40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Protocol inzake een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien | BWBV0002882 | verdrag | geldend | null | https://wetten.overheid.nl/BWBV0002882 | Protocol inzake een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien |
Protocol inzake een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien
Titel EERSTE. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. De Verdragsluitende Staten wijzen op hun grondgebied een zo beperkt mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties van eerste en tweede aanleg aan, hierna genoemd „Gemeenschapsoctrooirechtbanken”, die de hun bij dit Protocol opgedragen taken vervullen.
2. De namen van de Gemeenschapsoctrooirechtbanken en hun territoriale bevoegdheid zijn vermeld in de Bijlage van dit Protocol. Wat evenwel het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek betreft wordt van de namen van deze rechtbanken en hun territoriale bevoegdheid uiterlijk op het tijdstip van bekrachtiging van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.
3. Van elke verandering in het aantal, de namen of de territoriale bevoegdheid van deze rechtbanken wordt door de betrokken Verdragsluitende Staat kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 2
1. Bij dit Protocol wordt een Hof van Beroep voor het Gemeenschapsoctrooi opgericht dat de Verdragsluitende Staten gemeen hebben, hierna genoemd „Gemeenschappelijk Hof van Beroep”. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vervult de taken die daaraan bij dit Protocol worden opgedragen.
2. De zetel van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt in onderlinge overeenstemming door de Regeringen van de ondertekenende Staten vastgesteld.
Artikel 3
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep bezit rechtspersoonlijkheid.
2. In elk der Verdragsluitende Staten heeft het Gemeenschappelijk Hof van Beroep de meest volledige rechtsbevoegdheid die door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend; het kan met name roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en in rechte optreden.
3. De President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vertegenwoordigt het Gemeenschappelijk Hof Van Beroep.
Artikel 4
In het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt bepaald onder welke voorwaarden het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, de rechters daarvan, de leden van de Administratieve Commissie, de ambtenaren en andere personeelsleden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep en de overige in het Protocol nader genoemde personen die werkzaam zijn bij het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, op het grondgebied van elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten welke ter vervulling van hun taak nodig zijn.
Artikel 5
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep bestaat uit het door de Administratieve Commissie bij eenparig besluit en na raadpleging van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep te bepalen aantal rechters; dit aantal is ten minste gelijk aan het aantal Verdragsluitende Staten.
2. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep komt bijeen in voltallige zitting. Het kan echter kamers vormen, die elk bestaan uit een aantal rechters als bepaald in het reglement voor de procesvoering.
3. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep heeft een griffie.
Artikel 6
1. De rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep worden gekozen uit personen die aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden Staten rechterlijke ambten te bekleden en die ervaring hebben met octrooirecht; zij worden in onderlinge overeenstemming door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Verdragsluitende Staten benoemd voor een termijn van zes jaar.
2. Aftredende rechters zijn herbenoembaar.
Artikel 7
1. De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep. Hij is herkiesbaar.
2. In geval van afwezigheid of verhindering van de President wordt zijn taak waargenomen door een ander lid van het Hof in volgorde van anciënniteit.
Artikel 8
De leiding van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep berust bij zijn President. De President is tegenover de Administratieve Commissie verantwoording verschuldigd voor het bestuur, het financiële beheer en de rekeningen van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep.
Artikel 9
1. De Administratieve Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, de vertegenwoordiger van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en uit hun plaatsvervangers. Elke Verdragsluitende Staat en de Commissie hebben het recht in de Administratieve Commissie een vertegenwoordiger en een plaatsvervanger te benoemen. De President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep neemt in voorkomend geval aan de beraadslagingen van de Administratieve Commissie deel.
2. Artikel 11, tweede lid, artikel 12, artikel 13, artikel 14, eerste, derde, vierde en vijfde lid, artikel 16, tweede lid, artikel 17, artikel 18 en artikel 19 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zijn op de Administratieve Commissie van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1.
De uitgaven van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep worden gedekt:
a. a. door de eigen middelen van het Gemeenschappelijk Hof van beroep; b. b. door de financiële bijdragen van de Verdragsluitende Staten, die worden vastgesteld overeenkomstig de uit artikel 20 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag voortvloeiende verdeelsleutel.
