2010-01-01 | BWBR0025028 | Mediawet 2008
This commit is contained in:
parent
1f336db282
commit
0c9c428f84
1 changed files with 192 additions and 122 deletions
|
|
@ -35,6 +35,8 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
- *media-aanbod:* één of meer elektronische producten met beeld- of geluidsinhoud die bestemd zijn voor afname door het algemene publiek of een deel daarvan;
|
||||
- *mediadienst:* dienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod door middel van openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Telecommunicatiewet, waarvoor de verzorger redactionele verantwoordelijkheid draagt;
|
||||
- *mediadienst op aanvraag:* mediadienst die bestaat uit het verzorgen van media-aanbod dat op individueel verzoek en op een moment naar keuze kan worden afgenomen;
|
||||
- *NOS:* Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 2.34a;
|
||||
- *NPO:* Stichting Nederlandse Publieke Omroep, genoemd in artikel 2.2;
|
||||
- *NPS:* Nederlandse Programma Stichting, genoemd in artikel 2.35;
|
||||
- *omroepdienst:* mediadienst die betrekking heeft op het verzorgen van media-aanbod dat op basis van een chronologisch schema dat is vastgesteld door de instelling die verantwoordelijk is voor het media-aanbod, al dan niet gecodeerd door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt verspreid voor gelijktijdige ontvangst door het algemene publiek of een deel daarvan;
|
||||
- *omroepnet:* transmissiecapaciteit op een omroepnetwerk of een omroepzender die noodzakelijk is om continu programma-aanbod te verspreiden;
|
||||
|
|
@ -53,7 +55,7 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
- *publieke mediadienst:* mediadienst die verzorgd wordt op grond van hoofdstuk 2;
|
||||
- *publieke media-instelling:* instelling die op grond van hoofdstuk 2 media-aanbod verzorgt;
|
||||
- *publieke mediaopdracht:* mediaopdracht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid;
|
||||
- *raad van bestuur:* raad van bestuur van de Stichting;
|
||||
- *raad van bestuur:* raad van bestuur van de NPO;
|
||||
- *radio-omroep:* omroepdienst die betrekking heeft op radioprogramma-aanbod;
|
||||
- *radioprogramma:* programma met uitsluitend geluidsinhoud;
|
||||
- *reclameboodschap:* uiting in welke vorm dan ook, niet zijnde een telewinkelboodschap, waarmee onmiskenbaar wordt beoogd het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienst, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen;
|
||||
|
|
@ -66,7 +68,6 @@ b. de ordening van het media-aanbod in een chronologisch schema voor wat betreft
|
|||
- *sponsoring:* het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een onderneming of een natuurlijke persoon die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of media-aanbod, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod, teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken;
|
||||
- *sportwedstrijd:* wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd, georganiseerd door of onder auspiciën van de door het NOC*NSF erkende nationale sportorganisaties en hun geledingen, of door vergelijkbare internationale, al dan niet overkoepelende sportorganisaties, dan wel een andere wedstrijd of de voorbereiding op een wedstrijd van een sport die door het NOC*NSF als sport is aangemerkt;
|
||||
- *Ster:* Stichting Etherreclame, genoemd in artikel 2.99;
|
||||
- *Stichting:* Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 2.2;
|
||||
- *teletekst:* televisieprogramma dat uitsluitend bestaat uit stilstaande tekstbeelden die door de kijker in een door hem bepaalde volgorde en op een door hem bepaald tijdstip kunnen worden geraadpleegd, en dat wordt verspreid via dezelfde transmissieruimte van een omroepzender of omroepnetwerk als die welke wordt gebruikt voor de verspreiding van andere televisieprogramma’s;
|
||||
- *televisieomroep:* omroepdienst die betrekking heeft op televisieprogramma-aanbod;
|
||||
- *televisieprogramma:* programma met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud;
|
||||
|
|
@ -108,39 +109,38 @@ f. voor iedereen toegankelijk is.
|
|||
|
||||
**3.** Het programma-aanbod van de algemene programmakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder dat zij voor de ontvangst andere kosten moeten betalen dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken.
|
||||
|
||||
**4.** In het kader van de uitvoering van de publieke mediaopdracht volgen en stimuleren publieke media-instellingen technologische ontwikkelingen en benutten de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.
|
||||
**4.** In het kader van de uitvoering van de publieke mediaopdracht volgen en stimuleren de NPO en de publieke media-instellingen technologische ontwikkelingen en benutten de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken.
|
||||
|
||||
### Titel 2.2. Landelijke publieke mediadienst
|
||||
|
||||
#### Afdeling 2.2.1. Nederlandse Omroep Stichting
|
||||
#### Afdeling 2.2.1. Stichting Nederlandse Publieke Omroep
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 2.2.1.1. Taken
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
**1.** De Nederlandse Omroep Stichting is het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau, bedoeld in artikel 2.1.
