40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Voorziening tot samenwerking Politie Nederland | BWBR0019998 | ministeriele-regeling | geldend | 2006-07-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0019998 | Voorziening tot samenwerking Politie Nederland |
Voorziening tot samenwerking Politie Nederland
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In de voorziening tot samenwerking wordt verstaan onder:
a. a. minister: Minister van Veiligheid en Justitie; b. b. ICT: informatie en communicatietechnologie; c. c. politiekorpsen: regionale politiekorpsen als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Politiewet 1993 en het Korps landelijke politiediensten; d. d. Besluit: Besluit samenwerkingsvoorzieningen politie.
Artikel 1.2
Deelnemers aan de voorziening tot samenwerking zijn de regio’s, genoemd in de bijlage bij de Politiewet 1993 en ten behoeve van het Korps landelijke politiediensten, het Rijk.
Hoofdstuk 2. De voorziening tot samenwerking
Artikel 2.1
1. Er is een voorziening tot samenwerking genaamd Politie Nederland.
2. Politie Nederland heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te ’s-Gravenhage.
Artikel 2.2
Politie Nederland behartigt de belangen van de deelnemers door een doelmatig beheer van de politiekorpsen te bevorderen.
Artikel 2.3
Politie Nederland heeft tot taak:
a. a. het ontwikkelen, formuleren, onderhouden en uitvoeren van een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van een doelmatig beheer, vanuit een gemeenschappelijke missie en visie op de taakuitvoering van de politiekorpsen, gericht op samenhang, standaardisatie en samenwerking; b. b. het formuleren van eisen voor de ontwikkeling, de exploitatie en het beheer van de ICT-voorzieningen van de politiekorpsen rekening houdend met de behoeften van organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid waarmee de politiekorpsen samenwerken; c. c. het verwerven van producten en diensten op het gebied van ICT-voorzieningen dan wel het ontwikkelen, het beheren en exploiteren van ICT-voorzieningen, waaronder begrepen technische standaarden ten behoeve van politiekorpsen, mede ten behoeve van organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid indien dit van belang is voor de samenwerking van de politiekorpsen met die organisaties; d. d. het formuleren van eisen en wensen met betrekking tot verzekeringen ten behoeve van de politiekorpsen en afsluiten en beheren daarvan; e. e. het voeren van secretariaten; f. f. het, voor de politie inkopen en verkopen van, alsmede verlenen van overige facilitaire diensten inzake bewapening, kleding en uitrusting van de politie, alsmede het vervoeren, bewaren en vernietigen van processtukken, stukken van overtuiging en in beslag genomen wapens, munitie en voorwerpen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet wapens en munitie; g. g. het, inkopen en verkopen van, alsmede het verlenen van overige diensten inzake bewapening, kleding en uitrusting op verzoek van andere organisaties waarmee de deelnemers samenwerken en die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid; h. h. het inrichten en beheren van een expertisecentrum voor de uitvoering van Europese aanbestedingen.
Artikel 2.4
1. Producten en diensten die door Politie Nederland worden verworven of ontwikkeld en activiteiten die door Politie Nederland worden verricht, ter uitvoering van de aan Politie Nederland opgedragen taken, voorkomend op een jaarlijks door het bestuur bij de begroting vast te stellen overzicht, worden niet ook door de deelnemers zelf of door derden in opdracht van de deelnemers verworven, ontwikkeld of verricht.
2. Indien een deelnemer het voornemen heeft een product of dienst te verwerven of ontwikkelen dat binnen het taakveld ligt van Politie Nederland en niet op het overzicht als in het eerste lid bedoeld voorkomt, meldt deze deelnemer dat onverwijld aan de algemeen directeur.
Artikel 2.5
Vervallen
Hoofdstuk 3. Het bestuur
Artikel 3.1
Het bestuur wordt gevormd door de beheerder van het Korps landelijke politiediensten.
Artikel 3.2
1. Het bestuur is belast met het bestuur van Politie Nederland en heeft met betrekking tot de aan Politie Nederland opgedragen taken alle bevoegdheden en verricht alle taken voor zover deze niet aan anderen zijn opgedragen.
