rijk/beleidsregel/boetebeleidsregel-acm-2014/BWBR0035322
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Boetebeleidsregel ACM 2014 BWBR0035322 beleidsregel geldend 2016-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0035322 Boetebeleidsregel ACM 2014

Boetebeleidsregel ACM 2014

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

1.

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • ACM: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
  • basisboete: het bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld op grond van:

a. een percentage van de betrokken omzet, of b. een binnen de bandbreedte van de aan een overtreding gekoppelde boetecategorie vastgesteld bedrag;

  • betrokken omzet: in alle gevallen de omzet in het laatste volledige kalenderjaar waarin de desbetreffende overtreding is begaan, dan wel het kalenderjaar waarin het grootste deel van de overtreding heeft plaatsgevonden indien de overtreding in meerdere kalenderjaren heeft plaatsgevonden, vermenigvuldigd met een factor van 1/12 per maand dat de overtreding geduurd heeft, waarbij een periode korter dan een maand wordt afgerond op een hele maand naar boven;
  • jaaromzet: omzet van de overtreder als bedoeld in artikel 12o van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
  • VWEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

2. Indien een overtreding korter dan een jaar heeft geduurd, wordt voor het bepalen van de betrokken omzet de totale periode dat de overtreding heeft geduurd in ogenschouw genomen.

Artikel 1.2

1. De betrokken omzet wordt afgerond op een veelvoud van € 1.000.

2. De vastgestelde bestuurlijke boete wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 500.

Hoofdstuk 2. Consumenten, energie, mededinging, post en telecommunicatie

Paragraaf 2.1. Algemeen

Artikel 2.1

1. Indien de ACM constateert dat een overtreder meerdere overtredingen heeft begaan, kan zij, in plaats van elke overtreding afzonderlijk te beboeten, een bestuurlijke boete opleggen voor deze overtredingen gezamenlijk.

2. In afwijking van het eerste lid legt de ACM voor gedragingen die zowel een overtreding vormen van de artikelen 6, eerste lid of 24, eerste lid, van de Mededingingswet als van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, in beginsel één bestuurlijke boete op.

Artikel 2.2

De hoogte van de basisboete wordt, voor zover van toepassing, in ieder geval afgestemd op:

a. de ernst van de overtreding, b. de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, en c. de duur van de overtreding.

Paragraaf 2.2. Specifieke overtredingen met als basisboete een percentage van de betrokken omzet

Artikel 2.3

1. In geval van overtreding van de artikelen 6, eerste lid of 24, eerste lid, van de Mededingingswet, 101 of 102 van het VWEU en in gevallen waarin de ACM op basis van artikel 49, eerste en tweede lid van de Postwet 2009 en artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet een bestuurlijke boete kan opleggen, stelt de ACM de basisboete vast op basis van de betrokken omzet.

2. Indien de ACM de betrokken omzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.

3. In geval van een verboden aanbestedingsafspraak kan de ACM voor elke bij de aanbestedingsafspraak betrokken overtreder de omzet die kan worden gerealiseerd op basis van het bod waartegen de opdracht is verleend, of een evenredig deel daarvan, als betrokken omzet aanmerken.

4. Indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, kan de betrokken omzet van de daarvan deel uitmakende ondernemingen in aanmerking worden genomen.

5. Indien de ACM uit bij haar bekende informatie afleidt dat de betrokken omzet onvoldoende aansluit bij de daadwerkelijke economische waarde van de te beboeten gedraging, kan de ACM de in aanmerking te nemen betrokken omzet aanpassen aan deze informatie.

6. In het kader van specifieke preventie kan de ACM de in aanmerking te nemen betrokken omzet verhogen met het oog op het gewicht van de overtreder, uitgedrukt in de totale jaaromzet van deze overtreder in het boekjaar voorafgaande aan de boetebeschikking.

Artikel 2.4

De ACM stelt een basisboete vast tussen 0 tot 50% van de betrokken omzet van de overtreder.

Paragraaf 2.3. Overige overtredingen met als basisboete een promillage van de totale jaaromzet

Artikel 2.5

1.