2. Elke Verdragsluitende Staat kan aan het Europese Octrooibureau verzoeken om aan het Gemeenschappelijk Hof Beroep de krachtens het eerste lid, sub b), door die Staat verschuldigde bijdragen te betalen door het bedrag daarvan in te houden op de krachtens artikel 20, tweede lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag aan die Staat verschuldigde ontvangsten.
3. Het in artikel 20, zesde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag bedoelde onderzoek betreffende de financieringsregeling voor de bijzondere organen van het Europees Octrooibureau strekt zich ook uit tot de bepalingen van het eerste lid. Na dit onderzoek kan dit artikel ook op voorstel van de Commissie, bij besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd.
4. De artikelen 42 tot en met 48 van het Europees Octrooiverdrag zijn van toepassing op het Gemeenschappelijk Hof van Beroep met dien verstande dat de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie wordt vervangen door de Administratieve Commissie en de Voorzitter van het Europees Octrooibureau door de President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep.
5. De rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de begroting alsmede de balans van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep worden geverifieerd door de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen. De verificatie, die aan de hand van de stukken en indien nodig ter plaatse geschiedt, heeft ten doel de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven vast te stellen, alsmede een gezond financieel beheer te waarborgen. Na de afsluiting van ieder begrotingsjaar stelt de Rekenkamer een verslag op.
6. De President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep legt ieder jaar aan de Administratieve Commissie de rekeningen voor die betrekking hebben op de financiële handelingen in het voorafgaande begrotingsjaar alsmede de balans van bezittingen en schulden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, vergezeld van het verslag van de Rekenkamer.
7. De Administratieve Commissie keurt de jaarrekening alsmede het verslag van de Rekenkamer goed en verleent de President van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep kwijting voor de uitvoering van de begroting.
Artikel 11
1. De Administratieve Commissie stelt de bezoldiging, vergoedingen en pensioenen van de President en de rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vast. Zij stelt eveneens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.
2. De Administratieve Commissie stelt het Statuut van de ambtenaren van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vast, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep.
3. Een meerderheid van drie vierde van de stemmen uitgebracht voor de vertegenwoordigde Verdragsluitende Staten is vereist voor de beslissingen die de Administratieve Commissie bevoegd is te nemen krachtens dit artikel. Een onthouding geldt niet als een stem.
Artikel 12
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep stelt zijn reglement voor de procesvoering op waarin onder meer het taalgebruik van het Hof wordt bepaald. Het reglement voor de procesvoering wordt met eenparigheid van stemmen goedgekeurd door de Administratieve Commissie.
Titel TWEEDE. BEPALINGEN INZAKE INTERNATIONALE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN TENUITVOERLEGGING
Artikel 13
1. Tenzij dit Protocol anders bepaalt, is het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, zoals gewijzigd bij de Verdragen houdende toetreding tot dat Verdrag van de tot de Europese Gemeenschappen toetredende Staten, welk geheel van dat Verdrag en van deze Toetredingsverdragen hierna wordt genoemd „Bevoegdheids- en Executieverdrag”, van toepassing op de in dit Protocol bedoelde procedures.
2. Artikel 2, artikel 4, artikel 5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 24 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag zijn niet van toepassing op de in dit Protocol bedoelde procedures. De artikelen 17 en 18 van dat Verdrag zijn van toepassing met inachtneming van de in artikel 14, vierde lid, van dit Protocol bedoelde beperkingen.
3. Voor de toepassing van het Bevoegdheids- en Executieverdrag op de in dit Protocol bedoelde procedures zijn de bepalingen van Titel II van dat Verdrag die van toepassing zijn op personen met woonplaats in een Verdragsluitende Staat ook van toepassing op personen die geen woonplaats maar een vestiging in een Verdragsluitende Staat hebben.
Artikel 14
1. Onverminderd de bepalingen van dit Protocol en van de krachtens artikel 13 toepasselijke bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, worden de in het Protocol bedoelde procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar de verweerder zijn woonplaats heeft of, wanneer hij geen woonplaats heeft in een van de Verdragsluitende Staten, waar hij een vestiging heeft.