2.
Het bestuur kan taken en bevoegdheden overdragen en mandateren. Niet kunnen worden overgedragen of gemandateerd:
a. a. het vaststellen en het wijzigen van de begroting en meerjarenraming, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit; b. b. het vaststellen van de jaarrekening, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit; c. c. het vaststellen van de kaderbrief, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit; d. d. het vaststellen van de rapportage, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van het Besluit; e. e. het vaststellen van de bijdragen die de deelnemers jaarlijks maximaal verschuldigd zijn; f. f. het vaststellen van de tarieven voor goederen en diensten; g. g. het vaststellen van het organisatie- en formatieplan, bedoeld in artikel 6.1.
3. Het bestuur vertegenwoordigt Politie Nederland in en buiten rechte. Het bestuur kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde.
Artikel 3.3
Het bestuur stelt een reglement vast waarin nadere regels worden gegeven over de werkwijze van het bestuur.
Artikel 3.4
Vervallen
Artikel 3.5
1. Onverminderd artikel 5, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen, worden de in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f, bedoelde stukken na vaststelling zo spoedig mogelijk met de nodige bescheiden en inlichtingen door het bestuur aan de regionale colleges van de deelnemende regio’s aangeboden.
2. Na aanbieding worden de in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f, bedoelde stukken ter inzage neergelegd ten kantore van Politie Nederland. Tegen betaling van kosten wordt een afschrift van de stukken beschikbaar gesteld.
3. Het bestuur geeft, zo nodig vertrouwelijk mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van een regionaal college van een deelnemende regio gevraagde inlichtingen. Door leden van een regionaal college gevraagde inlichtingen worden gegeven door tussenkomst van de korpsbeheerder.
Hoofdstuk 4. Het dagelijks bestuur
Artikel 4.1
Vervallen
Artikel 4.2
Vervallen
Artikel 4.3
Vervallen
Artikel 4.4
Vervallen
Hoofdstuk 5. Commissies
Artikel 5.1
1. Er is een commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden.
2. De leden van de commissie worden benoemd door het bestuur op voordracht van door de minister aan te wijzen rechtspersonen of diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid.
3. De voorzitter van de commissie wordt door het bestuur benoemd.
4. De commissie heeft tot taak het bestuur te adviseren over aangelegenheden betreffende de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde taak voor zover van belang voor de samenwerking van de politiekorpsen met andere organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid.
5. De commissie adviseert in ieder geval over de besluiten genoemd in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f.
6. Het bestuur houdt bij het nemen van besluiten en het doen van voorstellen met betrekking tot de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde taak rekening met het advies van de commissie. Voor zover van toepassing geeft het aan op welke onderdelen is afgeweken van dit advies en wat de reden daarvan is.
Artikel 5.2
1. Het bestuur kan met betrekking tot een of meer in artikel 2.3 genoemde taken commissies van advies instellen.
2. Het bestuur regelt de taken, de bevoegdheden en de samenstelling van de commissies.
Hoofdstuk 6. De organisatie, de directie en de secretaris
Artikel 6.1
Het bestuur regelt de inrichting van de organisatie van Politie Nederland en stelt daartoe in ieder geval een organisatie- en formatieplan vast.
Artikel 6.2
1. Er is een algemeen directeur. De algemeen directeur wordt door het bestuur benoemd, geschorst of ontslagen.
2. Het bestuur pleegt regelmatig overleg met de algemeen directeur.
3. Het bestuur regelt de vervanging van de algemeen directeur bij zijn verhindering of ontstentenis.
4. Het bestuur stelt voor de algemeen directeur een instructie vast.
5. De algemeen directeur is in dienst van Politie Nederland en heeft de leiding over het personeel van Politie Nederland dat hij namens het bestuur benoemt, schorst en ontslaat.
