2003-12-01 | BWBR0005792 | Wet toezicht kredietwezen 1992
This commit is contained in:
parent
135058845b
commit
117bac6250
1 changed files with 223 additions and 112 deletions
|
|
@ -140,8 +140,9 @@ e. de identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de ond
|
|||
f. een jaarrekening of openingsbalans, welke moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
|
||||
g. een programma van werkzaamheden welke de onderneming of instelling voornemens is te verrichten;
|
||||
h. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle;
|
||||
i. de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort; en
|
||||
j. indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling betreft: een verklaring van de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar die kredietinstelling gevestigd is waaruit blijkt dat deze autoriteit de vestiging van een dochtermaatschappij of bijkantoor in Nederland heeft goedgekeurd.
|
||||
i. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
|
||||
j. de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort; en
|
||||
k. indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling betreft: een verklaring van de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar die kredietinstelling gevestigd is waaruit blijkt dat deze autoriteit de vestiging van een dochtermaatschappij of bijkantoor in Nederland heeft goedgekeurd.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -160,7 +161,7 @@ d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen die he
|
|||
e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van een of meer personen, die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
|
||||
f. de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van oordeel is, dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;
|
||||
g. de verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder *f*, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling; of
|
||||
h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder *f*, *g* of *h*, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen.
|
||||
h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder f, g, h of i, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen.
|
||||
|
||||
**2.** De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of regelgeving inzake het toezicht op het kredietwezen in een andere Lid-Staat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -201,7 +202,7 @@ h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder
|
|||
De Bank kan ten aanzien van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° besluiten dat de artikelen 8, tweede lid, met uitzondering van onderdeel *e*, 9 eerste lid, met uitzondering van onderdeel *f*, of derde lid, 10, 11, 13, 14, 15, eerste lid, onderdeel *c*, onderdeel *d* - behoudens voor zover dit onderdeel betrekking heeft op artikel 9, eerste lid, onderdeel *f* - of onderdeel *g*, dan wel 30 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven, mits
|
||||
|
||||
a. de kredietinstelling is aangesloten bij een centrale kredietinstelling;
|
||||
b. de centrale kredietinstelling erop toeziet dat de aangesloten kredietinstelling de richtlijnen en algemene voorschriften als bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22 naleeft;
|
||||
b. de centrale kredietinstelling erop toeziet dat de aangesloten kredietinstelling de regels als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a naleeft;
|
||||
c. de centrale kredietinstelling en de bij haar aangesloten kredietinstellingen hoofdelijk instaan voor elkaars verplichtingen dan wel de verplichtingen van de aangesloten kredietinstelling door de centrale kredietinstelling worden gegarandeerd;
|
||||
d. de centrale kredietinstelling naar het oordeel van de Bank voldoende bevoegd is instructies te geven aan de aangesloten kredietinstelling; en
|
||||
e. het ingevolge artikel 20 uitgeoefende toezicht op de centrale kredietinstelling en de aangesloten kredietinstelling op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
|
||||
|
|
@ -230,7 +231,7 @@ c. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die ee
|
|||
|
||||
de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde, zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder *b*, *c*, *d* of *e*, niet meer voordoet , onderscheidenlijk de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde.
|
||||
**2.** Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het geven van een aanwijzing worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -243,7 +244,13 @@ b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binne
|
|||
|
||||
**5.** Aan de overdracht, bedoeld in het derde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**6.** De Bank kan, indien zich bij een kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder d of e voordoet, aan de personen die via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid van de groep waartoe deze kredietinstelling behoort bepalen, de aanwijzing geven dat één of meer personen die het beleid of het dagelijks beleid van deze groep bepalen niet uit dien hoofde tevens het beleid of het dagelijks beleid van de kredietinstelling mogen mede bepalen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen termijn, zich bij een kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder d of e niet meer voordoet.
|
||||
**6.** Indien een kredietinstelling tot een groep behoort en de deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 8, tweede lid, onder c en d, bedoelde personen naar het oordeel van de Bank niet langer buiten twijfel staat, kan de Bank aan de personen of instellingen die via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid bepalen van de groep waartoe de kredietinstelling behoort, de aanwijzing geven dat de eerstgenoemde personen het beleid of het dagelijks beleid van die kredietinstelling niet meer kunnen mede bepalen.
|
||||
|
||||
**7.** De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht, volgen deze binnen de door de Bank gestelde termijn op.
|
||||
|
||||
**8.** De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht, informeren de Bank binnen de door de haar gestelde termijn over de maatregelen die zijn getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.