Indien artikel 2.3, eerste lid, niet van toepassing is, stelt de ACM de basisboete, in het geval dat aan een overtreder blijkens een wettelijke bepaling een maximale boete van € 900.000 dan wel, indien dat meer is, een promillage van de totale jaaromzet kan worden opgelegd, vast binnen de bandbreedtes van de volgende boete categorieën:

Onderkant van de bandbreedte Bovenkant van de bandbreedte
Categorie vast bedrag of ‰ van de omzet als dat meer is vast bedrag of ‰ van de omzet als dat meer is
categorie I € 15.000 0,25 ‰ € 150.000 2,5 ‰
categorie II € 75.000 0,5 ‰ € 300.000 5 ‰
categorie III € 150.000 0,75 ‰ € 600.000 7,5 ‰
categorie IV € 300.000 2,5 ‰ € 650.000 25 ‰
categorie V € 400.000 5 ‰ € 700.000 50 ‰
categorie VI € 500.000 7,5 ‰ € 800.000 75 ‰

2. In de bijlage worden de bepalingen ter zake waarvan ingeval van een overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld in de daarbij aangewezen boetecategorie.

3. Indien de in het tweede lid bedoelde indeling in een boetecategorie in het concrete geval naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat, kan de naast hogere of de naast lagere categorie worden toegepast.

4.

De omzet die in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de maximale basisboete wordt als volgt berekend:

a. de jaaromzet tot € 250.000.000 telt voor 100% mee, b. de jaaromzet tussen € 250.000.000 en € 1.000.000.000 telt voor 50% mee, en c. de jaaromzet boven de € 1.000.000.000 telt voor 2% mee.

Artikel 2.6

1. Bij de toepassing van artikel 2.5, vierde lid, gaat de ACM uit van de in Nederland behaalde omzet.

2. In afwijking van het eerste lid gaat de ACM uit van de wereldwijde omzet indien het uitgaan van de in Nederland behaalde omzet naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op overtredingen van de Postwet 2009 of de Telecommunicatiewet.

4. Bij de geografische toerekening van de omzet past de ACM de uitgangspunten toe zoals uiteengezet door de Europese Commissie in de Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU 2008, C 95).

5. Indien de omzet naar het oordeel van de ACM onvoldoende aansluit bij de daadwerkelijke economische macht van de overtreder, kan de ACM de hoogte van de basisboete bepalen in overeenstemming met deze economische macht.

6. Indien de ACM de omzet niet op basis van door de overtreder verstrekte informatie kan bepalen, kan de ACM hiervan een schatting maken.

7. Indien er sprake is van een overtreding van artikel 34, eerste lid, van de Mededingingswet wordt, wanneer de concentratie in het jaar voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van de bestuurlijke boete nog niet tot stand was gebracht, voor het bepalen van de omzet de jaaromzetten van de afzonderlijke bij de concentratie betrokken ondernemingen, of onderdelen daarvan, bij elkaar opgeteld.

Paragraaf 2.4. Het opleggen van bestuurlijke boetes aan natuurlijke personen

Artikel 2.7

1. Indien de ACM een bestuurlijke boete oplegt aan een natuurlijke persoon vanwege het geven van opdracht tot een overtreding of het feitelijk leiding geven aan een overtreding, kan de ACM bij de vaststelling van boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden als bedoeld in de artikelen 2.9 en 2.10, rekening houden met de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en de positie van de natuurlijke persoon binnen de marktorganisatie waarvoor hij of zij werkzaam is, dan wel werkzaam was, en stelt de ACM een boetegrondslag vast die ten minste gerelateerd is aan de ernst van de overtreding en het inkomen en vermogen van de overtreder, teneinde tot een bestuurlijke boete te komen die uit het oogpunt van zowel algemene als specifieke preventie voldoende afschrikwekkend is.

2.