|
||||
**1.** De Stichting Nederlandse Publieke Omroep is het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau, bedoeld in artikel 2.1.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Naast de andere taken die de Stichting heeft op grond van deze wet, is zij belast met:
|
||||
Naast de andere taken die de NPO heeft op grond van deze wet, is zij belast met:
|
||||
|
||||
a. het bevorderen van samenwerking en coördinatie met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;
|
||||
b. de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst;
|
||||
c. de verzorging van media-aanbod;
|
||||
d. de vertegenwoordiging van de landelijke publieke media-instellingen in internationale organisaties op het gebied van media en de medewerking aan de oprichting van dergelijke organisaties;
|
||||
e. het in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen meewerken aan Europees media-aanbod dat mede op het Nederlandse publiek is gericht;
|
||||
f. het beschikbaar stellen van media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst aan het buitenland;
|
||||
g. het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de landelijke publieke mediadienst en de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
h. het in samenwerking met de Wereldomroep sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in naam van de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
i. de bekostiging van de landelijke publieke media-instellingen, op basis van de door Onze Minister beschikbaar gestelde gelden;
|
||||
j. het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod en het bevorderen van geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording; en
|
||||
k. het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.
|
||||
c. de vertegenwoordiging van de landelijke publieke media-instellingen in internationale organisaties op het gebied van media en de medewerking aan de oprichting van dergelijke organisaties;
|
||||
d. het in samenwerking met buitenlandse omroepinstellingen meewerken aan Europees media-aanbod dat mede op het Nederlandse publiek is gericht;
|
||||
e. het beschikbaar stellen van media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst aan het buitenland;
|
||||
f. het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de landelijke publieke mediadienst en de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
g. het in samenwerking met de Wereldomroep sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in naam van de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
h. de bekostiging van de landelijke publieke media-instellingen, op basis van de door Onze Minister beschikbaar gestelde gelden;
|
||||
i. het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod en het bevorderen van geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording; en
|
||||
j. het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
**1.** De Stichting kan in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel g, in naam van de gezamenlijke landelijke publieke media-instellingen overeenkomsten met derden aangaan.
|
||||
**1.** De NPO kan in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, in naam van de gezamenlijke landelijke publieke media-instellingen overeenkomsten met derden aangaan.
|
||||
|
||||
**2.** De Stichting stelt in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel g, een gedragscode op ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de landelijke publieke media-instellingen.
|
||||
**2.** De NPO stelt in het kader van haar taak, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel f, een gedragscode op ter bevordering van goed bestuur en integriteit bij de NPO en de landelijke publieke media-instellingen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -159,13 +159,13 @@ f. regels voor toezicht en naleving van de gedragscode.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.4
|
||||
|
||||
De organen van de Stichting zijn een raad van toezicht, een raad van bestuur en een college van omroepen.
|
||||
De organen van de NPO zijn een raad van toezicht, een raad van bestuur en een college van omroepen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5
|
||||
|
||||
**1.** De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de Stichting, de Programmastichting, de erkende omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.24, en de erkende educatieve media-instelling, bedoeld in artikel 2.28, personen voor benoeming aanbevelen.
|
||||
**2.** Voor een van de andere leden kunnen de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NPS en de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 onderscheidenlijk artikel 2.28 hebben verkregen personen voor benoeming aanbevelen.
|
||||
|
||||
**3.** Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -193,18 +193,18 @@ c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.
|
|||
|
||||
**3.** Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.
|
||||
|
||||
**4.** De leden van de raad van toezicht ontvangen van de Stichting een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.
|
||||
**4.** De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.7
|
||||
|
||||
**1.** De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken bij de Stichting en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau en staat de raad van bestuur met advies terzijde.
|
||||
**1.** De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken bij de NPO, het functioneren van de raad van bestuur als toezichthouder bij de NOS en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau en staat de raad van bestuur met advies terzijde.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De raad van toezicht is verder belast met:
|
||||
|
||||
a. het vaststellen van de jaarrekening van de Stichting; en
|
||||
b. het wijzigen van de statuten van de Stichting, op voorstel van de raad van bestuur;
|
||||
a. het vaststellen van de jaarrekening van de NPO; en
|
||||
b. het wijzigen van de statuten van de NPO, op voorstel van de raad van bestuur;
|
||||
|
||||
**3.** Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -220,21 +220,21 @@ b. het wijzigen van de statuten van de Stichting, op voorstel van de raad van be
|
|||
|
||||
**1.** Op het lidmaatschap van de raad van bestuur is artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c tot en met g, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 2.6, eerste lid, onderdeel c, niet van overeenkomstige toepassing is op het lidmaatschap van een orgaan van de Ster.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de raad van bestuur zijn in dienst van de Stichting. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.
|
||||
**2.** De leden van de raad van bestuur zijn in dienst van de NPO. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 668a, eerste tot en met vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.10
|
||||
|
||||
**1.** De raad van bestuur bestuurt de Stichting.
|
||||
**1.** De raad van bestuur bestuurt de NPO.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Naast de andere taken en bevoegdheden die de raad van bestuur heeft op grond van deze wet, is hij belast met:
|
||||
|
||||
a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de Stichting, waaronder de verzorging van haar media-aanbod;
|
||||
a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de NPO;
|
||||
b. de dagelijkse coördinatie en samenhangende ordening van het media-aanbod op en tussen de diverse aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;
|
||||
c. het vaststellen van regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de Stichting, waaronder in ieder geval een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;
|
||||
c. het vaststellen van regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de NPO, waaronder in ieder geval een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst;
|
||||
d. het vaststellen van de profielen van de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst, inhoudende de uitgangspunten voor een herkenbaar media-aanbod op die kanalen;
|
||||
e. het vaststellen van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20;
|
||||
f. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in 2.22;
|
||||
|
|
@ -250,12 +250,12 @@ h. het vaststellen van het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.17.