2. Wanneer de verweerder noch zijn woonplaats noch een vestiging heeft in een van de Verdragsluitende Staten, worden de procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar de eiser zijn woonplaats heeft, of, indien deze geen woonplaats heeft in een van de Verdragsluitende Staten, waar hij een vestiging heeft.
3. Wanneer noch de verweerder noch de eiser aldus een woonplaats of een vestiging heeft, worden deze procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar het Gemeenschappelijk Hof van Beroep zijn zetel heeft.
4.
Onverminderd het eerste tot en met het derde lid:
a. a. is artikel 17 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag van toepassing indien de partijen overeenkomen dat een andere Gemeenschapsoctrooirechtbank bevoegd is; b. b. is artikel 18 van dat Verdrag van toepassing indien de verweerder voor een andere Gemeenschapsoctrooirechtbank verschijnt.
5. Met uitzondering van rechtsvorderingen ter verkrijging van een verklaring van niet-inbreuk op een Gemeenschapsoctrooi kunnen de in dit Protocol bedoelde procedures ook aanhangig worden gemaakt bij de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigde plaats te vinden, of waar een onder artikel 15, eerste lid, sub c), vallende handeling is verricht.
Titel DERDE. EERSTE AANLEG
Artikel 15
1.
De Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van:
a. a. alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en - indien naar nationaal recht toegestaan - dreigende inbreuk op Gemeenschapsoctrooien; b. b. rechtsvorderingen betreffende de vaststelling van niet-inbreuk, indien naar nationaal recht toegestaan; c. c. alle rechtsvorderingen ter zake van het gebruik dat van de uitvinding is gemaakt gedurende de in artikel 32, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag bedoelde periode; d. d. tegenvorderingen tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi op grond van het tweede lid.
2. De Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg beschouwen het Gemeenschapsoctrooi als geldig tenzij de geldigheid door de verweerder wordt betwist met een tegenvordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi. De tegenvordering kan slechts steunen op de in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag genoemde nietigheidsgronden. Artikel 55, eerste lid, tweede zin, en artikel 55, tweede, derde en zesde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zijn van toepassing.
3. Indien de tegenvordering wordt ingesteld in een procedure waarin de octrooihouder nog geen partij is, wordt hij daarvan op de hoogte gesteld en kan hij zich in het geding voegen overeenkomstig het nationale recht.
4. De geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi kan niet worden betwist door een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk.
Artikel 16
De Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg waarbij een tegenvordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi is ingesteld, deelt de datum van instelling van de tegenvordering tot nietigverklaring mee aan het Europees Octrooibureau. Het Europees Octrooibureau schrijft dit feit in het Gemeenschapsoctrooiregister in.
Artikel 17
1.
Een krachtens artikel 14, eerste tot en met vierde lid, bevoegde Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg is bevoegd terzake van
-
-
inbreuken of dreigende inbreuken op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat,
-
-
-
onder artikel 15, eerste lid, sub c), vallende handelingen verricht op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat.
-
2. Een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg die krachtens artikel 14, vijfde lid, bevoegd is, heeft alleen bevoegdheid ter zake van handelingen die worden verricht of dreigen te worden verricht op het grondgebied van de Staat waar die rechtbank gevestigd is.
Artikel 18
Indien de beslissing over een rechtsvordering die aanhangig is gemaakt bij een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg en die betrekking heeft op een Europese octrooiaanvrage die kan leiden tot de verlening van een Gemeenschapsoctrooi, afhankelijk is van de octrooieerbaarheid van de uitvinding, kan deze beslissing alleen worden gegeven nadat het Europees Octrooibureau een Gemeenschapsoctrooi heeft verleend dan wel de Europese octrooiaanvrage heeft afgewezen.
Artikel 19
1.