De ACM stelt de basisboete voor natuurlijke personen vast, ingeval van de hieronder opgesomde overtredingen, binnen de volgende bandbreedtes:

a. € 0 50.000 voor het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan overtredingen die zijn ingedeeld in de categorieën I en II; b. € 40.000 250.000 voor:

1°. het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan overtredingen die zijn ingedeeld in categorie III; 2.° het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan een overtreding door een marktorganisatie met een jaaromzet van minder dan € 10.000.000 van:

bepalingen die zijn ingedeeld in de categorieën IV, V en VI; artikel 6 van de Mededingingswet of artikel 101 van het VWEU; c. € 80.000 500.000 voor het opdracht geven tot of feitelijk leiding geven aan overtreding door een marktorganisatie met een jaaromzet tussen € 10.000.000 en 250.000.000 van:

1.° bepalingen die zijn ingedeeld in de categorieën IV, V, en VI; 2.° artikel 6 van de Mededingingswet of artikel 101 van het VWEU; 3.° van de artikelen 24 van de Mededingingswet of 102 van het VWEU; 4.° artikel 13b tot en met artikel 13k van de Postwet 2009 of 5.° bepalingen waarvoor de ACM op basis van artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet een bestuurlijke boete kan opleggen; d. € 120.000 900.000 voor het opdracht geven tot of tot het feitelijk leiding geven aan:

1.° een overtreding door een marktorganisatie met een jaaromzet van meer dan € 250.000.000 van:

bepalingen die zijn ingedeeld in de categorieën IV, V en VI; artikel 6 van de Mededingingswet of artikel 101van het VWEU artikel 24 van de Mededingingswet of artikel 102 van het VWEU; artikel 13b tot en met artikel 13k van de Postwet 2009 of bepalingen waarvoor de ACM op basis van artikel 15.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet een bestuurlijke boete kan opleggen; 2.° overtredingen die zijn ingedeeld in de bandbreedte bedoeld in dit lid, onder c, en waarbij in een concreet geval, gelet op de bijzondere omstandigheden van dat geval, beboeting in de bandbreedte, bedoeld in dit lid, onder c, in het kader van specifieke preventie geen passende beboeting oplevert.

3. Indien de in het tweede lid bedoelde indeling in een boetecategorie in het concrete geval naar het oordeel van de ACM geen passende beboeting toelaat, kan de naast hogere of de naaste lagere categorie worden toegepast.

Paragraaf 2.5. Boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden

Artikel 2.8

1. Bij de vaststelling van de bestuurlijke boete beziet de ACM of sprake is van boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden.

2. De ACM bepaalt in redelijkheid de mate waarin de betrokken omstandigheid leidt tot een verhoging of verlaging van de basisboete.

Artikel 2.9

1.

Boeteverhogende omstandigheden zijn in ieder geval:

a. de omstandigheid dat de ACM of een andere bevoegde autoriteit, waaronder de Europese Commissie of een rechterlijke instantie, reeds eerder onherroepelijk een zelfde of een vergelijkbare door de overtreder begane overtreding heeft vastgesteld, b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de ACM heeft belemmerd, c. de omstandigheid dat de overtreder tot de overtreding heeft aangezet of een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de uitvoering daarvan, d. de omstandigheid dat de overtreder gebruik heeft gemaakt van, of voorzien in, controle- of dwangmiddelen ter handhaving van de te beboeten gedraging.

2. In geval van recidive als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogt de ACM de basisboete met 100%, tenzij dit gezien de omstandigheden van het concrete geval onredelijk zou zijn.

Artikel 2.10

Boeteverlagende omstandigheden zijn in ieder geval:

a. de omstandigheid dat de overtreder anders dan in het kader van de Beleidsregel clementie, verdergaande medewerking aan de ACM heeft verleend dan waartoe hij wettelijk gehouden was, b. de omstandigheid dat de overtreder uit eigen beweging degenen aan wie door de overtreding schade is berokkend, schadeloos heeft gesteld.

Artikel 2.11

Indien de ACM een bestuurlijke boete oplegt aan een natuurlijke persoon vanwege het geven van opdracht tot een overtreding of het feitelijk leiding geven aan een overtreding, kan de ACM bij de vaststelling van boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden als bedoeld in de artikelen 2.9 en 2.10, rekening houden met de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en de positie van de natuurlijke persoon binnen de marktorganisatie waarvoor hij of zij werkzaam is, dan wel werkzaam was.

Paragraaf 2.6. De vaststelling van de bestuurlijke boete in uitzonderlijke omstandigheden

Artikel 2.12

In afwijking van de voorgaande artikelen kan de ACM, indien de uitzonderlijke omstandigheden van het geval naar haar oordeel hiertoe aanleiding geven, een symbolische bestuurlijke boete opleggen.