|
|||
De volgende besluiten van de raad van bestuur behoeven de instemming van de raad van toezicht:
|
||||
|
||||
a. de besluiten, bedoeld in het artikel 2.10, tweede lid, onderdelen e tot en met h;
|
||||
b. het doen van investeringen die een in de statuten van de Stichting vastgesteld bedrag te boven gaan;
|
||||
c. het door de Stichting aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor de Stichting of de andere landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
b. het doen van investeringen die een in de statuten van de NPO vastgesteld bedrag te boven gaan;
|
||||
c. het door de NPO aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor de NPO of de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
d. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers; en
|
||||
e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.
|
||||
|
||||
**2.** De verdere werkwijze van de raad van toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en reglementen van de Stichting.
|
||||
**2.** De verdere werkwijze van de raad van toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en reglementen van de NPO.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -263,13 +263,10 @@ e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van e
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het college is als volgt samengesteld:
|
||||
Het college van omroepen is als volgt samengesteld:
|
||||
|
||||
a. de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning hebben verkregen en de Programmastichting benoemen elk één lid;
|
||||
b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag, bedoeld in artikel 2.42, benoemen gezamenlijk één lid; en
|
||||
c. de mediadirecteur van de Stichting, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid, is lid met raadgevende stem.
|
||||
|
||||
**3.** De omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen kunnen elk een waarnemer in het college aanwijzen.
|
||||
a. de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling die een erkenning als bedoeld in artikel 2.24 onderscheidenlijk artikel 2.28 hebben verkregen, de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 hebben verkregen, de NOS en de NPS benoemen elk één lid; en
|
||||
b. de kerkgenootschappen en de genootschappen op geestelijke grondslag die op grond van artikel 2.42 zijn aangewezen, benoemen gezamenlijk één lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -277,11 +274,9 @@ c. de mediadirecteur van de Stichting, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid, is l
|
|||
|
||||
**2.** Het college wijst uit zijn midden de voorzitter aan en regelt zijn eigen werkwijze.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op de mediadirecteur van de Stichting, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.14
|
||||
|
||||
**1.** Voordat de raad van bestuur een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aangaat of een besluit als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdelen d, e of f, neemt, stelt hij het college van omroepen in de gelegenheid daarover binnen een door hem te stellen redelijke termijn zijn mening te geven.
|
||||
**1.** Voordat de raad van bestuur een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aangaat dan wel een besluit neemt over een taak als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdelen d, e, f, of g, over de wijze van aanwending van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel h, stelt hij het college van omroepen in de gelegenheid daarover zijn mening te geven binnen een door de raad van bestuur te stellen redelijke termijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het uitblijven van de mening van het college staat aan het aangaan van een overeenkomst of het nemen van een besluit door de raad van bestuur niet in de weg.
|
||||
|
||||
|
|
@ -291,35 +286,35 @@ c. de mediadirecteur van de Stichting, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid, is l
|
|||
|
||||
### Artikel 2.15
|
||||
|
||||
**1.** De Stichting verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Stichting.
|
||||
**1.** De NPO verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NPO.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de Stichting voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.
|
||||
**2.** Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NPO voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16
|
||||
|
||||
**1.** Als de Stichting naar de mening van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de Stichting de noodzakelijke voorzieningen treffen.
|
||||
**1.** Als de NPO naar de mening van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de NPO de noodzakelijke voorzieningen treffen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.17
|
||||
|
||||
**1.** De Stichting stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
|
||||
**1.** De NPO stelt jaarlijks vóór 1 juni een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
|
||||
|
||||
**2.** In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Stichting, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.
|
||||
**2.** In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NPO, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.
|
||||
|
||||
**3.** De Stichting zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.
|
||||
**3.** De NPO zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.18
|
||||
|
||||
**1.** Wijzigingen in de statuten van de Stichting behoeven de instemming van Onze Minister.
|
||||
**1.** Wijzigingen in de statuten van de NPO behoeven de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** De raad van toezicht en de raad van bestuur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de Stichting.
|
||||
**2.** De raad van toezicht en de raad van bestuur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NPO.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst
|
||||
|
||||
### Artikel 2.19
|
||||
|
||||
**1.** Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt bij koninklijk besluit aan de Stichting een concessie verleend.
|
||||
**1.** Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau wordt bij koninklijk besluit aan de NPO een concessie verleend.
|
||||
|
||||
**2.** De concessie geldt voor tien jaar en treedt in werking met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
|
|
@ -327,7 +322,7 @@ c. de mediadirecteur van de Stichting, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid, is l
|
|||
|
||||
### Artikel 2.20
|
||||
|
||||
**1.** Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de Stichting een concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.
