rijk/zbo/beleidsregel-betrouwbaarheidstoetsing/BWBR0017862
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing BWBR0017862 zbo geldend 2005-01-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0017862 Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing

Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing

Artikel 1

1. Onder betrouwbaarheid wordt voor de toepassing van de toezichtswet verstaan het zich onthouden van één of meer gedragingen die naar het oordeel van de toezichthouder in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler dan wel het houden van een gekwalificeerde deelneming.

2. Tot de in het eerste lid bedoelde gedragingen behoren in ieder geval gedragingen die blijk geven van het niet hebben van eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie en rechtschapenheid.

Artikel 2

1. De beoordeling van de betrouwbaarheid geschiedt door op basis van voornemens, handelingen en antecedenten (hierna gezamenlijk te noemen: antecedenten) te toetsen of betrokkene blijk geeft of heeft gegeven van zodanige gedragingen dat daardoor naar het oordeel van de toezichthouder diens betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat.

2.

De bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in acht te nemen antecedenten zijn:

    • strafrechtelijke antecedenten (bijlage A1 en bijlage A2);
      
    • financiële antecedenten (bijlage B);
      
    • toezichtsantecedenten (bijlage C);
      
    • fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten (bijlage D);
      
    • overige antecedenten (bijlage E).
      

Bijlage A2 bevat een limitatieve opsomming van antecedenten; de overige bijlagen zijn niet limitatief.

3.

Inzicht in de in het tweede lid genoemde antecedenten wordt verkregen door gebruik te maken van onder meer:

    • de door de te benoemen persoon en voorgenomen houder van een gekwalificeerde deelneming ingevulde vragenlijst volgens het door de toezichthouder vastgestelde model;
      
    • de mogelijkheid om bij de Landelijk Officier van Justitie gegevens uit politieregisters op te vragen;
      
    • raadpleging van de database Vennoot '98 van het Ministerie van Justitie;
      
    • raadpleging van de Belastingdienst;
      
    • gegevens of inlichtingen verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
      
    • ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
      
    • referenties.
      

Artikel 3

1. De toezichthouder concludeert dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat indien naar zijn oordeel uit de antecedenten van betrokkene blijkt dat deze één of meer van de in artikel 1 bedoelde gedragingen heeft vertoond.

2.

De toezichthouder betrekt bij zijn oordeelsvorming

    • in voorkomend geval het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging(en) en de overige omstandigheden van het geval;
      
    • de belangen die de toezichtswet beoogt te beschermen; alsmede
      
    • de overige belangen van de financiële instelling en betrokkene.
      

3. Gelet op aard en de ernst van de misdrijven genoemd in bijlage A2, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de toezichtswet beoogt te beschermen. De toezichthouder stelt vast dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat indien uit de antecedenten van betrokkene blijkt dat deze bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld ter zake van een misdrijf als vermeld in genoemde bijlage, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken.

4. Indien een antecedent kan worden gekwalificeerd als een antecedent in de zin van zowel bijlage A1 als bijlage A2, dan geldt het bepaalde van artikel 3, derde lid, hiervoor.

Artikel 4

In het geval dat de toezichthouder heeft geconcludeerd dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat en uit de toezichtswet zelf geen directe consequenties voortvloeien, kan de toezichthouder gebruik maken van de hem ingevolge de toezichtswet toekomende bevoegdheden (bijvoorbeeld het geven van een aanwijzing, het niet verlenen c.q. intrekken van een vergunning of het weigeren, wijzigen of intrekken van een verklaring van geen bezwaar).

Artikel 5

De Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen van 19 april 2004 (Stcrt. 74) wordt ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Bijlage A1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in

Bijlage A2. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in

Betrokkene is bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak veroordeeld ter zake van (poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van - mislukte uitlokking, art. 46a WvSr. daaronder begrepen -, medeplegen van en/of medeplichtigheid aan) één of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten:

Onder veroordelingen wordt ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer aldaar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Bijlage B. Financiële antecedenten als bedoeld in

Onder privé financiële antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval de volgende verstaan:

Onder zakelijke financiële antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval de volgende verstaan:

Andere feiten of omstandigheden aangaande betrokkene die wijzen op betrokkenheid bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de toezichthouder van belang kunnen zijn.

Bijlage C. Toezichtsantecedenten als bedoeld in

Onder toezichtsantecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval de volgende verstaan:

Andere feiten of omstandigheden aangaande betrokkene die wijzen op betrokkenheid bij één of meer gedragingen op de financiële markten, voor zover die redelijkerwijs voor de toezichthouder van belang kunnen zijn.

Bijlage D. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in

Onder privé fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval de volgende verstaan:

Betrokkene is een vergrijpboete opgelegd op basis van één of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tussen haakjes worden genoemd de artikelen:

Onder zakelijke fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval de volgende verstaan:

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als bestuurder of commissaris, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is een vergrijpboete opgelegd op basis van één of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tussen haakjes worden genoemd de artikelen:

Andere feiten of omstandigheden aangaande betrokkene die wijzen op betrokkenheid bij één of meer gedragingen op de financiële markten, voor zover die redelijkerwijs voor de toezichthouder van belang kunnen zijn.

Bijlage E. Overige antecedenten als bedoeld in

Onder overige antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), wordt in ieder geval de volgende verstaan:

Andere feiten of omstandigheden aangaande betrokkene, voor zover die redelijkerwijs voor de toezichthouder van belang kunnen zijn.

Het belang van de handhaving van de integriteit op de financiële markten is groot en het maatschappelijk vertrouwen in deze markten en instellingen die hierop handelen is essentieel. Over de betrouwbaarheid van (mede)beleidsbepalers van financiële instellingen en houders van gekwalificeerde deelnemingen in het kapitaal of de stemrechten van betrokken instellingen mag geen twijfel bestaan. Deze personen worden voordat zij die functies mogen vervullen, getoetst door een toezichthouder (te weten De Nederlandsche Bank of de Stichting Autoriteit Financiële Markten) of de Minister van Financiën. Een eenmaal getoetste persoon dient blijvend te voldoen aan de wettelijk vereiste betrouwbaarheid.

Tegen deze achtergrond zijn genoemde twee toezichthouders en de Minister van Financiën (hierna gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk te noemen: 'de toezichthouder') tot onderlinge afstemming gekomen inzake de toetsing van de betrouwbaarheid. Deze afstemming heeft geleid tot de onderhavige beleidsregel met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid.

In het kader van de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden moet de toezichthouder zich een oordeel vormen over de vraag of de betrouwbaarheid van bepaalde personen al dan niet buiten twijfel staat. Afhankelijk van de betrokken bepaling betreft het hier (kandidaat)(mede)beleidsbepalers, zoals bestuurders en leden van Raden van Commissarissen, en houders van gekwalificeerde deelnemingen in het kapitaal of de stemrechten van betrokken instellingen. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de toetsing van de betrouwbaarheid van houders van een gekwalificeerde deelneming in een onder toezicht staande instelling een onderdeel van de procedure voor een afgifte van een verklaring van geen bezwaar en de vergunningsverlening aan de instelling. Deze beleidsregel is derhalve eveneens van toepassing op de toetsing van de betrouwbaarheid van deze houders van een gekwalificeerde deelneming.

De systematiek van de beleidsregel is als volgt:

  • Er wordt een uitleg gegeven van het begrip betrouwbaarheid, waarbij is aangesloten bij bestuursrechtelijke jurisprudentie. Onder 'betrouwbaarheid' verstaat de toezichthouder dat betrokkene geen gedragingen heeft vertoond die naar het oordeel van de toezichthouder in de weg staan aan het vervullen van zijn (toekomstige) functie dan wel het houden van een gekwalificeerde deelneming. Onder gedragingen wordt begrepen zowel doen als nalaten (bijvoorbeeld ten opzichte van ondergeschikten of anderszins). Uit zowel een doen als een nalaten kan blijken dat betrokkene blijk geeft van zodanige eigenschappen dat daaruit naar het oordeel van de toezichthouder voortvloeit dat betrokkene's betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. Met betrekking tot de in de bijlagen opgesomde antecedenten geldt dat het bestaan van een enkel antecedent niet op zichzelf maatgevend is voor het oordeel van de toezichthouder inzake de betrouwbaarheid. De toezichthouder zal zich een eigen oordeel vormen over een antecedent. Zo beoordeelt de toezichthouder niet slechts op grond van op de lijsten voorkomende antecedenten maar wordt het onderlinge verband van bepaalde gedragingen in ogenschouw genomen. Een antecedent dat op zich zelf genomen van weinig betekenis zou zijn kan voor de toezichthouder, in combinatie met andere factoren of gedragingen van de betrokkene, de 'druppel die de emmer doet overlopen' zijn en met zich brengen dat de toezichthouder tot het oordeel komt dat de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat. Dit betekent dat bijvoorbeeld een vrijspraak door de strafrechter of het uitblijven van een bepaalde strafrechtelijke reactie niet op voorhand betekent dat er geen twijfel zou kunnen bestaan over de betrouwbaarheid van betrokkene. Omgekeerd is het, in beginsel, eveneens mogelijk dat de toezichthouder, alle (toezichts-) belangen in acht nemend, tot de conclusie komt dat het bestaan van een antecedent, behoudens die genoemd in bijlage A2, niet leidt tot twijfel over de betrouwbaarheid van betrokkene.

Een aantal gedragingen beschouwt de toezichthouder echter als zo ernstig dat zij deze op voorhand kwalificeert als onverenigbaar met de belangen die de toezichtswet beoogt te beschermen. Deze gedragingen zijn opgenomen in bijlage A2, hetgeen meebrengt dat wanneer betrokkene onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf zoals opgesomd in bijlage A2, de toezichthouder vaststelt dat de betrouwbaarheid van betrokkene niet (meer) buiten twijfel staat.

Bijlage A2 bevat een limitatieve opsomming van antecedenten, de overige bijlagen zijn niet limitatief.

Indien een strafrechtelijk antecedent kan worden gekwalificeerd als een antecedent in de zin van bijlage A1 alsmede bijlage A2, in welk laatste geval er sprake is van een onherroepelijke veroordeling, dan geldt het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Beleidsregel.

De toezichthouder hanteert bedoelde begrenzing niet bij antecedenten als aangegeven in de bijlagen A1, B, CD & E. De toezichthouder kan deze antecedenten echter, voor zover zij zich hebben voorgedaan voorafgaande aan een termijn van 8 jaar, minder zwaar wegen dan antecedenten die zich binnen die termijn hebben voorgedaan.