Hoofdstuk 3. Aanbesteden

Artikel 3.1

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op overtredingen waarvoor de ACM op grond van artikel 4.21, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.8, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied een bestuurlijke boete kan opleggen.

2. Hoofdstuk 2 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde overtredingen.

Artikel 3.2

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • opschortende termijn: de termijn, bedoeld in artikel 2.127, eerste lid, of artikel 2.131 van de Aanbestedingswet 2012 respectievelijk de termijn, bedoeld in artikel 2.118, eerste lid, of artikel 2.122 van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied;
  • overeenkomst: een overeenkomst waarop artikel 4.15, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.1, eerste lid, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied van toepassing is.

Artikel 3.3

1. De hoogte van een bestuurlijke boete bedraagt de waarde van het deel van de overeenkomst dat niet vernietigd is vermenigvuldigd met het boetepercentage.

2.

Als niet vernietigd wordt aangemerkt:

a. het gedeelte van de overeenkomst dat niet is vernietigd en b. het gedeelte van de overeenkomst dat vernietigd is, maar waarover de werking aan die vernietiging is ontzegd.

3. Indien de waarde van de overeenkomst hoger is dan de eerder door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf geraamde waarde van de opdracht wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van die geraamde waarde voor het deel van de opdracht waaraan door de vernietiging van de overeenkomst de werking niet is ontzegd.

Artikel 3.4

1.

De waarde van de overeenkomst wordt vastgesteld op grond van de volgende criteria:

a. in een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter is de waarde van de overeenkomst vastgesteld, b. indien onderdeel a niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de overeenkomst op basis van een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter berekend, c. indien onderdeel b niet kan worden toegepast, blijkt de waarde van de overeenkomst uit de waarde van de inschrijving of vergelijkbare inschrijvingen, d. indien onderdeel c niet kan worden toegepast, blijkt de waarde van de overeenkomst uit de documenten waarover de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf beschikt, die betrekking hebben op de aanbestedingsprocedure die ten grondslag aan de overeenkomst ligt of heeft gelegen, e. indien onderdeel d niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de overeenkomst vastgesteld aan de hand van historisch gebruik of verbruik van vergelijkbare opdrachten door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf, f. indien onderdeel e niet kan worden toegepast, wordt de waarde van de opdracht vastgesteld aan de hand van opgaven van ondernemingen die vergelijkbare opdrachten gewoonlijk uitvoeren.

2. De waarde van het deel van de overeenkomst dat niet is vernietigd wordt vastgesteld op de wijze beschreven in het eerste lid.

Artikel 3.5

1. Indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf ten onrechte geen voorafgaande aankondiging van de opdracht heeft bekendgemaakt, bedraagt het boetepercentage 15%.

2. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de ACM in afwijking van het eerste lid een lager boetepercentage vaststellen.

3. Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval lager vastgesteld indien uit een onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden ten aanzien van het ontbreken van die voorafgaande aankondiging.

4. Indien een gedeeltelijke vernietiging van een overeenkomst is gebaseerd op artikel 4.15, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet 2012 of artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied, zijn voor de vaststelling van het boetepercentage het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.6

1. Indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf de overeenkomst heeft gesloten tijdens de opschortende termijn bedraagt het boetepercentage 10%.

2. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de ACM in afwijking van het eerste lid een lager of hoger boetepercentage vaststellen.

3. Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verhoogd, indien uit het onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden ten aanzien van het niet in acht nemen van de opschortende termijn.

4. Het boetepercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verlaagd, indien uit het onherroepelijk geworden oordeel van de rechter blijkt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden ten aanzien van het niet in acht nemen van de opschortende termijn.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1

Op overtredingen waarvan een rapport is opgemaakt voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt beslist met toepassing van de Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM zoals deze golden onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 4.2

De Beleidsregels van de Minister van Economische Zaken voor het opleggen van bestuurlijke boetes door de ACM worden ingetrokken.

Artikel 4.3

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 augustus 2014.

Artikel 4.4

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Boetebeleidsregel ACM 2014.

Bijlage . behorende bij

^1 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^2 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^3 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^4 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^5 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^6 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^7 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder a BW.

^8 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder g BW.

^9 Zie in geval van overtreding van deze bepaling in de context van oneerlijke handelspraktijken, deze Bijlage onder art. 6:193f aanhef en onder g BW