|
||||
**1.** Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de NPO een concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -345,21 +340,23 @@ e. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep, regionale en lokale
|
|||
|
||||
### Artikel 2.21
|
||||
|
||||
**1.** De Stichting maakt het concessiebeleidsplan openbaar.
|
||||
**1.** De NPO maakt het concessiebeleidsplan openbaar.
|
||||
|
||||
**2.** Over het concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur.
|
||||
|
||||
**3.** Het concessiebeleidsplan behoeft de instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, waarbij de instemming geschiedt met inachtneming van artikel 3.3, tweede lid, van de Telecommunicatiewet.
|
||||
|
||||
**4.** Als de Stichting wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Als de NPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan, neemt zij die op in de begroting. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.21a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Artikel 2.21, derde lid, is niet van toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onderdelen b en c, wordt aangeboden. Een experiment dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de publieke media-opdracht op landelijk niveau.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.22
|
||||
|
||||
**1.** Mede op basis van het concessiebeleidsplan sluiten Onze Minister en de Stichting een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan.
|
||||
**1.** Mede op basis van het concessiebeleidsplan sluiten Onze Minister en de NPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -375,19 +372,7 @@ c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandighede
|
|||
|
||||
### Artikel 2.23
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Stichting verzorgt media-aanbod dat zich bij uitstek leent voor een gezamenlijke verzorging, waaronder media-aanbod dat:
|
||||
|
||||
a. een hoge frequentie en vaste regelmaat van verspreiding vereist;
|
||||
b. een algemeen dienstverlenend karakter draagt; of
|
||||
c. met een doelmatiger inzet van middelen beter gezamenlijk tot stand kan worden gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de Stichting wordt verzorgd.
|
||||
|
||||
**3.** De Stichting verzorgt teletekst voor de landelijke publieke mediadienst.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de verzorging van het media-aanbod stelt de raad van bestuur een mediadirecteur aan die in dienst is van de Stichting en die geen lid is van de raad van toezicht of de raad van bestuur.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Afdeling 2.2.2. Omroepverenigingen en een educatieve media-instelling
|
||||
|
||||
|
|
@ -474,7 +459,7 @@ d. volgens de statuten een orgaan heeft dat het beleid voor het media-aanbod bep
|
|||
Het beleidsplan bevat in elk geval:
|
||||
|
||||
a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst; en
|
||||
b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de Stichting of de Programmastichting.
|
||||
b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de NPO, de NOS of de NPS.
|
||||
|
||||
**3.** Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers gezamenlijk worden ingediend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -488,7 +473,7 @@ c. de termijn en wijze waarop een besluit op een aanvraag wordt genomen.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.31
|
||||
|
||||
**1.** Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de Stichting binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag.
|
||||
**1.** Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de NPO binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.** Het uitblijven van een advies staat aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning niet in de weg.
|
||||
|
||||
|
|
@ -505,9 +490,10 @@ b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
|||
|
||||
Onze Minister kan een aanvraag afwijzen als:
|
||||
|
||||
a. de aanvrager niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen;
|
||||
b. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet; of
|
||||
c. uit de aanvraag naar de mening van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:
|
||||
a. blijkens de evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan zijn publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b;
|
||||
b. de aanvrager niet voldoet aan de krachtens artikel 2.30, vierde lid, gestelde eisen;
|
||||
c. aannemelijk is dat de aanvrager zich, mede gelet op zijn handelwijze in een voorafgaande periode waarin hij een erkenning heeft gehad, niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet; of
|
||||
d. uit de aanvraag naar de mening van Onze Minister onvoldoende blijkt dat:
|
||||
|
||||
1°. in het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod de identiteit en missie van de aanvrager tot uitdrukking komt;
|
||||
2°. het door de aanvrager te verzorgen media-aanbod voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze wet gestelde eisen; of
|
||||
|
|
@ -545,6 +531,80 @@ b. de instelling naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering g
|
|||
|
||||
#### Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Nederlandse Omroep Stichting heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen op het gebied van nieuws, sport en evenementen dat zich bij uitstek leent voor gezamenlijke verzorging, waaronder media-aanbod dat:
|
||||
|
||||
a. een hoge frequentie en vaste regelmaat van verspreiding vereist;
|
||||
b. een algemeen dienstverlenend karakter draagt; of
|
||||
c. met een doelmatiger inzet van middelen beter gezamenlijk tot stand kan worden gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** De NOS verzorgt teletekst voor de landelijke publieke mediadienst.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NOS wordt verzorgd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34b
|
||||
|
||||
De organen van de NOS zijn een raad van toezicht en een directie.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34c
|
||||
|
||||
**1.** De raad van bestuur vormt de raad van toezicht van de NOS.
|
||||
|
||||
**2.** De toelage aan de leden van de raad van toezicht bedraagt nihil.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34d
|
||||
|
||||
**1.** De raad van toezicht houdt toezicht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken binnen de NOS en de pluriformiteit van het media-aanbod van de NOS en staat de directie met advies terzijde.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de NOS.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34e
|
||||
|
||||
**1.** De directie van de NOS bestaat uit ten hoogste drie leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met:
|
||||
|
||||
a. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke media-instelling;
|
||||
b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
|
||||
c. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
|
||||
d. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf direct vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
|
||||
e. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De directieleden zijn in dienst van de NOS. De raad van toezicht stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34f
|
||||
|
||||
**1.** De directie bestuurt de NOS.
|
||||
|
||||
**2.** De directie is belast met de dagelijkse leiding en het financiële beheer van de NOS.
|
||||
|
||||
**3.** De directie is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken of bevoegdheden van de raad van toezicht behoort.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34g
|
||||
|
||||
**1.** De NOS verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de stichting.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NOS voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34h
|
||||
|
||||
**1.** De NOS stelt jaarlijks vóór 1 mei een jaarverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
|
||||
|
||||
**2.** In het jaarverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NOS, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.
