rijk/wet/wet-op-het-onderwijstoezicht/BWBR0013800
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wet op het onderwijstoezicht BWBR0013800 wet geldend 2012-02-02 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013800 Wet op het onderwijstoezicht

Wet op het onderwijstoezicht

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken, b. b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs, c. c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs, d. d. onderwijswet:

      1.
      
        
          
          
            Leerplichtwet 1969,
        
        
          
          
            Wet op het primair onderwijs,
        
        
          
          
            Wet op de expertisecentra,
        
        
          
          
            Wet op het voortgezet onderwijs,
        
        
          
          
            Wet educatie en beroepsonderwijs,
        
        
          
          
            Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
        
        
          
          
            Wet medezeggenschap op scholen,
        
        
          
          
            Wet overige OCW-subsidies,
        
        
          
          
            Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of
        
        
          
          
            Experimentenwet onderwijs,
        
      
    
    
      2.
      
        
          
          
            Leerplichtwet BES
          
        
        
          
          
            Wet primair onderwijs BES
          
        
        
          
          
            Wet voortgezet onderwijs BES
          
        
        
          
          
            Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of
        
        
          
          
            Wet sociale kanstrajecten jongeren BES
          
          
            Leerplichtwet 1969,
        
        
          
          
            Wet op het primair onderwijs,
        
        
          
          
            Wet op de expertisecentra,
        
        
          
          
            Wet op het voortgezet onderwijs,
        
        
          
          
            Wet educatie en beroepsonderwijs,
        
        
          
          
            Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
        
        
          
          
            Wet medezeggenschap op scholen,
        
        
          
          
            Wet overige OCW-subsidies,
        
        
          
          
            Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of
        
        
          
          
            Experimentenwet onderwijs,

            Leerplichtwet 1969,

            Wet op het primair onderwijs,

            Wet op de expertisecentra,

            Wet op het voortgezet onderwijs,

            Wet educatie en beroepsonderwijs,

            Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

            Wet medezeggenschap op scholen,

            Wet overige OCW-subsidies,

            Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of

            Experimentenwet onderwijs,
          
          
            Leerplichtwet BES
          
        
        
          
          
            Wet primair onderwijs BES
          
        
        
          
          
            Wet voortgezet onderwijs BES
          
        
        
          
          
            Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of
        
        
          
          
            Wet sociale kanstrajecten jongeren BES

            Leerplichtwet BES

            Wet primair onderwijs BES

            Wet voortgezet onderwijs BES

            Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of

            Wet sociale kanstrajecten jongeren BES

e. e. onderwijs: bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs, waaronder mede worden begrepen werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 176e, eerste lid, en 176g, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, 162h, eerste lid, en 162j, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, en 118n, eerste lid, en 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, f. f. voorschoolse educatie: voorschoolse educatie als bedoeld in de artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang, g. g. instelling: school, instelling of exameninstelling in de zin van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde instelling, h h instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, i. i. samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, ia. ia. Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven: de rechtspersoon, bedoeld in 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, j. j. regionaal expertisecentrum: regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de Wet op de expertisecentra, waaronder begrepen de commissie voor de indicatiestelling die door het regionaal expertisecentrum in stand wordt gehouden, k. k. bestuur: bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, met dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de school of instelling, en met dien verstande dat waar het het toezicht op de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband betreft hieronder wordt verstaan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, l. l. onderwijsdeelnemer: leerling, deelnemer, student of extraneus in de zin van een onderwijswet, m. m. ouders: met het gezag over het kind belaste ouders, hun geregistreerde partners, voogden en verzorgers, n. n. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt, o. o. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer of, bij ontbreken daarvan, door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, p. p. rechtspersoon voor hoger onderwijs: rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel aa, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 2

1. Er is een Inspectie van het onderwijs, die onder Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorteert. Aan het hoofd van de inspectie staat de inspecteur-generaal.

2. Onze Minister geeft met betrekking tot de uitoefening van de in deze wet aan de inspectie toegekende bevoegdheden uitsluitend in schriftelijke vorm zijn aanwijzingen, onder mededeling daarvan aan de Staten-Generaal.

Hoofdstuk 2. Taken en bevoegdheden van de inspectie

Artikel 3

1.

De inspectie heeft de volgende taken:

a. a. het toezien op:

        1°.
        de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften,
      
      
        2°.
        de naleving van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gegeven voorschriften, voor zover het betreft de voorschoolse educatie op kindercentra,

1°. 1°. de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften, 2°. 2°. de naleving van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gegeven voorschriften, voor zover het betreft de voorschoolse educatie op kindercentra, b. b. het bevorderen van:

        1°.
        de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten met uitzondering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor zover het niet betreft het onderzoek bedoeld in artikel 12a, derde lid,
      
      
        2°.
        de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de samenwerkingsverbanden,
      
      
        3°.
        de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, en
      
      
        4°.
        de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het stelsel van hoger onderwijs, met inbegrip van het stelsel van accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdelen q, r en s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

1°. 1°. de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten met uitzondering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor zover het niet betreft het onderzoek bedoeld in artikel 12a, derde lid, 2°. 2°. de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de samenwerkingsverbanden, 3°. 3°. de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, en 4°. 4°. de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het stelsel van hoger onderwijs, met inbegrip van het stelsel van accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdelen q, r en s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. c. c. het beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid door in ieder geval het verrichten van onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de bekostiging, naar de controlerapporten van de door het bestuur aangewezen accountant, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de rechtmatigheid van het financieel beheer van de bekostigde instellingen, de samenwerkingsverbanden en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, alsmede het beoordelen en bevorderen van de financiële doelmatigheid en het bevorderen van de financiële continuïteit, d. d. het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, en e. e. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken.

2.

Onze Minister kan de inspectie mandaat verlenen om:

a. a. de bekostiging voor ten hoogste vijftien procent in te houden of geheel of gedeeltelijk op te schorten, op grond van artikel 164 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 129 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 146 van de Wet op de expertisecentra, artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; b. b. een subsidie lager vast te stellen, te wijzigen, of gedeeltelijk in te trekken of terug te vorderen op grond van de afdelingen 4.2.5 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht; c. c. bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek correcties aan te brengen of bedragen in mindering te brengen op de bekostiging; d. d. voor zover het niet de enige opleiding in zijn soort betreft, een waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5, 6.1.5b, 6.2.3, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te geven, of een besluit als bedoeld in de artikelen 6.1.4, 6.1.5b, 6.2.2, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.1, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te nemen; e. e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969 en in artikel 15.7 tot en met 15.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of f. f. te beslissen op een tegen een besluit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingediend bezwaarschrift.