Wanneer in een procedure voor een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi in het geding is
a. a. beveelt de rechtbank de nietigverklaring van het octrooi, indien zij van oordeel is dat een van de nietigheidsgronden als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zich verzet tegen het in stand blijven van het Gemeenschapsoctrooi; b. b. verwerpt de rechtbank het verzoek tot nietigverklaring indien zij van oordeel is dat geen van de nietigheidsgronden als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zich verzet tegen het in stand blijven van het Gemeenschapsoctrooi; c. c. beveelt de rechtbank de instandhouding van het gewijzigd octrooi indien zij van oordeel is dat, gelet op de wijzigingen die de octrooihouder tijdens de procedure heeft aangebracht, geen van de nietigheidsgronden bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zich verzet tegen het in stand blijven van het Gemeenschapsoctrooi.
2. Wanneer een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg zich bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een tegenvordering tot nietigverklaring van een Gemeenschapsoctrooi heeft uitgesproken, zendt zij een afschrift van haar beslissing aan het Europees Octrooibureau. Elke partij kan om inlichtingen over deze toezending verzoeken.
3.
Wanneer een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg zich bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft uitgesproken voor instandhouding van het octrooi in zijn gewijzigde vorm, zendt zij een afschrift van haar beslissing aan het Europees Octrooibureau met de tekst van het octrooi zoals dat naar aanleiding van de procedure is gewijzigd. Elke partij kan om inlichtingen over deze toezending verzoeken. Het Europees Octrooibureau maakt de tekst bekend, mits
a. a. een vertaling van elke in het octrooischriftaangebrachte wijziging in een van de oflficile talen van elk der Verdragsluitende Staten die niet als officile taal de procestaal heeft, is ingediend binnen de termijn bedoeld in artikel 58, derde lid, sub b), van het Gemeenschapsoctrooiverdrag; b. b. de taks voor het drukken van een nieuw octrooischrift is betaald binnen de termijn bedoeld in artikel 58, derde lid, sub c), van het Gemeenschapsoctrooiverdrag.
4. Indien een vertaling niet tijdig is ingediend of de taks voor het drukken van een nieuw octrooischrift niet tijdig is betaald, verklaart het Europees Octrooibureau, ondanks de beslissing van de Gemeenschapsoctrooirechtbank, het octrooi nietig tenzij deze handelingen alsnog worden verricht en een toeslag wordt betaald binnen de extra termijn bedoeld in artikel 58, vierde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag.
Artikel 20
Een in kracht van gewijsde gegane beslissing van een Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste aanleg tot vernietiging of wijziging van een Gemeenschapsoctrooi heeft, behoudens artikel 56, derde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag, in alle Verdragsluitende Staten de gevolgen bedoeld in artikel 33 van dat Verdrag.
Titel VIERDE. TWEEDE AANLEG
Artikel 21
1. Bij Gemeenschapsoctrooirechtbanken van tweede aanleg kan beroep worden ingesteld tegen beslissingen van Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg ter zake van de procedures bedoeld in artikel 15, eerste lid.
2. De voorwaarden waaronder beroep kan worden ingesteld bij een Gemeenschapsoctrooirechtbank van tweede aanleg, worden bepaald door het nationale recht van de Verdragsluitende Staat waar die rechtbank gevestigd is.
Artikel 22
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep heeft uitsluitende bevoegdheid om te beslissen over vragen die in beroep zijn behandeld door Gemeenschapsoctrooirechtbanken van tweede aanleg betreffende:
a. a. de rechtsgevolgen van het Gemeenschapsoctrooi en van de Europese octrooiaanvragen krachtens de artikelen 25 tot en met 33 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag, voor zover zich daarbij geen vragen van nationaal recht voordoen; b. b. de geldigheid van het overeenkomstig artikel 15, tweede lid, betwiste Gemeenschapsoctrooi.
Artikel 23
1. Indien door een Gemeenschapsoctrooirechtbank van tweede aanleg in beroep vragen worden behandeld waarvoor het Gemeenschappelijk Hof van Beroep krachtens artikel 22 uitsluitende bevoegdheid heeft, schorst de rechtbank van tweede aanleg de procedure voor zover een beslissing over die vragen vereist is en verwijst zij deze vragen voor een beslissing naar het Gemeenschappelijk Hof van Beroep. Schorsing en verwijzing van de in artikel 22 bedoelde vragen kunnen zonder mondelinge behandeling plaatsvinden.
2. De Gemeenschapsoctrooirechtbank van tweede aanleg kan echter de procedure voortzetten mits de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep daardoor niet kan worden benvloed.
3. De Gemeenschapsoctrooirechtbank van tweede aanleg mag geen definitieve uitspraak doen alvorens het Gemeenschappelijk Hof van Beroep uitspraak heeft gedaan.
Artikel 24
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep behandelt alle vragen die aan dit Hof worden voorgelegd en doet recht zowel ten aanzien van de feiten als van het recht.
Artikel 25
1. Wanneer het Gemeenschappelijk Hof van Beroep beslist over een in artikel 22, sub a), bedoelde vraag beslist dit Hof of het Gemeenschapsoctrooi of de Europese octrooiaanvrage al dan niet de betrokken rechtsgevolgen heeft.
2. Wanneer het Gemeenschappelijk Hof van Beroep beslist over een in artikel 22, sub b), bedoelde vraag, zijn de artikelen 19 en 20 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep past het bepaalde in het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien toe.
Artikel 27
Een beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep is bindend bij de verdere behandeling van de zaak.
Artikel 28
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep behandelt beroep tegen beslissingen van de nietigheidsafdelingen en de afdeling voor de administratie van octrooien van het Gemeenschapsoctrooibureau.
2. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep beslist in voorkomend geval over het eindigen van het Gemeenschapsoctrooi indien bij dit Hof over dit octrooi een procedure aanhangig is.
3. Indien het Gemeenschappelijk Hof van Beroep een beslissing heeft gegeven overeenkomstig het eerste of het tweede lid zendt het een afschrift hiervan aan het Europees Octrooibureau. Elke partij kan om inlichtingen over deze toezending verzoeken.
Titel VIJFDE. DERDE AANLEG EN PREJUDICIELE BESLISSINGEN
Artikel 29
Het nationale recht inzake beroep in cassatie is van toepassing op beslissingen van Gemeenschapsoctrooirechtbanken van tweede aanleg over vragen waarvoor het Gemeenschappelijk Hof van Beroep geen uitsluitende bevoegdheid krachtens artikel 22 heeft.
Artikel 30
1.
Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep is overeenkomstig artikel 5 van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien bevoegd prejudiciële beslissingen te geven:
a. a. over de uitlegging van het Akkoord met betrekking tot vragen die niet onder zijn uitsluitende bevoegdheid vallen overeenkomstig artikel 22 van dit Protocol; b. b. over de geldigheid en de uitlegging van de ter uitvoering van het Akkoord vastgestelde bepalingen voor zover het niet om nationale bepalingen gaat.
2. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een nationale rechterlijke instantie en deze instantie een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, kan zij het Gemeenschappelijk Hof van Beroep verzoeken een uitspraak te doen.
3. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Gemeenschappelijk Hof van Beroep te wenden.
4. De term „rechterlijke instantie” omvat mede de autoriteiten bedoeld in artikel 70 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag.
Titel ZESDE. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN VOOR DE GEMEENSCHAPSOCTROOIRECHTBANKEN VAN EERSTE EN TWEEDE AANLEG
Artikel 31
De rechters van de Gemeenschapsoctrooirechtbanken moeten ervaring met octrooirecht hebben.
Artikel 32
1. De Gemeenschapsoctrooirechtbanken passen de bepalingen van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien toe.
2. Op alle vragen die niet in het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien zijn geregeld, past de Gemeenschapsoctrooirechtbank het nationale recht toe, met inbegrip van het internationaal privaatrecht.
Artikel 33
1. Behoudens andersluidende bepalingen in het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien, past een Gemeenschapsoctrooirechtbank de regels voor de procesvoering toe die gelden voor soortgelijke rechtsvorderingen inzake een nationaal octrooi in de Verdragsluitende Staat waar de rechtbank haar zetel heeft.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een Europese octrooiaanvrage die kan leiden tot de verlening van een Gemeenschapsoctrooi.
3. De Gemeenschapsoctrooirechtbank legt ten minste de voornaamste punten van de mondelinge behandeling, met inbegrip van getuigenverklaringen en de summiere behandeling van het aangevoerde bewijsmateriaal schriftelijk vast; daarbij voegt zij de stukken van het geding en de schriftelijke verklaringen.