|
||||
|
||||
**3.** De NOS zendt het jaarverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.34i
|
||||
|
||||
**1.** Wijziging in de statuten van de NOS behoeven de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** De raad van toezicht en de directie kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NOS.
|
||||
|
||||
#### Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting
|
||||
|
||||
### Artikel 2.35
|
||||
|
|
@ -574,7 +634,7 @@ De organen van de NPS zijn een raad van toezicht, een algemeen directeur en een
|
|||
Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPS is onverenigbaar met:
|
||||
|
||||
a. de functie van algemeen directeur van de NPS;
|
||||
b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een andere landelijke publieke media-instelling;
|
||||
b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO of een landelijke publieke media-instelling;
|
||||
c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
|
||||
d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal;
|
||||
e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
|
||||
|
|
@ -703,7 +763,7 @@ b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.48
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de Stichting de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor aangewezen kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.
|
||||
|
||||
**2.** Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen extra uren vaststellen en toewijzen. Deze extra uren geven geen aanspraak op een vergoeding boven de vergoeding, bedoeld in artikel 2.153.
|
||||
|
||||
|
|
@ -713,7 +773,7 @@ b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
|||
|
||||
**2.** Kerkgenootschappen respectievelijk genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit.
|
||||
|
||||
**3.** Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag kunnen de verzorging van hun media-aanbod opdragen aan de Stichting, een omroepvereniging of een door hen opgerichte rechtspersoon.
|
||||
**3.** Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag kunnen de verzorging van hun media-aanbod opdragen aan de NOS, een omroepvereniging of een door hen opgerichte rechtspersoon.
|
||||
|
||||
#### Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen
|
||||
|
||||
|
|
@ -767,7 +827,7 @@ d. op grond van omstandigheden die niet voorzien waren ten tijde van de indeling
|
|||
|
||||
### Artikel 2.55
|
||||
|
||||
**1.** De raad van bestuur bevordert dat tussen de Stichting en de andere landelijke publieke media-instellingen afspraken tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik op de aanbodkanalen en over de wederzijdse inspanningen daarvoor.
|
||||
**1.** De raad van bestuur bevordert dat tussen de NPO en de landelijke publieke media-instellingen afspraken tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik op de aanbodkanalen en over de wederzijdse inspanningen daarvoor.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -787,7 +847,7 @@ b. de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag van wie uren
|
|||
|
||||
**2.** Voor de coördinatie en ordening van het programma-aanbod op een radioprogrammakanaal wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie waarin de instellingen van wie uren op het desbetreffende programmakanaal zijn ingedeeld elk één lid benoemen.
|
||||
|
||||
**3.** Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een toezichts- of bestuursorgaan van een landelijke publieke media-instelling.
|
||||
**3.** Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een toezichts- of bestuursorgaan van de NPO of een landelijke publieke media-instelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.57
|
||||
|
||||
|
|
@ -799,9 +859,9 @@ c. de wijze waarop de raad van bestuur het tot stand komen van afspraken als bed
|
|||
|
||||
### Artikel 2.58
|
||||
|
||||
De Stichting stuurt jaarlijks vóór 1 mei aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:
|
||||
De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 mei aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de wijze waarop door de landelijke publieke media-instellingen op de verschillende aanbodkanalen uitvoering is gegeven aan de publieke mediaopdracht;
|
||||
a. een beschrijving van de wijze waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen op de verschillende aanbodkanalen uitvoering is gegeven aan de publieke mediaopdracht;
|
||||
b. de samenstelling van het media-aanbod van de publieke mediadienst op de programmakanalen en voor zover mogelijk op de overige aanbodkanalen, waaronder de uren die besteed zijn aan media-aanbod op de terreinen genoemd in artikel 2.1, eerste lid;
|
||||
c. een rapportage over de realisering van de doelstellingen van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22;
|
||||
d. de naleving van de artikelen 2.115 tot en met 2.123; en
|
||||
|
|
@ -809,9 +869,9 @@ e. de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.59
|
||||
|
||||
**1.** De landelijke publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de Stichting, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de Stichting alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is.
|
||||
**1.** De landelijke publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is.
|
||||
|
||||
**2.** De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de Stichting kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de instellingen.
|
||||
**2.** De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de instellingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.60
|
||||
|
||||
|
|
@ -1091,9 +1151,9 @@ c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandighede
|
|||
|
||||
### Artikel 2.87
|
||||
|
||||
**1.** De Wereldomroep verzorgt de televisieprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland in samenwerking met de Stichting.
