40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR | BWBR0042578 | zbo | geldend | 2019-10-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0042578 | Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR |
Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Artikel 1:1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a) a)
*DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.;
b) b)
*CRD:* de Capital Requirements Directive of richtlijn kapitaalvereisten, oftewel Richtlijn nr. 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
c) c)
*CRR:* de Capital Requirements Regulation of verordening kapitaalvereisten, oftewel Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
d) d)
*SSMR:* de Single Supervisory Mechanism Regulation, oftewel Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
e) e)
*Wft:* de Wet op het financieel toezicht;
f) f)
*Bpr:*
Besluit prudentiële regels Wft;
g) g)
* LCR DR: * de *Liquidity Coverage Ratio Delegated Regulation*, oftewel Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen.
Artikel 1:2
1.
Voor de toepassing van Hoofdstuk 2 van deze regeling wordt onder instelling verstaan:
a. a. een bank, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft, met zetel in Nederland; b. b. een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft.
2.
Voor de toepassing van Hoofdstuk 3 van deze regeling wordt onder instelling verstaan:
a. a. een bank, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft, met zetel in Nederland die niet is aangemerkt als belangrijke kredietinstelling overeenkomstig artikel 6 lid 4 van de SSM Verordening; of b. b. een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft.
3. Hoofstuk 3 van deze regeling is van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen met zetel in Nederland en op clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren, tenzij de aard van de bepaling of de systematiek van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.
Artikel 1:3
Gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvoor een openbaar lichaam is ingesteld worden aangemerkt als regionale en lokale overheden als bedoeld in artikel 115, lid 2 van de CRR.
Hoofdstuk 2. - Macroprudentiële opties en discreties
Artikel 2:1
1. Een instelling beschikt over een systeemrisicobuffer, als bedoeld in artikel 105, eerste lid 1, onderdeel d van het Bpr, wanneer dat naar het oordeel van DNB nodig is ter voorkoming of beperking van macroprudentiële of systeemrisico’s als bedoeld in artikel 133, eerste lid van de CRD.
2. Met inachtneming van artikel 133, vierde tot en met achtste lid van de CRD, besluit DNB op welke instellingen het eerste lid van toepassing is, op welk niveau en voor welke blootstellingen de systeemrisicobuffer geldt en wat de hoogte van de aan te houden buffer is.
Artikel 2:2
1. Een bank met zetel in Nederland, die ingevolge artikel 143 van de CRR toestemming heeft om risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot natuurlijke personen, als bedoeld in artikel 147(5)(a)(iii) van de CRR, te berekenen aan de hand van de interneratingbenadering, voldoet met betrekking tot het totaal van de blootstellingen op natuurlijke personen gedekt door niet-zakelijk onroerend goed in Nederland ten minste aan de vereiste gemiddelde risicoweging als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
2.
De minimaal vereiste gemiddelde risicoweging wordt als volgt berekend:
Voor elke individuele blootstelling wordt het risicogewicht berekend door een risicogewicht van 12% te hanteren voor het deel van de lening dat niet hoger is dan 55% van de marktwaarde van het onroerend goed dat dient als dekking van de lening, en een risicogewicht van 45% voor het resterende deel van de lening.
Van de aldus berekende risicogewichten voor de individuele blootstellingen wordt het gemiddelde berekend, gewogen op basis van de omvang van elke individuele blootstelling.
3. Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op leningen voor zover deze geheel of gedeeltelijk gedekt zijn door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen.
4. Dit artikel vervalt per 1 december 2026.
Artikel 2:3
1. DNB kan besluiten, met inachtneming van artikel 134 van de CRD en de relevante aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico’s, om een door een andere lidstaat vastgesteld systeemrisicobufferpercentage als bedoeld in artikel 133 van de CRD te erkennen en toe te passen op instellingen voor blootstellingen in de lidstaat waar dat bufferpercentage is vastgesteld.
2. DNB kan besluiten om, met inachtneming van artikel 458, vijfde tot en met zevende lid, van de CRR en de relevante aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico’s, een door een andere lidstaat op basis van artikel 458 CRR vastgestelde maatregel te erkennen en toe te passen op instellingen die bijkantoren of blootstellingen hebben in de lidstaat waar die maatregel is vastgesteld.
