40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke subsidieregeling rechtsbijstand bij beslag op inkomen of vermogen 2026–2028 | BWBR0052226 | zbo | geldend | 2026-01-29 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0052226 | Tijdelijke subsidieregeling rechtsbijstand bij beslag op inkomen of vermogen 2026–2028 |
Tijdelijke subsidieregeling rechtsbijstand bij beslag op inkomen of vermogen 2026–2028
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*advocaat:* de advocaat als bedoeld in de artikelen 9a en 9j van de Advocatenwet, die is ingeschreven bij de Raad als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de rechtsbijstand;
b. b.
*alleenstaand;* de alleenstaande rechtzoekende zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid Wrb;
c. c.
*Bebr:* het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand;
d. d.
*beslag op inkomen:* derdenbeslag op inkomen behorende tot de inkomensgegevens zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
e. e.
*beslag op vermogen:* beslag op vermogen genoemd in artikel 5.3, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
f. f.
*beslagvrije voet:* de beslagvrije voet als genoemd in artikel 475b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
g. g.
*bestuur:* het bestuur van de Raad, als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wrb;
h. h.
*Btm:* het Besluit toevoeging mediation;
i. i.
*Bvr:* het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000;
j. j.
*deurwaarder:* de gerechtsdeurwaarder als bedoeld in artikel 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet of belastingdeurwaarder als bedoeld in artikel 2j van de Invorderingswet, artikel 231 van de Gemeentewet, artikel 227a sub e van de Provinciewet of artikel 123 derde lid sub e van de Waterschapswet;
k. k.
*gezamenlijke huishouding:* de leefsituatie op het moment van de aanvraag zoals omschreven in artikel 34, derde lid Wrb;
l. l.
*mediator:* de mediator als bedoeld in artikel 1 van de Wrb die is ingeschreven bij de Raad als bedoeld in artikel 33b van de Wet op de rechtsbijstand;
m. m.
*partner:* de persoon zoals omschreven in artikel 34, derde lid sub a en b Wrb;
n. n.
*peiljaar:* het peiljaar zoals bedoeld in artikel 1 Wrb;
o. o.
*Raad:* de Raad voor Rechtsbijstand, bedoeld in Hoofdstuk II van de Wrb;
p. p.
*rechtsbijstand:* rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1 van de Wrb;
q. q.
*rechtzoekende:* natuurlijke personen die rechtzoekende zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wrb;
r. r.
*toevoeging:* de toevoeging als bedoeld in artikel 1 van de Wrb;
s. s.
*vergoeding:* de op grond van deze regeling vast te stellen subsidie;
t. t.
*Wrb:*
Wet op de rechtsbijstand.
Artikel 2
Deze regeling heeft tot doel subsidie te verstrekken ten behoeve van en met het oog op de verlening van rechtsbijstand of mediation aan rechtzoekenden bij wie beslag is gelegd op het inkomen en vermogen teneinde de toegang tot het recht te waarborgen.
Hoofdstuk II. Subsidie bij beslag op inkomen
Artikel 3
1.
Het bestuur kan subsidie verstrekken ten behoeve van verlening van rechtsbijstand of mediation aan een rechtzoekende die op basis van zijn inkomen niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand dan wel op basis van zijn inkomen wordt geconfronteerd met een hoge eigen bijdrage, als:
a. a. een deurwaarder op het moment van de aanvraag van een toevoeging beslag heeft gelegd op het inkomen van rechtzoekende of diens partner en; b. b. de deurwaarder de beslagvrije voet heeft toegepast; c. c. het vermogen van rechtzoekende of diens partner in het peiljaar niet hoger is dan het vermogen genoemd in artikel 34, tweede lid Wrb en; d. d. bewijsstukken als genoemd in artikel 8 zijn overgelegd waaruit naar het oordeel van de Raad genoegzaam blijkt dat aan de voorwaarden onder sub a en b zijn voldaan.
2. Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing in die gevallen waarin op grond van artikel 2b of artikel 2c Bebr een tweede eigen bijdrage verschuldigd is en waarin op het moment van het verschuldigd zijn van de tweede eigen bijdrage beslag is gelegd als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4
1. Is de rechtzoekende alleenstaand, dan is de eigen bijdrage gelijk aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 4, eerste lid Bebr.
2. Voert de rechtzoekende een gezamenlijke huishouding en is de beslagvrije voet toegepast op zowel het inkomen van rechtzoekende als diens partner, dan is de eigen bijdrage gelijk aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 4, eerste lid Bebr.