|
||||
**1.** De Wereldomroep verzorgt de televisieprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland in samenwerking met de NOS.
|
||||
|
||||
**2.** Ten behoeve van de verzorging van radioprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland door de Wereldomroep vindt samenwerking met de Stichting plaats.
|
||||
**2.** Ten behoeve van de verzorging van radioprogramma’s voor Nederlandstaligen in het buitenland door de Wereldomroep vindt samenwerking met de NOS plaats.
|
||||
|
||||
### Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1229,7 +1289,7 @@ De Stichting Etherreclame heeft tot taak het verzorgen van media-aanbod voor de
|
|||
|
||||
**1.** Het bestuur van de Ster bestaat uit vijf leden die door Onze Minister worden benoemd, geschorst en ontslagen.
|
||||
|
||||
**2.** Drie van de leden worden benoemd op voordracht van de Stichting.
|
||||
**2.** Drie van de leden worden benoemd op voordracht van de NPO.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan en kan twee waarnemers met raadgevende stem in het bestuur aanwijzen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1273,7 +1333,7 @@ c. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen e
|
|||
|
||||
**1.** De Ster doet jaarlijks vóór 1 augustus aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst en de Wereldomroep in het lopende en in het volgende kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**2.** De Ster zendt een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat, de Stichting en de Wereldomroep.
|
||||
**2.** De Ster zendt een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat, de NPO en de Wereldomroep.
|
||||
|
||||
**3.** De inkomsten die de Ster verwerft uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1511,7 +1571,7 @@ c. het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de samenwerking, be
|
|||
|
||||
### Artikel 2.132
|
||||
|
||||
**1.** De publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.
|
||||
**1.** De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.
|
||||
|
||||
**2.** Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1523,7 +1583,7 @@ Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten
|
|||
|
||||
### Artikel 2.134
|
||||
|
||||
**1.** In het kader van nevenactiviteiten kunnen de publieke media-instellingen rechtspersonen of samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.
|
||||
**1.** In het kader van nevenactiviteiten kunnen de NPO en de publieke media-instellingen rechtspersonen of samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten van nevenactiviteiten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1531,7 +1591,7 @@ Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten
|
|||
|
||||
### Artikel 2.135
|
||||
|
||||
**1.** Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
|
||||
**1.** Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de NPO en de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid en de artikelen 2.132 en 2.134 zijn niet van toepassing op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1587,9 +1647,9 @@ c. een omroepvereniging in strijd met artikel 2.34, eerste lid, tijdens een erke
|
|||
|
||||
### Artikel 2.139
|
||||
|
||||
**1.** De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens van hun programma-aanbod, voor zover deze nodig zijn voor de opgaven van het te verspreiden programma-aanbod in gedrukte of elektronische programmagidsen, ter beschikking van de Stichting.
|
||||
**1.** De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens van hun programma-aanbod, voor zover deze nodig zijn voor de opgaven van het te verspreiden programma-aanbod in gedrukte of elektronische programmagidsen, ter beschikking van de NPO.
|
||||
|
||||
**2.** Zij aanvaarden dat de Stichting de gegevens voor verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt aan de omroepverenigingen en aan anderen die daartoe een overeenkomst met de Stichting hebben gesloten.
|
||||
**2.** Zij aanvaarden dat de NPO de gegevens voor verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt aan de omroepverenigingen en aan anderen die daartoe een overeenkomst met de NPO hebben gesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.140
|
||||
|
||||
|
|
@ -1597,13 +1657,13 @@ Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te
|
|||
|
||||
### Artikel 2.141
|
||||
|
||||
**1.** De publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.
|
||||
**1.** De NPO en de publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.
|
||||
|
||||
**2.** Voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag is het eerste lid alleen van toepassing op de activiteiten ter verzorging van hun media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.142
|
||||
|
||||
**1.** De publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke media-opdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.
|
||||
**1.** De NPO en de publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke media-opdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Toestemming wordt alleen gegeven als de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1611,7 +1671,11 @@ Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te
|
|||
|
||||
### Artikel 2.142a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten, omroepkoren en een muziekbibliotheek, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat er een helder onderscheid is tussen het dagelijks bestuur en het onafhankelijke toezicht daarop.
|
||||
|
||||
**2.** De NPO en de landelijke publieke media-instellingen volgen daarbij zoveel als mogelijk aanbevelingen uit de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is ten aanzien kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag alleen van toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 2.42, eerste lid, en 2.49, derde lid.
|
||||
|
||||
### Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1619,7 +1683,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 2.143
|
||||
|
||||
**1.** De publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.
|
||||
**1.** De NPO en de publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de overige kosten, bedoeld in artikel 2.146, worden onder de naam «rijksmediabijdrage» jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1663,13 +1727,13 @@ n. vergoedingen aan het landelijk orgaan dat informatie verstrekt en anderszins
|
|||
|
||||
### Artikel 2.147
|
||||
|
||||
**1.** De Stichting dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.
|
||||
**1.** De NPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De begroting bevat in elk geval:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die media-aanbod verzorgen voor de landelijke publieke mediadienst invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
|
||||
a. een beschrijving van de wijze waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
|
||||
b. een overzicht van aard en aantal van de aanbodkanalen;
|
||||
c. de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de landelijke publieke mediadienst te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;
|
||||
d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en
|
||||
|
|
@ -1681,9 +1745,9 @@ De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:
|
|||
|
||||
a. de financiële middelen voor de verzorging van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen;
|
||||
b. de financiële middelen voor programma-aanbod, bedoeld in de artikelen 2.115 tot en met 2.123;
|
||||
c. de eigen inkomsten van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de Programmastichting en de Stichting, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod;
|
||||
c. de eigen inkomsten van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de NOS en de NPS, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod;
|
||||
d. de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; en
|
||||
e. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de Stichting die niet direct samenhangen met de verzorging van media-aanbod door de Stichting.
