rijk/pbo/verordening-pt-erosiebestrijding-zuid-limburg-2009/BWBR0025525
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verordening PT erosiebestrijding Zuid-Limburg 2009 BWBR0025525 pbo geldend 2009-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0025525 Verordening PT erosiebestrijding Zuid-Limburg 2009

Verordening PT erosiebestrijding Zuid-Limburg 2009

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

Paragraaf 2. Werkingsgebied

Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op tuinbouwgronden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het grondgebied van de provincie Limburg ten zuiden van de doorgaande wegen Sittard - Wehr (tot grens Nederland-Duitsland) en Sittard - Urmond (tot grens Nederland- België).

Paragraaf 3. Algemene verplichtingen

Artikel 3

De ondernemer is verplicht met betrekking tot elk perceel tuinbouwgrond onverwijld melding te doen aan de secretaris onder opgave van een zo exact mogelijke plaatsaanduiding, indien de lijnvormige of vlakgewijze uitspoeling als gevolg van erosie dieper is dan 12 cm. In dat geval is de ondernemer tevens verplicht:

a. a. te gedogen dat door de secretaris aangewezen personen de bij hem in gebruik zijnde tuinbouwgronden aan een onderzoek onderwerpen naar de aanwezigheid van en de oplossing voor de erosie; b. b. alle door de onder a bedoelde personen gewenste gegevens te verstrekken voor zover deze redelijkerwijs relevant geacht moeten worden voor het onder a bedoelde onderzoek.

Artikel 4

1. De ondernemer is verplicht zo spoedig mogelijk na elke oogst in het betreffende teeltjaar een grondbewerking uit te voeren met een minimale diepte van vijftien centimeter, waarbij vooral de verslemping, de verdichting, korstvorming en de wielsporen worden opgeheven, behoudens bij de toepassing van (gras)ondergroei en bij de aanwezigheid van meerjarige teelten.

2. De in het eerste lid bedoelde grondbewerking is niet verplicht indien voor het perceel een hamsterovereenkomst is afgesloten en voor zover de bepalingen in de hamsterovereenkomst grondbewerking verbieden.

Paragraaf 4. Verbodsbepalingen

Artikel 5

1. Het is tot en met 31 december 2013 een ondernemer verboden een perceel met een hellinglengte van meer dan 50 meter en een hellingspercentage van 2% of meer, met een erosiebevorderend gewas te betelen.

2.

De ondernemer mag van het bepaalde in het eerste lid afwijken op voorwaarde dat hij op het perceel:

a. a. in het betreffende teeltjaar geen andere dan de niet-kerende grondbewerking toepast en een bodembedekking inzaait, of b. b. een groenstrook of groenvlak aanlegt, of c. c. in het jaar voorafgaand aan de teelt van het hoofdgewas een bodembedekking heeft ingezaaid, waarvan de gewasresten in het voorjaar in de bovenste 12 cm aanwezig blijven.

3. Indien de ondernemer kiest voor een maatregel bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, doet hij uiterlijk zeven dagen na toepassing van een andere dan een niet-kerende grondbewerking, hiervan mededeling aan de secretaris.

4. Een groenstrook als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft een breedte van ten minste 2% van de hellinglengte en met een minimum van drie meter.

5. Een groenvlak als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft een oppervlak van ten minste 2% van het oppervlak van het perceel.

Artikel 5a

Een ondernemer is tot en met 31 december 2013 verplicht tot het melden van het toepassen van een andere dan een niet-kerende grondbewerking op een perceel met een hellinglengte van meer dan 60 meter en een hellingspercentage van 2% of meer in geval van de teelt van een niet-erosiebevorderend gewas. De ondernemer doet uiterlijk zeven dagen na toepassing hiervan mededeling aan de secretaris.

Artikel 6

1. Het is tot en met 31 december 2012 een ondernemer verboden een perceel met een hellingspercentage van 2% of meer voor fruitteelt te gebruiken.

2.