Artikel 4

1. De inspectie verricht haar taken met inachtneming van de vrijheid van onderwijs.

2. De inspectie verricht haar taken op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is.

3. De intensiteit van de taakuitoefening is afhankelijk van de kwaliteit van het onderwijs, van de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, van de mate van naleving van wettelijke voorschriften en, voor zover deze wordt bekostigd uit s Rijks kas, van de financiële situatie van de instelling.

4. De taakuitoefening van de inspectie is er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.

Artikel 5

Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de inspectie overleg met door Onze Minister wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.

Artikel 6

1.

Bij de inspectie zijn vertrouwensinspecteurs werkzaam voor:

a. a. onderwijsdeelnemers die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling, b. b. ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling, en c. c. onderwijsdeelnemers, ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, besturen, ouders, op instellingen ingestelde klachtencommissies en op instellingen aangestelde vertrouwenspersonen, die geconfronteerd worden met een geval van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering als bedoeld onder a of b.

2.

Naast zijn taken, voortvloeiend uit artikel 3, heeft de vertrouwensinspecteur ten behoeve van de in het eerste lid genoemde personen en organen de volgende taken:

a. a. het fungeren als aanspreekpunt, b. b. het adviseren over eventueel te nemen stappen, c. c. het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing, en d. d. het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte.

3. De vertrouwensinspecteur is, voorzover het betreft misdrijven als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 160, eerste lid, en 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering of de artikelen 198, eerste lid, en 200, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES.

4. De vertrouwensinspecteur is voorzover het betreft een geval van seksueel misbruik of seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon.

5. De vertrouwensinspecteur is bevoegd bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken met betrekking tot de personen, bedoeld in het eerste lid, indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of radicalisering kan worden afgeleid.

6. De vertrouwensinspecteur verstrekt de door hem verzamelde gegevens niet aan derden. In het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden slechts geabstraheerde gegevens opgenomen.

7.

In afwijking van het zesde lid is de vertrouwensinspecteur bevoegd rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister van Veiligheid en Justitie vallende instanties in kennis te stellen van een geval of vermoeden van een geval van psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of radicalisering:

a. a. in het belang van de onderwijsdeelnemers, b. b. in het belang van ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, of c. c. indien de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft.

Artikel 6a

1. De inspectie fungeert als aanspreekpunt voor ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die van oordeel zijn dat de instelling tekortschiet in de naleving van wettelijke voorschriften ten gevolge van het gevoerde personeelsbeleid.

2. De inspectie beoordeelt of uit hetgeen haar op grond van het eerste lid ter kennis is gebracht een redelijk vermoeden voortvloeit dat de instelling tekortschiet in de naleving van wettelijke voorschriften.

3. De inspectie is verplicht tot geheimhouding van hetgeen haar op grond van het eerste lid is toevertrouwd.

Artikel 7

1. De inspectie stelt jaarlijks een jaarwerkplan vast. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

2. De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder verleend dan vier weken nadat het ontwerp van het jaarwerkplan aan de Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 8

1. De inspectie rapporteert desgevraagd en uit eigen beweging aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht.

2. De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk de derde woensdag van mei het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet vast. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van een reactie, namens de regering onverwijld aan de Staten-Generaal.

3. Onze Minister geeft geen aanwijzingen met betrekking tot de in de rapportages neergelegde oordelen van de inspectie over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.

4. Indien een rapportage als bedoeld in het eerste lid, of een deel daarvan, specifiek het onderwijs in de Friese taal of het onderwijs in de Friese taal en cultuur betreft op het geheel aan scholen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs onderscheidenlijk speciaal onderwijs, zendt de inspectie, tegelijkertijd met verzending aan Onze Minister, die rapportage onderscheidenlijk dat deel, in afschrift aan gedeputeerde staten van Fryslân.

Artikel 9

1. Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn, voorzover deze niet het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, sub 1, gegeven voorschriften betreffen, de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

2. De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen.

3. Van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

4. De kosten die samenhangen met de uitoefening van het toezicht op de naleving van de artikelen 1.19 en 1.19a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, komen ten laste van de instelling voor hoger onderwijs ten behoeve waarvan de uitoefening van het toezicht plaatsvindt.

5. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Hoofdstuk 3. Uitvoering van het onderzoek

Artikel 9a

Vervallen

Artikel 10

De artikelen 11, 12 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs.

Artikel 11

1. Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde taken onderzoekt de inspectie jaarlijks met inachtneming van artikel 4 het onderwijs aan elke instelling. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de inspectie een oordeel over de naleving van wettelijke voorschriften door de instelling en maakt zij aan de instelling haar bevindingen bekend over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan de instelling.

2.

De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs, aan de hand van de volgende indicatoren:

a. a. schoolplan, b. b. leerresultaten en de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen, c. c. monitor inzake de veiligheid van leerlingen op school, d. d. informatie uit de jaarstukken, met inbegrip van het financieel jaarverslag, e. e. beschikbare signalen over mogelijke knelpunten, waaronder het gevoerde personeelsbeleid, voor zover daar op grond van artikel 6a, eerste en tweede lid, aanleiding toe bestaat.

3. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, een redelijk vermoeden voortvloeit dat de instelling tekortschiet in de naleving van wettelijke voorschriften, stelt de inspectie nader onderzoek in, waarbij tevens de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht. Dit nader onderzoek verricht zij, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, aan de hand van het schoolplan.

4. Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, oordeelt dat de instelling tekortschiet in de naleving van wettelijke voorschriften verricht zij na ten hoogste één jaar onderzoek naar de verbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd.

5. De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van een onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, verricht zij onderzoek zonder deze kennisgeving.

6. Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.

7. Het tweede lid, onderdeel e, is van overeenkomstige toepassing op de instellingen, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

8. De inspectie bezoekt ten minste elke vier jaar een representatief aantal van de onder een bestuur ressorterende instellingen. Bij dit periodiek instellingsbezoek verricht zij, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, het onderzoek aan de hand van het schoolplan.

Artikel 11a

1.

Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking waarin is vermeld dat de bekostiging een aanvang zal nemen, bedoeld in artikel 79, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 86, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, toont het bevoegd gezag bij de inspectie aan dat het ten aanzien van die instelling kan voldoen aan de vereisten met betrekking tot:

a. a. de bekwaamheid van degenen die onderwijs geven, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra en artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en b. b. de voorschriften omtrent onderwijstijd gesteld op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

2. De inspectie kan indien het bepaalde in het eerste lid daartoe aanleiding geeft overleg voeren met het bevoegd gezag van de instelling. Naar aanleiding van dit overleg kan de inspectie besluiten dat het bepaalde in artikel 11b, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat in afwijking van het derde lid bij het opstellen van de risicoanalyse het schoolplan niet wordt betrokken, en in afwijking van het vierde lid de risicoanalyse wordt opgesteld binnen drie maanden na het overleg, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 11b

1.