|
||||
|
||||
**9.** De kredietinstelling geeft geen gevolg aan algemene of bijzondere instructies van personen op wie een aanwijzing van de Bank als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
|
|
@ -262,8 +269,10 @@ b. de onderneming of instelling, aan welke de vergunning is verleend, opgehouden
|
|||
c. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;
|
||||
d. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d, e of f, derde, vierde of vijfde lid, voordoet;
|
||||
e. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
|
||||
f. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2, tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; of
|
||||
g. de kredietinstelling niet voldoet aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid.
|
||||
f. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 20, 21, 22 of 22a dan wel de artikelen 30b, 30c of 30ca bepaalde;
|
||||
g. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2, tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
|
||||
h. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, niet voldoet aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid, of aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 28a, tweede tot en met vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of
|
||||
i. indien de kredietinstelling dan wel het orgaan, aan wie de aanwijzing is gegeven of de aanzegging is gedaan, niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging op grond van deze wet gegeven onderscheidenlijk gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** De Bank beslist binnen dertien weken na de ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder *a*.
|
||||
|
||||
|
|
@ -289,16 +298,17 @@ De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave v
|
|||
|
||||
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;
|
||||
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
|
||||
c. het adres van het bijkantoor; en
|
||||
d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
|
||||
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
|
||||
d. het adres van het bijkantoor; en
|
||||
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling alsmede omtrent de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder *a*. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder *a*. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder *a*. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.
|
||||
|
||||
**5.** Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder *b* tot en met *d*, dan wel met betrekking tot de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
|
||||
**6.** Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.
|
||||
|
||||
|
|
@ -316,16 +326,17 @@ De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:
|
|||
|
||||
a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;
|
||||
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
|
||||
c. het adres van het bijkantoor; en
|
||||
d. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
|
||||
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
|
||||
d. het adres van het bijkantoor; en
|
||||
e. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, in kennis.
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, in kennis.
|
||||
|
||||
**5.** Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
|
||||
**6.** Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
|
||||
|
||||
**7.** Artikel 16, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -339,14 +350,25 @@ De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid geschiedt onder opgave van:
|
|||
|
||||
a. de Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;
|
||||
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
|
||||
c. het adres van het bijkantoor; en
|
||||
d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
|
||||
c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
|
||||
d. het adres van het bijkantoor; en
|
||||
e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank beslist binnen 6 weken na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid op het verzoek tot instemming.
|
||||
**3.** De kredietinstelling doet de in het tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Bank zulks verlangt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a, onderscheidenlijk de artikelen 30b, 30c en 30ca, onthoudt de Bank haar instemming met de opening van het bijkantoor.
|
||||
|
||||
**5.** De Bank beslist binnen 6 weken na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid op het verzoek tot instemming.
|
||||
|
||||
### Artikel 16c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een kredietinstelling meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 16b, tweede lid, onderdelen b tot en met e, ten minste een maand tevoren schriftelijk aan de Bank.
|
||||
|
||||
**2.** De kredietinstelling doet de in het eerste lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Bank zulks verlangt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de kredietinstelling voldoet aan het krachtens artikel 20 onderscheidenlijk 30b gestelde en de Bank geen bedenkingen heeft tegen de wijziging maakt zij dit aan de kredietinstelling bekend.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit het bijkantoor te staken, stelt de kredietinstelling de Bank daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de kredietinstelling haar voornemen uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan de Bank.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Verrichten van diensten
|
||||
|
||||
|
|
@ -369,7 +391,7 @@ b. de werkzaamheden welke de kredietinstelling voornemens is te verrichten.
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
De artikelen 19 tot en met 30, met uitzondering van 25 en 25a, hebben betrekking op iedere kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.
|
||||
De artikelen 20 tot en met 30, met uitzondering van 25 en 25a, hebben betrekking op iedere kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Monetair toezicht
|
||||
|
||||
|
|
@ -381,13 +403,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** De Bank kan, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de solvabiliteit van die instellingen.
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, in het belang van hun solvabiliteit.
|
||||
|
||||
**2.** De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook richtlijnen worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
|
||||
**2.** De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden:
|
||||
De regels kunnen uitsluitend inhouden:
|
||||
|
||||
a. bepalingen inzake het eigen vermogen, dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot
|
||||
|
||||
|
|
@ -410,45 +432,55 @@ c. bepalingen inzake de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen
|
|||
(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;
|
||||
d. bepalingen inzake de reikwijdte van consolidatie.
|
||||
|
||||
**4.** De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, mits de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
**4.** De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, mits de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**5.** In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.
|
||||
**5.** In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Liquiditeitstoezicht
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de liquiditeit van die instellingen.
