2006-01-01 | BWBR0004800 | Leidraad invordering 1990

This commit is contained in:
Coornhert 2006-01-01 12:00:00 +00:00
parent 8f247aa069
commit 0729132299

View file

@ -28,6 +28,8 @@ In deze leidraad wordt verstaan onder:
- het besluit: het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;
- de regeling: de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
- (rijks)belastingen: belastingen die van rijkswege door de Belastingdienst worden geheven alsmede de opcenten;
- loonbelasting: de loonbelasting alsmede de sociale verzekeringspremies;
- sociale verzekeringspremies: de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen alsmede de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage;.
- negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
- negatieve voorlopige aanslag of voorlopige teruggaaf: de aanslag als bedoeld in artikel 13 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
- Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
@ -46,7 +48,7 @@ Ook op de bij beschikking vast te stellen bestuurlijke boete (hoofdstuk 5 DW), c
Op grond van overgangsrechtelijke bepalingen vindt de invordering van rechten bij invoer die formeel verschuldigd zijn geworden vóór 1 juni 1996 nog plaats met inachtneming van de artikelen 144a tot en met 160a van de Wet inzake de douane.
Ter wille van de leesbaarheid is vermeden telkens wanneer beleidsvoorschriften inzake de rijksbelastingen worden uiteengezet, te vermelden dat één en ander tevens van toepassing is op de premies volksverzekeringen, de premies ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en op heffingen waarvan de inning aan de Belastingdienst is opgedragen. Voorzover echter de wet hierop van toepassing is en uit het zinsverband niet anders volgt, strekken de in deze leidraad vervatte beleidsvoorschriften zich ook uit tot de invordering door de Belastingdienst van die premies en heffingen, tenzij uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt.
Ter wille van de leesbaarheid is vermeden telkens wanneer beleidsvoorschriften inzake de rijksbelastingen worden uiteengezet, te vermelden dat één en ander tevens van toepassing is op de sociale verzekeringspremies en op heffingen waarvan de inning aan de Belastingdienst is opgedragen. Voorzover echter de wet hierop van toepassing is en uit het zinsverband niet anders volgt, strekken de in deze leidraad vervatte beleidsvoorschriften zich ook uit tot de invordering door de Belastingdienst van die premies en heffingen, tenzij uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt.
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van belastingschuldigen. Ook hier is ter wille van de leesbaarheid op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken.
@ -160,7 +162,7 @@ Het beroep wordt in de sfeer van de invordering ingesteld bij de civiele rechter
### Artikel 1
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Allereerst is de wet van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Bovendien is de wet van toepassing op belastingaanslagen in de premieheffing volksverzekeringen, belastingaanslagen ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en belastingaanslagen ingevolge de Wet zelfstandigen in de Ziekenfondswet. Daarnaast zijn de bepalingen van de wet geheel of ten dele van toepassing op velerlei andere heffingen.
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Allereerst is de wet van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Bovendien is de wet van toepassing op belastingaanslagen in de premieheffing volksverzekeringen, de premieheffing werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet. Daarnaast zijn de bepalingen van de wet geheel of ten dele van toepassing op velerlei andere heffingen.
Een verdere uitbreiding van de reikwijdte van de wet is te vinden in artikel 6.
@ -240,7 +242,7 @@ Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beo
Vervallen.
Wanneer de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van het Uitvoeringsinstituut als zogenaamde steunvordering doet hij dit alleen als het Uitvoeringsinstituut schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.
Wanneer de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van het Uitvoeringsinstituut als zogenaamde steunvordering doet hij dit alleen als het Uitvoeringsinstituut schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.Een steunvordering van het Uitvoeringsinstituut kan alleen worden gevraagd voorzover de vordering betrekking heeft op premies werknemersverzekeringen over tijdvakken gelegen voor 1 januari 2006.
Als een andere schuldeiser van de belastingschuldige het initiatief neemt om tot een faillissementsaanvraag over te gaan en hij daartoe de ontvanger om gegevens over de belastingschuld van de belastingschuldige verzoekt om deze te gebruiken als zogenaamde steunvordering bij de faillissementsaanvraag, verstrekt de ontvanger deze gegevens alleen als dit in het belang van de invordering is. Voor het verstrekken van deze gegevens geldt niet hetgeen in het eerste tot en met zevende lid van deze paragraaf is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger. Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het ministerie vereist als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden (zie Inleidende opmerkingen, § 1, negende lid, van deze leidraad).
@ -289,7 +291,7 @@ Naast de rijksbelastingen (en andere heffingen) is de wet ook van toepassing op
### Artikel 7
Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de B/CA, van de Belastingdienst/Centrum voor informatie- en communicatietechnologie of van de ontvanger, dan wel de datum van creditering van de rekening van 's-Rijks schatkist bij de Nederlandse Bank. Bij betaling door storting op het postkantoor of bij contante betaling aan de kas van een organisatieonderdeel van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, geldt als tijdstip de dag waarop het bedrag op het postkantoor is gestort onderscheidenlijk de dag waarop het bedrag aan het loket van dat organisatieonderdeel is betaald.
Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de Belastingdienst. Bij betaling door middel van storting van contant geld op het postkantoor geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van storting. Bij betaling door middel van een pin- of creditcardtransactie (hetgeen uitsluitend mogelijk is in het kader van de uitoefening van enkele niet-fiscale douanetaken) geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling.
Zowel bij vrijwillige betalingen als bij betalingen die door invorderingsmaatregelen zijn afgedwongen kunnen zich vragen voordoen over de afboeking van de ontvangen bedragen, wanneer de belastingschuldige meer dan één belastingaanslag heeft openstaan. In dat geval gelden de volgende richtlijnen.
@ -315,7 +317,7 @@ Onder rente wordt uitsluitend verstaan de invorderingsrente en niet de heffingsr
Als een door middel van executie ingevorderd bedrag onvoldoende is om daaruit alle kosten te bestrijden worden in de eerste plaats de aan de belastingschuldige in rekening gebrachte kosten die toekomen aan derden voor de door hen in het kader van de tenuitvoerlegging verrichte handelingen voldaan.
Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende rente, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete en aan de opcenten, met dien verstande dat als artikel 9.1, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de eerste plaats geschiedt aan de belasting en vervolgens aan de premie volksverzekeringen.
Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, de premies voor de werknemersverzekeringen, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende rente, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete en aan de opcenten, met dien verstande dat als artikel 9.1, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de laatste plaats geschiedt aan de premie volksverzekeringen.
Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete vindt toerekening van betalingen niet plaats naar evenredigheid aan de belasting en aan de bestuurlijke boete, maar vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep).
@ -505,7 +507,7 @@ Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van pla
Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zichzelf geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er dient een situatie te bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. In dit verband valt te denken aan een situatie waarin een in het buitenland wonende belastingschuldige al zijn goederen in Nederland gaat verkopen. In de gevallen waarin de belastingschuldige in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, is deze veelal moeilijk traceerbaar. Als in zo'n situatie ook geen duidelijk traceerbare verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn, vormen deze omstandigheden in onderlinge samenhang voldoende reden om gegronde vrees voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslag aanwezig te achten.
Als beslag is gelegd voor belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de ontvanger die nieuwe belastingaanslagen, net als de al opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd, versneld invorderen, dit uiteraard met uitzondering van de in artikel 10, tweede lid, van de wet genoemde gevallen. Onder belastingschulden vallen in dit verband niet alleen de rijksbelastingen, maar ook belastingen die zijn opgelegd door andere overheidsorganen en door de ontvanger worden ingevorderd, alsmede de vorderingen die door de ontvanger als belasting moeten worden ingevorderd, zoals de premies volksverzekeringen.
Als beslag is gelegd voor belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de ontvanger die nieuwe belastingaanslagen, net als de al opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd, versneld invorderen, dit uiteraard met uitzondering van de in artikel 10, tweede lid, van de wet genoemde gevallen. Onder belastingschulden vallen in dit verband niet alleen de rijksbelastingen, maar ook belastingen die zijn opgelegd door andere overheidsorganen en door de ontvanger worden ingevorderd, alsmede de vorderingen die door de ontvanger als belasting moeten worden ingevorderd, zoals de sociale verzekeringspremies.
De in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet bedoelde goederen kunnen tevens zogenaamde "bodemzaken" als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet zijn. Artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet kan evenwel geen toepassing vinden ten aanzien van een belastingschuldige onder wie beslag is gelegd voor de belastingschuld van een ander (bijvoorbeeld door middel van derdenbeslag). Het zal hier doorgaans gaan om goederen van die ander die zich bij de belastingschuldige bevinden. Door de onderhavige beslaglegging worden belastingaanslagen van de belastingschuldige, waarvan de betalingstermijnen nog niet zijn verschenen, niet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar, want het betreft hier geen beslaglegging voor de belastingschuld van de genoemde belastingschuldige.
@ -870,7 +872,7 @@ Vervallen.
De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag. Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet naargelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient.
Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is, waaronder ook de aan het Uitvoeringsinstituut verschuldigde premies voor de werknemersverzekeringen worden verstaan. Indien echter de premieschuldige failliet is verklaard ligt het niet in de rede dat de ontvanger bij de curator een vordering indient voor de aan het Uitvoeringsinstituut verschuldigde premies. Het doen van een vordering is niet mogelijk voor belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de ontvanger om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan.
Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is. Het doen van een vordering is niet mogelijk voor belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de ontvanger om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan.
Voor het doen van een vordering dient de ontvanger, met uitzondering van faillissementssituaties, te beschikken over een betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Bij het bevel tot betaling wordt de belastingschuldige een termijn van twee dagen gegeven. De vordering wordt pas na afloop van deze termijn gedaan. Ingeval van versnelde invordering op grond van artikel 15 van de wet wordt veelal bevel tot onmiddellijke betaling gedaan. In dat geval behoeft voor het doen van een vordering uiteraard geen termijn van twee dagen in acht te worden genomen.
@ -948,7 +950,7 @@ Lijfsdwang op grond van artikel 20 van de wet is ten aanzien van een aansprakeli
### Artikel 21
Dit artikel voorziet in een voorrecht voor alle rijksbelastingen en de hierop verschuldigde opcenten, rente en kosten, op alle zaken en vermogensrechten waarop verhaal mogelijk is.
Dit artikel voorziet in een voorrecht voor alle rijksbelastingen en de hierop verschuldigde opcenten, sociale verzekeringspremies, rente en kosten, op alle zaken en vermogensrechten waarop verhaal mogelijk is.
Artikel 3:277 BW geeft aan dat de kosten die aan een executie zijn verbonden steeds bij voorrang uit de opbrengst kunnen worden voldaan. Onder executiekosten kunnen in dit verband worden verstaan de kosten die met betrekking tot de uitwinning na het bevel tot betaling zijn gemaakt. Na een executie spitst de verdeling zich - met inachtneming van de rangorde - dus toe op de netto-opbrengst.
@ -1014,7 +1016,7 @@ Voor de toepasselijkheid van artikel 22, derde lid, van de wet is in de eerste p
Het bodemrecht geldt voor:
- naheffingsaanslagen in de loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen terzake van huispersoneel
- naheffingsaanslagen in de loonbelasting en sociale verzekeringspremies ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen terzake van huispersoneel
- de omzetbelasting, alsmede de belasting van personenauto's en motorrijwielen ten laste van een ander dan degene op wiens naam het kenteken is gesteld
- de dividendbelasting
- de kansspelbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen
@ -1025,7 +1027,7 @@ Het bodemrecht geldt voor:
Voorts geldt het bodemrecht voor uitnodigingen tot betaling en voor op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake heffingsrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 DW, inzake compenserende rente of inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden.
Op losse boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een belastingaanslag is het bodemrecht niet van toepassing. Het bodemrecht geldt onder andere niet voor de verzekeringspremies die zijn verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut.
Op losse boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een belastingaanslag is het bodemrecht niet van toepassing. Het bodemrecht geldt onder andere niet voor de verzekeringspremies over tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006 die zijn verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut.
In artikel 22 van de wet is geen bepaling omtrent voorrang opgenomen, maar volgens vaste jurisprudentie kan de ontvanger ook bij toepassing van dit artikel zich op de fiscale voorrang beroepen. Dit is onder meer van belang wanneer de derde-eigenaar van de bodemzaken in staat van faillissement is verklaard.
@ -1128,9 +1130,9 @@ De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan
In het algemeen blijft verrekening met een te betalen bedrag dat door de belastingschuldige wordt betwist achterwege, indien voor dit bedrag uitstel van betaling in de zin van artikel 25, § 2, van deze leidraad is verleend. Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige, bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie met de hoogte van de bestreden belastingschuld, zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en voorts geen voldoende zekerheid is gesteld. Bovendien vindt, in afwijking van de eerste volzin, verrekening wel plaats als de belastingschuldige hierom verzoekt.
De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast, zodat verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk is.
De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast. In dat geval is verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk. Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet
Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet. In het geval van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, kan verrekening pas plaatsvinden voorzover er betalingstermijnen zijn verstreken, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet, in welk geval verrekening mogelijk is vanaf het moment dat zich één van de daar genoemde situaties voordoet. Ondanks dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen door de B/CA niet automatisch verrekend met belastingaanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit betekent echter niet dat in het geheel niet tot verrekening binnen de betalingstermijn wordt overgegaan. De ontvanger is bevoegd om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen.
In het geval van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, kan verrekening pas plaatsvinden voorzover er betalingstermijnen zijn verstreken, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet, in welk geval verrekening mogelijk is vanaf het moment dat zich één van de daar genoemde situaties voordoet. Ondanks dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen door de B/CA niet automatisch verrekend met belastingaanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit betekent echter niet dat in het geheel niet tot verrekening binnen de betalingstermijn wordt overgegaan. De ontvanger is bevoegd om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen.
Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering feitelijk aan de ontvanger is opgedragen, welk moment wordt gemarkeerd door de toezending van het dwangbevel door de heffende instantie. Laatstbedoelde verrekening is echter niet meer mogelijk zodra de belastingschuldige failliet is verklaard.
@ -1383,7 +1385,7 @@ Als uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, vierde, vijfde, zesde
Wanneer uitstel van betaling is verleend voor een conserverende belastingaanslag, wordt dat uitstel niet beëindigd als zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet. Bij uitstel van betaling ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet is artikel 25, §1, zevende lid, van deze leidraad van toepassing. Dit houdt in dat het op grond van artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet verleende uitstel onder meer wordt beëindigd als er een situatie is ontstaan zoals omschreven in de artikelen 10/15 van de wet en de ontvanger van oordeel is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld, waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, veertiende of zestiende lid, van de wet, reeds zonder meer uit de wettekst volgt dat het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige of in het geval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is.
De betreffende uitstelfaciliteiten strekken zich ook uit tot de verschuldigde heffingsrente en bij de toepassing van artikel 25, vijfde lid, van de wet eveneens tot de verschuldigde revisierente.
De uitstelfaciliteit strekt zich bij toepassing van artikel 25, vijfde lid, van de wet, eveneens uit tot de verschuldigde revisierente.
Indien een voorlopige conserverende aanslag is opgelegd en die aanslag wordt gevolgd door een definitieve conserverende aanslag vindt geen verrekening van de voorlopige aanslag plaats ingevolge artikel 15 AWR. De voorlopige aanslag vervalt op het moment waarop de definitieve conserverende aanslag wordt opgelegd. Een ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleend uitstel van betaling, de daartoe gestelde zekerheid en eventuele betalingen op de voorlopige conserverende aanslag worden van rechtswege dan toegerekend aan de definitieve. De ontvanger stelt de belastingschuldige hiervan schriftelijk in kennis. Voor zover de definitieve conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverende aanslag verleent de ontvanger, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in lid 2 van deze paragraaf, uitstel van betaling voor het bedrag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat. Het uitstel wordt verleend met inachtneming van de voor die conserverende aanslag geldende bepalingen, hetgeen onder meer inhoudt dat alleen voor de duur van het uitstel van betaling voor het bedrag van de definitieve conserverende aanslag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat, wordt uitgegaan van de vervaldag van de definitieve conserverende aanslag.
@ -1399,7 +1401,7 @@ Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van bet
In artikel 25, vijfde lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen in verband met conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting die in bepaalde grensoverschrijdende situaties worden opgelegd aan belastingplichtigen die ten laste van Nederlands inkomen pensioen- en/of lijfrentekapitaal hebben opgebouwd. Deze belastingaanslagen worden opgelegd indien het pensioen- of lijfrentekapitaal wordt ondergebracht bij een niet aangewezen buitenlandse verzekeraar in het kader van het aanvaarden van een dienstbetrekking in het buitenland of bij een voortzetting van de premiebetaling aan een buitenlandse niet aangewezen verzekeraar door immigranten. Daarnaast worden belastingaanslagen opgelegd bij emigratie.
Het uitstel loopt maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de dag na de laatste vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid van deze paragraaf.
Het uitstel loopt uiterlijk tot het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid van deze paragraaf.
Naast de normale vormen van zekerheid, zie in dit verband artikel 25, § 1, lid 16, van deze leidraad, kan zekerheidsstelling ook plaatsvinden door verpanding van het pensioenkapitaal aan de Belastingdienst, mits de buitenlandse verzekeraar instemt met die verpanding. In dit verband wordt gewezen op artikel 32 van de Pensioen- en spaarfondsenwet dat een zodanige verpanding voor pensioenen mogelijk maakt. Verpanding van het pensioenkapitaal in het kader van artikel 25, vijfde lid, van de wet is geen handeling die tot invordering van de conserverende belastingaanslag leidt.
@ -1411,7 +1413,7 @@ a. indien een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor verv
b. indien een aanspraak op lijfrente zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet, de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet, de aanspraak - onder bepaalde omstandigheden - wordt prijsgegeven, de verzekeraar of de belastingplichtige niet langer voldoen aan de gestelde voorwaarden, de lijfrenteverplichting overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1(, onderdeel b of onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, dan wel een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling;
c. indien de aanspraak uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer is aan te merken als een aanspraak uit een zodanige pensioenregeling, dan wel deze geheel of gedeeltelijk niet langer bestaat uit een recht op belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen, de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet wordt, of de verplichting inzake de aanspraak geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere instelling dan de instelling waarbij de aanspraak op grond van de in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde wettelijke regelingen is ondergebracht.