De ondernemer mag van het bepaalde in het eerste lid afwijken op voorwaarde dat hij:

a. a. het gras in de boomgaard niet korter maait dan 5 cm, en b. b. op een perceel met een hellingspercentage tot 5% de hellingslengte in gebruik voor fruitteelt minder bedraagt dan 300 meter, tenzij het wordt onderbroken door een niet-erosiebevorderend gewas dan wel een extra wendakker, en c. c. op een perceel met een hellingspercentage van 5% of meer de hellingslengte in gebruik voor fruitteelt minder bedraagt dan 200 meter, tenzij het wordt onderbroken door een niet-erosiebevorderend gewas dan wel een extra wendakker, en d. d. op een perceel met een hellingspercentage van 5% of meer het mulch/snoeihout onder de bomen niet ruimt vóór 15 juni van elk jaar.

3. Het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a en d, geldt niet voor fruitteelt waarbij de boomrijen dwars op de helling zijn gelegen en er geen eenduidig concentratiepunt is voor het oppervlakkig afstromende water.

Artikel 7

1. Het is met ingang van 1 januari 2014 een ondernemer verboden een perceel met een hellingspercentage van 2% of meer, met een erosiebevorderend gewas te betelen.

2.

De ondernemer mag van het bepaalde in het eerste lid afwijken op voorwaarde dat hij in het teeltjaar op het perceel:

a. a. geen andere dan de niet-kerende grondbewerking toepast en b. b. een bodembedekking inzaait.

3. De ondernemer mag van het bepaalde bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, afwijken op voorwaarde dat hij de maatregelen genoemd in bijlage 1 toepast.

4. De ondernemer mag van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b, afwijken op voorwaarde dat hij uiterlijk 1 december van het jaar waarin de bodembedekking zou moeten worden ingezaaid, een wateropvang heeft met een capaciteit van ten minste 40 m^3 per hectare eigen tuinbouwgronden die afwateren in deze voorziening.

5. Indien de ondernemer kiest voor maatregelen bedoeld in het derde of het vierde lid doet hij hiervan uiterlijk 7 december mededeling aan de secretaris.

6. Indien de ondernemer afwijkt van het bepaalde in zowel onderdeel a als b van het tweede lid, geldt het bepaalde in het vierde lid niet.

Artikel 8

Het is een ondernemer verboden tuinbouwgrond met een hellingspercentage van 18% of méér anders te exploiteren dan als grasland.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 9

De secretaris is namens het bestuur bevoegd om op schriftelijk verzoek, na overleg met het waterschap, ontheffing te verlenen van het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7

a. a. op verzoek van één of meerdere ondernemers, waarbij nadere voorschriften kunnen worden gesteld; b. b. collectief, indien algemene gebeurtenissen de uitvoering van de betreffende artikelen onmogelijk maakt, waarbij nadere voorschriften kunnen worden gesteld; c. c. collectief, indien de belangen van de ondernemingen door de uitvoering van de betreffende artikelen ernstig worden geschaad, waarbij alternatieve maatregelen met een vergelijkbare effectiviteit zullen worden voorgeschreven. d. d. collectief, naar aanleiding van andere zwaarwegende redenen, waarbij alternatieve maatregelen met een vergelijkbare effectiviteit zullen worden voorgeschreven.

Artikel 10

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 8 waarbij aan ondernemers verplichtingen of verboden worden opgelegd, is mede bindend voor andere natuurlijke en rechtspersonen, voor zover deze handelingen verrichten die bedrijfsmatig in ondernemingen plegen te worden verricht.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 11

1. Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden aangewezen als feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel kan worden opgelegd.

2. Als bevoegd tuchtgerecht is het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen aangewezen.

Artikel 12

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Indien het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin deze verordening wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2009, treedt zij in werking de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt zij met uitzondering van artikel 11 terug tot en met 1 januari 2009.

Artikel 13

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening PT erosiebestrijding Zuid-Limburg 2009.

Bijlage 1. : Maatregelen (

Ter voldoening aan artikel 7, derde lid dient op het perceel een wateropvang te worden aangelegd, in combinatie met een groenvlak, waarvoor het volgende geldt:

Bijlage 2. : Bepaling hellingspercentage (