3. Voert de rechtzoekende een gezamenlijke huishouding en is de beslagvrije voet toegepast op enkel het inkomen van rechtzoekende of enkel op het inkomen van diens partner, dan wordt het inkomen van degene op wiens inkomen de beslagvrije voet is toegepast als € 0 (nul euro) opgenomen in de berekening van het gezamenlijk inkomen.Voor de beoordeling van het inkomen en vermogen van de ander, wordt uitgegaan van diens inkomen en vermogen in het peiljaar. Indien het inkomen van rechtzoekende en diens partner binnen de grenzen vallen als genoemd in artikel 34, eerste lid Wrb, dan is de eigen bijdrage gelijk aan de eigen bijdrage zoals omschreven in artikel 2 of 2a Bebr. Artikel 34c Wrb is onverminderd van toepassing op het inkomen en vermogen van de ander.
4. Artikel 34a, eerste lid, derde en vierde volzin Wrb is niet van toepassing op gevallen genoemd in het eerste en tweede lid.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor de eigen bijdrage die een rechtzoekende verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand bestaande uit het geven van eenvoudig rechtskundig advies, met dien verstande dat de eigen bedrage gelijk is aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 2, derde lid sub a of sub b Bebr.
6. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor de eigen bijdrage die een rechtzoekende verschuldigd is voor de verlening van mediation, met dien verstande dat de eigen bedrage gelijk is aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 4, eerste of tweede lid Btm.
Hoofdstuk III. Subsidie bij beslag op vermogen
Artikel 5
1.
Het bestuur kan subsidie verstrekken ten behoeve van verlening van rechtsbijstand of mediation aan een rechtzoekende die op basis van zijn vermogen niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand, als:
a. a. een deurwaarder op het moment van de aanvraag beslag heeft gelegd op het vermogen van rechtzoekende of diens partner; b. b. rechtzoekende of diens partner over onvoldoende vermogen beschikt om de kosten van rechtsbijstand te betalen; c. c. het inkomen van rechtzoekende of diens partner in het peiljaar niet hoger is dan het inkomen genoemd in artikel 34, eerste lid Wrb en; d. d. bewijsstukken als genoemd in artikel 8 zijn overgelegd waaruit naar het oordeel van de Raad genoegzaam blijkt dat aan de voorwaarden onder sub a, b en het tweede lid van dit artikel zijn voldaan.
2. Rechtzoekende of diens partner beschikken over onvoldoende vermogen om de kosten van rechtsbijstand, als bedoeld in het eerste lid, te betalen als na beslag naar verwachting een vermogen van maximaal € 5.000 in bank- en spaartegoeden resteert, dan wel beschikbaar is.
Artikel 6
1. Is de rechtzoekende alleenstaand, dan is de eigen bijdrage gelijk aan de eigen bijdrage zoals omschreven in artikel 2 of 2a Bebr.
2. Voert de rechtzoekende een gezamenlijke huishouding en is er beslag gelegd op zowel het vermogen van rechtzoekende als diens partner, dan is de eigen bijdrage gelijk aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 2 of 2a Bebr.
3. Voert de rechtzoekende een gezamenlijke huishouding en is er beslag gelegd op enkel het vermogen van rechtzoekende of op enkel het vermogen van diens partner, dan wordt het vermogen van degene op wiens vermogen beslag is gelegd als € 0 (nul euro) opgenomen in de berekening van het gezamenlijk inkomen. Voor de beoordeling van het inkomen en vermogen van de ander wordt uitgegaan van diens inkomen en vermogen in het peiljaar. Indien het inkomen van degene op wiens vermogen beslag is gelegd en het inkomen en vermogen van de ander binnen de grenzen vallen als genoemd in artikel 34, eerste lid Wrb, dan is de eigen bijdrage gelijk aan de eigen bijdrage zoals omschreven in artikel 2 of 2a Bebr. Artikel 34c Wrb is onverminderd van toepassing op het inkomen en vermogen van de ander.
4. Artikel 34a, eerste lid, derde en vierde volzin Wrb is niet van toepassing op gevallen genoemd in het eerste en tweede lid.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor de eigen bijdrage die een rechtzoekende verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand bestaande uit het geven van eenvoudig rechtskundig advies, met dien verstande dat de eigen bedrage gelijk is aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 2, derde lid sub a Bebr.
6. Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing voor de eigen bijdrage die een rechtzoekende verschuldigd is voor de verlening van mediation, met dien verstande dat de eigen bedrage gelijk is aan de eigen bijdrage genoemd in artikel 4, eerste of tweede lid Btm.
Artikel 7
De hoogte van de subsidie is overeenkomstig de bepalingen van het Bvr en Btm.