Binnen een maand na aanvang van de bekostiging van een instelling, bedoeld in artikel 81 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 87 van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, vierde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs, verstrekt de instelling aan de inspectie gegevens met betrekking tot:

a. a. het schoolplan, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 21 van de Wet op de expertisecentra en artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijs, b. b. de bekwaamheid van degenen die onderwijs geven, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra en artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en c. c. het voldoen aan de voorschriften omtrent onderwijstijd die gelden op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

2.

De inspectie oefent toezicht uit door middel van het opstellen van een risicoanalyse indien:

a. a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de genoemde termijn zijn verstrekt, b. b. de inspectie onvolkomenheden constateert in de naleving van het eerste lid.

3. Bij het opstellen van de risicoanalyse worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, betrokken.

4. De risicoanalyse wordt binnen drie maanden nadat de bekostiging is aangevangen door de inspectie opgesteld.

5. Binnen een maand nadat de risicoanalyse is opgesteld toont de instelling ten genoegen van de inspectie aan dat de onvolkomenheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn hersteld.

6. Indien de instelling twee maanden na het opstellen van de risicoanalyse nog steeds in gebreke is ten aanzien van de naleving van het eerste lid, onderdelen a, b en c, kunnen de maatregelen worden genomen die door de in het eerste lid, aanhef, genoemde onderwijswetten worden mogelijk gemaakt.

7. Nadat het bevoegd gezag van een niet uit de openbare kas bekostigde bijzondere school overeenkomstig artikel 5 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 54 van de Wet op het voortgezet onderwijs aan Onze Minister kennis heeft gegeven van de oprichting van de school, besluit de inspectie zo spoedig mogelijk na de aanvang van het onderwijs of deze onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, van de Leerplichtwet 1969.

Artikel 12

1. De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in de artikelen 11 en 12a uit van openbare verantwoordingsinformatie over de resultaten en de kwaliteit van het onderwijs, de financiële situatie van de instelling en de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd.

2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, is richtinggevend voor het oordeel van de inspectie, indien deze voldoende actueel en betrouwbaar is.

Artikel 12a

1. Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.

2. Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 4° en onderdeel c, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs.

3. Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 4° en onderdeel c, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van signalen van buitenaf die mogelijk kunnen leiden tot gevolgen op stelselniveau in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de Minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden.

4. Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

Artikel 13

1. Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie kaders vast waarin de werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in de artikelen 11 en 12a en voor de toepassing van de artikelen 11a en 11b is vastgelegd. In de kaders wordt onderscheid aangebracht tussen de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde taken.

2. Voorafgaand aan de voordracht, bedoeld in het eerste lid, voert de inspectie overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen, terwijl bij onderwerpen betrekking hebbend op de vrijheid van inrichting in ieder geval overleg wordt gevoerd met de erkende richtingen. Ten behoeve van het in de vorige volzin bedoelde overleg brengt de inspectie onderscheid aan tussen de in artikel 3, eerste lid, bedoelde taken, en vermeldt zij, voor zover het de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a bedoelde taak betreft, welke bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften van toepassing zijn. De inspectie maakt van het overleg een verslag, dat door Onze Minister aan de Staten-Generaal wordt gezonden.

3. Een kader, bedoeld in het eerste lid wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 13a

Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, als bedoeld in artikel 10a, eerste of vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 19a van de Wet op de expertisecentra en artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, informeert zij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betreffende instelling gelegen is.

Artikel 14

1. Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, als bedoeld in artikel 10a, eerste of vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 19a van de Wet op de expertisecentra en artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel de instelling tekortschiet in de naleving van andere wettelijke voorschriften, informeert zij Onze Minister en kan zij voorstellen doen over te treffen maatregelen.

2. De inspectie informeert Onze Minister indien de leerresultaten ernstig en langdurig tekortschieten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 23a1, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en uit het onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen, bedoeld in artikel 11, vierde lid, blijkt dat na één jaar sprake is van onvoldoende verbeteringen.

3. De inspectie stelt het bestuur van de betreffende instelling in kennis van haar voorstellen aan Onze Minister.

Artikel 15

1. Naast het onderzoek, bedoeld in artikel 11, kan de inspectie ter uitvoering van haar taken, bedoeld in artikel 3, uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze Minister specifiek onderzoek verrichten.

2. Artikel 11, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.

Hoofdstuk 3a. Toezicht samenwerkingsverbanden

Artikel 15a

Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband.

Artikel 15b

Artikel 4 en artikel 8, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15c

1.

Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de inspectie het onderzoek tevens verricht aan de hand van de volgende indicatoren:

a. a. het al dan niet voldoen aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs, b. b. het aantal leerplichtige jongeren wonend in het gebied van het samenwerkingsverband dat niet is ingeschreven bij een school als bedoeld in de Leerplichtwet 1969, c. c. het aantal leerplichtige leerlingen van scholen in het samenwerkingsverband dat het onderwijs aan de school waaraan hij is ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken zonder geldige reden niet meer volgt, en d. d. de wijze waarop een samenwerkingsverband zorg draagt voor de kwaliteit van het onderwijs aan een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 18a, lid 10a, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

2. De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15d

De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, en 21 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3b. Toezicht College voor toetsen en examens

Artikel 15e

Dit hoofdstuk is van toepassing op het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens.

Artikel 15f

1. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het functioneren van het College voor toetsen en examens en op de naleving van de bij of krachtens de Wet College voor toetsen en examens, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES gegeven voorschriften.

2.

Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie Onze Minister onder meer voorstellen een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, indien:

a. a. is gebleken dat de kwaliteit van het functioneren van het College voor toetsen en examens onvoldoende is geweest, of b. b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens de Wet College voor toetsen en examens is bepaald.

Hoofdstuk 3c. Toezicht voorschoolse educatie

Artikel 15g

Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de kwaliteitsvoorwaarden voor voorschoolse educatie in kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang vastgestelde bepalingen.

Artikel 15h

1. De artikelen 4, tweede lid, 7, 8, eerste en derde lid, en 9 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 4, tweede lid, onder «instellingen» wordt verstaan «kindercentra als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang» en dat in artikel 9, eerste lid, onder «het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften» wordt verstaan: het toezicht op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet of de bij of krachtens de Wet kinderopvang gegeven voorschriften omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie.

2. De inspectie houdt toezicht op de naleving van de afspraken onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs.

Artikel 15i

1.

De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, eerste lid, aan de hand van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie in kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang vastgestelde bepalingen, te weten:

a. a. de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, b. b. het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid, c. c. de kwaliteit van de educatie, d. d. ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen, e. e. kwaliteitszorg, f. f. de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.

2. De inspectie rapporteert over de bevindingen van het toezicht aan de houder van een kindercentrum en aan het college van burgemeester en wethouders.

3. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie uit eigen beweging incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van de voorschoolse educatie in kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang vastgestelde bepalingen.

4. Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «andere betrokkenen» in ieder geval wordt verstaan: vertegenwoordigers van houders van kindercentra als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang.

5. De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs aan het college hierom verzoekt.

Artikel 15j

De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, 21, 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 20, tweede lid, onder «een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift» wordt verstaan «een bij of krachtens een onderwijswet of een bij of krachtens de Wet kinderopvang gegeven voorschrift omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie» en dat in het derde en vierde lid onder «het bestuur» moet worden verstaan: de houder van een kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang.

Artikel 15k

1. Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van de voorschoolse educatie in kindercentra als bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang vastgestelde bepalingen, tekortschiet, informeert zij het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente en doet voorstellen over te treffen maatregelen.

2. De inspectie stelt de houder van het betreffende kindercentrum in kennis van haar voorstellen aan het college van burgemeester en wethouders.

Hoofdstuk 3d. Toezicht Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven

Artikel 15l

Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

Artikel 15m

De artikelen 4, artikel 8, eerste tot en met derde lid, en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15n

1. Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, bedoelde taken, onderzoekt de inspectie jaarlijks de kwaliteit van de uitoefening van de wettelijke taken door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in de artikelen 1.5.1 van de Wet educatie en 10b4 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

2. Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de verbeteringen die de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven heeft gerealiseerd.

3. De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van het onderzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, verricht zij onderzoek zonder deze kennisgeving.

4. Bij de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.

5. De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4. Toezicht hoger onderwijs

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 5. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten

Artikel 20

1. De inspectie legt haar oordelen en bevindingen naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 11, dan wel artikel 12a, vast in een inspectierapport. In het inspectierapport wordt onderscheid aangebracht tussen oordelen op grond van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde taak en bevindingen op grond van de in artikel, eerste lid, onderdeel b, bedoelde taak.

2. De inspectie vermeldt ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde taak, op welke bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften haar oordeel betrekking heeft. Indien de inspectie oordeelt dat een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift niet is nageleefd, vermeldt zij dit in het rapport.

3. Alvorens een rapport vast te stellen, stelt de inspectie het bestuur in de gelegenheid van het ontwerp-rapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.

4. Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door het bestuur gewenste wijzigingen van het ontwerp-rapport, wordt de zienswijze van het bestuur in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.

5. De inspectie zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan het bestuur.

6. Het inspectierapport waarin de inspectie tot het oordeel komt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, als bedoeld in artikel 10a, eerste of vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 19a van de Wet op de expertisecentra en artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs geldt na vaststelling als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 21

1. De inspectie maakt een inspectierapport in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar.

2. Indien voor de vijfde week na vaststelling van het inspectierapport, bedoeld in artikel 20, zesde lid, wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.

3. Tevens verstrekt de inspectie een inspectierapport op verzoek. De inspectie kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een door haar vast te stellen tarief voor de afgifte van een inspectierapport.

4. De inspectie verstrekt een inspectierapport niet eerder dan nadat het op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.

Hoofdstuk 6. Kwaliteit van de taakuitoefening

Artikel 22

De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde taakuitoefening.

Artikel 23

1. Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

2. De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

3. De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling.

4. De klachtadviescommissie bepaalt haar eigen werkwijze.

Artikel 24

1. Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 13 en 22.

2. De raad bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.

3. De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.

4. De raad bepaalt zijn eigen werkwijze.

Hoofdstuk 6a. Het basisregister onderwijs, het meldingsregister relatief verzuim, en het register vrijstellingen en vervangende leerplicht

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 24a

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a.

    *basisregister onderwijs:* basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b;

b. b.

    *meldingsregister relatief verzuim:* meldingsregister relatief verzuim als bedoeld in artikel 24h;

c. c.

    *startkwalificatie:* startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969;

d. d. register vrijstellingen en vervangende leerplicht: register vrijstellingen en vervangende leerplicht als bedoeld in artikel 24k2.

Paragraaf 2. Het basisregister onderwijs

Artikel 24b

1.

Er is een basisregister onderwijs, dat ten doel heeft:

a. a. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de bekostiging van scholen en instellingen, de begrotings- en beleidsvoorbereiding, de planning en bekostiging van de instellingen voor hoger onderwijs en ten behoeve van de uitvoering van zijn overige wettelijke taken; b. b. de inspectie gegevens te verstrekken ten behoeve van het toezicht op het onderwijs; c. c. het Centraal bureau voor de statistiek gegevens te verstrekken teneinde het Centraal bureau voor de statistiek in staat te stellen:

        1°.
        Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de beleidsvoorbereiding;
      
      
        2°.
        de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van de toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke taken op het gebied van het onderwijs;

1°. 1°. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de beleidsvoorbereiding; 2°. 2°. de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van de toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke taken op het gebied van het onderwijs; d. d. de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, 1.4.1 en 1.4a.1, voor zover het betreft opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, van de Wet educatie en beroepsonderwijs gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van aanmeldings- en inschrijvingsprocedures; e. e. de instellingen, bedoeld in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de rechtspersonen voor hoger onderwijs gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van aanmeldings- en inschrijvingsprocedures; en f. f. het meldingsregister relatief verzuim te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn in het kader van het doel van dat register.

2. Het beheer van het basisregister onderwijs berust bij Onze Minister.

3. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in deze paragraaf, is Onze Minister de verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 24c

1.

In het basisregister onderwijs zijn de volgende gegevens opgenomen:

a. a. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 178a, tweede en zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 164a, leden 2a en 2b, van de Wet op de expertisecentra; b. b. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, tezamen met de andere gegevens, artikel 164a, tweede lid, lid 2a, lid 2b, en achtste lid, van de Wet op de expertisecentra; c. c. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 103b, tweede en achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel 164a, leden 2a en 2b, van de Wet op de expertisecentra; c1. c1. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een school die is aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede en achtste lid, in samenhang met artikel 58, zevende lid, onderdeel a, van die wet; d. d. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b1°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede deelnemers aan een opleiding educatie die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een instelling waaraan door het gemeentebestuur op grond van artikel 3 van de Wet participatiebudget uitkeringen zijn toegekend, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; d1. d1. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een opleiding educatie die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een instelling als bedoeld in die wet voor een opleiding educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, in samenhang met artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdeel a, van die wet; e. e. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en artikel 164a, leden 2a en 2b van de Wet op de expertisecentra; e1. e1. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een instelling als bedoeld in die wet voor een beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, in samenhang met artikel 1.4.1, zesde lid, onderdeel a, van die wet; f. f. de persoonsgebonden nummers van de studenten en extraneï die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit s Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met uitzondering van de Open Universiteit, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 7.52, tweede en vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; f1. f1. de persoonsgebonden nummers van de studenten en extraneï die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 7.52, tweede en vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in samenhang met artikel 7.1, derde lid, onderdeel a, van die wet; g. g. de hierna te noemen gegevens zoals die over de personen, bedoeld in de onderdelen a tot en met f1, zijn opgenomen in de basisregistratie personen:

        1°.
        geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteland, geslacht, overlijdensdatum, geboorteland moeder en geboorteland vader;
      
      
        2°.
        de gegevens over de nationaliteit;
      
      
        3°.
        de gegevens over het verblijf in Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland en over het vertrek uit Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland;

1°. 1°. geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteland, geslacht, overlijdensdatum, geboorteland moeder en geboorteland vader; 2°. 2°. de gegevens over de nationaliteit; 3°. 3°. de gegevens over het verblijf in Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland en over het vertrek uit Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland; h. h. de gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling zoals die over de personen, bedoeld in de onderdelen e, e1, f en f1, zijn opgenomen in de basisregistratie personen.