Hoofdstuk 3. Microprudentiële opties en discreties
Artikel 3:1
Gelet op artikel 89, lid 3 van de CRR en onverminderd artikel 90 van de CRR passen instellingen ter berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel drie van de CRR een risicogewicht van 1250% toe op het hoogste van het hiernavolgende:
a) a) het bedrag van de in artikel 89, lid 1 van de CRR bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 15% van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling; en b) b) het totale bedrag van de in artikel 89, lid 2 van de CRR bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 60% van het in aanmerking komende kapitaal van de instelling.
Artikel 3:2
Instellingen passen met betrekking tot de in artikel 178, lid 1, onderdeel b) van de CRR genoemde categorieën blootstellingen de ‘meer-dan-90-dagen-achterstallig’-norm toe.
Artikel 3:3
1.
In de context van artikel 178, lid 2, onderdeel d) van de CRR beoordelen instellingen de materialiteit van een achterstallige kredietverplichting met gebruik van de volgende drempelwaarde, die twee componenten bevat:
a. a. een grens in termen van de som van alle achterstallige bedragen verschuldigd door de debiteur aan de instelling, de moederonderneming van de instelling of een van haar dochterondernemingen (hierna: de ‘achterstallige kredietverplichting’), die gelijk is aan:
i.
100 EUR voor blootstellingen met betrekking tot particulieren;
ii.
500 EUR voor andere blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot particulieren;
i. i. 100 EUR voor blootstellingen met betrekking tot particulieren; ii. ii. 500 EUR voor andere blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot particulieren; b. b. een grens in termen van het bedrag van de achterstallige kredietverplichting in verhouding tot het totaalbedrag van alle blootstellingen binnen de balanstelling voor de instelling, de moederonderneming van de instelling of een van haar dochterondernemingen aan deze debiteur, met uitzondering van blootstellingen in aandelen, gelijk aan 1%.
2. Voor instellingen die de definitie van wanbetaling vervat in artikel 178, lid 1, eerste alinea, onderdelen a) en b) van de CRR toepassen voor blootstellingen met betrekking tot particulieren op het niveau van een individuele kredietlijn, geldt de in lid 1 bedoelde drempelwaarde op het niveau van de individuele kredietlijn die aan de debiteur wordt verleend door de instelling, de moederonderneming van de instelling of een van haar dochterondernemingen.
3. Wanbetaling wordt geacht zich te hebben voorgedaan wanneer beide in lid 1, onderdelen a) en b), uiteengezette grenzen gedurende negentig opeenvolgende dagen worden overschreden.
4. Instellingen passen de drempelwaarde voor de beoordeling van de materialiteit van een achterstallige kredietverplichting ten laatste op 31 december 2020 toe. Zij stellen DNB uiterlijk op 1 maart 2020 in kennis van de exacte datum waarop zij beginnen met de toepassing van een dergelijke drempelwaarde.
Artikel 3:4
1.
De volgende blootstellingen worden vrijgesteld van toepassing van de in artikel 395, lid 1 van de CRR genoemde limieten voor grote blootstellingen (grote posten), mits is voldaan aan de in artikel 400, lid 3 van de CRR gestelde voorwaarden:
a) a) de in artikel 400, lid 2, onderdeel a) van de CRR opgesomde blootstellingen, ten belope van 80% van de nominale waarde van de gedekte obligaties; b) b) de in artikel 400, lid 2, onderdeel b) van de CRR opgesomde blootstellingen, ten belope van 80% van hun blootstellingswaarde; c) c) de in artikel 400, lid 2, onderdeel c) van de CRR opgesomde blootstellingen die een instelling heeft ten aanzien van de in artikel 400, lid 2 van de CRR genoemde ondernemingen, voor zover deze ondernemingen zijn gevestigd in de Europese Unie en op die ondernemingen hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis van toepassing is overeenkomstig de CRR, de richtlijn financiële conglomeraten, dan wel de in een derde land vigerende equivalente normen, en voor zover tevens is voldaan aan de voorwaarden in bijlage I; d) d) de in artikel 400, lid 2, onderdeel d) van de CRR opgesomde blootstellingen, en voor zover tevens voldaan is aan de voorwaarden in bijlage II; e) e) de in artikel 400, lid 2, onderdelen e) tot en met h) en j) tot en met l) van de CRR opgesomde blootstellingen, ten belope van het volledige bedrag van de blootstellingswaarde; f) f) de in artikel 400, lid 2, onderdeel i) van de CRR opgesomde vrijstellingen, tot het maximaal toegestane bedrag.
