van visumaanvragen; b. b. artsen, voor het beoordelen van de gezondheidstoestand van de vreemdeling op basis van de door de vreemdeling ondertekende toestemmingsverklaring, alsmede de overdracht van medische gegevens van een vreemdeling in het kader van uitzetting.

2. De verstrekking van bijzondere persoonsgegevens aan de in het eerst lid genoemde personen geschiedt op geen andere wijze dan schriftelijk.

Artikel 7.1d

De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens wordt op de volgende wijze tegengegaan:

a. a. de toegang tot de gegevens in het persoonsgebonden dossier en het geautomatiseerde bestand is voorbehouden aan die personen, die voor het uitoefenen van hun taak als bedoeld in de artikelen 7.1a en 7.1c toegang tot de informatie moeten hebben; b. b. de verantwoordelijke stelt een Functionaris voor de Gegevensbescherming aan, die toeziet op de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens; c. c. de verantwoordelijke verricht integriteits- en kwaliteitsaudits ten aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens en rapporteert deze aan de Functionaris voor de Gegevensbescherming.

Artikel 7.2

1. De artikelen 3.1 en 3.2 zijn niet van toepassing op kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, die bij een van hun ouders inwonen, indien in het aan deze ouder verstrekte document, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, is aangetekend dat de hem verleende vergunning tot verblijf mede voor deze kinderen geldt.

2. Het document of de verklaring, afgegeven op grond van de Vreemdelingenwet blijft geldig tot de daarop aangegeven datum, dan wel tot de vervanging van dat document door een document afgegeven op grond van de Wet.

Artikel 7.3

Het Voorschrift Vreemdelingen wordt ingetrokken.

Artikel 7.4

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet in werking treedt.

Artikel 7.5

Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel: Voorschrift Vreemdelingen 2000.

Bijlage 1. , behorend bij

Bijlage 2. behorend bij

Bijlage 3. behorend bij

Bijlage 3a. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 3b. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 3c. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 3d

[afbeelding]

Bijlage 4. , behorend bij de

Bijlage 5. behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 5b. , behorend bij

Vervallen

Bijlage 6a. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 6b. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 6c. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 7. behorend bij de

Bijlage 7a. document I

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7b. document II

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7c. document III

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7d. document IV

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7e. document EU/EER

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7f. document W

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7f2. document W2

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 7g. sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen

[afbeelding]

Bijlage 7h. sticker Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen

[afbeelding]

Bijlage 7i. sticker Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures

[afbeelding]

Bijlage 7j

[afbeelding]

Bijlage 7k

[afbeelding]

Bijlage 8. behorend bij

model 1994

[afbeelding]

[afbeelding]

model 1997

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 9. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 10. , behorend bij

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 11. , behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 12. , behorend bij

Bijlage 12a. Voorschrift Vreemdelingen 2000

Bijlage 13. , behorend bij de

aanvraagformulier model a sub 1, behorend bij artikel 3.26, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

aanvraagformulier model a sub 2, behorend bij artikel 3.26, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

aanvraagformulier model b, behorend bij artikel 3.26, tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen

Bijlage 13, onder b

Bijlage 13, onder b.

aanvraagformulier model c, behorend bij artikel 3.27 Voorschrift Vreemdelingen

Vervallen.

aanvraagformulier model d, behorend bij artikel 3.28 Voorschrift Vreemdelingen

Vervallen.

aanvraagformulier model e, behorend bij artikel 3.29 Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

aanvraagformulier model f, behorend bij artikel 3.30 Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

aanvraagformulier model g, behorend bij artikel 3.31 Voorschrift Vreemdelingen

Vervallen.

aanvraagformulier model h, behorend bij artikel 3.32 Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

aanvraagformulier model i, behorend bij artikel 3.38 Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

aanvraagformulier model j, behorend bij artikel 3.39 Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

aanvraagformulier model k, behorend bij artikel 3.40 Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

Bijlage 14a. IMO Bemanningslijst

[afbeelding]

Bijlage 14b. IMO Crew List

[afbeelding]

Bijlage 14c. IMO Passagierslijst

[afbeelding]

Bijlage 14d. IMO Passenger List

[afbeelding]

Bijlage 15. behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 16. behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 17a. behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 17b. behorend bij

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 17c. behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 17d. behorend bij

[afbeelding]

Bijlage 18. , behorend bij

Bijlage 19. Voorschrift Vreemdelingen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]