2.

Indien de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde gegevens van een leerling, deelnemer, student of extraneus aan een school, instelling of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f1, niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen worden in het basisregister onderwijs alleen opgenomen de gegevens die het bevoegd gezag verstrekt op basis van

a. a.

      artikel 178a, tweede en zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs,

b. b.

      artikel 164a, tweede en achtste lid, van de Wet op de expertisecentra,

c. c.

      artikel 103b, tweede en achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,

c1. c1.

      artikel 103b, tweede en achtste lid, in samenhang met artikel 58, zevende lid, onderdeel a, van de Wet op het voortgezet onderwijs,

d. d.

      artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, of 2.5.5a, tweede of zevende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

d1. d1.

      artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, in samenhang met artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, in samenhang met artikel 1.4.1, zesde lid, onderdeel a, van die wet,

e. e.

      artikel 7.52, tweede en vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

f. f.

      artikel 7.52, tweede en vijfde lid, in samenhang met artikel 7.1, derde lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3. De persoonsgegevens van de leerlingen, deelnemers, studenten en extraneï die niet langer zijn ingeschreven aan een school of instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f1, worden tot vijf jaren na beëindiging van de laatste inschrijving bewaard in het basisregister onderwijs in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren. In afwijking van de eerste volzin geldt voor de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, instelling voor hoger onderwijs waar een opleiding is gevolgd, naam van die opleiding, datum diploma en het aantal jaren genoten hoger onderwijs van studenten die niet langer zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en f1, een bewaartermijn van vijftig jaren.

Artikel 24d

Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.

Artikel 24e

Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

Artikel 24f

1.

Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan:

a. a. de school of instelling waar de betrokkene als leerling, deelnemer, student of extraneus is of was ingeschreven, voor zover de gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan de desbetreffende school of instelling is of was ingeschreven, en b. b. de school of instelling waar de betrokkene als leerling, deelnemer of extraneus is ingeschreven, voor zover de gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan een andere school of instelling was ingeschreven.

1a. Uit het basisregister onderwijs kunnen aan de in artikel 24b, eerste lid, onderdelen d en e, genoemde instellingen tevens de in die onderdelen bedoelde gegevens worden verstrekt.

2. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, voorzover dat verplicht is op grond van artikel 64 van de Participatiewet, artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

3.

Uit het basisregister onderwijs worden aan burgemeester en wethouders de naam, het adres, het persoonsgebonden nummer, de behaalde diplomas, het laatst genoten onderwijs, de laatst bezochte school of instelling, de data van in- en uitschrijving bij die school of instelling en de reden van uitstroom verstrekt van degenen die:

a. a. woonachtig zijn in de desbetreffende gemeente of in een gemeente die behoort tot de regio waarvan de desbetreffende gemeente contactgemeente is als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 162b, derde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, b. b. ouder dan vier jaar en jonger dan 23 jaar zijn, c. c. niet in het bezit zijn van een startkwalificatie en niet behoren tot de jongeren, bedoeld in artikel 4a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969.

4. In afwijking van het derde lid worden van degenen die wel voldoen aan het derde lid, onderdelen a en b, maar die niet voldoen aan het derde lid, onderdeel c, de in de aanhef van het derde lid bedoelde gegevens aan burgemeester en wethouders verstrekt, indien dit de eerste verstrekking uit het basisregister onderwijs aan burgemeester en wethouders betreft waaruit blijkt dat diegenen niet voldoen aan het derde lid, onderdeel c.

5. Uit het basisregister onderwijs worden persoonsgegevens verstrekt aan door Onze Minister aangewezen instellingen ten behoeve van onderzoeksactiviteiten naar de kwaliteit en de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs, de educatie en het hoger onderwijs.

6.

Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan:

a. a. de Sociale verzekeringsbank, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet; b. b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 30, eerste lid, 30a, eerste en tweede lid, 30b, 30d en 31 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

7.

Uit het basisregister onderwijs worden kosteloos persoonsgegevens aan het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt. Het Centraal bureau voor de statistiek gebruikt deze gegevens in ieder geval om:

a. a. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de beleidsvoorbereiding; en b. b. de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van de toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke taken op het gebied van het onderwijs.

8. Het Centraal bureau voor de statistiek kan de gegevens die het op grond van het zevende lid heeft ontvangen, alsmede de daaraan door het Centraal bureau voor de statistiek gekoppelde gegevens van belang voor statistische doeleinden op het gebied van arbeid als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, openbaar maken in de vorm van overzichten die betrekking hebben op afzonderlijke scholen, instellingen of opleidingen, mits aan deze overzichten geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon of een afzonderlijk huishouden kunnen worden ontleend.

9. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan de rijksbelastingdienst, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de wetgeving op het gebied van rijksbelastingen zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10. Uit het basisregister onderwijs worden kosteloos aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen c, d, i en j, van die wet, alsmede de leeftijd van de deelnemer bij aanvang van de beroepspraktijkvorming verstrekt.

11. Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens en andere gegevens verstrekt aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken op grond van de Wet inburgering.

12.

Uit het basisregister onderwijs worden aan burgemeester en wethouders ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5 van de Wet publieke gezondheid, periodiek desgevraagd de volgende gegevens verstrekt van de leerlingen of deelnemers tot 18 jaar, die onderwijs volgen binnen de gemeente:

a) a) het persoonsgebonden nummer en de naam van de leerling of deelnemer; b) b) de geboortedatum van de leerling of deelnemer; c) c) het registratienummer van de instelling waar de leerling of deelnemer is ingeschreven of, indien er sprake is van een nevenvestiging of tijdelijke vestiging, het registratienummer daarvan; d) d) het soort onderwijs; e) e) de datum van inschrijving in het leerjaar of onderwijstype; f) f) de groep.

13. Aan de instellingen en organen, genoemd in het eerste tot en met twaalfde lid, wordt geen rechtstreekse toegang tot het basisregister verleend.

