40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Beleidsregel geschiktheid 2012 | BWBR0031740 | zbo | geldend | 2012-07-04 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0031740 | Beleidsregel geschiktheid 2012 |
Beleidsregel geschiktheid 2012
Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen met betrekking tot de geschiktheidstoetsing van beleidsbepalers
Artikel 1.1
De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in de Wft, de Pw, de Wvb, respectievelijk de Wtt en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, tenzij deze begrippen uitdrukkelijk anders worden gedefinieerd in deze beleidsregel.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op personen die uitsluitend kwalificeren als aanvrager van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, Wft. Deze personen worden conform artikel 3:100, eerste lid, onderdeel b Wft beoordeeld op hun reputatie, met inachtneming van de Gemeenschappelijke richtsnoeren inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector, vastgesteld door het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten bestaande uit EBA, EIOPA en ESMA. De beoordeling van de reputatie is een andere toets dan de geschiktheidstoets als bedoeld in deze beleidsregel en ziet toe op een andere doelgroep.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. a.
*beleidsbepaler:* een persoon die bij of krachtens de Wft, het BGfo, het Bpr, de Pw of de Wvb, het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wtt 2018, de Wwft, de CSDR, de EMIR, de EuSEF, de EuVECA of de CSPR moet of kan worden getoetst op geschiktheid;
b. b.
*collectief:* meer dan één beleidsbepaler, waarbij de beleidsbepalers gezamenlijk het (dagelijks) beleid van de onderneming (mede)bepalen of gezamenlijk toezicht houden op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming;
c. c.
*competenties:* vaardigheden, kwaliteiten en houdingsaspecten die relevant zijn voor de geschiktheid voor de taak of functie;
d. d.
*onderneming:* een financiële onderneming, gemengde financiële holding, financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland, marktexploitant, elektronischgeldinstelling, pensioenfonds, beroepspensioenfonds, crowdfundingdienstverlener als bedoeld in artikel 2, eerste lid onderdeel d van de CSPR, datarapporteringsdienstverlener, houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft, centrale effectenbewaarinstellingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 1 CSDR, centrale tegenpartij als bedoeld in artikel 2, eerste lid, EMIR, aanbieder van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta, aanbieder van bewaarportemonnees, of trustkantoor;
e. e.
*toezichthouder:* DNB, de AFM;
f. f.
*klant:* consument, cliënt, deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde en andere aanspraakgerechtigde of belegger;
g. g.
*onderneming in groep A:* aanbieder van beleggingsobjecten; aanbieder van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta; aanbieder van bewaarportemonnees; afwikkelonderneming; bank; beroepspensioenfonds; betaalinstelling; centrale effectenbewaarinstelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 1, CSDR; centrale tegenpartij; clearinginstelling; elektronischgeldinstelling; entiteit voor risico-acceptatie; financiële holding, gemengde financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland; financiële instelling; herverzekeraar; kredietunie; levensverzekeraar; marktexploitant; natura-uitvaartverzekeraar; pensioenfonds; premiepensioeninstelling; schadeverzekeraar; trustkantoor of wisselinstelling;
h. h.
*onderneming in groep B:* aanbieder van krediet; beheerder van beleggingsinstelling; beheerder van een icbe; beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de EuSEF; beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de EuVECA; beleggingsholding; beleggingsmaatschappij; beleggingsonderneming; bewaarder of bewaarder van een icbe; crowdfundingdienstverlener; datarapporteringsdienstverlener; icbe; (onder)gevolmachtigd agent of pensioenbewaarder;
i. i.
*onderneming in groep C:* adviseur, bemiddelaar of herverzekeringsbemiddelaar of houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft.
Artikel 1.2
1.
Geschiktheid bestaat uit kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. De geschiktheid van een beleidsbepaler blijkt in ieder geval uit de opleiding, werkervaring en competenties van de beleidsbepaler en de doorlopende toepassing hiervan. In de bijlage bij deze beleidsregel zijn relevante competenties om geschiktheid aan te tonen opgenomen.