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen in het belang van hun liquiditeit.
|
||||
|
||||
**2.** De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook richtlijnen worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
|
||||
**2.** De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot
|
||||
De regels kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot
|
||||
|
||||
(1). de ter beschikking verkregen gelden of bepaalde onderdelen van die gelden;
|
||||
(2). de van elke crediteur afzonderlijk ter beschikking verkregen gelden, voor zover deze een bepaald percentage van het totaal der ter beschikking verkregen gelden te boven gaan.
|
||||
|
||||
**4.** De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, mits de liquiditeit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
**4.** De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, mits de liquiditeit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**5.** In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.
|
||||
**5.** In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5. Toezicht op de administratieve organisatie
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen aanbevelingen en algemene richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven met betrekking tot de administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle alsmede met het oog op het voorkomen van belangenconflicten.
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen met betrekking tot de administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie – en de interne controle.
|
||||
|
||||
**2.** De aanbevelingen en algemene richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de aanbevelingen en algemene richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De aanbevelingen en algemene richtlijnen kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
|
||||
**2.** De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de algemene richtlijnen verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
**3.** De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**4.** In de aanbevelingen en algemene richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent de aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven.
|
||||
|
||||
**5.** De aanbevelingen worden bekendgemaakt door plaatsing in de *Staatscourant*.
|
||||
**4.** In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent de aanbevelingen en regels worden gegeven.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5a. Toezicht op de bedrijfsvoering met het oog op de integriteit van die bedrijfsvoering
|
||||
|
||||
### Artikel 22a
|
||||
|
||||
Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld ter zake van:
|
||||
|
||||
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
|
||||
b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen schaden;
|
||||
c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen schaden;
|
||||
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van de kredietinstelling;
|
||||
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
|
||||
|
||||
Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 6. Structuurtoezicht
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
|
@ -468,10 +500,11 @@ f. een beherend vennoot tot de kredietinstelling te doen toetreden.
|
|||
|
||||
Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
|
||||
|
||||
a. de Bank van oordeel is dat de handeling in strijd zou zijn of zou kunnen komen met de voor de kredietinstelling geldende richtlijnen als bedoeld in artikel 20, derde lid, onder *a*, (4) en (5), onder *b*, (4) en onder *c*, (4); of
|
||||
b. de Bank van oordeel is dat de handeling anderszins in strijd zou zijn of zou kunnen komen met een gezond bankbeleid; of
|
||||
c. de Bank van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen; of
|
||||
d. Onze minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen.
|
||||
a. de Bank van oordeel is dat de handeling in strijd zou zijn of zou kunnen komen met de voor de kredietinstelling geldende regels als bedoeld in artikel 20, derde lid, onder *a*, (4) en (5), onder *b*, (4) en onder *c*, (4);
|
||||
b. de Bank van oordeel is dat de handeling anderszins in strijd zou zijn of zou kunnen komen met een gezond bankbeleid;
|
||||
c. de Bank van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen;
|
||||
d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
|
||||
e. Onze minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen.
|
||||
|
||||
**3.** Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -489,8 +522,9 @@ Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid
|
|||
|
||||
a. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid;
|
||||
b. de Bank van oordeel is, dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;
|
||||
c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen; of
|
||||
d. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen.
|
||||
c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen;
|
||||
d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
|
||||
e. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen.
|
||||
|
||||
**3.** Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -556,7 +590,8 @@ Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van geen bezwaar omstand
|
|||
|
||||
a. naar het oordeel van de Bank tot strijd met een gezond bankbeleid respectievelijk tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid leiden of zouden kunnen leiden;
|
||||
b. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;
|
||||
c. naar het oordeel van de Bank of Onze minister tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen leiden of zouden kunnen leiden;
|
||||
c. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
|
||||
d. naar het oordeel van de Bank of Onze minister tot een ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen leiden of zouden kunnen leiden;
|
||||
|
||||
en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften zou zijn verleend, kan Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister de Bank aan de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen en nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -566,7 +601,7 @@ en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd
|
|||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling zodanig wijzigt, dat de omvang van deze deelneming onder de 5, 10, 20, 33 of 50 procent daalt of, dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.
|
||||
**1.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling zodanig wijzigt, dat de omvang van deze deelneming onder de 5, 10, 20, 33 of 50 procent daalt of, dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan vooraf in kennis.
|
||||
|
||||
**2.** Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder de 5, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -576,7 +611,7 @@ en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd
|
|||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Indien de Bank constateert, dat een kredietinstelling de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 of 22 niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.