|
||||
e. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.148
|
||||
|
||||
|
|
@ -1691,7 +1755,7 @@ e. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van
|
|||
|
||||
**2.** Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** De Stichting maakt de begroting openbaar.
|
||||
**3.** De NPO maakt de begroting openbaar.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1710,7 +1774,7 @@ f. de verzorging van het media-aanbod van de op grond van artikel 2.42 aangeweze
|
|||
g. de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO; en
|
||||
h. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de Stichting de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.
|
||||
**2.** Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de NPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.150
|
||||
|
||||
|
|
@ -1718,7 +1782,7 @@ h. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
|
|||
|
||||
**2.** Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan de bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod.
|
||||
|
||||
**3.** Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de Programmastichting en de Stichting.
|
||||
**3.** Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroepverenigingen, de educatieve media-instelling, de NOS en de NPS.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.151
|
||||
|
||||
|
|
@ -1813,7 +1877,7 @@ De begroting bevat in ieder geval:
|
|||
a. een beschrijving van de wijze waarop door de Wereldomroep uitvoering zal worden gegeven aan de publieke mediaopdracht;
|
||||
b. een opgave van de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens van de Wereldomroep te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;
|
||||
c. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten, waaronder die voor personeel, organisatie en de organen van de Wereldomroep; en
|
||||
d. een beschrijving van de samenwerking met de Stichting.
|
||||
d. een beschrijving van de samenwerking met de NOS.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1893,7 +1957,7 @@ c. de financiering van de door het Commissariaat aan te houden rekening-courantv
|
|||
|
||||
Onze Minister kan, voor zover dat de financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt, uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
a. de NPO en de landelijke publieke media-instellingen;
|
||||
b. de Wereldomroep; en
|
||||
c. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroepkoren, omroeporkesten en een muziekbibliotheek, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1905,7 +1969,7 @@ c. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren v
|
|||
|
||||
**1.** Renteopbrengsten uit het beheer van de algemene mediareserve zijn bestemd voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan landelijke publieke media-instellingen en aan de Wereldomroep.
|
||||
**2.** Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan de NPO, aan de landelijke publieke media-instellingen en aan de Wereldomroep.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 2.167, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1913,7 +1977,7 @@ c. de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren v
|
|||
|
||||
Artikel 2.159 is van overeenkomstige toepassing op het ter beschikking stellen van gelden op grond van de artikelen 2.167 en 2.168.
|
||||
|
||||
#### Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten
|
||||
#### Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten
|
||||
|
||||
### Artikel 2.170
|
||||
|
||||
|
|
@ -1930,7 +1994,13 @@ b. in ieder geval per provincie het in 2004 bestaande niveau van de activiteiten
|
|||
|
||||
### Artikel 2.170a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het College van Burgemeester en Wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
**2.** De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke omroepdienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.
|
||||
|
||||
**3.** Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 2.170, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep
|
||||
|
||||
|
|
@ -1938,11 +2008,11 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
### Artikel 2.171
|
||||
|
||||
**1.** Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidscontrole van de uitgaven van de publieke media-instellingen.
|
||||
**1.** Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Wereldomroep.
|
||||
|
||||
**2.** De landelijke publieke media-instellingen, met uitzondering van de Stichting, zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur.
|
||||
**2.** De landelijke publieke media-instellingen en de Wereldomroep zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur.
|
||||
|
||||
**3.** De raad van bestuur zendt vóór 1 juni zijn opmerkingen over de jaarrekeningen tezamen met de jaarrekening van de Stichting aan het Commissariaat.
|
||||
**3.** De raad van bestuur zendt vóór 1 juli zijn opmerkingen over de jaarrekeningen tezamen met de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.172
|
||||
|
||||
|
|
@ -1960,7 +2030,7 @@ Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in ar
|
|||
|
||||
### Artikel 2.174
|
||||
|
||||
**1.** De landelijke publieke media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren.
|
||||
**1.** De landelijke publieke media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De NPO kan gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen, reserveren.
|
||||
|
||||
**2.** Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van het totaal van de ter beschikking gestelde budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2022,7 +2092,7 @@ Deze afdeling is op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondsla
|
|||
|
||||
**1.** De meerjarenplannen en de jaarrekeningen behoeven de instemming van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot de meerjarenplannen hoort Onze Minister de Stichting.
|
||||
**2.** Met betrekking tot de meerjarenplannen hoort Onze Minister de NPO.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.183
|
||||
|
||||
|
|
@ -2041,7 +2111,7 @@ b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzig
|
|||
|
||||
### Artikel 2.184
|
||||
|
||||
**1.** De Stichting en de Wereldomroep evalueren regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke mediaopdracht.