14. Onze Minister verstrekt uit het basisregister onderwijs geen persoonsgebonden nummer van een leerling, deelnemer, student of extraneus ter uitvoering van artikel 107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor nakoming van verplichtingen als referent in de zin van die wet dan wel voor het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten in de zin van die wet.

15. Uit het basisregister worden aan het meldingsregister relatief verzuim toegevoegd de persoonsgebonden nummers van de leerlingen en deelnemers, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdelen a tot en met e, met van elke leerling of deelnemer de naam, het geslacht, de geboortedatum, het adres en het gegeven of betrokkene al dan niet beschikt over een startkwalificatie.

16. De toevoeging, bedoeld in het vijftiende lid, gebeurt op het moment van de kennisgeving, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, of de opgave, bedoeld in artikel 8.1.8a, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

17.

Uit het basisregister onderwijs worden aan het samenwerkingsverband met betrekking tot leerlingen die door het samenwerkingsverband toelaatbaar zijn verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs verstrekt:

a. a. de datum van in- of uitschrijving op een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra; b. b. het registratienummer van de school of, indien sprake is van een nevenvestiging, het registratienummer daarvan; c. c. het registratienummer van het samenwerkingsverband dat de leerling toelaatbaar heeft verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs en het volgnummer van de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, tiende en twaalfde lid, van de Wet op de expertisecentra; d. d. de begin- en einddatum van de periode waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs; en e. e. de bekostigingscategorie, bedoeld in de artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 85b, derde lid, en 89a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

17. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het derde en vierde lid.

Artikel 24g

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking van persoonsgegevens uit het basisregister onderwijs.

Paragraaf 3. Het meldingsregister relatief verzuim

Artikel 24h

1.

Er is een meldingsregister relatief verzuim dat ten doel heeft burgemeester en wethouders, het hoofd, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969, en het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs, te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken inzake:

a. a. het verzuim, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969; en b. b. het zonder geldige reden niet meer volgen van het onderwijs of de educatie, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of van het onderwijs, bedoeld in artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs.

2. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in deze paragraaf, is Onze Minister de verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 24i

1.

In het meldingsregister relatief verzuim zijn de volgende gegevens opgenomen:

a. a. de gegevens van de leerlingen en deelnemers, bedoeld in artikel 21a, eerste, tweede en zesde lid, van de Leerplichtwet 1969, artikel 8.1.8a, eerste en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b, eerste en vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, eerste en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs. b. b. de gegevens, bedoeld in artikel 24f, vijftiende lid.

2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in het meldingsregister relatief verzuim bewaard gedurende het schooljaar waarin de kennisgeving, bedoeld in artikel 21a, eerste en tweede lid, van de Leerplichtwet 1969, of de opgave, bedoeld in artikel 8.1.8a, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, is gedaan en het daaropvolgende schooljaar.

Artikel 24j

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking van gegevens uit het meldingsregister relatief verzuim.

Artikel 24k

1. Vervallen.

2. Uit het meldingsregister relatief verzuim worden aan Onze Minister gegevens verstrekt ten behoeve van de beleidsvorming ten aanzien van de taken, bedoeld in artikel 24h, eerste lid.

3. Bij de verstrekking, bedoeld in het tweede lid, kunnen persoonsgegevens worden verwerkt, indien dat noodzakelijk is voor de in het tweede lid genoemde doelen, onverminderd de verplichting voor de verwerkingsverantwoordelijke om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 25 van de Algemene verordening gegevensbescherming.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede en derde lid.

5. Uit het meldingsregister relatief verzuim worden kosteloos gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, het hoofd, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969, en het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover dat bij wet is vereist of toegestaan.

6. Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief verzuim geen persoonsgebonden nummers ter uitvoering van artikel 107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor nakoming van verplichtingen als referent in de zin van die wet dan wel voor het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten in de zin van die wet.

Artikel 24k1

De artikelen 24h tot en met 24k zien mede op beroepsopleidingen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, opleidingen educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van die wet, en scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Paragraaf 4. Het register vrijstellingen en vervangende leerplicht

Artikel 24k2

1.

Er is een register vrijstellingen en vervangende leerplicht dat ten doel heeft:

a. a. burgemeester en wethouders te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken inzake de handhaving van de Leerplichtwet 1969; b. b. Onze Minister gegevens te verstrekken voor de bijstelling van het aantal voortijdig schoolverlaters zoals blijkt uit het basisregister onderwijs, ten behoeve van de bekostiging van scholen en instellingen en de begrotings- en beleidsvoorbereiding; c. c. ten behoeve van de beleidsvorming ten aanzien van artikel 3a, 3b, 5 tot en met 10, en 15 van de Leerplichtwet 1969 landelijk en per woongemeente een overzicht te maken van:

        1°.
        het aantal jongeren dat is vrijgesteld en het aantal jongeren met een vervangende leerplicht; en
      
      
        2°.
        het aantal jongeren dat eerder is vrijgesteld van de leerplicht of eerder een vervangende leerplicht heeft gehad.

1°. 1°. het aantal jongeren dat is vrijgesteld en het aantal jongeren met een vervangende leerplicht; en 2°. 2°. het aantal jongeren dat eerder is vrijgesteld van de leerplicht of eerder een vervangende leerplicht heeft gehad.

2. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in deze paragraaf, is Onze Minister de verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 24k3

1.

In het register vrijstellingen en vervangende leerplicht zijn de volgende gegevens opgenomen:

a. a. de persoonsgebonden nummers van de jongeren voor wie op grond van artikel 5 of 5a van de Leerplichtwet 1969 een beroep is gedaan op vrijstelling van inschrijving als leerling van een school respectievelijk een instelling, met daaraan toegevoegd de aanduiding «vrijgesteld», de begin- en einddatum van de vrijstelling, de woongemeente en of eerder een beroep op vrijstelling is gedaan; b. b. de persoonsgebonden nummers van de jongeren voor wie burgemeester en wethouders op grond van artikel 15 van de Leerplichtwet 1969 vrijstelling verlenen van de in artikel 4a van de Leerplichtwet opgelegde verplichtingen, met daaraan toegevoegd de aanduiding «vrijgesteld», de begin- en einddatum van de vrijstelling, de woongemeente en of eerder een beroep op vrijstelling is gedaan; c. c. de persoonsgebonden nummers van de jongeren voor wie burgemeester en wethouders instemmen met het verzoek, bedoeld in artikel 3a, eerste lid of 3b, eerste lid, met daaraan toegevoegd de aanduiding «vervangende leerplicht», de begin- en einddatum van de vervangende leerplicht, de woongemeente en of eerder vervanging van de leerplicht is toegestaan.

2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden tot één jaar na de datum waarop de vrijstelling of de vervangende leerplicht afloopt in het register vrijstellingen en vervangende leerplicht bewaard.