Over de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting, terzake waarvan in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, van de wet, het verleende uitstel als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet wordt beëindigd en mitsdien de belasting invorderbaar is, is over de gehele periode waarover het uitstel heeft gelopen, invorderingsrente verschuldigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
Over de periode waarover uitstel van betaling wordt verleend wordt geen invorderingsrente berekend. Indien echter het uitstel wordt beëindigd in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet, en mitsdien de belasting invorderbaar is, wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
Wanneer een belastingaanslag is opgelegd die betrekking heeft op meer dan één lijfrentecontract of pensioenregelingen en vervolgens worden één of meer van die contracten of regelingen op niet-reguliere wijze afgewikkeld, dan dient het uitstel te worden ingetrokken voor die contracten of regelingen en wordt het uitstel gecontinueerd voor de contracten en regelingen die niet zodanig zijn afgewikkeld. Hierbij wordt gehandeld met inachtneming van het bepaalde in § 4 en met inachtneming van het bepaalde in deze paragraaf. De hierbij noodzakelijke toerekening van het uitstel enerzijds aan de contracten of regelingen ten aanzien waarvan zich een omstandigheid als hiervoor bedoeld heeft voorgedaan en anderzijds de overige contracten en regelingen, zal naar evenredigheid kunnen plaatsvinden. Zie voor een nadere uitwerking en enkele voorbeelden bijlage X bij deze leidraad.
@ -1423,7 +1425,7 @@ Het uitstel vangt aan vanaf de dag na de vervaldag van de voor de belastingaansl
Het uitstel eindigt van rechtswege als zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien de belastingschuldige een voordeel geniet als gevolg van een kapitaalsuitkering op grond van de kapitaalsverzekering eigen woning (vgl. artikel 3.116, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001) of indien de kapitaalsverzekering eigen woning geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen in de zin van artikel 3.116, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De ontvanger trekt alsdan het uitstel in bij voor bezwaar vatbare beschikking. De belastingaanslag wordt vervolgens invorderbaar.
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van betaling op grond van artikel 25, zesde lid, van de wet is verleend, is invorderingsrente verschuldigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van betaling op grond van artikel 25, zesde lid, van de wet is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Indien echter krachtens artikel 25, zesde lid, van de wet het uitstel wordt beëindigd wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
In artikel 25, achtste lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen voor conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd wegens inkomen (vervreemdingsvoordelen) uit aanmerkelijk belang geheven ter zake van:
@ -1432,7 +1434,7 @@ b. verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland;
c. een aandelenfusie door een buitenlandse belastingplichtige waarbij deze zijn aandelen of winstbewijzen in een in Nederland gevestigde vennootschap ruilt voor aandelen of winstbewijzen in een buiten Nederland gevestigd lichaam;
d. de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel van aandelen of winstbewijzen naar een niet in Nederland woonachtige natuurlijke persoon.
Het uitstel loopt maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de dag na de laatste vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid van deze paragraaf.
Het uitstel loopt uiterlijk tot het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid van deze paragraaf.
Het uitstel wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking beëindigd als:
@ -1449,7 +1451,7 @@ d. wanneer een aanmerkelijk belang niet langer aanwezig is doordat de belastings
Het uitstel als bedoeld in het vierde lid, onderdelen b en c, van deze paragraaf zal slechts worden voortgezet als de belastingschuldige instemt met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden. Ingeval van overgang naar de ondernemings- of resultaatssfeer zullen de voorwaarden er op zijn gericht het uitstel te beëindigen in dezelfde situaties als ware de aandelen of winstbewijzen niet overgebracht naar de ondernemings- of resultaatssfeer. Ingeval van overgang onder algemene titel zal het uitstel worden voortgezet wanneer de belastingschuldige ermee instemt dat het uitstel wordt beëindigd in dezelfde situaties als wanneer de aandelen of winstbewijzen nog tot zijn vermogen zouden behoren. Voorts kan de voorwaarde worden gesteld dat degene op wie de aandelen of winstbewijzen onder algemene titel zijn overgegaan, zich aansprakelijk stelt voor de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend.
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Wanneer het recht op uitstel geheel of ten dele is vervallen, wordt invorderingsrente berekend vanaf het moment dat de rechtvaardigingsgrond voor het uitstel niet langer bestaat. Zie ook artikel 28, § 1, vijfde lid, van deze leidraad.
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Indien echter krachtens artikel 25, achtste lid, van de wet het uitstel wordt beëindigd wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, vijfde lid, van deze leidraad.
In artikel 25, negende lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen met betrekking tot belastingaanslagen inkomstenbelasting voorzover daarin is begrepen belasting die is verschuldigd in verband met vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen in de familiesfeer. Het gaat om de belasting terzake van vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen - waarbij de koopsom schuldig is gebleven of de aandelen of winstbewijzen zijn geschonken - aan de partner, aan de kinderen van de belastingschuldige of hun partner, dan wel aan een lichaam waarvan alle aandelen of winstbewijzen door de partner, de kinderen of hun partner worden gehouden.
@ -1550,7 +1552,7 @@ Indien de belastingschuldige ten tijde van het uitstelverzoek niet aannemelijk m
In artikel 25, elfde tot en met dertiende lid, van de wet is de gewijzigde uitstelregeling opgenomen op grond waarvan uitstel van betaling kan worden verleend voor conserverende belastingaanslagen betreffende de rechten van successie of schenking bij bedrijfsopvolging (artikel 25, elfde en twaalfde lid, van de wet) dan wel voor belastingaanslagen successie- of schenkingsrecht als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, van de wet. Deze faciliteiten zijn bedoeld om te voorkomen dat de continuïteit van een onderneming in gevaar zou komen doordat op korte termijn liquiditeiten aan de onderneming dienen te worden onttrokken om de successie- of schenkingsrechten te kunnen voldoen. In artikel 6 van het besluit en in de hoofdstukken I en IB van de regeling zijn terzake nadere regels gesteld.
De ontvanger verleent uitsluitend uitstel van betaling wanneer de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend.
De ontvanger verleent uitsluitend uitstel van betaling wanneer de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend. Het indienen van een aangiftebiljet voor het recht van successie waarin een beroep wordt gedaan op de invorderingsfaciliteiten bedoeld in artikel 25, leden 11 en 12, van de wet, wordt als een zodanig verzoek aangemerkt.
Besluiten tot afwijzing, verlening, herziening of gehele of gedeeltelijke beëindiging van het uitstel geschieden bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot bezwaar tegen de beschikking, met betrekking tot beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar, alsmede met betrekking tot hoger beroep en beroep in cassatie ter zake van de desbetreffende rechterlijke uitspraak, gelden dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op bezwaar, beroep of beroep in cassatie als bedoeld in hoofdstuk V van de AWR.
@ -1629,7 +1631,7 @@ Vervallen.
Vervallen.
Wanneer aan een belastingschuldige, al dan niet in het kader van een prolongatieregeling als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad uitstel van betaling is verleend onder de voorwaarde dat periodiek uiterlijk voor of op een bepaalde dag een bepaald bedrag is betaald, wordt de belastingschuldige slechts geacht hieraan te hebben voldaan als genoemd bedrag vóór respectievelijk op genoemde dag op de rekening van de ontvanger of de Belastingdienst is bijgeschreven, dan wel vóór respectievelijk op genoemde dag het bedrag op het postkantoor op één van beide rekeningen is gestort. Zo nodig kan de ontvanger van de belastingschuldige verlangen dat hij aantoont dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden. Voor hetgeen daarbij geldt als betalingsbewijs wordt verwezen naar artikel 7, § 1, tiende lid, van deze leidraad.
Wanneer aan een belastingschuldige, al dan niet in het kader van een prolongatieregeling als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad uitstel van betaling is verleend onder de voorwaarde dat periodiek uiterlijk op een bepaalde dag een bepaald bedrag is betaald, wordt de belastingschuldige slechts geacht hieraan te hebben voldaan als genoemd bedrag op genoemde dag op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven. Voor wat betreft het in aanmerking te nemen tijdstip van betaling door middel van storting op het postkantoor wordt verwezen naar artikel 7, § 1, eerste lid, van deze leidraad. Zo nodig kan de ontvanger van de belastingschuldige verlangen dat hij aantoont dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden. Voor hetgeen daarbij geldt als betalingsbewijs wordt verwezen naar artikel 7, § 1, tiende lid, van deze leidraad.
Voor zowel particulieren als ondernemers geldt dat belastingteruggaven en teruggaven uit anderen hoofde alsmede andere uit te betalen bedragen tijdens de looptijd van een betalingsregeling in het algemeen afgeboekt worden op de openstaande belastingschuld. Indien verrekening plaats kan vinden met een voorlopige teruggaaf, geldt het bepaalde in artikel 24, § 1, lid 11a, van deze leidraad. Verlaging van de belastingschuld door vermindering of kwijtschelding van een belastingaanslag of door verrekening met een uit te betalen bedrag is niet van invloed op de hoogte van het periodiek af te lossen bedrag. De verrekening kan wel tot gevolg hebben dat het aantal termijnen dat de belastingschuldige moet aflossen wordt verminderd en/of de laatste aflossing afwijkt van het overeengekomen bedrag. Als ten gevolge van een eventuele verrekening van met name teruggaven omzetbelasting volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct gevaar loopt en niet behoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld kan hij in bijzondere gevallen de teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.
@ -1661,7 +1663,7 @@ Daarnaast kan de ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlene
Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de betalingsregeling. In het algemeen kan nog worden opgemerkt dat de door de ontvanger berekende betalingscapaciteit van de belastingschuldige in belangrijke mate het bedrag bepaalt dat (periodiek) op de achterstallige schuld dient te worden afgelost, alsmede aangeeft in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.
Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om een betalingsregeling tot en met 12 maanden is het inkomen van de belastingschuldige en diens echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb. Zoals reeds onder § 13, vijfde lid, hiervoor, is uiteengezet, wordt onder echtgenoot mede verstaan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om een betalingsregeling tot en met 12 maanden is het inkomen van de belastingschuldige en diens echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb. Zoals reeds onder § 13, lid 3a, hiervoor, is uiteengezet, wordt onder echtgenoot mede verstaan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Het inkomen en de uitgaven ten behoeve van eventueel bij de belastingschuldige inwonende kinderen zal bij de berekening van de betalingscapaciteit niet in aanmerking worden genomen. Een uitzondering daarop vormen de inkomsten voor, door of ten behoeve van minderjarige kinderen ontvangen alimentatie.
@ -1784,7 +1786,7 @@ e. belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaans
f. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat een loonbelastingverklaring niet of onjuist is ingevuld, tenzij de belastingschuldige aantoont dat het niet of onjuist invullen niet aan hem kan worden verweten;
g. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat de belastingschuldige ten onrechte een verzoek, dan wel een onjuist verzoek om een voorlopige teruggaaf heeft ingediend, tenzij de belastingschuldige aantoont dat hem dit niet kan worden verweten;
h. de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald;
i. aan de belastingaanslag een negatieve voorlopige aanslag is voorafgegaan, tenzij de belastingschuldige niet kan worden verweten dat een correctie heeft plaats gevonden van de door hem ingediende aangifte. Vermoed wordt dat de belastingschuldige verwijtbaar heeft gehandeld, als de negatieve voorlopige aanslag gebaseerd is op de gegevens die op het aangiftebiljet zijn verstrekt. Dit klemt te meer nu de belastingschuldige er bij zijn aangifte op wordt gewezen dat de definitieve aanslag wordt vastgesteld nadat de aangifte is gecontroleerd, hetgeen ertoe kan leiden dat nog een bedrag moet worden betaald. Kwijtschelding wordt alsdan niet verleend voor het bedrag dat overeenkomt met het bedrag van de negatieve voorlopige aanslag. Voor het bedrag van de belastingaanslag dat resteert, wordt op het kwijtscheldingsverzoek beslist met inachtneming van het beleid zoals dat is verwoord in de regeling en in dit artikel van de leidraad.
i. aan de belastingaanslag een negatieve voorlopige aanslag is voorafgegaan, tenzij de belastingschuldige niet kan worden verweten dat een correctie heeft plaats gevonden van de door hem ingediende aangifte. Vermoed wordt dat de belastingschuldige verwijtbaar heeft gehandeld, als de negatieve voorlopige aanslag gebaseerd is op de gegevens die op het aangiftebiljet zijn verstrekt. Dit klemt te meer nu de belastingschuldige er bij zijn aangifte op wordt gewezen dat de definitieve aanslag wordt vastgesteld nadat de aangifte is gecontroleerd, hetgeen ertoe kan leiden dat nog een bedrag moet worden betaald. Kwijtschelding wordt alsdan niet verleend voor het bedrag dat overeenkomt met het bedrag van de negatieve voorlopige aanslag vermeerderd met de daarin begrepen heffingsrente. Voor het bedrag van de belastingaanslag dat resteert, wordt op het kwijtscheldingsverzoek beslist met inachtneming van het beleid zoals dat is verwoord in de regeling en in dit artikel van de leidraad.
- de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;
- ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8 tweede lid, van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld;
@ -1846,7 +1848,7 @@ Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep
- de auto is ingeruild in of na het jaar waarop de belastingaanslag, waarvan kwijtschelding wordt verzocht, betrekking heeft en er sprake was van bijbetaling, zonder dat de noodzaak hiertoe ten tijde van het betalen van de belastingschuld aanwezig was. In dit geval wordt het verzoek om kwijtschelding afgewezen voor het bedrag van de bijbetaling;
- het de ontvanger duidelijk is dat de minimaal aan het bezit van een auto verbonden kosten niet uit het opgegeven inkomen kunnen worden voldaan. De belastingschuldige wordt dan in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat deze kosten wel uit het inkomen kunnen worden voldaan.
Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Huursubsidiewet en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies voor een ziektekostenverzekering en de nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de premies voor de ziektekostenverzekering of de nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
Een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van de WSF of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in de vorm van een lening, wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Een spaartegoed dat geacht mag worden te zijn verkregen in de vorm van een zodanige lening wordt evenmin als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, voorzover het gespaarde bedrag de component lening in de studietoelage niet overschrijdt. Ook een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van een regeling voor een persoonsgebonden budget wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Incidentele ontvangsten op bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel mede in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering (zie lid 15 van deze paragraaf). De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in het kader van de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.
@ -1868,7 +1870,7 @@ Als na aftrek van de norm voor de kosten van bestaan het saldo nihil of negatief
Het netto-besteedbare inkomen wordt gevormd door:
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies en premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies , de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
- uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering);
- overige inkomsten (bijvoorbeeld vorderingen tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AWR, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met uitzondering van de daarin begrepen kinderkorting, aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een toeslag op basis van de Wet kinderopvang of een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan) met uitzondering van de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen alsmede de uitkeringen op grond van artikel 229d, tweede lid, Gemeentewet (negatieve aanslag), artikel 255a Gemeentewet (uitbetaling aan degene die om kwijtschelding verzoekt) en bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget worden toegekend en bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb. Zie ook artikel 26, § 2, lid 18, van deze leidraad.
@ -1878,7 +1880,7 @@ Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gest
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs ontvangen een basistoelage en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een tegemoetkoming in de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het middelbaar beroepsonderwijs of het hoger onderwijs ontvangen een basisbeurs en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een aanvullende beurs en een lening op grond van de WSF.
De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom A van bijlage 1b van deze leidraad vermeerderd met het in kolom C betreffende bedrag voor een ziektekostenverzekering. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A vermeerderd met het in kolom C vermelde bedrag. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom E van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A en vermeerderd met het in kolom C betreffende bedrag voor een ziektekostenverzekering. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom A en kolom E verhoogd met die toeslagen.
De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom A van bijlage 1b van deze leidraad. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom D van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom A en kolom D verhoogd met die toeslagen.
Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen. De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wèl als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dit geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage, die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar, geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
@ -1888,9 +1890,10 @@ Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden
Het gaat in casu om de volgende bedragen:
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 1.976 per kalenderjaar;
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 21 per week met een maximum van € 735 per jaar;
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 165 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2.054 per kalenderjaar;
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar;
- een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar;
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 172 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
Tot de overige inkomsten kunnen worden gerekend de ouderlijke bijdrage in geld die jongeren ontvangen en de (aanvullende) bijzondere bijstand voor jongeren (zie lid 17, hiervoor). Ook de inkomsten uit het houden van kostgangers en de inkomsten uit kamerverhuur en onderverhuur worden tot de overige inkomsten gerekend. Zie in dit verband ook artikel 26, lid 24A, van deze leidraad.
@ -1898,24 +1901,24 @@ Natuurlijke personen die een uitkering genieten op grond van de Wet werk en inko
Voordat van het netto-besteedbare inkomen de kosten van bestaan worden afgetrokken ter bepaling van de betalingscapaciteit, worden de inkomsten genoemd in artikel 14 van de regeling verminderd met de uitgaven genoemd in artikel 15 van de regeling. Een nadere toelichting op de aftrekbare uitgaven volgt in de leden 20 tot en met 25 van deze paragraaf. NB. Uitgaven die niet zijn genoemd in artikel 15 van de regeling kunnen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in mindering worden gebracht.
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de ontvanger niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de ontvanger de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die belastingaanslagen blijkt. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de ontvanger een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Betreft het belastingen van lokale overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De ontvanger kan de belastingschuldige te zijner tijd bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden waarvoor geen kwijtschelding kan worden verleend (zie § 1, zesde lid, hiervoor).
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de ontvanger niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de ontvanger de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die belastingaanslagen blijkt. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de ontvanger een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Betreft het belastingen van lokale overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Onder betaling op belastingschulden wordt ook begrepen een betaling ter zake van premie voor de volksverzekeringen en ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De ontvanger kan de belastingschuldige te zijner tijd bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden waarvoor geen kwijtschelding kan worden verleend (zie § 1, zesde lid, hiervoor).
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Huursubsidiewet minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Voor het tijdvak 1 juli 2005 - 31 december 2005 is dit een bedrag van € 178,54 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Huursubsidiewet voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 178,54: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 176,72 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 174,91) tot maximaal het bedrag van de hoogste subsidiabele huur (€ 604,72 per maand voor het tijdvak 1 juli 2005 - 31 december 2005). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 604,72 - € 178,54 = € 426,18.
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Wet op de huurtoeslag minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Thans is dit een bedrag van € 178,54 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 178,54: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 176,72 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 174,91) tot het bedrag van de maximum huurgrens (€ 604,72 per maand). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 604,72 - € 178,54 = € 426,18.
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Huursubsidiewet, dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huursubsidie en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhogingen wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf), wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De "kost" wordt dus niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huursubsidie verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet. Dat is het geval als: - het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; - belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huursubsidie.
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag, dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhogingen wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf), wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De "kost" wordt dus niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huurtoeslag verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Dat is het geval als: - het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; - belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huurtoeslag.
In het vorige lid dient voor:
a. € 178,54 in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: € 176,72 voor éénpersoonsouderenhuishoudens en € 174,91 voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
b. € 604,72 - € 178,54 = € 426,18 in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 604,72 - € 176,72 = € 428 onderscheidenlijk € 604,72 - € 174,91 = € 429,81.
Premies voor een ziektekostenverzekering die niet door de werkgever worden ingehouden, de nominale ziekenfondspremie en aanvullende premies en de AWBZ-premies die niet door de werkgever worden ingehouden mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AAW, AWBZ of ZFW. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
De niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag, mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AWBZ. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
Uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de zogenaamde alimentatieverplichtingen) en de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage (de bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand) worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering gebracht.
Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, andere dan die genoemd in artikel 8, tweede lid, van de regeling, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen. De ontvanger kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend.
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair € 240 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair € 243 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf. Hoewel de aflossingen aan andere crediteuren bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in aanmerking worden genomen, kunnen die aflossingen wel van invloed zijn op de vraag of al dan niet kwijtschelding moet worden verleend. Voor de aflossing aan andere crediteuren in samenhang met de betalingscapaciteit geldt het navolgende:
@ -1926,11 +1929,11 @@ Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden
Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld, kunnen de kosten van bestaan daarop in mindering worden gebracht ter bepaling van de betalingscapaciteit. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van het feitelijke inkomen (het gezamenlijke bedrag van de in artikel 14 van de regeling genoemde inkomensbestanddelen) met als maximum 90% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende maximale bijstandsnorm en als minimum 90% van de voor dat huishoudtype geldende minimale bijstandsnorm. Dit geldt niet voor de in artikel 22 Wwb bedoelde ouderennormen. Op deze ouderennormen is het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid niet van toepassing. Dit betekent dat echtparen en alleenstaanden, die inwonen bij hun kinderen, dan wel inwonende kinderen hebben, onafhankelijk van het inkomen c.q. de bijdragen van die kinderen de volledige norm ontvangen. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van de voor de desbetreffende huishoudtype geldende ouderennormen. Uit een oogpunt van doelmatigheid worden de normbedragen altijd op één hele euro naar boven afgerond. De voor de kwijtschelding van belang zijnde huishoudtypen die de bijstand onderkent, zijn echtgenoten, een alleenstaande ouder en een alleenstaande en de "ouderen" volgens de zogenaamde ouderennormen.
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die vanaf 1 januari 2005 gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die thans gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 828 en maximum € 1.035; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1.095; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1095. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 725 en maximum € 932; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 983. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 518 en maximum € 725; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 780. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 865 en maximum € 1082; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1136; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1136. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 757 en maximum € 973; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1020. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 541 en maximum € 757; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 822. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
NB: Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind.
@ -1938,20 +1941,20 @@ Voorbeelden
Voorbeeld 1
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 830. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 750. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 830 en bedraagt dus € 747. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 725. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 725. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 750 minus € 725 = € 25 x 80% = € 20.
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 865. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 775. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 865 en bedraagt dus € 779. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 757. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 757. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 775 minus € 757 = € 18 × 80% = € 14.
Voorbeeld 2
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 932 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 725. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil.
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 973 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 757. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil.
Voorbeeld 3
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 830. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 865. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 171;
- voor gehuwden: € 266.
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 179 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 51;
- voor gehuwden: € 278 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 73.
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
@ -2171,7 +2174,7 @@ Het aangeboden bedrag moet van substantiële omvang zijn, zowel absoluut als in
Het bij een akkoord aangeboden bedrag moet ten minste gelijk zijn aan het bedrag dat bij de voortgezette invordering kan worden ontvangen.
De ontvanger mag bij een akkoord niet in uitkeringspercentage worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers. Evenmin mag de ontvanger in tempo van betaling worden achtergesteld bij enige andere schuldeiser. Naast de ontvanger kan nog een aantal schuldeisers aanwezig zijn met dezelfde preferentie als de ontvanger. In het algemeen zal dat het Uitvoeringsinstituut zijn. Als zich onder de overige schuldeisers niet het Uitvoeringsinstituut bevindt of de vordering van het Uitvoeringsinstituut relatief laag is, verdient het aanbeveling na te gaan of de vordering van het Uitvoeringsinstituut wellicht met voorrang, voordat een akkoord werd aangeboden, is afgelost. Als dit zich inderdaad heeft voorgedaan, kan dit voor de ontvanger aanleiding zijn een hoger percentage te eisen. De ontvanger dient geen saneringsafspraken te maken voordat het Uitvoeringsinstituut een standpunt inzake het saneringsvoorstel heeft kunnen innemen. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut kunnen elkaar niet op voorhand binden, ook al weet de ontvanger uit praktijkervaring wel wat het standpunt van het Uitvoeringsinstituut (vermoedelijk) zal zijn. Het Uitvoeringsinstituut moet daarom zo tijdig mogelijk in de besluitvorming worden betrokken. Daartoe treedt de ontvanger in overleg met de incasso-afdeling van het Uitvoeringsinstituut.
De ontvanger mag bij een akkoord niet in uitkeringspercentage worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers. Evenmin mag de ontvanger in tempo van betaling worden achtergesteld bij enige andere schuldeiser.
Vervallen.
@ -2194,7 +2197,7 @@ Na de eventuele totstandkoming van het akkoord moeten reële perspectieven aanwe
- een specificatie van de werkelijke waarde van de activa (executiewaarde en waarde going-concern);
- een overzicht van de (eventuele) overige getroffen maatregelen, zoals betere kostenbeheersing, sanering personeelsbestand, nieuw management.
Een sanering moet voor de ondernemer duidelijkheid verschaffen over zijn positie ten opzichte van de ontvanger. Er mogen geen misverstanden rijzen over de voorwaarden waaronder de ontvanger tot het akkoord is toegetreden noch nieuwe voorwaarden aan het akkoord worden toegevoegd nadat het akkoord tot stand is gekomen. Op grond hiervan worden belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór het tijdstip van de sanering niet uitbetaald maar in eerste instantie verrekend met belastingaanslagen en vervolgens met vorderingen van het Uitvoeringsinstituut. Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken ná de sanering worden in de regel niet verrekend maar aan de belanghebbende ter beschikking gesteld. In verband met het vorenstaande moet tijdens de behandeling van het aanbod tot een akkoord worden nagegaan of er nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten. Tevens moet nagegaan worden of de van het Uitvoeringsinstituut ontvangen nota's wijziging ondergaan. Hierbij kan van belang zijn een sterk verminderd personeelsbestand c.q. afslanking in de toekomst, terwijl de nota nog uitgaat van een groter personeelsbestand.
Een sanering moet voor de ondernemer duidelijkheid verschaffen over zijn positie ten opzichte van de ontvanger. Er mogen geen misverstanden rijzen over de voorwaarden waaronder de ontvanger tot het akkoord is toegetreden noch nieuwe voorwaarden aan het akkoord worden toegevoegd nadat het akkoord tot stand is gekomen. Op grond hiervan worden belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór het tijdstip van de sanering niet uitbetaald maar in eerste instantie verrekend met belastingaanslagen en vervolgens met vorderingen van het Uitvoeringsinstituut. Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken ná de sanering worden in de regel niet verrekend maar aan de belanghebbende ter beschikking gesteld. In verband met het vorenstaande moet tijdens de behandeling van het aanbod tot een akkoord worden nagegaan of er nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten. Tevens moet nagegaan worden of de van het Uitvoeringsinstituut ontvangen nota's (die uitsluitend betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006) wijziging ondergaan. Hierbij kan van belang zijn een sterk verminderd personeelsbestand c.q. afslanking in de toekomst, terwijl de nota nog uitgaat van een groter personeelsbestand.
Uit te betalen bedragen die door cessie of verpanding niet voor verrekening in aanmerking komen, worden uiteraard niet op de openstaande belastingschuld in mindering gebracht. Wanneer de ontvanger het aanbod tot een akkoord accepteert en vaststaat dat ten name van de belastingschuldige nog uit te betalen bedragen zullen volgen, vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking dat kwijtschelding zal worden verleend. Tevens vermeldt hij op welke belastingaanslagen de te verwachten uit te betalen bedragen zullen worden afgeboekt. Voor die belastingaanslagen wordt - tot het bedrag van de te verwachten uit te betalen bedragen - geen kwijtschelding verleend. Wanneer de ontvanger het aanbod tot een akkoord accepteert, maar nog niet definitief vaststaat of en tot welke bedragen uitbetaling is te verwachten, vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking dat kwijtschelding zal worden verleend. Hij vermeldt tevens dat de (vermoedelijke) uit te betalen bedragen niet zullen worden uitbetaald maar zullen worden verrekend met de onbetaald gebleven schuld. Voor de belastingaanslagen waarmee de vermoedelijke uit te betalen bedragen zullen worden verrekend, wordt geen kwijtschelding verleend. De belastingschuldige wordt toegezegd dat voor die belastingaanslagen geen verdere invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen. Als in een situatie waarin nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten alle belastingaanslagen worden kwijtgescholden, kan in een later stadium geen verrekening plaatsvinden omdat kwijtschelding de schuldvordering i.c. de belastingaanslag teniet doet gaan ten belope van het bedrag waarvoor kwijtschelding is verleend. Voor verminderingen op de belastingaanslagen waarvoor kwijtschelding is verleend, wordt verwezen naar § 1, leden 17 en 18, hiervoor.
@ -2222,7 +2225,7 @@ Op de beroepfase is naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 6 van het
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek en van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de ontvangen huursubsidie kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats als in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud.
Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek en van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats als in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud.
Wanneer een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat 10 dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Wordt binnen de termijn van 10 dagen een beroepschrift ingediend dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Indiening van het beroepschrift na de termijn van 10 dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat, als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet, van de directeur mag worden verwacht dat hij alsnog ambtshalve de in het beroepschrift aangedragen grieven op hun merites beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Wanneer het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hiervan is echter in ieder geval sprake wanneer inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.
@ -2303,14 +2306,14 @@ De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de bel
### Artikel 27a
In artikel 27a van de wet is de mogelijkheid opgenomen om bij betaling van een belastingaanslag een betalingskorting te verlenen. De betalingskorting wordt verleend met betrekking tot belastingaanslagen die een te innen bedrag behelzen en die invorderbaar zijn in meer dan één termijn. De betalingskorting wordt verleend indien het volledige bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting, op de eerste vervaldag van de belastingaanslag is voldaan. Oók als het bedrag van de belastingaanslag door de belastingplichtige bestreden wordt moet het volledige bedrag van de belastingaanslag worden voldaan om voor de betalingskorting in aanmerking te komen. Als de belastingaanslag waarover de betalingskorting is verleend nog in hetzelfde jaar wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering maar ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
In artikel 27a van de wet is de mogelijkheid opgenomen om bij betaling van een belastingaanslag een betalingskorting te verlenen. De betalingskorting wordt verleend met betrekking tot belastingaanslagen die een te innen bedrag behelzen en die invorderbaar zijn in meer dan één termijn waarvan ten minste één termijn vervalt voor de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. De betalingskorting wordt verleend indien het volledige bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting, op de eerste vervaldag van de belastingaanslag is voldaan. Oók als het bedrag van de belastingaanslag door de belastingplichtige bestreden wordt moet het volledige bedrag van de belastingaanslag worden voldaan om voor de betalingskorting in aanmerking te komen. Als de belastingaanslag waarover de betalingskorting is verleend nog in hetzelfde jaar wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering maar ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
De belastingaanslagen waarop de betalingskorting wordt verleend zijn:
- voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, vennootschapsbelasting en premieheffing arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tot een positief bedrag waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld;
- voorlopige aanslagen waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar van de peildatum (de toestand aan het begin van het jaar) waarop de aanslag is gebaseerd.
Het bedrag van de betalingskorting wordt berekend over het bedrag van de belastingaanslag en wordt vastgesteld met behulp van een percentage van het bedrag van de belastingaanslag. Dit percentage is gelijk aan het percentage van de invorderingsrente dat geldt op de vervaldag van de eerste termijn, waarbij de gemiddelde resterende looptijd van die termijnen in aanmerking wordt genomen. De gemiddelde looptijd is gelijk aan de helft van het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de laatste betalingstermijn. Het bedrag van de betalingskorting wordt vermeld op het aanslagbiljet. Dit bedrag kan de belastingschuldige bij tijdige betaling in mindering brengen op het verschuldigde bedrag. De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over de resterende gemiddelde looptijd die wordt gesteld op de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekend gemaakt en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn. Het percentage dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de terug te nemen betalingskorting is gelijk aan het percentage dat in aanmerking is genomen bij de berekening van de op de belastingaanslag in mindering te brengen betalingskorting.
Het bedrag van de betalingskorting wordt berekend over het bedrag van de belastingaanslag en wordt vastgesteld met behulp van een percentage van het bedrag van de belastingaanslag. Dit percentage is gelijk aan het percentage van de invorderingsrente dat geldt op de vervaldag van de eerste termijn. De te verlenen betalingskorting wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de eerste termijn en eindigt op de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Het bedrag van de betalingskorting wordt vermeld op het aanslagbiljet. Dit bedrag kan de belastingschuldige bij tijdige betaling in mindering brengen op het verschuldigde bedrag. De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekend gemaakt en eindigt op de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Het percentage dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de terug te nemen betalingskorting is gelijk aan het percentage dat in aanmerking is genomen bij de berekening van de op de belastingaanslag in mindering te brengen betalingskorting.
Op grond van artikel 24, vierde lid, van de wet is de ontvanger gehouden de verleende betalingskorting te verrekenen met het bedrag van de belastingaanslag waarvoor de betalingskorting wordt verleend. Wanneer de belastingaanslag terzake waarvan een betalingskorting is verleend wordt verminderd, moet de ontvanger de in verband met de vermindering terug te nemen betalingskorting verrekenen met het uit te betalen bedrag van de vermindering. Zie hiervoor ook artikel 24, § 1, tiende lid, van deze leidraad.
@ -2326,11 +2329,11 @@ a. de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting terzake waarvan door v
b. de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting, terzake waarvan in verband met een omstandigheid als bedoeld in 25, vijfde lid, tweede volzin, van de wet, het verleende uitstel als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet wordt beëindigd;
c. de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting, terzake waarvan in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onder a, b of c, van de wet, het verleende uitstel als bedoeld in artikel 25, zesde lid, eerste volzin, van de wet, is of wordt beëindigd;
d. de in belastingaanslagen inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, van de wet, terzake waarvan bij het niet nakomen van de betalingsregeling of in verband met een omstandigheid als bedoeld in de vierde volzin van dat artikel, het op grond van dat artikel verleende uitstel wordt beëindigd;
e. de in belastingaanslagen inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de wet, terzake waarvan bij het niet nakomen van de betalingsregeling of in verband met een omstandigheid als bedoeld in de derde volzin van dat artikel, het op grond van dat artikel verleende uitstel wordt beëindigd; is invorderingsrente verschuldigd met ingang van de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag enige of laatste betalingstermijn.
e. de in belastingaanslagen inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, terzake waarvan bij het niet nakomen van de betalingsregeling of in verband met een omstandigheid als bedoeld in de derde volzin van dat artikel, het op grond van dat artikel verleende uitstel wordt beëindigd; geldt voor de situaties beschreven in de onderdelen a, d en e, dat invorderingsrente is verschuldigd met ingang van de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag enige of laatste betalingstermijn. Voor de situaties beschreven in de onderdelen b en c geldt dat invorderingsrente is verschuldigd vanaf 1 september van het jaar waarin zich een handeling of omstandigheid voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd.
Bij overschrijding van de betalingstermijn is rente verschuldigd (slechts voor vorderingen die al voor 1 januari 1994 waren geformaliseerd geldt een ander regime). Hierbij geldt het bepaalde in de artikelen 28 tot en met 31a van de wet. Als tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan op grond van de artikelen 236, 237 of 238 van het CDW, omdat het oorspronkelijk op de uitnodiging tot betaling betaalde bedrag niet wettelijk verschuldigd is, wordt invorderingsrente vergoed. Deze rente wordt vergoed over ten hoogste het bedrag dat op de oorspronkelijke uitnodiging tot betaling is voldaan. Er wordt op gewezen dat in artikel 28, derde lid, van de wet nog eens uitdrukkelijk is onderstreept dat geen invorderingsrente is verschuldigd over de tijd waarover uitstel van betaling is verleend in de zin van artikel 224 e.v. CDW.
Voor de berekening van de verschuldigde invorderingsrente geldt als dag van betaling bij een girale betaling de dag van bijschrijving op de bank- of giro-rekening van de B/CA of van de ontvanger. Bij betaling op het postkantoor door storting op de girorekening van de B/CA of de ontvanger geldt als dag van betaling de dag van storting. Bij een uit het buitenland ontvangen cheque wordt de dag van ontvangst van de cheque als dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
Voor de berekening van de verschuldigde invorderingsrente geldt als dag van betaling bij een girale betaling de dag van bijschrijving op de bankrekening van de Belastingdienst. Bij betaling op het postkantoor door middel van storting op de bankrekening van de Belastingdienst geldt als dag van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van storting. Bij een uit het buitenland ontvangen cheque wordt de dag van ontvangst van de cheque als dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
Voor de conserverende belastingaanslagen als bedoeld in artikel 25, achtste, elfde en zeventiende lid, van de wet en voor de in de belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de wet, waarvoor op grond van artikel 25, negende lid, eerste volzin, van de wet uitstel van betaling is verleend, wordt renteloos uitstel van betaling verleend. Invorderingsrente wordt wel in rekening gebracht voorzover in het kader van de betalingsregeling ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, niet tijdig betaling plaatsvindt van de verschenen termijnen. Invorderingsrente is alsdan verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende termijnen zijn versterken tot het moment van feitelijke voldoening. Als de ontvanger het uitstel als bedoeld in artikel 25, achtste, negende of elfde lid, van de wet geheel of gedeeltelijk beëindigt naar aanleiding van omstandigheden, andere dan de niet betaling van de verschenen termijnen ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, die aanleiding geven het verleende uitstel in te trekken, wordt invorderingsrente in rekening gebracht met ingang van de dag volgende op de dag waarop zich die omstandigheden hebben voorgedaan. Wanneer uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, zeventiende lid, van de wet wordt rente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dag waarop het uitstel is geëindigd.
@ -2491,8 +2494,6 @@ Artikel 33, vierde lid, van de wet bevat voor degene die op grond van het eerste
### Artikel 34
De aansprakelijkheid van inleners van arbeidskrachten voor loon- en omzetbelasting is een equivalent van de aansprakelijkheid zoals geregeld in artikel 16a CSV.
Van inlening is sprake als een werkgever zijn werknemers ter beschikking stelt aan een derde -de zogenaamde inlener- om onder diens toezicht of leiding arbeid te verrichten. De betreffende werknemers staan gedurende de periode waarin ze zijn uitgeleend in dienstbetrekking tot de werkgever, de zogenaamde uitlener. Op grond van dit artikel is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de uitlener verschuldigd is en voor de omzetbelasting die de uitlener, en -in het geval doorlening plaatsvindt- de zogenaamde doorlener(s) verschuldigd is (zijn).
Uitdrukkelijk anders dan op grond van de ketenaansprakelijkheidsregeling geldt voor de aannemer, is de inlener ook aansprakelijk voor de terzake van de prestatie door de uitlener verschuldigde omzetbelasting. Vrijwaring van die aansprakelijkheid kan worden verkregen door middel van de g-betaling en, voor situaties waarin de uitlener niet over een g-rekening beschikt, door middel van een -separate- rechtstreekse storting.
@ -2503,7 +2504,7 @@ In twee situaties kan sprake zijn van meerdere aansprakelijken terzake van één
Doorlener I leent de van de uitlener ingeleende arbeidskrachten door aan doorlener II die deze arbeidskrachten op zijn beurt doorleent aan de inlener. Voor de terzake door de uitlener/werkgever verschuldigde loon- en omzetbelasting zijn zowel doorlener I en II als de inlener hoofdelijk aansprakelijk. Doorlener II en de inlener zijn bovendien hoofdelijk aansprakelijk voor de terzake door doorlener I verschuldigde omzetbelasting en de inlener is tenslotte aansprakelijk voor de terzake door doorlener II verschuldigde omzetbelasting. De tweede situatie doet zich voor indien de werkgever arbeidskrachten heeft uitgeleend aan een onderaannemer als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Onderaannemer 2 leent van de uitlener personeel in ten behoeve van het werk dat hij in onderaanneming uitvoert voor onderaannemer 1. Zowel de hoofdaannemer als de onderaannemers 1 en 2 zijn in dit geval hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting en premies volksverzekeringen die de uitlener verschuldigd is:
Onderaannemer 2 leent van de uitlener personeel in ten behoeve van het werk dat hij in onderaanneming uitvoert voor onderaannemer 1. Zowel de hoofdaannemer als de onderaannemers 1 en 2 zijn in dit geval hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de uitlener verschuldigd is:
- Onderaannemer 2 is aansprakelijk op grond van het eerste lid van dit artikel (ook voor de omzetbelasting die de uitlener verschuldigd is).
- De hoofdaannemer en onderaannemer 1 zijn aansprakelijk op grond van artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet (niet voor de omzetbelasting die de uitlener verschuldigd is).
@ -2520,11 +2521,11 @@ Onder de tot 1 juli 1998 geldende wetgeving werd aangenomen dat de inlenersaansp
Bij situaties waarin sprake is van doorlenen alsmede in situaties als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn meerdere derden aansprakelijk voor dezelfde schuld. Voor wat betreft de volgorde waarin deze derden aansprakelijk worden gesteld, is het bepaalde in artikel 35, § 14, eerste lid, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Dit betekent in doorleensituaties dat over het algemeen de doorlener als eerste aansprakelijk wordt gesteld en pas daarna de uiteindelijke inlener.
Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 verlenen de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut hun medewerking aan het totstandkomen van een g-rekeningovereenkomst met een uitlener onder voorwaarde dat laatstgenoemde zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel diens bedrijf, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven. Het voorgaande leidt ertoe dat met uitleners wier bedrijf niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het uitlenen van personeel geen g-rekeningovereenkomst kan worden afgesloten. Inleners die gebruik maken van de diensten van de in de vorige zin bedoelde uitlener zullen dus op andere wijze vrijwaring moeten zien te verkrijgen. Zij kunnen dit onder andere doen door de terzake van de prestatie verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting rechtstreeks te storten bij de B/CA te Apeldoorn.
Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 verleent de ontvanger zijn medewerking aan het totstandkomen van een g-rekeningovereenkomst met een uitlener onder voorwaarde dat laatstgenoemde zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel diens bedrijf, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven. Het voorgaande leidt ertoe dat met uitleners wier bedrijf niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het uitlenen van personeel geen g-rekeningovereenkomst kan worden afgesloten. Inleners die gebruik maken van de diensten van de in de vorige zin bedoelde uitlener zullen dus op andere wijze vrijwaring moeten zien te verkrijgen. Zij kunnen dit onder andere doen door de terzake van de prestatie verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting rechtstreeks te storten bij de B/CA te Apeldoorn.
In afwijking van het vorenstaande wordt wel een g-rekeningovereenkomst afgesloten met de ondernemer die zijn bedrijf maakt van het opleiden van leerlingen die bij hem in dienst zijn en die deze leerlingen in het kader van hun opleiding tegen vergoeding uitleent.
Op grond van het bepaalde in artikel 34, derde lid, van de wet, verkrijgt de inlener, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de werkgever van de ingeleende arbeidskrachten, vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of de uitvoeringsinstelling daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de werkgever in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting, omzetbelasting of sociale verzekeringspremies. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een "opzetje" het enkele feit dat betrokkene stort op een g-rekening al tot vrijwaring zou moeten leiden.
Op grond van het bepaalde in artikel 34, derde lid, van de wet, verkrijgt de inlener, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de werkgever van de ingeleende arbeidskrachten, vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting en omzetbelasting. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of de uitvoeringsinstelling daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de werkgever in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting en omzetbelasting. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een "opzetje" het enkele feit dat betrokkene stort op een g-rekening al tot vrijwaring zou moeten leiden.
Zoals in het vorige lid is aangegeven, kan slechts een g-rekeningovereenkomst worden gesloten met de uitlener van arbeidskrachten die er zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend van maakt om tegen vergoeding personeel uit te lenen dan wel wiens bedrijf, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven. Het kan echter voorkomen dat degene die feitelijk optreedt als uitlener reeds uit hoofde van onderaannemerschap beschikt over een g-rekening. In dat geval zal de inlener die gebruik maakt van die g-rekening vrijwaring verkrijgen op de voet van artikel 34, derde en zesde lid, van de wet. Dit betekent dus dat aan de vrijwaring niet in de weg staat dat de uitlener feitelijk niet beschikt over het juiste type g-rekening.
@ -2536,31 +2537,27 @@ Aan het gebruik van de g-rekening zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden z
Bovendien moet de inlener van de arbeidskrachten een manurenadministratie voeren aan de hand waarvan (o.a. de omvang van) zijn aansprakelijkheid kan worden vastgesteld. De strekking van deze voorwaarden is, dat de prestaties van de ter beschikking gestelde arbeidskrachten als het ware in de administratie van de inlener kunnen worden geïdentificeerd en geïndividualiseerd zodat op basis daarvan de (omvang van de) aansprakelijkheid of juist de afwezigheid daarvan - bijvoorbeeld in verband met een correct en toereikend gebruik van de g-rekening- kan worden vastgesteld. Het niet of onvolledig nakomen van de hiervoor bedoelde voorwaarden leidt er in beginsel toe dat aan de g-betaling de vrijwarende werking wordt ontzegd. Het bepaalde in artikel 35, § 11, eerste lid, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing op laatstbedoelde betalingen.
Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 zijn zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut bevoegd het saldo van de g-rekening uit te winnen. Zij zijn eveneens bevoegd om in het geval de g-rekening onjuist is gebruikt, een vordering wegens wanprestatie of onrechtmatige daad in te stellen. In voorkomend geval geschiedt zowel de uitwinning van het pandrecht als het instellen van de voornoemde vorderingen steeds voor gemeenschappelijke rekening. De uit hoofde daarvan ontvangen (netto) bedragen worden steeds verdeeld naar rato van ieders vorderingen inzake de loon- en omzetbelasting enerzijds en sociale verzekeringspremies anderzijds. Van de voorgeschreven verdelingswijze kan in onderling overleg worden afgeweken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan situaties waarin de vordering van de ene pandhouder een heel andere periode bestrijkt dan die van de andere pandhouder of waarin de vordering van de ene pandhouder gebaseerd is op schattingen terwijl de vordering van de andere pandhouder gebaseerd is op rechtens relevante feiten. In dit verband wordt opgemerkt dat met betrekking tot de uitwinning van de g-rekening die onder vigeur van de regeling is totstandgekomen, geen uitvoeringsbepalingen gelden met betrekking de verdeling van het uitgewonnen bedrag.
4. Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 is de ontvanger bevoegd het saldo van de g-rekening uit te winnen. Hij is eveneens bevoegd om in het geval de g-rekening onjuist is gebruikt, een vordering wegens wanprestatie of onrechtmatige daad in te stellen.
Als de inlener ten behoeve van de uitlener de verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting waarvoor hij aansprakelijk is rechtstreeks heeft gestort bij de B/CA, strekt deze betaling tot vermindering van de primaire aansprakelijkheid (zoals namelijk ten tijde van de verloning respectievelijk het verrichten van de dienst belopen uit de wet) mits de betaling voldoende gespecificeerd is. De betaling is in elk geval voldoende gespecificeerd als daarbij naast de gegevens van de uitlener, diens loonbelastingnummer respectievelijk omzetbelastingnummer, het betreffende factuurnummer en de periode waarin het werk is verricht, zijn vermeld. Rechtstreekse storting van de terzake verschuldigde loonbelasting en van de omzetbelasting dient bij afzonderlijke betalingen plaats te vinden.
Op grond van artikel 34, vijfde lid, van de wet is de inlener niet aansprakelijk, indien aannemelijk is dat het niet betalen van de loonbelasting en de omzetbelasting noch aan de uitlener noch aan een inlener -waaronder mede wordt verstaan: de doorlener- is te wijten. In de ketenaansprakelijkheidsregeling, die overigens een vergelijkbare discupatiebepaling kent, speelt nadrukkelijk een rol dat, teneinde de disculpatieregeling van toepassing te verklaren, geen van de bij het werk betrokken (onder)aannemers (de gehele keten) een verwijt moet kunnen worden gemaakt. In de inlenersaansprakelijkheidsregeling zal het, doorleenconstructies daargelaten, slechts gaan om twee partijen van wie beoordeeld moet worden of sprake is van verwijtbaarheid terzake. Dit betekent dat de inlener in de praktijk naar verwachting beter in staat is om op dit punt zijn positie te bepalen. De vraag of in voorkomend geval sprake is van disculpatie, hetgeen in beginsel door de aansprakelijke inlener(s) aannemelijk zal moeten worden gemaakt, dient steeds op individuele basis te worden beoordeeld. In dit verband geldt dat aan branche-initiatieven die erop gericht zijn eventuele malversaties bij aangesloten uitzendbedrijven tegen te gaan, geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.
Om het de inlener mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsgedrag van de uitlener met wie hij een contract wil sluiten, kan de uitlener zich tot de ontvanger wenden met het verzoek hem een verklaring inzake zijn betalingsgedrag te verstrekken. De uitlener kan de aan hem afgegeven verklaring tonen aan zijn wederpartij de inlener. Deze verklaring inzake het betalingsgedrag is geen beschikking in de zin van de Awb. Op de procedure met betrekking tot de afgifte van de verklaring alsmede op de inhoud ervan is het bepaalde in artikel 35, § 15, tweede, vierde tot en met elfde lid, en § 16 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft betrekking op de omzetbelasting, de loonbelasting en premies volksverzekeringen die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde omzetbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen ten volle zijn voldaan en evenmin dat de uitlener de omzetbelasting, de loonbelasting en premies volksverzekeringen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen. Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener wordt de omzetbelasting niet in de af te geven verklaring betrokken. In dat geval is niet de feitelijke uitlener maar de fiscale eenheid voor de omzetbelasting de belastingschuldige.
Om het de inlener mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsgedrag van de uitlener met wie hij een contract wil sluiten, kan de uitlener zich tot de ontvanger wenden met het verzoek hem een verklaring inzake zijn betalingsgedrag te verstrekken. De uitlener kan de aan hem afgegeven verklaring tonen aan zijn wederpartij de inlener. Deze verklaring inzake het betalingsgedrag is geen beschikking in de zin van de Awb. Op de procedure met betrekking tot de afgifte van de verklaring alsmede op de inhoud ervan is het bepaalde in artikel 35, § 15, tweede, vierde tot en met elfde lid, en § 16 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft betrekking op de loonbelasting en omzetbelasting die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting ten volle zijn voldaan en evenmin dat de uitlener de omzetbelasting, de loonbelasting en premies volksverzekeringen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen. Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener wordt de omzetbelasting niet in de af te geven verklaring betrokken. In dat geval is niet de feitelijke uitlener maar de fiscale eenheid voor de omzetbelasting de belastingschuldige.
Op grond van artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de werkgever verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde loonbelasting in te houden. De aansprakelijkheid voor de loonbelasting van de inlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Ten tijde van de aansprakelijkstelling dient te worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid - zoals ontstaan ten tijde van de wettlelijke inhoudingsplicht - nog verschuldigd is. Daartoe wordt het bedrag van de (primaire) aansprakelijkheid verminderd met de betalingen door de werkgever/uitlener (op aangifte en/of op naheffingsaanslag), voorzover deze betalingen althans toegerekend kunnen worden aan de werknemer die de werkzaamheden heeft verricht. De toerekening van betalingen aan de "werknemer" kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de werkgever/uitlener en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen met betrekking tot de verschillende aangiftetijdvakken. Voor deze toerekening kan in voorkomend geval ook gebruik gemaakt worden van de administratie die de inlener op grond van artikel 16a, juncto artikel 10 CSV dient te voeren. Als afdrachten/betalingen ten tijde van de aansprakelijkstelling rederlijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werknemers, vindt een evenredige toedeling daarvan plaats aan alle werknemers die gedurende het heffingstijdvak in dienst zijn geweest van de uitlener. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid - pro resto - bestaat, wordt verkregen door het bedrag van de primaire aansprakelijkheid te verminderen met de aan de werknemer toe te rekenen afdrachten en/of betalingen.
Op grond van artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de werkgever verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde loonbelasting in te houden. De aansprakelijkheid voor de loonbelasting van de inlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Ten tijde van de aansprakelijkstelling dient te worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid - zoals ontstaan ten tijde van de wettlelijke inhoudingsplicht - nog verschuldigd is. Daartoe wordt het bedrag van de (primaire) aansprakelijkheid verminderd met de betalingen door de werkgever/uitlener (op aangifte en/of op naheffingsaanslag), voorzover deze betalingen althans toegerekend kunnen worden aan de werknemer die de werkzaamheden heeft verricht. De toerekening van betalingen aan de "werknemer" kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de werkgever/uitlener en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen met betrekking tot de verschillende aangiftetijdvakken. Als afdrachten/betalingen ten tijde van de aansprakelijkstelling rederlijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werknemers, vindt een evenredige toedeling daarvan plaats aan alle werknemers die gedurende het heffingstijdvak in dienst zijn geweest van de uitlener. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid - pro resto - bestaat, wordt verkregen door het bedrag van de primaire aansprakelijkheid te verminderen met de aan de werknemer toe te rekenen afdrachten en/of betalingen.
De inlener die zich niet met vrucht op disculpatie kan beroepen is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener, ook als deze loonbelasting berekend is met toepassing van het anoniementarief. Een matiging van de primaire aansprakelijkheid dient evenwel te worden verleend als de inlener op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van de werkzaamheden - kan worden geïndividualiseerd. De inlener kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam, adres, woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het sofi-nummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase en geschiedt aan de hand van de volgende herrekeningsregels. Het terzake van de werkzaamheden betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage, welk percentage wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA bij deze leidraad. De belasting terzake van de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad.
Deze "tariefmatiging", die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag, vindt niet plaats en beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft mitsdien achterwege als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem (zwart) personeel werkte.
In het geval er voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, door de ontvanger ten laste van de uitlener derdenbeslag wordt gelegd onder de aansprakelijke inlener, is de inlener ingevolge het bepaalde bij artikel 476a e.v. Rv verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de door het beslag getroffen geldsom aan de ontvanger af te dragen. Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de inlener, zal de ontvanger het uit hoofde van het eerdere derdenbeslag verhaalde bedrag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen indien blijkt dan zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag - ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt - als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van inlening) tussen de inlener en de uitlener. De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke inlener onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de uitlener, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de inlener niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen. In het geval de aansprakelijkheid van de inlener zich mede uitstrekt tot de door het Uitvoeringsinstituut geheven verzekeringspremies, treedt de ontvanger in overleg met het Uitvoeringsinstituut teneinde de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring mede te kunnen doen namens het Uitvoeringsinstituut.
In het geval er voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, door de ontvanger ten laste van de uitlener derdenbeslag wordt gelegd onder de aansprakelijke inlener, is de inlener ingevolge het bepaalde bij artikel 476a e.v. Rv verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de door het beslag getroffen geldsom aan de ontvanger af te dragen. Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de inlener, zal de ontvanger het uit hoofde van het eerdere derdenbeslag verhaalde bedrag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen indien blijkt dan zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag - ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt - als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van inlening) tussen de inlener en de uitlener. De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke inlener onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de uitlener, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de inlener niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 kan de inlener aansprakelijk worden gesteld voor ten hoogste het verschil tussen het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan (namelijk uit de wet en zonder rekening te houden met vervolgens in verband daarmee verrichtte betalingen door de uitlener) en het gezamenlijke bedrag van de terzake door de inlener op de g-rekening van de uitlener gestorte bedragen. Het gezamenlijke bedrag van de aansprakelijkstellingen door de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut mag niet uitgaan boven het in de vorige zin bedoelde verschil. Dit betekent dat de ontvanger in de praktijk, in de fase van voorbereiding van de aansprakelijkstelling, intensief overleg zal moeten voeren met de betreffende uitvoeringsinstelling. In dit overleg zal over en weer moeten worden uitgewisseld tot welke bedragen de aansprakelijkheid voor de loon- en omzetbelasting enerzijds en voor de sociale verzekeringspremies anderzijds in eerste aanleg is ontstaan. Ook zal moeten worden afgesproken of en tot welk beloop beide partijen daadwerkelijk tot aansprakelijkstelling wensen over te gaan.
Terzake van een bepaalde prestatie wordt de verschuldigdheid in eerste aanleg als volgt berekend:
De ontvanger kan de inlener voor de loon- en omzetbelasting ten hoogste aansprakelijk stellen voor € 750 - € 380 € 370 (het gezamenlijke bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan -let wel: terzake van de verschuldigde de loon- en omzetbelasting èn van de sociale verzekeringspremies- minus de g-betaling, maar niet meer dan de eigen vordering voorzover die onbetaald is gebleven). De uitvoeringsinstelling kan de inlener voor de sociale verzekeringspremies ten hoogste aansprakelijk stellen voor € 200 (het gezamenlijke bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan -dus weer van de sociale verzekeringspremies èn van de loon- en omzetbelasting tezamen- minus de g-betaling, maar niet meer dan de eigen vordering voorzover die onbetaald is gebleven). Het gezamenlijke bedrag van de aansprakelijkstelling door de ontvanger en door de uitvoeringsinstelling kan echter niet meer belopen dan € 370 (het gezamenlijke bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan minus de g-betaling). In goed overleg zal hier moeten worden besloten wie tot welke bedragen aansprakelijk stelt, waarbij het overigens voor de hand ligt overeen te komen dat de aansprakelijkstellingen zullen worden vastgesteld naar rato van ieders vordering, voorzover die althans onbetaald is gebleven, i.c.: de ontvanger 550/750 x € 370 = € 271 en de uitvoeringsinstelling 200/750 x € 370 = € 99.
Vervallen.
### Artikel 35
In dit artikel is de regeling opgenomen die bekend staat als de ketenaansprakelijkheid. Deze regeling heeft tot doel de malafide onderaanneming te bestrijden door middel van een hoofdelijke aansprakelijkheid van de aannemer van een werk voor de loonbelasting en de premies volksverzekeringen die zijn onderaannemer in verband met het aan hem uitbestede werk verschuldigd is en voorts, als dat werk geheel of gedeeltelijk door volgende onderaannemers is uitgevoerd, ook voor de loonbelasting en premies van die onderaannemers. Omdat iedere onderaannemer zelf ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting en premies van de onderaannemer, waarmee hij op zijn beurt heeft gecontracteerd, en van eventuele volgende onderaannemers, ontstaat een keten van aansprakelijke aannemers die bij een bepaald werk betrokken zijn. In de artikelen 16b, 16ba en 16bb van de CSV is de ketenaansprakelijkheid geregeld voor de premies werknemersverzekeringen. Voor de toepassing van de in artikel 35 van de wet omschreven begrippen en daarmee van de aansprakelijkheidsregeling, is niet van doorslaggevend belang hoe partijen een gegeven opdracht hebben benoemd, maar wat de werkelijke aard, inhoud en uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst is.
In dit artikel is de regeling opgenomen die bekend staat als de ketenaansprakelijkheid. Deze regeling heeft tot doel de malafide onderaanneming te bestrijden door middel van een hoofdelijke aansprakelijkheid van de aannemer van een werk voor de loonbelasting en omzetbelasting die zijn onderaannemer in verband met het aan hem uitbestede werk verschuldigd is en voorts, als dat werk geheel of gedeeltelijk door volgende onderaannemers is uitgevoerd, ook voor de loonbelasting van die onderaannemers. Omdat iedere onderaannemer zelf ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting van de onderaannemer, waarmee hij op zijn beurt heeft gecontracteerd, en van eventuele volgende onderaannemers, ontstaat een keten van aansprakelijke aannemers die bij een bepaald werk betrokken zijn. Voor de toepassing van de in artikel 35 van de wet omschreven begrippen en daarmee van de aansprakelijkheidsregeling, is niet van doorslaggevend belang hoe partijen een gegeven opdracht hebben benoemd, maar wat de werkelijke aard, inhoud en uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst is.
De mogelijkheid bestaat dat de onderaannemer het werk niet door zijn eigen werknemers laat uitvoeren, maar door arbeidskrachten die hem door een ander ter beschikking zijn gesteld. Onder bepaalde voorwaarden is de onderaannemer (inlener) dan op grond van artikel 34 van de wet aansprakelijk voor de loon- en omzetbelasting, die degene die zijn werknemers ter beschikking heeft gesteld, verschuldigd is. Op zijn beurt is de aannemer op grond van artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting voor de betaling waarvan de onderaannemer (inlener) aansprakelijk is op grond van artikel 34 (zie het voorbeeld in artikel 34, § 1, eerste lid, van deze leidraad). De aannemer is echter niet aansprakelijk voor de door de uitlener verschuldigde omzetbelasting.
@ -2664,7 +2661,7 @@ Ook in de confectiesector kan sprake zijn van eigenbouwerschap. Daarbij is het n
Voorbeeld: het winkelbedrijf/opdrachtgever dat zelf modellen ontwerpt, de patronen vervaardigt, de te gebruiken stoffen aanlevert of specificeert en daarnaast op grond van de voorwaarden van de met het confectiebedrijf gesloten overeenkomst bevoegd is om toezicht uit te oefenen op het produktieproces, is in elk geval eigenbouwer in de zin van de wet. Als het winkelbedrijf in de hoedanigheid van opdrachtgever aansprakelijk kan worden gesteld (zie artikel 35a, § 3, eerste lid) blijft een aansprakelijkstelling op grond van het zogenoemde eigenbouwerschap ex artikel 35, derde lid, onderdeel b, van de wet achterwege. Het vorenstaande laat onverlet dat aansprakelijkstellingen van winkelbedrijven die vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel 'Opdrachtgeversaansprakelijkheid in de confectiesector' aansprakelijk zijn gesteld op grond van het eigenbouwerschap, in stand blijven.
Als een onderaannemer het werk in het buitenland uitvoert en over het loon van zijn werknemers in Nederland loonbelasting en premies volksverzekeringen verschuldigd is, is artikel 35 van de wet niet van toepassing op de buitenlandse aannemer.
Als een onderaannemer het werk in het buitenland uitvoert en over het loon van zijn werknemers in Nederland loonbelasting verschuldigd is, is artikel 35 van de wet niet van toepassing op de buitenlandse aannemer.
In artikel 35, derde lid, onderdeel c, van de wet wordt de verkoper van een toekomstige zaak ten opzichte van de aannemer - onder wie ook de op grond van de onderdelen a en b met een aannemer gelijkgestelde personen worden verstaan - als onderaannemer beschouwd, dit voorzover de koop en verkoop verband houden met het aangenomen werk.
@ -2691,7 +2688,7 @@ Of van ondergeschiktheid sprake is, wordt van geval tot geval bezien. Veelal zal
De eerste onderaannemer(/verkoper) is daarentegen wel aansprakelijk voor de belasting, die de tweede onderaannemer terzake van die werkzaamheden verschuldigd is. Bij de onderaannemer(/verkoper) kan terzake van die werkzaamheden dus een (nieuwe) keten van aansprakelijke personen ontstaan.
Op grond van het bepaalde in artikel 35, vijfde lid, van de wet, verkrijgt de aannemer, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de onderaannemer vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting en de sociale verzekeringspremies. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting of sociale verzekeringspremies. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij samenspanning tussen de aannemer en de onderaannemer het enkele feit dat betrokkene op een g-rekening stort al tot vrijwaring leidt.
Op grond van het bepaalde in artikel 35, vijfde lid, van de wet, verkrijgt de aannemer, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de onderaannemer vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij samenspanning tussen de aannemer en de onderaannemer het enkele feit dat betrokkene op een g-rekening stort al tot vrijwaring leidt.
In § 3, hiervoor, is aangegeven dat bij de berekening en vaststelling van het bedrag waarvoor de aannemer aansprakelijk is in eerste instantie geen rekening wordt gehouden met de vrijwarende betalingen door de aannemer op de g-rekening van de onderaannemer. Na de vaststelling van het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid geldt als bedoeld in § 3 brengt de ontvanger de vrijwarende betalingen op de g-rekening in mindering op het in eerste aanleg verschuldigd geworden bedrag aan aansprakelijkheidsschuld. Voor de toepassing van de in artikel 35, vijfde lid, van de wet bedoelde wettelijke vrijwaring moet tevens zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
@ -2699,19 +2696,19 @@ Als de aannemer niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor een
De aannemer kan ook aansprakelijk worden gesteld voor bedragen die vanaf de datum van het faillissement van de onderaannemer op diens g-rekening zijn bijgeschreven aangezien op die bedragen geen pandrecht meer wordt gevestigd zodat de ontvanger daarop geen bijzondere aanspraken meer kan doen gelden. Het vorenstaande geldt ook met betrekking tot bedragen die op de g-rekening zijn bijgeschreven vanaf de datum van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Mede in verband met de afwikkeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement door de bewindvoerder onderscheidenlijk door de curator, vinden eventuele aansprakelijkstellingen door de ontvanger zo spoedig mogelijk na de datum waarop de wettelijke schuldsanering of het faillissement is uitgesproken plaats.
De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) door de storter van g-geld als deze bedragen heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst (bijvoorbeeld omdat aan de storting geen aanneming van het werk ten grondslag lag) waardoor het pandrecht van de fiscus en het Uitvoeringsinstituut is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.
De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) door de storter van g-geld als deze bedragen heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst (bijvoorbeeld omdat aan de storting geen aanneming van het werk ten grondslag lag) waardoor het pandrecht van de fiscus is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.
Een beroep op onrechtmatig handelen behoort eveneens tot de mogelijkheden. Dit betekent dat de ontvanger in voorkomend geval moet bewijzen dat gehandeld is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en dat hij schade heeft geleden.
Van strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, zal al sprake zijn door het enkele storten/ontvangen van g-geld op de g-rekening terwijl de storter/ontvanger van het g-geld wist dat er geen sprake was van aanneming van werk en niet heeft teruggestort. De ontvanger van het g-geld handelt vervolgens onrechtmatig wanneer hij het ontvangen geld zonder meer behoudt. De schade voor de ontvanger bestaat uit de niet op de g-rekening verhaalbare loonbelasting zoals die ten tijde van de onttrekking verschuldigd is en/of later verschuldigd wordt, één en ander tot ten hoogste het onttrokken bedrag.
In het geval van faillissement van de g-rekeninghouder geeft de ontvanger daarvan schriftelijk kennis aan het hoofd van de B/CA. Het verzoek tot uitwinning vindt zo spoedig mogelijk plaats. De B/CA neemt vervolgens de verdere uitwinning namens deze ontvanger ter hand. In voorkomende gevallen zal de B/CA het saldo van de rekening op de faillissementsdatum nagaan en tevens het totaalbedrag van de bijschrijvingen na de faillissementsdatum overmaken aan de curator ten gunste van de boedel. De B/CA zal het saldo van de g-rekening met inachtneming van het bovenstaande ponds-pondsgewijze verdelen tussen het Uitvoeringsinstituut en de fiscus. De B/CA zendt de ontvanger een bericht over de uitwinning. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing in het geval ten aanzien van de g-rekeninghouder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, waarbij voor "faillissementsdatum" dient te worden gelezen: de datum waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken.
In het geval van faillissement van de g-rekeninghouder geeft de ontvanger daarvan schriftelijk kennis aan het hoofd van de B/CA. Het verzoek tot uitwinning vindt zo spoedig mogelijk plaats. De B/CA neemt vervolgens de verdere uitwinning namens deze ontvanger ter hand. In voorkomende gevallen zal de B/CA het saldo van de rekening op de faillissementsdatum nagaan en tevens het totaalbedrag van de bijschrijvingen na de faillissementsdatum overmaken aan de curator ten gunste van de boedel. De B/CA zendt de ontvanger een bericht over de uitwinning. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing in het geval ten aanzien van de g-rekeninghouder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, waarbij voor "faillissementsdatum" dient te worden gelezen: de datum waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken.
Zodra de ontvanger bekend is met een surséanceverlening, verzoekt hij de bewindvoerder schriftelijk of hij, binnen een door de ontvanger te stellen termijn, schriftelijk wil instemmen met de vestiging van een pandrecht op de saldi op de g-rekening die ontstaan vanaf de datum van surséanceverlening. Indien de bewindvoerder instemming weigert, zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.
Als het saldo van een g-rekening hoger is dan de belasting- en premieschuld voor de werken waarvoor gelden op de desbetreffende g-rekening zijn gestort kan de onderaannemer een verzoek doen om de g-rekening tot het verschil van deze bedragen te deblokkeren.
Als het saldo van een g-rekening hoger is dan de belastingschuld voor de werken waarvoor gelden op de desbetreffende g-rekening zijn gestort kan de onderaannemer een verzoek doen om de g-rekening tot het verschil van deze bedragen te deblokkeren.
Voor deblokkering is toestemming van de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut vereist. De ontvanger deelt de B/CA schriftelijk mee of het ter beschikking komende bedrag geheel of gedeeltelijk moet worden ingehouden ter verrekening met openstaande belastingschuld. De B/CA draagt zorg voor overmaking aan het Uitvoeringsinstituut en/of uitbetaling aan de onderaannemer.
Voor deblokkering is toestemming van de ontvanger vereist. De ontvanger deelt de B/CA schriftelijk mee of het ter beschikking komende bedrag geheel of gedeeltelijk moet worden ingehouden ter verrekening met openstaande belastingschuld. De B/CA draagt zorg voor uitbetaling aan de onderaannemer.
Als de aannemer ten behoeve van zijn onderaannemer de terzake van het werk verschuldigde loonbelasting rechtstreeks heeft gestort bij de B/CA, strekt deze betaling tot vermindering van de primaire aansprakelijkheid (zoals aanvankelijk, namelijk ten tijde van de loonbelasting, belopen uit de wet) mits de betaling voldoende gespecificeerd is. De betaling is in elk geval voldoende gespecificeerd als daarbij naast de gegevens van de onderaannemer, diens loonbelastingnummer, de benaming van het werk en de periode waarin het werk is verricht zijn vermeld. De rechtstreekse stortingen worden betrokken in de vergelijking als bedoeld aan het slot van het eerste lid van deze paragraaf.
@ -2721,7 +2718,7 @@ In het geval er voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, door de ontv
Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de aannemer, zal de ontvanger het uit hoofde van het eerdere derdenbeslag verhaalde bedrag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen indien blijkt dat zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag - ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt - als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van aanneming van werk) tussen de aannemer en de onderaannemer.
De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35, § 11, eerste lid, van deze leidraad en dus niet als zodanig in de berekening als bedoeld in artikel 35, § 3, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke aannemer onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de onderaannemer, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de aannemer niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen. In het geval de aansprakelijkheid van de aannemer zich mede uitstrekt tot de door het Uitvoeringsinstituut geheven verzekeringspremies, treedt de ontvanger in overleg met het Uitvoeringsinstituut teneinde de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring mede te kunnen doen namens het Uitvoeringsinstituut.
De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35, § 11, eerste lid, van deze leidraad en dus niet als zodanig in de berekening als bedoeld in artikel 35, § 3, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke aannemer onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de onderaannemer, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de aannemer niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen.
De aansprakelijkheid op grond van artikel 35, eerste lid, van de wet geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een onderaannemer, als aannemelijk is dat de niet-betaling noch aan hem, noch aan een aannemer te wijten is. Als de niet-betaling kan worden verweten aan één onderaannemer of aannemer in de keten, is elke aannemer in de keten in beginsel aansprakelijk. Wat de niet-verwijtbaarheid betreft wordt in zijn algemeenheid naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld of sprake is van niet-verwijtbaarheid. Daarbij hangt veel af van de feitelijke omstandigheden.
@ -2731,17 +2728,17 @@ Ook kan zich voordoen dat plotseling betalingsonmacht ontstaat door een bijzonde
De volgende omstandigheden kunnen worden genoemd waarin een beroep op niet-verwijtbaarheid, zonder dat nader een gegronde oorzaak kan worden aangetoond, in het algemeen moet falen:
- De onderaannemer heeft geen of onvoldoende (loon- )administratie, zodat niet getoetst kan worden hoeveel aan belasting en premies verschuldigd is.
- De onderaannemer heeft geen of onvoldoende (loon- )administratie, zodat niet getoetst kan worden hoeveel aan loonbelasting verschuldigd is.
- De onderaannemer heeft medewerkers in dienst die niet in de loonadministratie zijn opgenomen.
- De onderaannemer betaalt hogere lonen dan zijn administratie aangeeft.
- De onderaannemer betaalt onverantwoord hoge netto-lonen uit.
- De onderaannemer komt zijn wettelijke verplichtingen als inhoudingsplichtige niet na, zoals het opmaken van loonstaten en het doen van aangifte van de verschuldigde loonbelasting en premies over verstreken tijdvakken.
- De onderaannemer heeft de verschuldigde loonbelasting en premies niet betaald hoewel het saldo op zijn geblokkeerde rekening daartoe toereikend was.
- De onderaannemer komt zijn wettelijke verplichtingen als inhoudingsplichtige niet na, zoals het opmaken van loonstaten en het doen van aangifte van de verschuldigde loonbelasting over verstreken tijdvakken.
- De onderaannemer heeft de verschuldigde loonbelasting niet betaald hoewel het saldo op zijn geblokkeerde rekening daartoe toereikend was.
- De onderaannemer is zijn wettelijke verplichtingen ter bescherming van crediteuren niet nagekomen, zoals de inschrijving in het handelsregister overeenkomstig de feitelijke situatie en de voorgeschreven minimale storting op het geplaatste aandelenkapitaal.
- De onderaannemer heeft financiële verplichtingen aangegaan zonder dat zijn liquiditeitspositie dit rechtvaardigt.
- De onderaannemer heeft werk aangenomen tegen zodanig lage prijs dat de ruimte ontbreekt zijn betalingsverplichtingen onverkort na te komen.
- De aannemer heeft geen of onvoldoende administratie aan de hand waarvan het bedrag aan loon, dat in de door de aannemer te betalen prijs voor de uitvoering van een werk door een onderaannemer is begrepen, kan worden vastgesteld.
- De aannemer heeft overeenkomsten van onderaanneming gesloten met onderaannemers van wie hij wist of kon weten dat zij hun betalingsverplichtingen aan fiscus en het Uitvoeringsinstituut niet of slechts ten dele nakomen.
- De aannemer heeft overeenkomsten van onderaanneming gesloten met onderaannemers van wie hij wist of kon weten dat zij hun betalingsverplichtingen aan de Belastingdienst niet of slechts ten dele nakomen.
Ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan zijn werkgever heeft verstrekt dan wel de identiteit van de werknemer niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, en ingeval de werknemer terzake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de werkgever (inhoudingsplichtige) dit weet of redelijkerwijs moet weten, bedraagt de belasting op grond van het bepaalde in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 52% van het loon (anoniementarief). De aannemer is voor de met toepassing van het anoniementarief berekende en door zijn onderaannemer terzake van het werk verschuldigde loonbelasting aansprakelijk.
@ -2751,9 +2748,7 @@ In het laatste geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de
De aannemer is ook aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is als gevolg van een latere brutering. Een latere brutering kan zich bijvoorbeeld voordoen als blijkt dat de onderaannemer de nageheven loonbelasting niet op zijn werknemer(s) heeft verhaald en dus voor eigen rekening neemt. De loonbelasting die als gevolg van dit "voor eigen rekening nemen" verschuldigd is, wordt aangemerkt als "belasting terzake van het werk".
Over het onderzoek dat ter voorbereiding van aansprakelijkstelling dient te worden ingesteld vindt in daartoe aanleiding gevende gevallen overleg plaats met het Uitvoeringsinstituut.
Als tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, overlegt de ontvanger met het Uitvoeringsinstituut over het tijdstip, de volgorde en de grondslagen van de aansprakelijkstelling.
Vervallen.
Tot invordering ten laste van een hoofdelijk aansprakelijke aannemer wordt in het algemeen pas overgegaan nadat is komen vast te staan dat en in hoeverre invordering ten laste van de belastingschuldige zelf (bijvoorbeeld door uitwinning van diens g-rekening) geen of onvoldoende kans van slagen biedt. Aansprakelijkstelling kan overigens al plaatsvinden vanaf het tijdstip dat de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Hierbij wordt de onderstaande volgorde in acht genomen:
@ -2767,22 +2762,22 @@ Om het de aannemer mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsg
Een verzoek om afgifte van een verklaring inzake nakoming van fiscale verplichtingen moet worden ingediend bij de ontvanger waaronder de onderaannemer ressorteert
De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft alleen betrekking op de loonbelasting en premies volksverzekeringen die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen ten volle zijn voldaan en evenmin dat de onderaannemer de loonbelasting en premies volksverzekeringen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen.
De verklaring die de ontvanger afgeeft heeft alleen betrekking op de formeel verschuldigde loonbelasting. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde loonbelasting ten volle is voldaan en geeft evenmin de garantie dat de onderaannemer de loonbelasting die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen.
De ontvanger meldt in de verklaring dat aan de inhoud ervan geen vrijwaring kan worden ontleend ten aanzien van de aansprakelijkheid op grond van artikel 35 van de wet en dat de Belastingdienst niet aansprakelijk kan worden gesteld voor enig nadeel van welke aard dan ook dat eventueel voortvloeit uit het gebruik van de verklaring.
De verklaring kan afhankelijk van de situatie het volgende inhouden:
a. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen alsmede de nageheven loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn voldaan (zogenaamde "schone verklaring");
b. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen alsmede de nageheven loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met ingediend bezwaar, beroep of hoger beroep (de zogenoemde 'voorbehoudverklaring');
c. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen alsmede de nageheven loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor (in verband met liquiditeitsproblemen) een betalingsregeling is getroffen, die tot het tijdstip van afgifte van de verklaring wordt nagekomen (de zogenaamde "voorbehoudverklaring").
a. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting alsmede de nageheven loonbelasting zijn voldaan (zogenaamde "schone verklaring");
b. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting alsmede de nageheven loonbelasting zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met ingediend bezwaar, beroep of hoger beroep (de zogenoemde 'voorbehoudverklaring');
c. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting alsmede de nageheven loonbelasting zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor (in verband met liquiditeitsproblemen) een betalingsregeling is getroffen, die tot het tijdstip van afgifte van de verklaring wordt nagekomen (de zogenaamde "voorbehoudverklaring").
De bij de ontvanger ingekomen verzoeken om afgifte van een verklaring inzake de nakoming van fiscale verplichtingen worden met spoed behandeld. De ontvanger streeft er naar dat binnen een week na ontvangst van een verzoek daarop wordt beslist.
De ontvanger geeft geen verklaring af als:
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en premies volksverzekeringen en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen uitstel van betaling is verleend in verband met ingesteld bezwaar, beroep of hoger beroep;
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en premies volksverzekeringen en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen betalingsregeling is getroffen;
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen uitstel van betaling is verleend in verband met ingesteld bezwaar, beroep of hoger beroep;
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen betalingsregeling is getroffen;
- een betalingsregeling is getroffen die niet wordt nagekomen.
De weigering een verklaring af te leggen geschiedt bij beschikking. Deze wordt bekendgemaakt onder vermelding waarom niet kan worden overgegaan tot afgifte van een verklaring.
@ -2799,25 +2794,25 @@ Tevens vermeldt hij dat de onderaannemer voor deze belastingaanslagen zekerheid
De ontvanger geeft ook een schone verklaring als tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid is verstrekt.
Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract kan geen verklaring worden afgegeven omdat nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat de gevraagde verklaring nog niet kan worden afgegeven omdat nog niet eerder loonbelasting en premies volksverzekeringen moesten worden afgedragen.
Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract kan geen verklaring worden afgegeven omdat nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat de gevraagde verklaring nog niet kan worden afgegeven omdat nog niet eerder loonbelasting loonbelasting moet worden afgedragen.
Onder een nieuwe ondernemer wordt in dit verband tevens verstaan de hervattende ondernemer en de nieuwe ondernemer die de werkzaamheden voortzet van een ex-ondernemer.
Zelfstandigen zonder personeel (verder: z.z.p.-ers) hoeven geen loonbelasting en sociale premies op aangifte af te dragen omdat ze geen werknemers in dienst hebben. Ze doen dan ook geen aangifte en zijn niet aangesloten bij het Uitvoeringsinstituut. Vaak worden deze zelfstandigen door de aannemer niettemin verplicht een verklaring inzake het betalingsgedrag over te leggen. De ontvanger geeft echter geen verklaring af. De weigering een verklaring af te geven geschiedt bij beschikking. In deze gevallen vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking aan de z.z.p.-er dat aan hem geen verklaring inzake betalingsgedrag kan worden verstrekt omdat hij op grond van de voorhanden zijnde gegevens op dat moment geen werknemers in dienst heeft en dus uit dien hoofde geen loonbelasting en premies hoeft te betalen. De ontvanger vermeldt daarbij ook dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt als mocht blijken dat degene aan wie hij de verklaring heeft verstrekt geen z.z.p.-er is en dat deze beschikking niet betekent dat een eventueel aansprakelijke aannemer niet aansprakelijk wordt gesteld.
Zelfstandigen zonder personeel (verder: z.z.p.-ers) hoeven geen loonbelasting op aangifte af te dragen omdat ze geen werknemers in dienst hebben. Vaak worden deze zelfstandigen door de aannemer niettemin verplicht een verklaring inzake het betalingsgedrag over te leggen. De ontvanger geeft echter geen verklaring af. De weigering een verklaring af te geven geschiedt bij beschikking. In deze gevallen vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking aan de z.z.p.-er dat aan hem geen verklaring inzake betalingsgedrag kan worden verstrekt omdat hij op grond van de voorhanden zijnde gegevens op dat moment geen werknemers in dienst heeft en dus uit dien hoofde geen loonbelasting hoeft te betalen. De ontvanger vermeldt daarbij ook dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt als mocht blijken dat degene aan wie hij de verklaring heeft verstrekt geen z.z.p.-er is en dat deze beschikking niet betekent dat een eventueel aansprakelijke aannemer niet aansprakelijk wordt gesteld.
De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de belasting en/of premieschulden die ontstaan zijn vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zullen (kunnen) worden afgedragen.
De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de loonbelastingschuld die ontstaan is vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zal (kunnen) worden afgedragen.
Als het bedrijf echter gedurende langere tijd wordt voortgezet en er dan door curator of bewindvoerder om een verklaring wordt verzocht, geeft de ontvanger, afhankelijk van de omstandigheden, een "schone"- of een "voorbehoudverklaring" (bijvoorbeeld in verband met bezwaar/beroep/hoger beroep tegen de belastingaanslag) af.
De wetswijziging op grond waarvan de confectiesector onder de ketenaansprakelijkheid is gebracht, is op 1 februari 1994 in werking getreden.
De aansprakelijkheid geldt voor de niet afgedragen loonbelasting- en premieschulden die betrekking hebben op werk dat op of na 1 februari 1994 is verricht, ongeacht de datum waarop de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende overeenkomst tot aanneming van werk is gesloten.
De aansprakelijkheid geldt voor de niet afgedragen loonbelastingschulden die betrekking hebben op werk dat op of na 1 februari 1994 is verricht, ongeacht de datum waarop de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende overeenkomst tot aanneming van werk is gesloten.
### Artikel 35a
In dit artikel wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector (en de koper van nog te vervaardigen kleding, die met de opdrachtgever wordt gelijkgesteld) voor door de aannemer en alle onderaannemers in de keten verschuldigde belasting en premies geregeld. Omwille van de leesbaarheid is op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden telkens de 'koper van nog te vervaardigen kleding' te vermelden. Voorzover van toepassing kan hierna voor de term 'opdrachtgever' ook `koper van nog te vervaardigen kleding' worden gelezen.
In dit artikel wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector (en de koper van nog te vervaardigen kleding, die met de opdrachtgever wordt gelijkgesteld) voor door de aannemer en alle onderaannemers in de keten verschuldigde loonbelasting geregeld. Omwille van de leesbaarheid is op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden telkens de 'koper van nog te vervaardigen kleding' te vermelden. Voorzover van toepassing kan hierna voor de term 'opdrachtgever' ook `koper van nog te vervaardigen kleding' worden gelezen.
Op de aansprakelijkheid van de aannemer voor de belasting en premies van de onderaannemers blijft artikel 35 van de wet van toepassing. Artikel 35a bewerkstelligt dat - alleen voor de confectiesector - de keten met één schakel wordt verlengd, namelijk met de opdrachtgever, en dat uit dien hoofde de opdrachtgever aansprakelijk is voor de voldoening van de loonbelasting en premie van alle onder hem in de keten gelegen schakels met betrekking tot het werk waartoe hij opdracht heeft gegeven.
Op de aansprakelijkheid van de aannemer voor de loonbelasting van de onderaannemers blijft artikel 35 van de wet van toepassing. Artikel 35a bewerkstelligt dat - alleen voor de confectiesector - de keten met één schakel wordt verlengd, namelijk met de opdrachtgever, en dat uit dien hoofde de opdrachtgever aansprakelijk is voor de voldoening van de loonbelasting van alle onder hem in de keten gelegen schakels met betrekking tot het werk waartoe hij opdracht heeft gegeven.
De in artikel 35a van de wet opgenomen aansprakelijkheid van de opdrachtgever komt overigens overeen met de aansprakelijkheidsregels van de aannemer op grond van artikel 35 van de wet. De in artikel 35 van deze leidraad opgenomen bepalingen zijn daarom van overeenkomstige toepassing op artikel 35a en worden in dit artikel niet herhaald. Voorzover andere (beleids)regels van kracht zijn met betrekking tot de opdrachtgever zijn die in dit artikel opgenomen.
@ -2847,15 +2842,15 @@ De opdrachtgeversaansprakelijkheid is van toepassing op alle werkzaamheden met b
### Artikel 35b
Naast de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van een toekomstige zaak (zie artikel 35a van deze leidraad) is ook een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig handelende koper van kleding, die al is vervaardigd, ingevoerd. Ook van een koper van reeds vervaardigde kleding kan worden gevergd dat hij attent is op mogelijke fraude met premies en belasting. Daarnaast is met de invoering van de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van reeds vervaardigde kleding beoogd problemen vanwege het onderscheid tussen toekomstige en bestaande kleding te voorkomen en om uit te sluiten dat bij de invoering van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding er zoveel mogelijk koopovereenkomsten ter zake van bestaande zaken kleding zouden worden gesloten.
Naast de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van een toekomstige zaak (zie artikel 35a van deze leidraad) is ook een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig handelende koper van kleding, die al is vervaardigd, ingevoerd. Ook van een koper van reeds vervaardigde kleding kan worden gevergd dat hij attent is op mogelijke fraude met loonbelasting. Daarnaast is met de invoering van de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van reeds vervaardigde kleding beoogd problemen vanwege het onderscheid tussen toekomstige en bestaande kleding te voorkomen en om uit te sluiten dat bij de invoering van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding er zoveel mogelijk koopovereenkomsten ter zake van bestaande zaken kleding zouden worden gesloten.
De aansprakelijkheid ziet op iedere bedrijfsmatig handelende koper van de door een atelier vervaardigde kleding. Het gaat hierbij niet alleen om de eerste bedrijfsmatige koper, maar ook om iedere opvolgende bedrijfsmatig handelende koper. Hierdoor is ook de zogenaamde tussenhandelaar onder de aansprakelijkheidsregeling gebracht.
Bij de aansprakelijkheid waaraan een koopovereenkomst ter zake van reeds vervaardigde kleding ten grondslag ligt, heeft de koper van reeds vervaardigde kleding niet de mogelijkheid zich te vrijwaren van de aansprakelijkheid door storting van de verschuldigde belastingen en premies op een g-rekening. De premies en belasting hadden immers veelal in een veel eerder stadium reeds betaald moeten worden.
Bij de aansprakelijkheid waaraan een koopovereenkomst ter zake van reeds vervaardigde kleding ten grondslag ligt, heeft de koper van reeds vervaardigde kleding niet de mogelijkheid zich te vrijwaren van de aansprakelijkheid door storting van de verschuldigde belastingen op een g-rekening. De belasting had immers veelal in een veel eerder stadium reeds betaald moeten worden.
De ondernemer of onderneming die op termijn te leveren kleding koopt en die op het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd, mag zich voor wat betreft de vrijwaring voor de gehele order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt gelijkgesteld met een opdrachtgever bedoeld in de artikelen 35a van de wet en artikel 16ba CSV. Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten. Met deze safe-harbour regeling wordt het door de confectiesector gesignaleerde probleem weggenomen dat het in de praktijk niet altijd mogelijk is onderscheid te maken tussen koop van een bestaande zaak en koop van een nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen zaak.
De ondernemer of onderneming die op termijn te leveren kleding koopt en die op het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd, mag zich voor wat betreft de vrijwaring voor de gehele order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt gelijkgesteld met een opdrachtgever bedoeld in artikel 35a van de wet. Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten. Met deze safe-harbour regeling wordt het door de confectiesector gesignaleerde probleem weggenomen dat het in de praktijk niet altijd mogelijk is onderscheid te maken tussen koop van een bestaande zaak en koop van een nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen zaak.
De koper van een bestaande zaak is gedisculpeerd als aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van de vervaardiging van de kleding te weinig of geen premie en belasting zouden worden betaald. Voor de disculpatievraag wordt - anders dan bij de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding - niet de gehele voorliggende vervaardigings- en handelsketen in de beschouwing betrokken, maar wordt uitsluitend het handelen van de koper zelf beoordeeld. Alleen als de koper van reeds vervaardigde kleding ten tijde van de koop zelf wist of behoorde te weten dat de premie of loonbelasting ter zake van het vervaardigen van kleding niet zijn betaald, dient hij de gevolgen van die wetenschap - in de vorm van aansprakelijkheid voor het niet-betaalde - te dragen. Zowel de koper van de bestaande zaak als de ontvanger zijn gehouden een bijdrage te leveren aan de bewijsvoering. De toedeling van de bewijslast is dan ook geobjectiveerd. Dit betekent dat de rechter de bewijslast zodanig kan verdelen dat beide partijen naar rato van hun mogelijkheden hieraan zullen moeten bijdragen. In de praktijk betekent dit dat de ontvanger naar de disculpatiemogelijkheid van de koper een onderzoek moet instellen voordat tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan en dat in de motivering van de aansprakelijkstelling op de afwezigheid van de disculpatiemogelijkheid wordt ingegaan. Van de koper kan worden verlangd dat hij eveneens een bijdrage in de bewijsvoering levert, aangezien hij het beste in staat is voor het bewijs te zorgen. Een bedrijfsmatig handelende koper die een goede administratie bijhoudt, de aan hem uitgereikte facturen bewaart en zoveel mogelijk slechts met bonafide kopers in zee gaat, zal daarmee minder moeite hebben dan degene die minder nauwgezet aan zijn administratie en bewaarverplichtingen voldoet en die regelmatig contracteert met twijfelachtige bedrijven.
De koper van een bestaande zaak is gedisculpeerd als aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van de vervaardiging van de kleding te weinig of geen belasting zouden worden betaald. Voor de disculpatievraag wordt - anders dan bij de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding - niet de gehele voorliggende vervaardigings- en handelsketen in de beschouwing betrokken, maar wordt uitsluitend het handelen van de koper zelf beoordeeld. Alleen als de koper van reeds vervaardigde kleding ten tijde van de koop zelf wist of behoorde te weten dat de loonbelasting ter zake van het vervaardigen van kleding niet zijn betaald, dient hij de gevolgen van die wetenschap - in de vorm van aansprakelijkheid voor het niet-betaalde - te dragen. Zowel de koper van de bestaande zaak als de ontvanger zijn gehouden een bijdrage te leveren aan de bewijsvoering. De toedeling van de bewijslast is dan ook geobjectiveerd. Dit betekent dat de rechter de bewijslast zodanig kan verdelen dat beide partijen naar rato van hun mogelijkheden hieraan zullen moeten bijdragen. In de praktijk betekent dit dat de ontvanger naar de disculpatiemogelijkheid van de koper een onderzoek moet instellen voordat tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan en dat in de motivering van de aansprakelijkstelling op de afwezigheid van de disculpatiemogelijkheid wordt ingegaan. Van de koper kan worden verlangd dat hij eveneens een bijdrage in de bewijsvoering levert, aangezien hij het beste in staat is voor het bewijs te zorgen. Een bedrijfsmatig handelende koper die een goede administratie bijhoudt, de aan hem uitgereikte facturen bewaart en zoveel mogelijk slechts met bonafide kopers in zee gaat, zal daarmee minder moeite hebben dan degene die minder nauwgezet aan zijn administratie en bewaarverplichtingen voldoet en die regelmatig contracteert met twijfelachtige bedrijven.
Op grond van artikel 35b van de wet is de koper van een bestaande zaak niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. Deze bepaling laat echter onverlet de mogelijkheid de aansprakelijke koper van een bestaande zaak op grond van artikel 32, tweede lid, van de wet aansprakelijk te stellen voor heffingsrente, invorderingsrente en kosten, voorzover het belopen daarvan aan hem is te wijten. Zie ook artikel 32, paragrafen 3 tot en met 6, van deze leidraad.
@ -2867,7 +2862,7 @@ De kopersaansprakelijkheid is van toepassing op alle werkzaamheden met betrekkin
Dit artikel bevat de regeling van de zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid. Artikel 36 is ook van toepassing op belastingaanslagen (met name belastingaanslagen omzetbelasting) bij invoer. De regeling komt in het kort hierop neer dat in beginsel iedere bestuurder van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voorzover dat lichaam aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, hoofdelijk aansprakelijk is voor de door het lichaam verschuldigde loonbelasting, omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak en voor de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen.
Een gelijke regeling inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid is opgenomen in de CSV en in de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds voor niet afgedragen bijdragen.
Een gelijke regeling inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid is opgenomen in de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds voor niet afgedragen bijdragen.
Als voor de door een onderaannemer (rechtspersoon) verschuldigde loonbelasting zowel de bestuurder(s) als de aannemer(s) hoofdelijk aansprakelijk zijn, wordt - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - bepaald of (in eerste instantie) de bestuurder(s) dan wel de aannemer(s) aansprakelijk zal (zullen) worden gesteld.
@ -2931,7 +2926,7 @@ Voor het geval de bestuurder van het lichaam een lichaam is, worden dat lichaam
Op vorenstaande wijze kan een keten van aansprakelijke bestuurders ontstaan met aan het einde één of meer natuurlijke personen. Er is geen voorgeschreven volgorde bij de aansprakelijkstelling van deze bestuurders.
In de regeling wordt ervan uitgegaan dat het financiële beleid een zaak is van het gehele bestuur en dat de bestuurders daarvoor collectief verantwoordelijk zijn. Als de belasting en premies als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet worden betaald, is de bestuurder die op grond van de interne taakverdeling binnen het bestuur daar weinig of niets van afweet, toch aansprakelijk. De wet gaat ervan uit dat iedere bestuurder persoonlijk een verwijt treft als belasting en premies niet worden betaald als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat zij van de financiële gang van zaken op de hoogte behoren te zijn.
In de regeling wordt ervan uitgegaan dat het financiële beleid een zaak is van het gehele bestuur en dat de bestuurders daarvoor collectief verantwoordelijk zijn. Als de belasting als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet wordt betaald, is de bestuurder die op grond van de interne taakverdeling binnen het bestuur daar weinig of niets van afweet, toch aansprakelijk. De wet gaat ervan uit dat iedere bestuurder persoonlijk een verwijt treft als de belasting niet wordt betaald als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat zij van de financiële gang van zaken op de hoogte behoren te zijn.
Een exacte afbakening van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur is moeilijk aan te geven.
@ -2939,7 +2934,7 @@ De rechter zal hieraan invulling moeten geven. De vraag of in een bepaalde situa
De regeling van de bestuurdersaansprakelijkheid beoogt het misbruik van rechtspersonen te bestrijden. Van misbruik is in ieder geval sprake wanneer een bestuurder zichzelf of zijn verwanten ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van het lichaam door onverantwoorde onttrekkingen van gelden aan het lichaam, zoals het anders dan incidenteel beschikken over gelden van het lichaam voor privédoeleinden, het afsluiten van voor het lichaam onvoordelige transacties met de bestuurder in privé of het opeisen van vorderingen op het lichaam terwijl de liquiditeitspositie van het lichaam dit niet toelaat.
Ook een bedrijfsvoering waarbij de belangen van de crediteuren van het lichaam worden verwaarloosd, bijvoorbeeld door stelselmatig werken aan te nemen tegen zodanig lage prijzen dat betaling van premies en belastingen niet mogelijk is en dus de opzet tot niet-betaling aanwezig kan worden geacht, is te beschouwen als misbruik.
Ook een bedrijfsvoering waarbij de belangen van de crediteuren van het lichaam worden verwaarloosd, bijvoorbeeld door stelselmatig werken aan te nemen tegen zodanig lage prijzen dat betaling van belastingen niet mogelijk is en dus de opzet tot niet-betaling aanwezig kan worden geacht, is te beschouwen als misbruik.
In deze gevallen is steeds sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
@ -3004,7 +2999,7 @@ Als over een tijdvak geen aangifte is gedaan en dientengevolge over dat tijdvak
Als aan het lichaam geen aangiften zijn uitgereikt en de inspecteur de belastingschuldige heeft meegedeeld dat de niet op aangifte afgedragen of voldane belasting te zijner tijd zal worden geheven door middel van een naheffingsaanslag, dient de melding niettemin plaats te vinden overeenkomstig het zesde lid van deze paragraaf. In de praktijk betekent dit dat het lichaam de betalingsonmacht dient te melden zodra gebleken is dat het niet (meer) tot betaling in staat is.
Inhoudingsplichtigen die de loonbelasting over een kwartaal afdragen, dienen op vordering van de inspecteur in de 2e en 3e maand van het kwartaal, een voorlopige betaling te verrichten. Het lichaam hoeft van gebleken betalingsonmacht terzake van deze voorlopige betalingen geen melding te doen.
Vervallen.
Ondernemers die voor de omzetbelasting gebruik maken van een schattingsregeling dienen op normale wijze hun betalingsonmacht te melden.
@ -3065,7 +3060,6 @@ Bij de beoordeling of al dan niet om nadere gegevens en inlichtingen en/of gegev
- Bekendheid met de actuele financiële situatie van het lichaam en/of de bestuurder(s)
- Omstandigheden die hebben geleid tot het niet kunnen betalen
- De aard van het uitgeoefende bedrijf
- Een melding bij het Uitvoeringsinstituut
- Het bedrag van de schuld waarvoor wordt gemeld en het totaal van de openstaande belasting-/premieschulden
De ontvanger dient per geval een redelijke termijn te stellen waarbinnen de nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers moeten zijn verstrekt.
@ -3093,19 +3087,19 @@ Deze beslissing kan eventueel wel aan de orde komen bij de behandeling van het b
De geldigheidsduur vangt aan op de datum van ontvangst van de (uiteindelijk) als rechtsgeldig beoordeelde mededeling van betalingsonmacht.
Een melding wordt gedaan voor de over een bepaald tijdvak verschuldigde belasting en/of premie. Blijft de toestand van betalingsonmacht voortduren, dan hoeft dit voor de na de melding op aangifte verschuldigde belasting en premie en vervallen naheffingsaanslagen (waarvoor op grond van het zevende lid van deze paragraaf rechtsgeldige melding mogelijk is) niet opnieuw te worden gemeld. Zie voor de drie-jaarsperiode waarin het kennelijk onbehoorlijk bestuur zich in dat geval moet hebben afgespeeld § 6, derde lid, hierna.
Een melding wordt gedaan voor de over een bepaald tijdvak verschuldigde belasting. Blijft de toestand van betalingsonmacht voortduren, dan hoeft dit voor de na de melding op aangifte verschuldigde belasting en vervallen naheffingsaanslagen (waarvoor op grond van het zevende lid van deze paragraaf rechtsgeldige melding mogelijk is) niet opnieuw te worden gemeld. Zie voor de drie-jaarsperiode waarin het kennelijk onbehoorlijk bestuur zich in dat geval moet hebben afgespeeld § 6, derde lid, hierna.
Zodra over een tijdvak een bedrag aan belasting en/of premies **tijdig op aangifte** wordt voldaan is de melding vanaf de datum van voldoening *niet* meer geldig voor de na die datum op aangifte verschuldigde belasting en premies en vervallen naheffingsaanslagen. Vorenstaande voorwaarde is niet van toepassing wanneer een bedrag aan belasting en/of premies tijdig op aangifte wordt voldaan en die voldoening vindt plaats in het kader van een prolongatieregeling of betalingsregeling. De betalingsonmacht hoeft dan niet opnieuw te worden gemeld. De melding blijft uiteraard wel geldig voor **reeds opgelegde **naheffingsaanslagen over tijdvakken waarvoor de melding eerder als rechtsgeldig is aangemerkt.
Zodra over een tijdvak een bedrag aan belasting **tijdig op aangifte** wordt voldaan is de melding vanaf de datum van voldoening *niet* meer geldig voor de na die datum op aangifte verschuldigde belasting en vervallen naheffingsaanslagen. Vorenstaande voorwaarde is niet van toepassing wanneer een bedrag aan belasting tijdig op aangifte wordt voldaan en die voldoening vindt plaats in het kader van een prolongatieregeling of betalingsregeling. De betalingsonmacht hoeft dan niet opnieuw te worden gemeld. De melding blijft uiteraard wel geldig voor **reeds opgelegde **naheffingsaanslagen over tijdvakken waarvoor de melding eerder als rechtsgeldig is aangemerkt.
Wat de geldigheidsduur van de melding betreft, moeten loonbelasting en premies volksverzekeringen enerzijds en omzetbelasting anderzijds afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
Wat de geldigheidsduur van de melding betreft, moeten loonbelasting enerzijds en omzetbelasting anderzijds afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
Bijvoorbeeld:
Een rechtspersoon doet een rechtsgeldige melding voor de op aangifte verschuldigde loon- en omzetbelasting over het tijdvak mei 1997. Ook de loon- en omzetbelasting over het tijdvak juni 1997 kan niet tijdig op aangifte worden betaald.
Een rechtspersoon doet een rechtsgeldige melding voor de op aangifte verschuldigde loon- en omzetbelasting over het tijdvak mei 2006. Ook de loon- en omzetbelasting over het tijdvak juni 2006 kan niet tijdig op aangifte worden betaald.
De melding geldt voor beide belastingen nu ook voor het laatstgenoemde tijdvak. Vervolgens wordt over juli 1997 een bedrag aan loonbelasting tijdig op aangifte betaald, maar voor de omzetbelasting niet.
De melding geldt voor beide belastingen nu ook voor het laatstgenoemde tijdvak. Vervolgens wordt over juli 2006 een bedrag aan loonbelasting tijdig op aangifte betaald, maar voor de omzetbelasting niet.
De eerder gedane melding geldt nu vanaf de datum van betaling niet meer voor de na die datum op aangifte verschuldigde loonbelasting en premies of vervallen naheffingsaanslagen loonbelasting en premieheffing, met uitzondering van de reeds opgelegde naheffingsaanslagen over de tijdvakken mei en juni 1997. Voor deze twee tijdvakken was de melding immers als rechtsgeldig aangemerkt. De melding blijft evenwel voor de omzetbelasting ook voor tijdvakken na juni 1997 gelden.
De eerder gedane melding geldt nu vanaf de datum van betaling niet meer voor de na die datum op aangifte verschuldigde loonbelasting of vervallen naheffingsaanslagen loonbelasting, met uitzondering van de reeds opgelegde naheffingsaanslagen over de tijdvakken mei en juni 2006. Voor deze twee tijdvakken was de melding immers als rechtsgeldig aangemerkt. De melding blijft evenwel voor de omzetbelasting ook voor tijdvakken na juni 2006 gelden.
Het voldoen aan de verplichting om de ontvanger van de betalingsonmacht in kennis te stellen, heeft niet tot gevolg dat van de gebruikelijke heffingsmaatregelen wordt afgeweken.
@ -3230,6 +3224,8 @@ De rechtsgrond voor deze aansprakelijkstelling is gelegen in het feit dat de wer
Naast de in het eerste lid opgenomen aansprakelijkheid van het buitenlands gezelschap zijn tevens hoofdelijk aansprakelijk voor de ten onrechte van een buitenlands gezelschap niet ingehouden loonbelasting als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet: de leden van het buitenlands gezelschap.
Ingevolge het derde lid van artikel 60 Wfsv vinden de regels die gelden voor het invorderen van de loonbelasting, met uitzondering van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet overeenkomstige toepassing bij het invorderen van (verplichte) premies voor de werknemersverzekeringen. Op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet is de werknemer, artiest, beroepssporter, buitenlands gezelschap of lid van een buitenlands gezelschap hoofdelijk aansprakelijk voor de van deze personen of van een dergelijk gezelschap ten onrechte niet ingehouden loonbelasting. Voorzover de werknemer, artiest, beroepssporter of lid van een buitenlands gezelschap verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen staat een overeenkomstige toepassing van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet op gespannen voet met het voor de financiering van werknemersverzekeringen gehanteerde uitgangspunt dat alleen de werkgever kan worden aangesproken voor de premieschuld ook als het de betaling van het werknemersgedeelte van de premies betreft. Voor eventueel bij de loonbetaling ten onrechte niet ingehouden premies voor de werknemersverzekeringen wordt geen verhaal gezocht bij de werknemer.
Met gevallen waarin werkelijk belasting is ingehouden worden gelijkgesteld de gevallen waarin de inhoudingsplichtige niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding, maar de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlands gezelschap of de leden van dat gezelschap c.q de belastingplichtige te dien aanzien te goeder trouw is. Te goeder trouw houdt in dit verband in dat de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlands gezelschap of de leden van dat buitenlands gezelschap c.q. de belastingplichtige meende en ook bij inachtneming van de door hem/hen, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid rederlijkerwijze mocht menen dat de inhoudingsplichtige aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen.
Als de belasting van de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlands gezelschap c.q. de belastingplichtige wel is ingehouden maar ten onrechte niet is afgedragen bestaat geen aansprakelijkheid op grond van artikel 38 van de wet.
@ -4039,7 +4035,7 @@ Indien een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger v
2e. Is de wederpartij (tegen wie de aktie wordt ingesteld) voldoende gegoed. Als aannemelijk is dat de wederpartij geen of nauwelijks verhaal biedt, wordt geen garantie verleend.
3e. Staat het bedrag, waarvoor een proceskostengarantie wordt gevraagd, in een redelijke verhouding tot het bedrag, waarmee de boedel zal zijn gebaat als de procedure wordt gewonnen.
4e. Heeft de gevraagde proceskostengarantie uitsluitend betrekking op de kosten, die rechtstreeks verband houden met de te voeren procedure (zoals salaris curator voor de uren besteed aan de procedure, griffie- en kantoorkosten, proceskostenveroordeling bij een eventuele minder succesvolle afloop van de procedure).
5e. Zijn de schuldeisers (waaronder het Uitvoeringsinstituut) die, bij een verdeling van de activa volgens de wettelijke regels, eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure bereid naar evenredigheid mede garant te staan voor de proceskosten. Hetzelfde geldt voor boedelschuldeisers.
5e. Zijn de schuldeisers die, bij een verdeling van de activa volgens de wettelijke regels, eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure bereid naar evenredigheid mede garant te staan voor de proceskosten. Hetzelfde geldt voor boedelschuldeisers.
N.B. Wanneer, bij verdeling volgens de normale wettelijke regels, deze verdeling er naar verwachting toe zou leiden dat ook andere (faillissements- en boedel)schuldeisers door de opbrengst die met de procedure wordt beoogd een hoger bedrag krijgen uitgekeerd dan zij zouden ontvangen zonder deze opbrengst, is het redelijk dat zij naar evenredigheid van hun geschatte "aandeel" in de te verwachten opbrengst (na aftrek van de kosten en salaris van de curator) een garantie afgeven.
@ -4125,7 +4121,7 @@ De bedoelde gevallen zijn:
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen.
- Als de betaling op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven dan wel op het postkantoor is gestort, op dezelfde dag als die waarop de kosten verschuldigd zijn geworden.
- Als de betaling op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven dan wel tijdig op het postkantoor is gestort.
- Voorzover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van belastingaanslagen, alsmede bij afboeking van definitieve negatieve aanslagen op voorlopige positieve aanslagen van hetzelfde jaar.
- Wanneer er, achteraf bezien, al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten.
@ -4157,8 +4153,6 @@ Indien invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen
De belastingschuldige wordt in elk geval geacht kennis te hebben genomen van zijn belastingschuld en ook in de gelegenheid te zijn geweest deze te voldoen, indien na de dag waarop het aanslagbiljet aan hem of - in het geval van rechtspersonen - aan zijn bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen zijn verstreken. Na ommekomst van de in de vorige volzin genoemde termijn van twee dagen stelt de belastingdeurwaarder de vervolgingskosten vast bij voor beroep vatbare beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt. In de beschikking wordt er melding van gemaakt dat de kosten dadelijk en ineens invorderbaar zijn.
Er bestaat geen aanleiding de kosten, die zijn verbonden aan een zogenaamd zekerheidsbeslag, te verminderen. Een zekerheidsbeslag komt aan de orde, wanneer uitstel wordt verleend met als voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld en andere vormen van zekerheid niet mogelijk of wenselijk zijn.
Met betrekking tot de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die ten aanzien van de aansprakelijkgestelde zijn genomen is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
Kwijtschelding is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. Evenzo zal in die gevallen ook geen toezegging worden gedaan dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Het vorenstaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend c.q. kosten buiten invordering worden gelaten wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden c.q. buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.
@ -4204,7 +4198,7 @@ Wanneer sprake is van een in het buitenland gevestigde schuldenaar, waarvan beke
In de Paspoortwet zijn aan de paspoortafgevende autoriteiten voorschriften gegeven betreffende afgifte, vervanging, wijziging, beperking van de geldigheid, vervallenverklaring, weigering en inhouding van paspoorten en andere reisdocumenten. De in de Paspoortwet gegeven voorschriften zijn nader uitgewerkt in de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001. Voor de wijze waarop de gegevens worden opgenomen, kunnen worden geraadpleegd en worden verwijderd van personen waarvan de vervallenverklaring of weigering van een reisdocument is gevraagd, zijn voorschriften gegeven in het (hoewel vervallen, maar nog steeds in gebruik zijnde) "Privacyreglement register paspoortsignaleringen".