Beleidsbepalers zijn geschikt met betrekking tot de volgende onderwerpen:
A. A.
**Bestuur, organisatie en communicatie**, waaronder het aansturen van processen, taakgebieden en medewerkers, zicht hebben op en sturing geven aan lange termijn waarde creatie, het naleven en handhaven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen, waaronder het tijdig, juist en duidelijk informeren van klanten en de toezichthouder;
B. B.
**Producten, diensten en markten waarop de onderneming actief is**, inclusief relevante wet- en regelgeving en financiële (en actuariële) aspecten;
C. C.
**Beheerste en integere bedrijfsvoering**, waaronder de administratieve organisatie en interne controle, de waarborging van geschiktheid en vakbekwaamheid binnen een onderneming, de zorgvuldige behandeling van klanten, het risicomanagement, compliance en de uitbesteding van werkzaamheden;
D. D.
**Evenwichtige en consistente besluitvorming,** waarbij onder meer de belangen van klanten en andere stakeholders een centrale positie innemen, en het in staat zijn eigen gedegen, objectieve en onafhankelijke besluiten te nemen en oordelen te vormen bij de vervulling van taken en verantwoordelijkheden;
E. E.
**Voldoende tijd**, met inbegrip van tijd voor het verwerven van inzicht in de activiteiten van de onderneming, haar belangrijkste risico’s en de implicaties van de bedrijfs- en risicostrategie, alsmede voldoende beschikbare tijd in perioden van sterk verhoogde activiteit van de onderneming of van andere entiteiten waar de beleidsbepaler een (neven)functie vervult.
2. Voor de toetsing voorafgaand aan het aantreden van een beleidsbepaler van de in hoofdstuk 2 genoemde ondernemingen is geschiktheid als omschreven in onderdeel 1.2.1, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.
Artikel 1.3
De toetsing van geschiktheid geschiedt met inachtneming van:
a) a) de functie van een beleidsbepaler; en b) b) het soort, de omvang, de complexiteit en het risicoprofiel van de onderneming.
Artikel 1.4
Indien sprake is van een collectief geschiedt de toetsing van geschiktheid met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief.
Artikel 1.5
Als de toezichthouder de geschiktheid van een beleidsbepaler toetst, zijn daar verschillende momenten voor, te weten:
a) a) vóór het aantreden van een beleidsbepaler, bij vergunningaanvraag of registratie, of bij het voornemen tot aantreden als nieuwe beleidsbepaler bij een onderneming die beschikt over een vergunning, dan wel geregistreerd is; en b) b) na het aantreden van een beleidsbepaler, indien feiten of omstandigheden daartoe redelijke aanleiding geven.
Artikel 1.6
1. Bij het toetsen van geschiktheid van een beleidsbepaler neemt de toezichthouder informatie en antecedenten met betrekking tot geschiktheid in aanmerking.
2.