Artikel 6.3
1. De overige leden van de directie worden, in afwijking van artikel 6.2, vijfde lid, op voordracht van de algemeen directeur door het bestuur, benoemd, geschorst en ontslagen.
2. De overige directieleden zijn verantwoording schuldig aan de algemeen directeur.
3. Het bestuur regelt de taken, bevoegdheden en verantwoording van de directie in een directiestatuut.
Hoofdstuk 7. Beheers- en financiële bepalingen
Artikel 7.1
1. Het bestuur stelt een financieel statuut vast.
2. In het financieel statuut worden regels gegeven over de uitgangspunten voor het financiële beleid, het financiële beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle op het financiële beheer en daarbij behorende rapportages alsmede over de inbreng van activa en passiva door de deelnemers.
3. De regels bedoeld in het tweede lid over de uitgangspunten voor het financiële beleid omvatten mede regels over reservevorming en de verstrekking van de bijdragen.
Artikel 7.2
1. De voor de uitvoering van de voorziening tot samenwerking benodigde financiële middelen worden door de deelnemers verschaft door middel van het verstrekken van jaarlijkse bijdragen aan Politie Nederland en betaling van kostendekkende tarieven voor geleverde goederen en diensten.
2. De jaarlijkse bijdragen kunnen bestaan uit een basisbijdrage en een of meer bestemmingsbijdragen voor de uitoefening van bepaalde taken.
3. De jaarlijkse bijdragen verschuldigd door de deelnemers worden naar evenredigheid vastgesteld op basis van de financiële verhoudingen tussen de korpsen, zoals deze kunnen worden afgeleid uit de op grond van de krachtens artikel 2 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen vastgestelde budgetverdeeleenheden in het jaar waarvoor de begroting geldt. Voor de berekening van de bijdragen van de minister wordt door hem op basis van de begroting van de Korps landelijke politiediensten een fictief aantal budgetverdeeleenheden vastgesteld.
4. In de begroting voor het desbetreffende kalenderjaar wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemer dat jaar verschuldigd is aan Politie Nederland.
5. De deelnemers betalen telkens voor 16 januari, 16 april, 16 juli en 16 oktober een vierde van de voor dat jaar vastgestelde bijdrage.
6. De deelnemers dragen er zorg voor dat Politie Nederland te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
Artikel 7.3
1. Het bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 1 juli de voorgenomen activiteiten vast en de bijdragen die de deelnemers in het daarop volgende jaar verschuldigd zijn. Tevens stelt het bestuur uiterlijk 1 juli de tarieven vast die per goed of dienst door Politie Nederland in het daaropvolgende kalenderjaar ten hoogste in rekening worden gebracht. De voorgenomen activiteiten, de verschuldigde bijdragen en de tarieven worden zodra ze zijn vastgesteld meegedeeld aan de regionale colleges in de vorm van de kaderbrief bedoeld in artikel 6 van het Besluit.
2. Het bestuur stelt een ontwerpbegroting en meerjarenraming op. De vergadering van korpschefs wordt in de gelegenheid gesteld daarover aan het bestuur advies uit te brengen. Daartoe zendt het bestuur de ontwerpbegroting en meerjarenraming ten minste zes weken voordat ze worden vastgesteld aan de voorzitter van vergadering van korpschefs.
3. Het bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 15 november de sluitende begroting voor het volgende kalenderjaar vast en een sluitende meerjarenraming.
4. De begroting bevat een beleidsmatige onderbouwing en geeft inzicht in de financiële verhoudingen tussen de voorziening tot samenwerking en de deelnemers wat betreft het vermogen en het resultaat. De meerjarenraming bevat een uitgewerkt overzicht van de te ondernemen activiteiten in de drie jaar die volgen op het begrotingsjaar.
5. Het bestuur kan de begroting wijzigen.
6. Indien een wijziging van de begroting aanleiding geeft de tarieven, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, aan te passen, deelt het bestuur de gewijzigde tarieven, nadat ze zijn vastgesteld, onverwijld mee aan de deelnemers.