Artikel 34
1. Een Gemeenschapsoctrooirechtbank waarbij een in artikel 15, eerste lid, bedoelde vordering is ingesteld, die niet is een rechtsvordering betreffende de vaststelling van niet-inbreuk, schorst op verzoek van een van de partijen en na de andere partij te hebben gehoord de procedure wanneer de geldigheid van het Gemeenschapsoctrooi reeds bij een andere Gemeenschapsoctrooirechtbank of voor het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt betwist of wanneer bij het Europees Octrooibureau tegen het Gemeenschapsoctrooi oppositie is ingesteld of een verzoek tot nietigverklaring of beperking van het Gemeenschapsoctrooi is ingediend, tenzij er speciale redenen zijn om de behandeling voort te zetten.
2. Het Europees Octrooibureau, waarbij een verzoek tot nietigverklaring of tot beperking van een Gemeenschapsoctrooi is ingediend, schorst op verzoek van een van de partijen en na de andere partijen te hebben gehoord de procedure wanneer de geldigheid van het Gemeenschapsoctrooi reeds bij een Gemeenschapsoctrooirechtbank of voor het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt betwist, tenzij er speciale redenen zijn om de behandeling voort te zetten.
Artikel 35
1. Wanneer een Gemeenschapsoctrooirechtbank van oordeel is dat de verweerder inbreuk op een Gemeenschapsoctrooi heeft gemaakt of heeft gedreigd te maken, verbiedt zij de verweerder de inbreukmakende handelingen te verrichten, tenzij er speciale redenen zijn om dit niet te verbieden. Zij treft tevens maatregelen overeenkomstig het nationale recht om te waarborgen dat dit verbod wordt nageleefd.
2. In alle andere opzichten past de Gemeenschapsoctrooirechtbank het recht toe van de Verdragsluitende Staat waarin de inbreukmakende handelingen zijn verricht.
Artikel 36
1. Aan de rechterlijke instanties, met inbegrip van Gemeenschapsoctrooirechtbanken, van een Verdragsluitende Staat kunnen voor een Gemeenschapsoctrooi dezelfde voorlopige of beschermende maatregelen worden gevraagd als het recht van die Staat kent voor nationale octrooien, zelfs indien een Gemeenschapsoctrooirechtbank van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit Protocol bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.
2. Een krachtens artikel 14, eerste, tweede, derde of vierde lid, bevoegde Gemeenschapsoctrooirechtbank is bevoegd voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen die, onverminderd de vereiste procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig Titel III van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, van kracht zijn op het grondgebied van elke Verdragsluitende Staat. Geen enkele andere rechterlijke instantie heeft deze bevoegdheid.
3. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep is niet bevoegd voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen en bij het Gemeenschappelijk Hof van Beroep staat tegen een beslissing waarbij zulke maatregelen worden bevolen, geen beroep open.
Titel ZEVENDE. OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 37
Dit Protocol is alleen van toepassing op vorderingen die na de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien zijn ingesteld.
Artikel 38
De bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, die krachtens de voorgaande artikelen van toepassing zijn, worden ten aanzien van een Verdragsluitende Staat waarvoor dat Verdrag nog niet in werking is getreden, eerst van kracht wanneer het voor deze Staat in werking treedt.
Artikel 39
1. Gedurende een overgangsperiode die op een door de Administratieve Commissie te bepalen tijdstip verstrijkt, kan de Administratieve Commissie, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, het aantal rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep vaststellen op een aantal dat kleiner is dan het aantal Verdragsluitende Staten.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde overgangsperiode kunnen de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Verdragsluitende Staten personen die aan de nodige eisen voldoen om in hun Staat een rechterlijk ambt te bekleden en ervaring hebben met octrooirecht, tot rechter van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep benoemen. De rechters kunnen hun werkzaamheden in hun eigen land of in internationale organisaties voortzetten. Zij kunnen voor een periode van minder dan zes jaar en ten minste een jaar worden aangesteld. Zij zijn herbenoembaar.