In de hierna volgende paragrafen zal nader worden ingegaan op de mogelijkheden tot vervallenverklaring of weigering van een reisdocument in verband met een belasting- en/of premieschuld. Het gebruik maken van deze mogelijkheid wordt aangeduid als signalering bij de paspoortafgevende autoriteiten, korter gezegd: paspoortsignalering.
In de hierna volgende paragrafen zal nader worden ingegaan op de mogelijkheden tot vervallenverklaring of weigering van een reisdocument in verband met een belastingschuld. Het gebruik maken van deze mogelijkheid wordt aangeduid als signalering bij de paspoortafgevende autoriteiten, korter gezegd: paspoortsignalering.
Paspoortsignalering houdt in dat een aantal persoonsgegevens van de belastingschuldige van wie om vervallenverklaring of weigering van het reisdocument is gevraagd, door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt opgenomen in het register paspoortsignaleringen en de daarop gebaseerde signaleringslijst. Dit is een lijst met namen van personen aan wie zonder voorkennis van de signalerende autoriteit geen nieuw reisdocument mag worden verstrekt. Zie ook hetgeen is opgemerkt onder § 5 hierna.
@ -4227,7 +4221,7 @@ In het algemeen zullen, wanneer de betrokkene nog hier te lande is gevestigd, al
Tot slot wordt opgemerkt dat signalering door de Belastingdienst uitsluitend plaatsvindt als er aanwijzingen zijn dat signalering tot succes kan leiden. Als de belastingschuldige bijvoorbeeld geen Nederlands paspoort nodig heeft, is signalering zinloos.
In de signalering kunnen worden begrepen alle belastingen verschuldigd aan het rijk, provincie en gemeente alsmede de premies volksverzekeringen en de premies sociale verzekeringen waarvoor het Uitvoeringsinstituut als uitvoeringsorgaan is aangewezen. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in artikel 22, letter a, van de Paspoortwet is vermeld, vallen ook heffingen, rechten, boeten, kosten en rente waarvan de heffing en inning is opgedragen aan het rijk, de provincie of de gemeente onder de werking van dit artikel.
In de signalering kunnen worden begrepen alle belastingen verschuldigd aan het rijk, provincie en gemeente. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in artikel 22, letter a, van de Paspoortwet is vermeld, vallen ook heffingen, rechten, boeten, kosten en rente waarvan de heffing en inning is opgedragen aan het rijk, de provincie of de gemeente onder de werking van dit artikel.
Omdat een gegrond vermoeden moet bestaan dat betrokkene door verblijf in het buitenland zich aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering wil onttrekken, is in beginsel geen begrenzing aan de omvang van de schuld gesteld.
@ -4315,8 +4309,8 @@ In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
°. aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat aan wie een verzoek om bijstand bij de invordering is gericht; staat: hetzij
1. een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Nederland, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden)
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Azerbaidzian, België, Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
4. een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
5. de Nederlandse Antillen en Aruba; Internationale regelingen
@ -4324,15 +4318,17 @@ In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
het invorderingsverdrag met Duitsland,
het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD te Haarlem;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Haarlem respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Arnhem.
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
Onder de overige in dit hoofdstuk gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als in de andere hoofdstukken van deze leidraad wordt verstaan.
De internationale invordering ziet op alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting-, premie en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
De internationale invordering ziet op alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
De wederzijdse bijstand bij de invordering betreft vier hoofdvormen:
@ -4350,8 +4346,8 @@ Voor wat betreft de internationale invordering gelden de volgende algemene uitga
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de mogelijkheden tot invordering op het grondgebied van de verzoekende staat onvoldoende zijn om de schuld te delgen;
- de aangezochte autoriteit hoeft geen middelen toe te passen waarvoor de wet van de verzoekende staat geen voorziening kent;
- de belastingvorderingen van de verzoekende staat hebben in de aangezochte staat geen voorrecht;
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen, de premies en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of premies en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
- de aangezochte staat spant zich zoveel mogelijk in om op juiste en snelle wijze wederzijdse bijstand te verlenen terzake van de invordering van de schuldvorderingen van de verzoekende staat.
Van deze uitgangspunten wordt uitgegaan tenzij de desbetreffende internationale regeling anderszins bepaalt.
@ -4364,9 +4360,9 @@ De wederzijdse bijstand gaat uit van contacten tussen bevoegde autoriteiten. Voo
De directeur-generaal Belastingdienst is belast met de internationale wederzijdse bijstand namens de Staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden van met name beleidsmatige aard en bijzondere werkzaamheden van uitvoerende aard op dit gebied worden uitgevoerd door het team Internationaal van het directoraat-generaal Belastingdienst. De teams Ondernemingen en Particulieren en formeel recht van het directoraat-generaal Belastingdienst zijn belast met de behandeling van verzoeken aan H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Benelux Ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften van het Europese Parlement en andere soortgelijke organen, waarvan klachten op het gebied van de internationale invordering kunnen worden voorgelegd. De directeur-generaal Belastingdienst is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten in het kader van de internationale invordering (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen. De uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de internationale invordering zijn zo veel mogelijk verlegd naar de Belastingdienst.
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belastingadministraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door het ministerie en een beperkt aantal Centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur-generaal Belastingdienst vallen. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, niet belast met douaneaangelegenheden, fungeert de FIOD-ECD te Haarlem als Centraal aanspreekpunt. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem.
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belastingadministraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door het ministerie en een beperkt aantal Centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur-generaal Belastingdienst vallen. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, niet belast met douaneaangelegenheden, fungeert de FIOD-ECD te Amsterdam als Centraal aanspreekpunt. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief. De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van premies sociale zekerheid rechtstreeks aan die instanties.
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief. De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van sociale verzekeringspremies rechtstreeks aan die instanties.
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting is de FIOD-ECD belast met het, namens de Staatssecretaris van Financiën, behandelen van verzoek om bijstand bij de invordering, die gebaseerd zijn op een internationale regeling, waarin een bepaling is opgenomen inzake de internationale invordering van belastingen.
@ -4384,7 +4380,7 @@ Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen
De directeur is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten (onder) mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de directeur uitgevoerd door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem.
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de directeur uitgevoerd door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kunnen hebben op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan het ministerie.
@ -4392,7 +4388,7 @@ Hiervan is in ieder geval sprake bij strafrechtelijke aspecten en grote financi
De ontvanger wendt zich ook tot het ministerie in gevallen van internationale invordering waarin het vragen van toestemming nodig is dan wel hij overleg moet voeren. Dit doet zich voor bij het aanvragen van een faillissement of lijfsdwang en voor alle in het buitenland te voeren procedures waarin de ontvanger als eiser wil optreden.
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een dergelijk verzoek doen. Inlichtingen kunnen dus ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD-ECD, de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan.
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een dergelijk verzoek doen. Inlichtingen kunnen dus ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD-ECD, de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan.
Alvorens een voorstel tot een verzoek te doen gaat de ontvanger na of dit op grond van internationale afspraken mogelijk is.
@ -4436,6 +4432,10 @@ Wanneer invordering plaatsvindt voor een buitenlandse schuld van een overledene,
Op basis van Richtlijn 76/308 kan Nederland worden gevraagd een individu (of bedrijf) te confronteren met een verzoek van een andere lidstaat en vervolgens - op basis van een buitenlandse executoriale titel - invorderingsactiviteiten te verrichten, terwijl niet uitgesloten is dat de vordering later als gevolg van betwisting c.q. aanvechting door de schuldenaar onterecht blijkt te zijn geweest. Strikt genomen leidt een dergelijk verzoek niet tot schorsing van de invorderingsactiviteiten. Toch blijven de gevolgen van een verzoek tot onmiddellijke invordering zonder schorsing beperkt, aangezien op basis van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn (artikel 19 van de WWB) uitstel van betaling zal worden verleend. Slechts in de situatie waarin in het kader van de bestrijding van fraude een verzoek wordt gedaan een belastingschuld of andere schuldvordering onmiddellijk in te vorderen zonder schorsing wordt dit uitstel niet verleend.
Op basis van de Richtlijn 76/308 is de aangezochte lidstaat niet gehouden de gevraagde bijstand te verlenen wanneer het verzoek betrekking heeft op een schuldvordering die meer dan vijf jaar bestaat, te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de executoriale titel. In de gevallen waarin de schuldvordering of de titel wordt betwist, wordt de termijn berekend vanaf het tijdstip waarop de verzoekende staat vaststelt dat de schuldvordering of de titel niet langer kunnen worden betwist.
Het beleid is er op gericht een dergelijk verzoek in behandeling te nemen.
Voor verzoeken om conservatoire maatregelen aan een andere staat geldt in zijn algemeenheid hetzelfde als voor een verzoek om bijstand bij de invordering, met dat verschil dat de belastingaanslag niet onbetwist of onherroepelijk vast hoeft te staan en zekerheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. In een aantal gevallen dient de ontvanger bij het verzoek om conservatoire maatregelen te treffen een executoriale titel te overleggen.
De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland achterwege indien het verschuldigde bedrag lager is dan € 2269, tenzij bijzondere omstandigheden maatregelen een lager bedrag rechtvaardigen.
@ -4452,27 +4452,15 @@ Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in bijzonder
Vervallen.
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 mei 2005
*[afbeelding]*
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de WWB bedraagt de beslagvrije voet per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met:
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, bedraagt de beslagvrije voet de som van 90% van de bijstandsnorm die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
## Bijlage 1a. beslagvrije voet per 1 januari 2006
## Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering
**Hulptabel opbouw maandbudget BOL per 1-8-2005 tot 1-1-2006 en HO van 1-9-2005 tot 1-1-2006**
Partnertoeslag per maand € 514,07
Eenoudertoeslag per maand € 411,73
## Bijlage 1c. Overzicht normen huursubsidie
## Bijlage 1c. Overzicht normen huurtoeslag
De vermelde bedragen zijn op maandbasis
Onder huurprijs in de zin van de Huursubsidiewet wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning (de zgn. kale huur), verminderd met het eventueel daarin begrepen bedrag voor bedrijfsruimte en met een vast bedrag voor de huur van een garage (€ 22) en vermeerderd met een aantal servicekosten (de zgn. subsidiabele servicekosten: artikel 5, derde lid, Huursubsidiewet). Deze servicekosten zijn:
Onder huurprijs in de zin van de Wet op de huurtoeslag wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning (de zgn. kale huur), verminderd met het eventueel daarin begrepen bedrag voor bedrijfsruimte en met een vast bedrag voor de huur van een garage (€ 22) en vermeerderd met een aantal servicekosten (de zgn. subsidiabele servicekosten: artikel 5, derde lid, Wet op de huurtoeslag). Deze servicekosten zijn:
## Bijlage II. Samenloop van vorderingen
@ -4538,7 +4526,7 @@ Aan BV A wordt een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2001 opgelegd van
**Toelichting bij voorbeeld 1: **
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd. A heeft m.b.t. 1995 op aangifte dan wel anderszins € 25.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 75.000.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd. A heeft m.b.t. 2005 op aangifte dan wel anderszins € 25.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 75.000.
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
@ -4546,7 +4534,7 @@ Het door A betaalde bedrag (€ 25.000) dient redelijkerwijs te worden toegereke
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betaling X, Y en Z hebben verricht:
A heeft in 1995 vanaf zijn g-rekening € 25.000 aan de ontvanger betaald. Vervolgens wordt bezien of de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege door A afgedragen en/of betaalde loonbelasting groter of kleiner is dan de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening of de rechtstreekse stortingen. Voor zover de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening en de rechtstreekse stortingen groter is dan de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege de door A afgedragen of betaalde loonbelasting, wordt de aansprakelijkheid met dit meerdere verminderd. Dat leidt tot de volgende berekening:
A heeft in 2005 vanaf zijn g-rekening € 25.000 aan de ontvanger betaald. Vervolgens wordt bezien of de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege door A afgedragen en/of betaalde loonbelasting groter of kleiner is dan de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening of de rechtstreekse stortingen. Voor zover de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening en de rechtstreekse stortingen groter is dan de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege de door A afgedragen of betaalde loonbelasting, wordt de aansprakelijkheid met dit meerdere verminderd. Dat leidt tot de volgende berekening:
@ -4562,9 +4550,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
**Toelichting bij voorbeeld 2:**
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft m.b.t. 1995 op aangifte dan wel anderszins € 56.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 44.000.
A heeft m.b.t. 2005 op aangifte dan wel anderszins € 56.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 44.000.
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
@ -4580,7 +4568,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. Z is daarbij alle administratieve voorwaarden nagekomen.
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 % 1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag.
@ -4600,9 +4588,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
**Toelichting bij voorbeeld 3: **
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft m.b.t. 1995 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000
A heeft m.b.t. 2005 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
@ -4614,7 +4602,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en z hebben verricht:
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 35.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 35.000 aan de ontvanger betaald.
Dit bedrag wordt naar evenredigheid tussen X en Y verdeeld:
@ -4634,9 +4622,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
Toelichting bij voorbeeld 4:
*
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
@ -4648,7 +4636,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht:
A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen. A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald. X, Y en Z komen in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt.van het op de g-rekening gestorte bedrag:
A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen. A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald. X, Y en Z komen in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt.van het op de g-rekening gestorte bedrag:
Vervolgens wordt bezien of de vermindering van aansprakelijkheid vanwege door A afgedragen en/of betaalde loonbelasting groter of kleiner is dan de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening of de rechtstreekse stortingen. Voor zover de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening en de rechtstreekse stortingen groter is dan de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege de door A afgedragen of betaalde loonbelasting, wordt de aansprakelijkheid met dit meerdere verminderd. Dat leidt tot de volgende berekening:
@ -4666,9 +4654,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
**Toelichting bij voorbeeld 5:**
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
In beginsel is de aansprakelijkheid voor dit bedrag als volgt:
@ -4676,7 +4664,7 @@ Voor de berekening wordt verwezen naar voorbeeld 4.
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht:
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
X en Z komen in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag:
@ -4700,9 +4688,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
**Toelichting bij voorbeeld 6: **
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 60.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 40.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 60.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 40.000.
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
@ -4720,7 +4708,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen.
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag.
@ -4756,9 +4744,9 @@ HA-Y wordt na betwisting uiteindelijk aansprakelijk gehouden voor € 15.000.
**Toelichting bij voorbeeld 8:**
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
De verschuldigde loonbelasting kan worden toegerekend aan werkzaamheden verricht voor:
@ -4774,7 +4762,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen.
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag.
@ -4798,9 +4786,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
**Toelichting bij voorbeeld 9:**
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
@ -4812,7 +4800,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht:
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 70.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 70.000 aan de ontvanger betaald.
Dit bedrag wordt naar evenredigheid verdeeld tussen X, Y en Z:
@ -4830,9 +4818,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
**Toelichting bij voorbeeld 10:**
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 35.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 35.000.
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
@ -4850,7 +4838,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen.
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 10.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 10.000 aan de ontvanger betaald.
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 501.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt.% (€ 15.000) van het op de g-rekening gestorte bedrag. X en Y komen niet in aanmerking voor enige vorm van vrijwaring nu het door A van zijn g-rekening aan de ontvanger overgemaakte bedrag (meer dan) geheel is "opgesoupeerd" door Z.
@ -4870,9 +4858,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
Tijdens de controle c.q. enige tijd daarna blijkt dat de onderaannemer de nageheven loonbelasting niet op zijn personeel zal verhalen. Dientengevolge legt de inspecteur een aparte bruteringsaanslag op van € 15.000.
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 75.000 loonbelasting verschuldigd.
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 75.000 loonbelasting verschuldigd.
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 10.000. Nadat gebleken is dat A de nageheven loonbelasting niet heeft verhaald op zijn werknemers gaat de inspecteur alsnog over tot brutering hetgeen een aparte naheffingsaanslag tengevolge heeft ad € 15.000.
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 10.000. Nadat gebleken is dat A de nageheven loonbelasting niet heeft verhaald op zijn werknemers gaat de inspecteur alsnog over tot brutering hetgeen een aparte naheffingsaanslag tengevolge heeft ad € 15.000.
De (in eerste aanleg) verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
@ -4888,7 +4876,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht.
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 % van het op de g-rekening gestorte bedrag.
@ -4912,11 +4900,11 @@ Ingevolge artikel 34, § 5, tweede lid en artikel 35, § 12, derde lid, van de l
Bv X is failliet. De boedel bevat geen activa. De passiva luiden als volgt:
De curator beoogt een procedure aan te spannen. De geschatte kosten bedragen € 30.000 (inclusief € 5.000 kostenveroordeling bij verlies). De vermoedelijke opbrengst bij gunstige afloop bedraagt € 150.000.
De curator beoogt een procedure aan te spannen. De geschatte kosten bedragen € 30.000 (inclusief € 5.000 kostenveroordeling bij verlies). De vermoedelijke opbrengst bij gunstige afloop bedraagt € 150.000.
Als de procedure zou worden gewonnen, luidt de uitdeling volgens de uitdelingslijst als volgt (eenvoudigheidshalve wordt hierna de omslag in de algemene faillissementskosten buiten beschouwing gelaten):
Uiteraard wordt van de curator niet verlangd om zelf een garantie te verstrekken. Aangezien de ontvanger van de opbrengst die naar schatting aan de schuldeisers zal toevallen (€ 115.000) een bedrag zal ontvangen van € 50.000, zal hij een proceskostengarantie afgeven van 50/115 x € 30.000 = € 13.044. De hoogte van de proceskostengarantie van de Uitvoeringsinstituut zal daarbij 35/115 x € 30.000 = € 9.130 moeten bedragen, die van de lager bevoorrechte schuldeiser 10/115 x € 30.000 € 2.609, en die van de concurrente schuldeisers in totaal 20/115 x € 30.000 = € 5.217 (uiteraard onderling naar rato verdeeld).
Uiteraard wordt van de curator niet verlangd om zelf een garantie te verstrekken. Aangezien de ontvanger van de opbrengst die naar schatting aan de schuldeisers zal toevallen (€ 150.000  35.000 salaris curator = € 115.000) een bedrag zal ontvangen van € 85.000, zal hij een proceskostengarantie afgeven van 80/115 × 30.000 = € 22.174. De hoogte van de proceskostengarantie van de lager bevoorrrechte en concurrente schuldeisers zal moeten bedragen 30/115 × 30.000 = € 7.826 (uiteraard naar rato verdeeld).
## Bijlage IX. Adressen