Artikel 7.4
1. Het bestuur stelt jaarlijks de rekening over het afgelopen kalenderjaar vast. Vaststelling geschiedt uiterlijk 31 maart volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft.
2. De jaarrekening bevat een beleidsmatige onderbouwing en geeft inzicht in de financiële verhoudingen tussen de voorziening tot samenwerking en de deelnemers wat betreft het vermogen en het resultaat.
3. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid en een verslag van bevindingen, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Indien de in het derde lid bedoelde accountant geen deel uitmaakt van een departementale accountantsdienst, kan de jaarrekening op verzoek van een departementale accountantsdienst eveneens worden onderzocht door een accountant van deze dienst. Het bestuur draagt zorg voor het verlenen van medewerking aan dat onderzoek.
Artikel 7.5
1. Een batig saldo, blijkend uit de vastgestelde jaarrekening, kan worden bestemd voor de vorming van of toevoeging aan de algemene reserve van Politie Nederland.
2. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de algemene reserve wordt dit aan de deelnemers uitgekeerd naar rato van hun jaarlijkse bijdrage aan Politie Nederland voor het betreffende jaar.
3. Een negatief saldo kan worden onttrokken aan een aanwezige algemene reserve. Bij het ontbreken van een algemene reserve wordt het negatieve saldo in rekening gebracht bij de deelnemers naar rato van hun jaarlijkse bijdrage aan Politie Nederland voor het desbetreffende jaar.
Hoofdstuk 8. Het archief
Artikel 8
1. Het bestuur is belast met de zorg voor en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van Politie Nederland, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995. Het bestuur stelt hiervoor beheersregels vast.
2. Het bestuur draagt zorg voor voldoende ruimte voor de archiefbescheiden en ziet erop toe dat hiervoor voldoende deskundig personeel wordt aangesteld.
Hoofdstuk 9. Wijziging, opheffing, toetreding en uittreding
Artikel 9.1
1. De voorziening tot samenwerking kan worden opgeheven of gewijzigd met een daartoe strekkend besluit van alle deelnemers.
2. Met betrekking tot de regio’s worden de in het eerste lid bedoelde besluiten genomen door de korpsbeheerder, na instemming van het regionaal college van de regio waarvan hij korpsbeheerder is, voor het Rijk door de minister.
3. De in het eerste lid bedoelde besluiten kunnen niet worden genomen dan na een voorstel daartoe van het bestuur.
4. In geval van opheffing van de voorziening tot samenwerking regelt het bestuur de financiële gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van bepalingen van de voorziening tot samenwerking worden afgeweken.
5. Het liquidatieplan wordt door het bestuur, de regionale colleges gehoord, vastgesteld.
6. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers om alle rechten en verplichtingen van Politie Nederland aan de deelnemers over te dragen op een in het plan te bepalen wijze.
7. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.
8. Het bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.
9. Het bestuur blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.
Artikel 9.2
1. Verzoeken tot deelname aan de voorziening tot samenwerking worden gericht tot het bestuur.
2. Het bestuur zendt het verzoek, voorzien van een advies, aan de regionale colleges en de minister. Het advies bevat mede de voorwaarden en de gevolgen van de toetreding voor de voorzienig tot samenwerking.
3. Artikel 9.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot toetreding.
4. Het bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de toetreding nadere voorwaarden verbinden.
Artikel 9.3
1. Uittreding uit de voorziening tot samenwerking geschiedt door toezending van een daartoe strekkend besluit van de deelnemer aan het bestuur.
2. Tenzij het bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld.
3. Het bestuur regelt de gevolgen van de uittreding.
4. De kosten voor Politie Nederland die rechtstreeks het gevolg zijn van de uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Het bestuur stelt de hoogte van deze kosten vast.
Artikel 9.4
Het bestuur draagt zorg voor de bekendmaking van besluiten over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding in de Staatscourant.
Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen
Artikel 10
Vervallen
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1
Deze voorziening tot samenwerking treedt in werking met ingang van 1 juli 2006.
Artikel 11.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Voorziening tot samenwerking Politie Nederland.