Artikel 24k4

Artikel 24j is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24k5

1. Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.

2. Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht worden aan Onze Minister de persoonsgebonden nummers verstrekt van jongeren die op grond van artikel 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet 1969 zijn vrijgesteld van de leerplicht.

3.

Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht wordt jaarlijks op 1 oktober aan Onze Minister een opsomming verstrekt van het landelijk en per woongemeente aantal:

a. a. jongeren die eerder een beroep op vrijstelling hebben gedaan; b. b. overige vrijgestelde jongeren; c. c. jongeren waarbij eerder vervangende leerplicht is toegestaan; en d. d. overige jongeren met een vervangende leerplicht.

4.

Onze Minister gebruikt de persoonsgebonden nummers, bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van:

a. a. de bijstelling van het aantal voortijdig schoolverlaters zoals blijkt uit het basisregister onderwijs; b. b. de controle of de jongere blijkens het basisregister onderwijs staat ingeschreven bij een school of instelling.

5. Indien uit het basisregister onderwijs aan Onze Minister op grond van het vierde lid, onder b, is gebleken dat een jongere die op grond van artikel 5, 5a of 15 van de Leerplichtwet 1969 is vrijgesteld van de leerplicht staat ingeschreven bij een school of instelling, meldt Onze Minister aan het bevoegd gezag van de betreffende school of instelling dat de jongere is vrijgesteld.

6. Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht worden kosteloos gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders.

7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Hoofdstuk 6b. Het diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, NT2 en inburgering

Artikel 24l

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a.

    *diplomaregister:* diplomaregister, bedoeld in artikel 24m;

b. b.

    *diplomagegevens:* gegevens, bedoeld in artikel 24o;

c. c.

    *betrokkene:* betrokkene als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

d. d.

    *derde:* derde als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

e. e.

    *waardedocument:* een getuigschrift, diploma, cijferlijst of certificaat als bedoeld in artikel 24n;

f. f.

    *College voor examens:* College voor examens, genoemd in artikel 2 van de Wet College voor examens, of één van diens rechtsvoorgangers, genoemd in artikel 12 van die wet, op het gebied van staatsexamens;

g. g.

    *afsluitend examen:* het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het examen van een opleiding van de Open Universiteit, voor zover dit examen door die wet daarmee gelijk wordt gesteld.

Artikel 24m

1.

Er is een diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, inburgering en Nederlands als tweede taal, dat ten doel heeft diplomagegevens te verstrekken aan:

a. a. de betrokkene; b. b. de instelling of school, bedoeld in artikel 24n, of de school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs, waarbij de betrokkene is ingeschreven of minder dan vijf jaar voor de gegevensverstrekking was ingeschreven; c. c. de instelling of school, bedoeld in artikel 24n, of het College voor examens, waarbij de betrokkene minder dan vijf jaar voor de gegevensverstrekking een waardedocument heeft behaald; d. d. een instelling of school als bedoeld in artikel 24n, of het College voor examens, voor zover de verwerking van die gegevens noodzakelijk is voor de aanmelding, inschrijving of examinering van de betrokkene; e. e. overheidsinstanties, voor zover de verwerking van die gegevens noodzakelijk is voor de goede vervulling van hun publieke taak; f. f. overige derden.

2. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in dit hoofdstuk is Onze Minister de verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 24n

Behoudens artikel 24r omvat het diplomaregister gegevens over:

a. a. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde propedeutische examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger beroepsonderwijs en met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs, met uitzondering van de programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die op of na 1 januari 1996 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; b. b. diplomas, cijferlijsten en certificaten van uit s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; c. c. diplomas, cijferlijsten en certificaten van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, van die wet; d. d. diplomas van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens; e. e. diplomas voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven; f. f. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2006 zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die aan de desbetreffende school zijn ingeschreven; g. g. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die zijn ingeschreven aan een school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs; h. h. diplomas, cijferlijsten en certificaten van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens; i. i. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van de uit s Rijks kas bekostigde programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g, van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; j. j. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn afgegeven door de instelling, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; k. k. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; l. l. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14b van de Wet op de expertisecentra die zijn afgegeven door scholen voor voortgezet speciaal onderwijs; m. m. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde examens van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen als bedoeld in artikel 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; n. n. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde examens van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen als bedoeld in artikelen 7.3a en 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door rechtspersonen voor hoger onderwijs; o. o. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van de niet uit s Rijks kas bekostigde programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door rechtspersonen voor hoger onderwijs; p. p. diplomas en certificaten van niet uit s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door andere dan in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instellingen of instellingen als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; q. q. diplomas, cijferlijsten en certificaten van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen educatie die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door andere dan in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instellingen of instellingen als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; r. r. diplomas en cijferlijsten die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 24o

1.

Het diplomaregister bevat voor alle daarin opgenomen waardedocumenten gegevens over:

a. a. het persoonsgebonden nummer, de geslachtsnaam, de voornamen, het geslacht en de geboortedatum van betrokkene zoals opgenomen in de basisregistratie personen of, bij het ontbreken daarvan, zoals opgegeven door de organisatie die het waardedocument heeft uitgereikt; b. b. het soort waardedocument alsmede de naam van de organisatie die dit heeft uitgereikt.

2.

Het diplomaregister bevat voorts gegevens over:

a. a. in geval van een getuigschrift van een opleiding of programma, opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: de desbetreffende opleiding en het jaar, de maand en de aard van het examen; b. b. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat van een opleiding, opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs: de kwalificatie, het onderdeel van de kwalificatie of het keuzedeel en de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onder h, q en s, van die wet; c. c. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, afgegeven door een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van die wet: de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onder f en g, van die wet; d. d. in geval van een diploma voor een staatsexamen als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, afgegeven door het College voor examens: het behaalde diploma, het programma en de datum waarop het diploma is behaald; e. e. in geval van een diploma voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering: het behaalde diploma, het niveau, het profiel en de datum waarop het diploma is behaald. f. f. in geval van een diploma of cijferlijst van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs, afgegeven door een school als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet: de gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, onder c, d, f en g, van die wet; g. g. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat voor een staatsexamen als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, afgegeven door het College voor examens: de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het college-examen, het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking heeft, dan wel het thema alsmede de beoordeling van het profielwerkstuk, de cijfers van het centraal examen, de eindcijfers en de uitslag van het staatsexamen; h. h. in geval van een diploma of cijferlijst van onderwijs als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14b van de Wet op de expertisecentra, afgegeven door een school voor voortgezet speciaal onderwijs: de gegevens, bedoeld in artikel 164a, tweede lid, onder c, k, l en m, van die wet; i. i. in geval van een diploma of cijferlijst van onderwijs, afgegeven door een school die is aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs: de gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, onder c, d, f en g, van die wet; j. j. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat van een opleiding educatie, afgegeven door een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een instelling als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs: de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onder f en g, van die wet.