2. Instellingen beoordelen of is voldaan aan de in artikel 400, lid 3 van de CRR gestelde voorwaarden, alsook aan de bijlagen I en II, voor zover van toepassing op de specifieke blootstelling. DNB kan te allen tijde deze beoordeling verifiëren en daartoe van instellingen verlangen dat zij de in bijlage I of II bedoelde documentatie indienen.
Artikel 3:5
De volgende indexen kwalificeren als belangrijke aandelenindexen voor het bepalen van de omvang van aandelen die overeenkomstig artikel 12, lid 1, punt c), van de LCR DR als activa van niveau 2B kunnen worden aangemerkt:
a) a) de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1646 van de Commissie opgenomen indexen; b) b) een niet in onderdeel a) opgenomen belangrijke aandelenindex in een lidstaat of in een derde land, die voor de toepassing van dit onderdeel als zodanig wordt aangemerkt door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat of overheidsinstantie van een derde land; c) c) elke niet onder onderdelen a) of b) opgenomen belangrijke aandelenindex, bestaande uit vooraanstaande ondernemingen in het desbetreffende rechtsgebied.
Artikel 3:6
1. Instellingen die krachtens hun statuten om redenen van godsdienstige overtuiging niet in staat zijn om rentedragende activa aan te houden, kunnen bedrijfsschuldpapieren opnemen als activa van niveau 2B overeenkomstig alle in artikel 12, lid 1, onderdeel b) van de LCR DR vastgelegde voorwaarden.
2. Voor de in lid 1 bedoelde instellingen kan DNB periodiek het in lid 1 vastgelegde vereiste herzien en vrijstelling van artikel 12, lid 1, onderdeel b), ii) en iii), van de LCR DR verlenen, indien aan de in artikel 12, lid 3, van de LCR DR is voldaan.
Artikel 3:7
1. Tenzij DNB andere factoren voor vereiste stabiele financiering vaststelt, passen instellingen op blootstellingen buiten de balanstelling die niet in deel zes, titel IV, hoofdstuk 4, van de CRR worden genoemd en die binnen het toepassingsgebied van artikel 428 septdecies, lid 10, van de CRR vallen, factoren voor vereiste stabiele financiering toe die overeenstemmen met de uitstroompercentages die zij in het kader van artikel 23 van de LCR DR toepassen op gerelateerde producten en diensten in het liquiditeitsdekkingsvereiste.
2. Instellingen die toestemming hebben ontvangen van DNB om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de CRR bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, volgen de in het eerste lid gespecificeerde benadering bij de toepassing van artikel 428 quaterquadragies, lid 10 van de CRR.
Artikel 3:8
1. Indien activa overeenkomstig artikel 11, lid 3 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad zijn afgescheiden en instellingen niet vrijelijk over dergelijke activa kunnen beschikken, beschouwen instellingen deze activa als bezwaard voor een periode die overeenkomt met de termijn van de verplichtingen jegens de cliënten van de instellingen waarop dat afscheidingsvereiste betrekking heeft.
2. Instellingen die toestemming hebben ontvangen van DNB om het in deel zes, titel IV, hoofdstuk 5, van de CRR bedoelde vereenvoudigde nettostabielefinancieringsvereiste toe te passen, volgen de in het eerste lid gespecificeerde benadering bij de toepassing van artikel 428 quinquesquadragies, lid 2, van de CRR.
Artikel 3:9
Een bank als bedoeld in artikel 3:33a, eerste lid, van de Wft kan onroerend goed dat als zekerheid is gesteld voor gedekte obligaties waarderen tegen of onder de marktwaarde of tegen de hypotheekwaarde van dat onroerend goed, zonder dat de in artikel 229, eerste lid, onderdeel e, van de CRR vastgelegde plafonds hoeven te worden toegepast.
Hoofdstuk 4. - Slotbepalingen
Artikel 4:1
De Regeling specifieke bepalingen CRD IV en CRR (Stcrt. 2013, 35423) wordt ingetrokken.
Artikel 4:2
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR.
Artikel 4:3
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019.
Bijlage I. bij de Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR
Voorwaarden voor de beoordeling van een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, overeenkomstig artikel 400, lid 2, onderdeel c) van de CRR en artikel 3:4 van deze regeling.
Bijlage II. bij de Regeling specifieke bepalingen CRD en CRR
Voorwaarden voor de beoordeling van een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, overeenkomstig artikel 400, lid 2, onderdeel d) van de CRR en artikel 3:4 van deze regeling.