Onder informatie en antecedenten als bedoeld in onderdeel 1.6.1 worden in ieder geval verstaan:
a) a) het volledig ingevulde en ondertekende door de toezichthouder voorgeschreven formulier voor aanvraag van een toetsing; b) b) toezichtinformatie- en antecedenten, zoals formele en informele toezichtmaatregelen; c) c) het door een onderneming gehanteerde beleid, en de uitkomsten daarvan, voor werving en selectie en voor periodieke beoordeling van beleidsbepalers. Hieronder valt:
i)
het door de onderneming gedocumenteerde beleid waarin rekening is gehouden met onderdelen 1.2.1, 1.3 en 1.4;
ii)
het door de onderneming opgestelde functieprofiel voor de functie waarvoor een beleidsbepaler getoetst wordt en de (schriftelijk vastgelegde) besluitvorming over de selectie van een beleidsbepaler waarbij ook de overwegingen die tot deze uitkomst hebben geleid worden weergegeven; en
iii)
voor zover van toepassing, de periodieke (schriftelijk vastgelegde) beoordeling van een beleidsbepaler op basis van het functieprofiel en de uitgeoefende functie, inclusief de overwegingen die tot deze beoordeling hebben geleid;
i) i) het door de onderneming gedocumenteerde beleid waarin rekening is gehouden met onderdelen 1.2.1, 1.3 en 1.4; ii) ii) het door de onderneming opgestelde functieprofiel voor de functie waarvoor een beleidsbepaler getoetst wordt en de (schriftelijk vastgelegde) besluitvorming over de selectie van een beleidsbepaler waarbij ook de overwegingen die tot deze uitkomst hebben geleid worden weergegeven; en iii) iii) voor zover van toepassing, de periodieke (schriftelijk vastgelegde) beoordeling van een beleidsbepaler op basis van het functieprofiel en de uitgeoefende functie, inclusief de overwegingen die tot deze beoordeling hebben geleid; d) d) overige door de onderneming aan te leveren informatie voor zover dit van belang kan zijn bij de toetsing van geschiktheid van een beleidsbepaler; e) e) overige informatie, waaronder betrokkenheid van een beleidsbepaler bij surséance van betaling of faillissement; en f) f) openbare informatie.
Artikel 1.7
Bij de weging van de in onderdeel 1.6 genoemde informatie en antecedenten betrekt de toezichthouder de volgende factoren:
a) a) het onderlinge verband tussen de aan informatie of een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval; b) b) de belangen die de wet beoogt te beschermen; c) c) de overige belangen van een onderneming en een betrokken beleidsbepaler; d) d) de zwaarte van de informatie of het antecedent; e) e) de ouderdom van de informatie of het antecedent; f) f) de houding of motivering van een betrokken beleidsbepaler ten aanzien van de informatie of het antecedent; g) g) de combinatie van beschikbare informatie en antecedenten
Artikel 1.8
1. Onverminderd de artikelen 1:49 en 1:90 van de Wft, artikel 205 van de Pw, artikel 199 van de Wvb, artikel 38 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, de artikelen 56 en 58 van de Wtt en artikel 22 van de Wwft, maken de AFM en DNB in concrete gevallen afspraken over hun samenwerking bij de toetsing van geschiktheid en het uitwisselen van informatie en antecedenten wanneer het een onderneming betreft die onder toezicht van beide toezichthouders staat.
2.
Met het oog op de consistente toepassing door de AFM en DNB van deze beleidsregel wordt een gezamenlijk panel samengesteld. Dit gezamenlijke panel beoordeelt periodiek toetsingen op basis van deze beleidsregel. De bevindingen van het gezamenlijke panel worden gebruikt in de periodieke evaluatie van de beleidsregel, bedoeld in onderdeel 3.1
Hoofdstuk 2. – Nadere bepalingen beleidsbepalers van ondernemingen in groep B en C
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 2.1.1
Voor alle ondernemingen in groep B en C geldt dat algemene vakinhoudelijke kennis en specifieke vakinhoudelijke kennis moet zijn opgedaan maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing. De geschiktheid ten aanzien van de beheerste en integere bedrijfsvoering en de bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden moeten zijn opgedaan maximaal tien jaar voorafgaand aan het moment van toetsing.
Artikel 2.1.2
Bij de toetsing voorafgaand aan het aantreden van beleidsbepalers van ondernemingen in groep B en C worden in ieder geval de volgende onderdelen van hoofdstuk 1 meegewogen:
a. a. variabelen van toetsing (onderdeel 1.3); b. b. collectief (onderdeel 1.4); c. c. informatie en antecedenten (onderdeel 1.6); en d. d. weging van informatie en antecedenten (onderdeel 1.7).
Paragraaf 2. Aanbieder van krediet; beheerder van een beleggingsinstelling; beheerder van een icbe; beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de EuSEF; beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de EuVECA; beleggingsholding; beleggingsmaatschappij; beleggingsonderneming; bewaarder; bewaarder van een icbe; crowdfundingdienstverlener; datarapporteringsdienstverlener; icbe; (onder)gevolmachtigd agent of pensioenbewaarder (groep B)
Artikel 2.2.1
1.