|
||||
**1.** De NPO en de Wereldomroep evalueren regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke mediaopdracht.
|
||||
|
||||
**2.** Een evaluatie vindt in elk geval eens in de vijf jaar plaats.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2053,12 +2123,12 @@ b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzig
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de evaluatie stellen de Stichting en de Wereldomroep elk een commissie in voor de duur van de evaluatie, met de volgende samenstelling:
|
||||
Voor de evaluatie stellen de NPO en de Wereldomroep elk een commissie in voor de duur van de evaluatie, met de volgende samenstelling:
|
||||
|
||||
a. de evaluatiecommissie van de Stichting bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is zoveel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek; en
|
||||
a. de evaluatiecommissie van de NPO bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is zoveel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek; en
|
||||
b. de evaluatiecommissie van de Wereldomroep bestaat uit ten minste drie onafhankelijke deskundigen.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de evaluatiecommissie van de Stichting worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.
|
||||
**2.** De leden van de evaluatiecommissie van de NPO worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** De leden van de evaluatiecommissie van de Wereldomroep worden op voordracht van de directie benoemd door de raad van toezicht van de Wereldomroep, gehoord Onze Minister.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2066,9 +2136,9 @@ b. de evaluatiecommissie van de Wereldomroep bestaat uit ten minste drie onafhan
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De evaluatiecommissie van de Stichting rapporteert in elk geval over:
|
||||
De evaluatiecommissie van de NPO rapporteert in elk geval over:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop de landelijke publieke media-instellingen zowel gezamenlijk als afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;
|
||||
a. de wijze waarop de NPO en de landelijke publieke media-instellingen zowel gezamenlijk als afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;
|
||||
b. de mate waarin het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst tegemoet komt aan de interesses en inzichten van het algemene publiek en van specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen;
|
||||
c. de wijze waarop de omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en
|
||||
d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie of die door Onze Minister zijn aangegeven.
|
||||
|
|
@ -2085,7 +2155,7 @@ c. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de ev
|
|||
|
||||
**1.** De evaluatiecommissies kunnen aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht in de komende jaren uitvoering wordt gegeven.
|
||||
|
||||
**2.** De evaluatiecommissies brengen op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de raad van toezicht van de Stichting, respectievelijk de raad van toezicht van de Wereldomroep, die het aan Onze Minister zenden en openbaar maken.
|
||||
**2.** De evaluatiecommissies brengen op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de raad van toezicht van de NPO, respectievelijk de raad van toezicht van de Wereldomroep, die het aan Onze Minister zenden en openbaar maken.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.188
|
||||
|
||||
|
|
@ -2630,7 +2700,7 @@ b. de termijn waarbinnen een besluit op de aanvraag wordt genomen.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.7
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de Stichting de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor politieke partijen en de overheid.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor politieke partijen en de overheid.
|
||||
|
||||
**2.** Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen meer uren vaststellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2740,7 +2810,7 @@ Met het lidmaatschap van een programmaraad zijn onverenigbaar:
|
|||
a. het lidmaatschap van een gemeenteraad in een gemeente die behoort tot het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft;
|
||||
b. het lidmaatschap van het College van Burgemeester en Wethouders in een gemeente als bedoeld in onderdeel a;
|
||||
c. een binding met de aanbieder van het omroepnetwerk dat aanwezig is in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft; en
|
||||
d. het lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking, al dan niet tegen betaling, bij een publieke media-instelling of een commerciële media-instelling.
|
||||
d. het lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking bij de NPO, een publieke media-instelling of een commerciële media-instelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.19
|
||||
|
||||
|
|
@ -2842,7 +2912,7 @@ Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn onvere
|
|||
|
||||
a. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
|
||||
b. een dienstbetrekking bij een ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
|
||||
c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.
|
||||
c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -2890,7 +2960,7 @@ Het Commissariaat plaatst besluiten tot vaststelling van nadere regels op grond
|
|||
|
||||
Het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. de artikelen 2.2 tot en met 2.22, 2.24 tot en met 2.33, 2.36 tot en met 2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.73 tot en met 2.87, 2.125 tot en met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.149, 2.150, eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.158, 2.163, 2.164, eerste en tweede lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.180 tot en met 2.187, 4.2 tot en met 4.5 en 6.26; en
|
||||
a. de artikelen 2.2 tot en met 2.22, 2.24 tot en met 2.33, 2.34a tot en met 2.34i, 2.36 tot en met 2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.73 tot en met 2.87, 2.125 tot en met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.149, 2.150, eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.158, 2.163, 2.164, eerste en tweede lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.180 tot en met 2.187, 4.2 tot en met 4.5 en 6.26; en
|
||||
b. hoofdstuk 8.
|
||||
|
||||
**2.** Met het toezicht op de naleving zijn belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat.
|
||||
|
|
@ -3016,7 +3086,7 @@ Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn met he
|
|||
|
||||
a. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
|
||||
b. een dienstbetrekking bij een ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
|
||||
c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.
|
||||
c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.6
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue