40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru | BWBV0005347 | verdrag | geldend | 2014-03-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBV0005347 | Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru |
Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
a. a. „veroordeling”: elke vrijheidsbenemende straf of maatregel, opgelegd door een rechter of tribunaal, wegens een strafbaar feit; b. b. „vonnis”: een beslissing of bevel van een rechter of tribunaal waarbij een veroordeling wordt uitgesproken; c. c. „gevonniste persoon”: een persoon die bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld door een rechter of een tribunaal van een van de Partijen en die zijn veroordeling ondergaat in de overbrengende Staat; d. d. „onderdaan”: voor de Republiek Peru, elke persoon aan wie de Politieke Grondwet van Peru de Peruaanse nationaliteit toekent en voor het Koninkrijk der Nederlanden, iedere persoon die krachtens de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden de Nederlandse nationaliteit bezit; e. e. „de overbrengende Staat”: de Staat waarin de veroordeling werd uitgesproken tegen de persoon. Voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft wordt onder „overbrengende Staat” verstaan, Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, al naargelang het deel van het Koninkrijk waar het vonnis is gewezen; f. f. „de ontvangende Staat”: de Staat waarnaar de gevonniste persoon kan worden of reeds is overgebracht teneinde zijn veroordeling te ondergaan. Voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft wordt onder „ontvangende Staat” verstaan, Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten, al naargelang het deel van het Koninkrijk waar de gevonniste persoon zijn hoofdverblijf heeft, tenzij dit Verdrag anders bepaalt; g. g. „bevoegde autoriteiten”: wat de Republiek Peru betreft het „Ministerio Público-Fiscalía de la Nación”; wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister van Justitie van Nederland, de minister van Justitie van Aruba, de minister van Justitie van Curaçao of de minister van Justitie van Sint Maarten, die de taken van bevoegde autoriteit uitoefent al naargelang het deel van het Koninkrijk waar de gevonniste persoon zijn hoofdverblijf heeft of waar het vonnis is gewezen.
Artikel 2
1. De Partijen verbinden zich elkaar wederzijds in de ruimst mogelijke mate medewerking te verlenen met betrekking tot de overdracht van gevonniste personen en de tenuitvoerlegging van veroordelingen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.
2. Een op het grondgebied van een Partij gevonniste persoon kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het grondgebied van de andere Partij worden overgebracht teneinde de tegen hem uitgesproken veroordeling te ondergaan. Te dien einde kan hij de overbrengende Staat of de ontvangende Staat zijn wens te kennen geven overeenkomstig dit Verdrag te worden overgebracht.
3. De overbrenging kan door de overbrengende Staat of door de ontvangende Staat worden verzocht.
Artikel 3
De gevonniste persoon kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de navolgende voorwaarden worden overgebracht:
a. a. indien hij onderdaan is van de ontvangende Staat; b. b. indien het vonnis onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar is; c. c. indien op het tijdstip van ontvangst van het verzoek om overbrenging, nog ten minste zes maanden van de veroordeling moet worden ondergaan, behoudens bijzondere gevallen; d. d. indien het handelen of nalaten op grond waarvan de veroordeling werd uitgesproken een strafbaar feit oplevert naar het recht van de ontvangende Staat of een strafbaar feit zou opleveren indien dit op zijn grondgebied zou zijn gepleegd; e. e. indien hij niet uitsluitend wegens militaire delicten is veroordeeld; f. f. indien hij instemt met de overbrenging; g. g. indien hij de bij vonnis opgelegde boete en schadeloosstelling heeft betaald aan het slachtoffer, uitgezonderd in gevallen waarin de gevonniste persoon aantoont volledig minvermogend te zijn; en h. h. indien de overbrengende en ontvangende Staat instemmen met de overbrenging.
Artikel 4
1. Een gevonniste persoon op wie dit Verdrag mogelijk van toepassing is, dient door de overbrengende Staat van de strekking van dit Verdrag in kennis te worden gesteld.
2. Indien de gevonniste persoon zijn wens tot overbrenging ingevolge dit Verdrag aan de overbrengende Staat kenbaar heeft gemaakt, dient die Staat de ontvangende Staat zo spoedig mogelijk, nadat het vonnis onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, daarvan in kennis te stellen.
3.
De kennisgeving dient de navolgende inlichtingen te omvatten:
a. a. de naam, geboortedatum en -plaats van de gevonniste persoon; b. b. zijn eventuele adres in de ontvangende Staat; c. c. een opgave van de feiten die aan de veroordeling ten grondslag liggen; d. d. de aard, duur en aanvangsdatum van de veroordeling; en e. e. alle aanvullende inlichtingen waarom de ontvangende Staat mogelijk verzoekt en, in ieder geval, inlichtingen die het hem mogelijk maken de mogelijkheid van overbrenging in overweging te nemen en de gevonniste persoon en de overbrengende Staat te informeren over de gevolgen van de overbrenging van de gevonniste persoon ingevolge zijn recht.
4. Indien de gevonniste persoon zijn wens tot overbrenging ingevolge dit Verdrag aan de ontvangende Staat kenbaar heeft gemaakt, doet de overbrengende Staat desgevraagd die Staat de in het derde lid bedoelde inlichtingen toekomen.
5. De gevonniste persoon dient van elke door de overbrengende Staat of door de ontvangende Staat ingevolge de vorenstaande leden getroffen maatregel schriftelijk in kennis te worden gesteld, alsmede van elke door een van beide Staten op een verzoek tot overbrenging genomen beslissing.
Artikel 5
1. Verzoeken en antwoorden uit hoofde van dit Verdrag worden schriftelijk gedaan. Elektronische communicatiemiddelen mogen worden gebruikt onder voorwaarden die het de ontvangende Staat mogelijk maken de authenticiteit vast te stellen en mits de communicatie schriftelijk wordt vastgelegd.
2. Verzoeken en antwoorden worden rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten en/of langs diplomatieke weg uitgewisseld.
Artikel 6
1.
De ontvangende Staat verstrekt de overbrengende Staat op diens verzoek:
a. a. een document of verklaring dat de gevonniste persoon een onderdaan is van die Staat; b. b. een afschrift van het toepasselijke recht van de ontvangende Staat waaruit blijkt dat het handelen of het nalaten, op grond waarvan de veroordeling in de overbrengende Staat werd uitgesproken, naar het recht van de ontvangende Staat een strafbaar feit oplevert of een strafbaar feit zou opleveren indien gepleegd op zijn grondgebied.
2.
Indien een overbrenging wordt verzocht, verstrekt de overbrengende Staat de navolgende stukken aan de ontvangende Staat tenzij een van beide Staten reeds heeft aangegeven dat hij niet met de overbrenging zal instemmen:
a. a. een gewaarmerkt afschrift van het vonnis en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen; b. b. een opgave van het reeds ondergane gedeelte van een veroordeling, daaronder begrepen inlichtingen omtrent enige voorlopige hechtenis, strafvermindering en elke andere voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling ter zake dienende omstandigheid; c. c. een document, van welke aard dan ook, waaruit de uitdrukkelijke instemming blijkt van de gevonniste persoon of van zijn wettelijke vertegenwoordiger indien de persoon minderjarig is of indien vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand een vertegenwoordiger noodzakelijk is; d. d. waar nodig, een medisch of sociaal rapport omtrent de gevonniste persoon, inlichtingen betreffende zijn gedrag tijdens de detentie en zijn behandeling in de overbrengende Staat en elke aanbeveling ten aanzien van zijn verdere behandeling in de ontvangende Staat; en e. e. de van toepassing zijnde bepalingen inzake mogelijke vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling of elke beslissing omtrent vervroegde invrijheidstelling die verband houdt met de tenuitvoerlegging van het vonnis dat het onderwerp van het verzoek is.
3. Elk van beide Staten kan verzoeken in het bezit te worden gesteld van de in het eerste of tweede lid hierboven bedoelde stukken alvorens een verzoek tot overbrenging te doen of een beslissing te nemen of hij al dan niet met de overbrenging zal instemmen.
Artikel 7
Met het oog op artikel 9, tweede lid, geeft de ontvangende Staat in zijn antwoord aan op welke wijze de veroordeling na de overdracht ten uitvoer zal worden gelegd, teneinde de overbrengende Staat in staat te stellen een definitieve beslissing over de overbrenging te nemen.
Artikel 8
1. Met de daadwerkelijke overname van de gevonniste persoon door de autoriteiten van de ontvangende Staat wordt de tenuitvoerlegging van de veroordeling in de overbrengende Staat geschorst.
2. De overbrengende Staat kan de veroordeling niet langer ten uitvoer leggen, indien de ontvangende Staat de veroordeling als geheel ten uitvoer gelegd beschouwt.
Artikel 9
1. De voortzetting van de tenuitvoerlegging van de veroordeling van de overgebrachte dader vindt plaats in overeenstemming met de wetgeving en de bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures van de ontvangende Staat. Deze Staat kan, bij de beslissing inzake vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, de in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, bedoelde bepalingen of beslissingen in aanmerking nemen.
2. De ontvangende Staat is gebonden aan het rechtskarakter en de duur van de veroordeling zoals vastgesteld door de overbrengende Staat en dient het vonnis, voor zover van toepassing, ten uitvoer te leggen tot de in zijn wetgeving vastgestelde maximumstraf is bereikt. De ontvangende Staat mag de door de overdragende Staat opgelegde sanctie naar aard en duur niet verzwaren.
Artikel 10
De Partijen kunnen gratie, amnestie verlenen of de straf omzetten in overeenstemming met hun grondwet of overige wetgeving. De bevoegde autoriteiten stellen elkaar in kennis van elk voornemen tot het verlenen van gratie, amnestie of tot het omzetten van de straf.
Artikel 11
Alleen de overbrengende Staat heeft het recht te beslissen op een verzoek tot herziening van het vonnis.
Artikel 12
De ontvangende Staat dient de tenuitvoerlegging van de veroordeling te beëindigen zodra hij door de overbrengende Staat in kennis is gesteld van enige beslissing of maatregel ten gevolge waarvan de veroordeling niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
Artikel 13
De ontvangende Staat bericht de overbrengende Staat ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de veroordeling:
a. a. wanneer eerstgenoemde de veroordeling als geheel ten uitvoer gelegd beschouwt; b. b. indien de gevonniste persoon ontsnapt is vóór de beëindiging van de tenuitvoerlegging van de veroordeling uit de detentie; of c. c. indien de overbrengende Staat om een bijzonder rapport verzoekt.
Artikel 14
1. De kennisgevingen en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 4, 6, eerste lid, en 13, en de verzoeken, antwoorden en berichten, bedoeld in de artikelen 5, 7, 10 en 15, derde lid, dienen te worden gesteld in de taal van de Partij waaraan zij zijn gericht. De stukken ter ondersteuning van een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede lid, dienen vergezeld te gaan van een vertaling in de taal van de Partij waaraan zij zijn gericht.
2. Het verzoek en de documenten die door elk van de Partijen in overeenstemming met dit Verdrag worden overgelegd zijn vrijgesteld van legalisatie, tenzij het Verdrag anders bepaalt.
3. De kosten voortvloeiend uit de toepassing van het Verdrag worden door de ontvangende Staat gedragen, uitgezonderd de kosten die uitsluitend op het grondgebied van de overbrengende Staat zijn gemaakt.
Artikel 15
1. Een Partij voldoet, in overeenstemming met haar wetgeving, aan een verzoek om doortocht van een gevonniste persoon door haar grondgebied indien een zodanig verzoek door de andere Partij is gedaan en die Partij met een derde Staat overeenstemming heeft bereikt met betrekking tot de overbrenging van die persoon naar of van haar grondgebied.
2.
Een verzoek om doortocht kan worden geweigerd indien:
a. a. de gevonniste persoon een van haar onderdanen is; of b. b. het strafbaar feit dat aan de veroordeling ten grondslag lag geen strafbaar feit oplevert ingevolge haar het eigen recht.
3. Verzoeken om doortocht en de antwoorden daarop dienen te worden uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten.
4. De Partij aan wie verzocht is doortocht te verlenen, mag de gevonniste persoon slechts in bewaring houden voor de periode die voor de doortocht over haar grondgebied wordt vereist.
5. De Partij die verzocht wordt doortocht te verlenen, kan gevraagd worden de verzekering te geven dat de gevonniste persoon niet zal worden vervolgd of, behoudens het bepaalde in het vorige lid, aangehouden of anderszins zal worden onderworpen aan enige vrijheidsbeperking op het grondgebied van de doortocht verlenende Staat wegens een strafbaar feit dat gepleegd is, of een veroordeling die is uitgesproken voorafgaand aan zijn vertrek uit het grondgebied van de Staat van veroordeling.
Artikel 16
Ieder geschil dat mocht ontstaan inzake de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt door de Partijen in der minne geschikt langs diplomatieke weg.
Artikel 17
1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van twee maanden na de datum van de laatste kennisgeving, langs diplomatieke weg, waarbij de Partijen elkaar hebben medegedeeld dat zij hun respectieve interne procedures daarvoor hebben voltooid.
2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op het deel van het Koninkrijk dat in Europa is gelegen en op de delen van het Koninkrijk die buiten Europa zijn gelegen, tenzij in de in het eerste lid bedoelde kennisgeving anders is bepaald. In het laatste geval kan het Koninkrijk der Nederlanden te allen tijde de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot een of meer van zijn afzonderlijke delen door middel van een kennisgeving aan de Republiek Peru.
Artikel 18
Dit Verdrag is van toepassing op de tenuitvoerlegging van veroordelingen die hetzij voor hetzij na de inwerkingtreding van het Verdrag zijn uitgesproken.
Artikel 19
1. Elk van de Partijen kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere Partij. De beëindiging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van een dergelijke kennisgeving.
2. Met inachtneming van het in het eerste lid genoemde tijdvak, zijn het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru gerechtigd de toepassing van dit Verdrag afzonderlijk te beëindigen ten aanzien van elk deel van het Koninkrijk der Nederlanden.