Een beleidsbepaler van een aanbieder van krediet, beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, beleggingsholding, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming niet zijnde een verbonden agent, bewaarder, bewaarder van een icbe, crowdfundingdienstverlener, datarapporteringsdienstverlener, icbe, (onder)gevolmachtigd agent of pensioenbewaarder wordt bij aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1 indien hij of zij aantoont minimaal te beschikken over:
a. a. bestuurlijke vaardigheden nodig voor het dagelijks beleid; b. b. leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding; c. c. algemene vakinhoudelijke kennis, opgedaan in een relevante werkomgeving; d. d. specifieke vakinhoudelijke kennis, opgedaan in een relevante werkomgeving; en e. e. geschiktheid ten aanzien van de beheerste en integere bedrijfsvoering.
Onderwerpen a. tot en met e. zijn opgedaan gedurende ten minste twee jaar werkervaring, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten.
2. f. f. het in staat zijn eigen gedegen, objectieve en onafhankelijke besluiten te nemen en oordelen te vormen bij de vervulling van taken en verantwoordelijkheden, en g. g. voldoende tijd, met inbegrip van tijd voor het verwerven van inzicht in de activiteiten van de instelling, haar belangrijkste risico’s en de implicaties van de bedrijfs- en risicostrategie, alsmede voldoende beschikbare tijd in perioden van sterk verhoogde activiteit van de onderneming of van andere entiteiten waar de beleidsbepaler een (neven)functie vervult.
3.
Indien bij een beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming niet zijnde een verbonden agent, bewaarder, bewaarder van een icbe, crowdfundingdienstverlener, datarapporteringsdienstverlener, icbe, of (onder)gevolmachtigd agent met inbegrip van de beleidsbepalers, ten hoogste zes personen werkzaam zijn en gezien de aard, omvang en complexiteit van de onderneming de vereiste twee jaar werkervaring als genoemd in 2.2.1, eerste lid, niet redelijkerwijs vereist is, kunnen de minimumvereisten als bedoeld onder a, c, d en e, van onderdeel 2.2.1, eerste lid, zijn opgedaan gedurende één jaar aaneengesloten werkervaring. Het vereiste onder b, van onderdeel 2.2.1, eerste lid, wordt in dat geval niet getoetst.
Als de onderneming in omvang groeit naar een onderneming waar meer dan zes personen werkzaam zijn, worden de beleidsbepalers van deze onderneming opnieuw aan de voor hen relevante criteria in hoofdstuk 2 getoetst.
4.
Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.2.1, eerste lid twee of meer beleidsbepalers heeft, is het voor de beoordeling van:
a. a. de leidinggevende vaardigheden (2.2.1.1.b) voldoende dat minimaal twee van de beleidsbepalers daarover beschikken; b. b. de specifieke vakinhoudelijke kennis (2.2.1.1.d) en geschiktheid ten aanzien van de integere en beheerste bedrijfsvoering (2.2.1.1.e) voldoende dat het collectief gezamenlijk daarover beschikt, met dien verstande dat elke beleidsbepaler in ieder geval over de specifieke vakinhoudelijke kennis of over geschiktheid ten aanzien van de beheerste en integere bedrijfsvoering beschikt.
Artikel 2.2.2
Een beleidsbepaler van een verbonden agent, een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de EuSEF en een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b van de EuVECA wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1 indien hij of zij aantoont minimaal te beschikken over algemene vakinhoudelijke kennis en specifieke vakinhoudelijke kennis, opgedaan gedurende ten minste:
a. a. één jaar werkervaring in het geval van een verbonden agent; b. b. twee jaar werkervaring in het geval van een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de EuSEF of een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b van de EuVECA.
Artikel 2.2.3
In aanvulling op de minimumvereisten van de onderdelen 2.2.1 en 2.2.2 kan de toezichthouder, indien daartoe redelijke aanleiding bestaat, besluiten de geschiktheid van een beleidsbepaler van een in voornoemde onderdelen genoemde onderneming nader te toetsen aan de vereisten van onderdeel 1.2.1.