Hoofdstuk IV. Aanvraag subsidie
Artikel 8
1. De aanvraag voor een subsidie op grond van deze regeling geschiedt, voor zover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken, op dezelfde wijze als de aanvraag om een toevoeging. De bepalingen van de Wrb en het Bvr en het Btm zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag en de subsidie op grond van deze regeling.
2. De advocaat of mediator maakt bij de aanvraag gebruik van een door de Raad daartoe beschikbaar gestelde formulier.
3. De advocaat of mediator overlegt bij het verzoek een kopie van de beschikking(en), vonnis(sen) of dwangbevel(en) met daarin een aanduiding van de vordering op grond waarvan executoriaal of conservatoir beslag is gelegd alsmede een kopie van het beslagexploot.
4. De advocaat of mediator vermeldt bij het verzoek dat met rechtzoekende is besproken of deze een beroep kan doen op een rechtsbijstandsverzekering en dat het de advocaat of mediator is gebleken dat hiervan geen sprake is. In het geval wel een beroep gedaan kan worden op een rechtsbijstandsverzekering, dient de advocaat of mediator geen verzoek op grond van deze regeling in.
5.
De advocaat of mediator overlegt in het geval van beslag op inkomen in aanvulling op de stukken genoemd in het derde lid:
a. a. een kopie van de meest recente salaris- of uitkeringsspecificatie waaruit blijkt dat de beslagvrije voet is toegepast en er sprake is van een beslag op het moment van de toevoegingsaanvraag en; b. b. het meest recente door de deurwaarder aan rechtzoekende verstrekte overzicht met de berekening van de beslagvrije voet.
6.
De advocaat of mediator overlegt in het geval van beslag op vermogen in aanvulling op de stukken genoemd in het derde lid:
a. a. bewijsstukken waaruit blijkt dat er sprake is van een beslag op het moment van de toevoegingsaanvraag en; b. b. bewijsstukken waaruit blijkt dat als gevolg van het beslag maximaal € 5.000 aan vermogen in bank- en spaartegoeden resteert.
Hoofdstuk V. Controle op de duurzaamheid van het beslag
Artikel 9
1.
Het bestuur neemt ambtshalve een nieuw subsidiebesluit wat in plaats komt van het primaire subsidiebesluit, waarbij de subsidie wordt ingetrokken dan wel herzien, als gebleken is dat:
i. i. er geen sprake meer is van een beslag op het moment dat 6 maanden zijn verstreken sinds de datum van aanvraag van de subsidie; of ii. ii. bij beslag op vermogen op het moment van betaling door de bank aan de deurwaarder een vermogen resteerde van meer dan € 5.000.
2. Het bestuur verzoekt de advocaat of mediator daartoe recente bewijsstukken als genoemd in artikel 8, vijfde of zesde lid te overleggen.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, doet de advocaat of mediator uit eigen beweging melding bij de Raad als het beslag wordt opgeheven binnen een periode van 6 maanden vanaf de datum van aanvraag bij de toevoeging onder overlegging van de bewijsstukken, genoemd in het tweede lid. Het bestuur neemt vervolgens het besluit, genoemd in het eerste lid.
Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
Artikel 10
Voor deze regeling zal het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand van de Raad in opdracht van het bestuur een monitor opzetten waarmee in ieder geval elk half jaar cijfers worden aangeleverd die een evaluatie van deze subsidieregeling ondersteunen. Er vindt per drie maanden een evaluatie plaats om bij te kunnen sturen.
Artikel 11
1. Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt 1.500 toevoegingen.
2. De subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Hoofdstuk VII. Toepassings- en slotbepalingen
Artikel 12
Deze regeling is niet van toepassing in die gevallen waarin reeds op grond van artikel 4 Bebr de laagste eigen bijdrage of op grond van artikel 2 Bebr de laagst mogelijke eigen bijdrage kan worden opgelegd.
Artikel 13
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2026 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2026.
2. Deze regeling heeft betrekking op besluiten op toevoegingen waarvan de afgiftedatum is gelegen op of na 1 januari 2026.
3. Deze regeling vervalt als het subsidieplafond zoals beschreven in artikel 11 bereikt is of op het tijdstip waarop het Besluit tot Wijziging van de Wet op de rechtsbijstand en besluit tot wijziging van het Besluit Eigen Bijdrage Rechtsbijstand waarbij de subsidie voor rechtsbijstand zoals omschreven in deze regeling is geregeld, doch uiterlijk uiterlijk op 1 april 2028.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: de Tijdelijke subsidieregeling rechtsbijstand bij beslag op inkomen of vermogen 2026–2028.