Artikel 24p

1. Indien een of meer van de gegevens in het diplomaregister afwijken van de gegevens in het originele waardedocument, kan de betrokkene Onze Minister elektronisch verzoeken eerstgenoemde gegevens te verbeteren. Onze Minister verzoekt de organisatie die het document heeft uitgereikt om hem elektronisch de juiste gegevens te verstrekken. Indien de organisatie constateert dat een of meer gegevens van de betrokkene in het diplomaregister niet overeenkomen met de gegevens waarover zij beschikt, verzoekt zij Onze Minister om deze gegevens te verbeteren.

2. Indien de organisatie die het document heeft uitgereikt, constateert dat de gegevens van de betrokkene in het diplomaregister overeenkomen met de gegevens waarover zij beschikt of indien zij niet meer over de diplomagegevens van betrokkene beschikt, deelt zij dit elektronisch mee aan Onze Minister en deelt Onze Minister dit elektronisch mee aan de betrokkene. Indien de organisatie niet meer over de diplomagegevens van de betrokkene beschikt, kan de betrokkene op vertoon van het originele waardedocument aan Onze Minister verzoeken om de gegevens in het diplomaregister te verbeteren.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de gegevens, bedoeld in artikel 24o, eerste lid, onder a, die zijn overgenomen uit de basisregistratie personen.

Artikel 24q

1. Vervallen.

2. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan een instelling, school of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 24n of aan een school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien betrokkene is ingeschreven of was ingeschreven bij die instelling, school, rechtspersoon voor hoger onderwijs of afdeling. Op grond van de eerste volzin kunnen uitsluitend diplomagegevens worden verstrekt die zijn behaald voor onderwijs van die instelling, school, rechtspersoon voor hoger onderwijs of afdeling.

3. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan een instelling, school of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 24n of aan het College voor examens indien betrokkene een waardedocument heeft behaald bij die instelling, die school, die rechtspersoon voor hoger onderwijs of dat college. Op grond van de eerste volzin kunnen uitsluitend diplomagegevens worden verstrekt van waardedocumenten die zijn afgegeven door die instelling, die school, die rechtspersoon voor hoger onderwijs of dat college.

4. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of aan het College voor examens ten behoeve van de aanmelding, inschrijving of examinering van betrokkene.

5.

Op grond van het vierde lid kunnen uitsluitend diplomagegevens worden verstrekt van:

a. a. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder a tot en met d en f tot en met l, indien het betreft een instelling als bedoeld in artikel 24n, onder a, i, j of k, b. b. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder b, c, f, g, h en l, indien het betreft een instelling als bedoeld in artikel 24n, eerste lid, onder b, c. c. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder c, f, g, h en l, indien het betreft een school, instelling of afdeling als bedoeld in artikel 24n, eerste lid, onder c, f, g of l, d. d. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder c, d, f, g, h en l, indien het betreft het College voor examens.

6. Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taken. Voor zover het betreft het gebruik door Onze Minister voor de begrotings- en beleidsvoorbereiding, kunnen persoonsgegevens worden verwerkt, indien dit noodzakelijk is voor de voornoemde doelen, onverminderd de verplichting voor de verwerkingsverantwoordelijke om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 25 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 24f, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

7.

Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan:

a. a. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als beheerder van een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om inschrijving in dat register; b. b. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als beheerder van het Informatiesysteem Inburgering, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet inburgering ten behoeve van de beoordeling van de aanwezigheid van een vrijstelling van de inburgeringsplicht; c. c. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 30, eerste lid, 30a, eerste en tweede lid, 30b, 30d en 31 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

8. Uit het diplomaregister wordt desgevraagd aan betrokkene een elektronisch document met diplomagegevens verstrekt, dat is beveiligd tegen wijzigingen en waarvan kan worden vastgesteld dat het is afgegeven door Onze Minister.

9. De verstrekking van gegevens uit het diplomaregister geschiedt elektronisch.

10. In afwijking van het negende lid geschiedt de verstrekking van gegevens op grond van het eerste of achtste lid schriftelijk indien betrokkene hierom verzoekt.

11. Voor de elektronische verstrekking van gegevens op grond van het eerste tot en met zesde lid is geen vergoeding verschuldigd. Onze Minister kan regels stellen over de vergoeding die verschuldigd is voor de elektronische verstrekking van gegevens op grond van het zevende en achtste lid en voor de schriftelijke verstrekking van gegevens op grond van het tiende lid.

Artikel 24r

Diplomagegevens worden tot 60 jaar na de maand van afgifte van het laatst behaalde waardedocument of, indien dat eerder is, tot het overlijden van betrokkene bewaard in het diplomaregister in een vorm die het mogelijk maakt betrokkene te identificeren.

Artikel 24s

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking van persoonsgegevens uit het diplomaregister.

Artikel 24t

1. Onze Minister houdt gedurende twintig jaren volgend op de verstrekking van gegevens uit het diplomaregister met uitzondering van de verstrekking op grond van artikel 24q, eerste lid of zesde lid, tweede volzin, aantekening van de verstrekking, tenzij de verstrekking van gegevens in de genoemde periode anderszins is te herleiden uit het diplomaregister.

2. Onze Minister deelt aan de betrokkene mede of hem betreffende gegevens gedurende twintig jaren voorafgaande aan het verzoek uit het diplomaregister zijn verstrekt aan een overheidsorgaan, een onderwijsinstelling of een andere derde. Onze Minister kan volstaan met een in algemene termen gestelde mededeling omtrent de verstrekkingen.

Artikel 24u

Een derde kan bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het persoonsgebonden nummer voor zover dit noodzakelijk is in verband met de verstrekking van gegevens aan hem uit het diplomaregister.

Hoofdstuk 7. Wijzigingsbepalingen

Artikel 25

Wijzigt de Leerplichtwet 1969.

Artikel 26

Wijzigt de Wet op het primair onderwijs.

Artikel 27

Wijzigt de Wet op de expertisecentra.

Artikel 28

Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 29

Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 30

Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen.

Artikel 31

Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 32

Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 33

a.Wijzigt deze wet.

b.Wijzigt deze wet.

c.Wijzigt kamerstuk 26935.

d.Wijzigt deze wet.

c.Wijzigt kamerstuk 27728.

Hoofdstuk 8. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 34

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van paragraaf 4 van hoofdstuk 6a van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de realisatie van de volgende doelstellingen van het register vrijstellingen en vervangende leerplicht:

a. a. verbetering van de handhaving van de Leerplichtwet 1969 door de leerplichtambtenaar; b. b. verbetering van de registratie van het aantal voortijdig schoolverlaters; c. c. uniformering van de registratie van de vrijstellingen en vervangende leerplicht.

Artikel 35

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 36

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het onderwijstoezicht.