Paragraaf 3. Adviseurs, bemiddelaars en herverzekeringsbemiddelaars; houders van een ontheffing als bedoeld in
Artikel 2.3.1
1.
Een beleidsbepaler van een adviseur, bemiddelaar of herverzekeringsbemiddelaar of een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over:
a. a. bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid; en b. b. leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding.
2.
Een beleidsbepaler van een bemiddelaar of adviseur in beleggingsobjecten of een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij, in aanvulling op de eisen uit 2.3.1.1 aantoont te beschikken over:
c. c. algemene vakinhoudelijke kennis; en d. d. specifieke vakinhoudelijke kennis.
3. De vaardigheden en kennis uit het eerste en tweede lid zijn opgedaan gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. De vaardigheden en kennis uit het eerste en tweede lid moet zijn opgedaan in een relevante werkomgeving.
4. Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.3.1 twee of meer beleidsbepalers heeft, is voor de toetsing van de leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding voldoende dat één van die beleidsbepalers aantoont daarover te beschikken.
5. Indien een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.3, vierde lid, Wft twee of meer beleidsbepalers heeft, is het voor de beoordeling van de specifieke vakinhoudelijke kennis als bedoeld in onderdeel 2.3.1.1.c voldoende dat het collectief gezamenlijk daarover beschikt.
Artikel 2.3.2
1. Dit artikel is niet van toepassing op een bemiddelaar in of adviseur van beleggingsobjecten en een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft.
2.
Een beleidsbepaler van een adviseur, bemiddelaar of herverzekeringsbemiddelaar, waar met inbegrip van de beleidsbepalers, ten hoogste zes personen werkzaam zijn, wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over:
a. a. bestuurlijke ervaring opgedaan gedurende ten minste één jaar in een voor de onderneming relevante werkomgeving; b. b. een HBO(+)-diploma van een voor de onderneming relevante opleiding en minimaal één jaar relevante werkervaring opgedaan in de afgelopen tien jaar; c. c. een HBO(+)-diploma en minimaal twee jaar relevante werkervaring opgedaan in de afgelopen tien jaar, waarvan één jaar aaneengesloten, of d. d. zeven jaar werkervaring in een voor de onderneming relevante werkomgeving. Van deze zeven jaar is twee jaar werkervaring, waarvan één jaar aaneengesloten, opgedaan in de afgelopen tien jaar.
3. In afwijking van onderdeel 1.4 wordt het collectief van ondernemingen als bedoeld in dit artikel bij aanvang nimmer met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief getoetst.
4. Als de onderneming nadien in omvang groeit naar een onderneming waar meer dan zes personen werkzaam zijn, dan worden de beleidsbepalers van deze onderneming opnieuw aan de voor hen relevante criteria in hoofdstuk 2 getoetst.
Artikel 2.3.3
In aanvulling op de minimumvereisten van de onderdelen 2.3.1 en 2.3.2 kan de toezichthouder, indien daartoe redelijke aanleiding bestaat, besluiten de geschiktheid van een beleidsbepaler van een in voornoemde onderdelen genoemde onderneming nader te toetsen aan de vereisten van onderdeel 1.2.1.
Hoofdstuk 3. – Slotbepalingen
Artikel 3.1
Deze beleidsregel wordt periodiek geëvalueerd.
Artikel 3.2
De Beleidsregel deskundigheid 2011 (Stcrt. 2010, 20810) wordt ingetrokken.
Artikel 3.3
Deze beleidsregel treedt in werking op 1 juli 2012. Indien de Staatscourant waarin deze beleidsregel wordt geplaatst, verschijnt na 2 juli 2012, treedt deze beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 juli 2012.
Artikel 3.4
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel geschiktheid 2012.
Bijlage . – Competenties in alfabetische volgorde (behorend bij
De opsomming van deze competenties (a tot en met r) is cumulatief noch limitatief.