|
||||
**1.** Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 of 22a, niet naleeft, of indien de Bank andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling dan wel de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling anderszins in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.
|
||||
|
||||
**2.** Zo nodig doet de Bank de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -588,7 +623,7 @@ a. de kredietinstelling aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaal
|
|||
b. de kredietinstelling aanzeggen, dat de Bank zal overgaan tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de kredietinstelling zulks verlangt, tevens de correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de Bank en de kredietinstelling is gevoerd;
|
||||
c. met de voorzitter van de representatieve organisatie van de groep kredietinstellingen, waartoe de kredietinstelling behoort, dienaangaande in overleg treden, wanneer de Bank zulks in het belang van crediteuren acht. De voorzitter kan zich bij dit overleg doen bijstaan door ten hoogste twee functionarissen van zijn organisatie, tenzij de Bank zulks niet wenselijk acht. De Bank doet de kredietinstelling mededeling van het overleg.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling in gevaar brengt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan de onderdelen *a* en *c* van het derde lid Artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
|
||||
**4.** Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt met het oog op de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, met het oog op de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling, dan wel met het oog op andere belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling, kan zij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan de onderdelen a en c van het derde lid.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -599,10 +634,12 @@ b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling toestaan bepaalde h
|
|||
c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onder *a*, behoudens de bevoegdheid van de Bank om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht;
|
||||
d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door andere vervangen;
|
||||
e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onder *a*, zijn degenen, die deel uit maken van het orgaan van de kredietinstelling dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de kredietinstelling; de kredietinstelling kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;
|
||||
f. zodra de Bank van oordeel is dat de solvabiliteit en de liquiditeit van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen, beslist zij dat de betrokken organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.
|
||||
f. zodra de Bank van oordeel is dat de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling of andere belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen, trekt zij de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onder a, in.
|
||||
|
||||
**6.** Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, onder *b*, wordt eerst van kracht, wanneer het onherroepelijk is geworden. Indien de kredietinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien de Bank de aanwijzing intrekt, zal de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.
|
||||
|
||||
**7.** Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** Indien de Bank door de toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat ervan in kennis is gesteld dat een bijkantoor in die Lid-Staat van een in Nederland gevestigde kredietinstelling de voor die kredietinstelling in die andere Lid-Staat op het bijkantoor van toepassing zijnde regels betreffende het toezicht niet of niet volledig naleeft, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.
|
||||
|
|
@ -642,13 +679,13 @@ De artikelen 30b tot en met 30f hebben betrekking op iedere kredietinstelling, b
|
|||
|
||||
### Artikel 30b
|
||||
|
||||
**1.** De Bank kan, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven in het belang van de liquiditeit en de solvabiliteit van die instellingen.
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, in het belang van hun solvabiliteit en liquiditeit.
|
||||
|
||||
**2.** De richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
|
||||
**2.** De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De richtlijnen kunnen uitsluitend inhouden:
|
||||
De regels kunnen uitsluitend inhouden:
|
||||
|
||||
a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot de financiële verplichtingen die met uitgegeven elektronisch geld verband houden;
|
||||
b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van:
|
||||
|
|
@ -658,43 +695,49 @@ b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van:
|
|||
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
|
||||
c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen gelden.
|
||||
|
||||
**4.** De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de richtlijnen verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
**4.** De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**5.** In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent richtlijnen worden gegeven.
|
||||
**5.** In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 30c
|
||||
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen aanbevelingen en algemene richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven met betrekking tot de administratieve organisatie, met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle, alsmede met het oog op het voorkomen van belangenconflicten.
|
||||
**1.** De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen met betrekking tot de administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie – en de interne controle.
|
||||
|
||||
**2.** De aanbevelingen en algemene richtlijnen worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de aanbevelingen en algemene richtlijnen kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De aanbevelingen en algemene richtlijnen kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
|
||||
**2.** De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de algemene richtlijnen verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
**3.** De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
|
||||
|
||||
**4.** In de aanbevelingen en algemene richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent de aanbevelingen en algemene richtlijnen worden gegeven.
|
||||
|
||||
**5.** De aanbevelingen worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
**4.** In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent de regels worden gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 30ca
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld ter zake van:
|
||||
|
||||
a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
|
||||
b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen schaden;
|
||||
c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiële markten in het algemeen schaden;
|
||||
d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van de kredietinstelling;
|
||||
e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.
|
||||
|
||||
Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
|
||||
|
||||
### Artikel 30d
|
||||
|
||||
**1.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is een gekwalificeerde deelneming van 10 procent of meer in een kredietinstelling te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent overschrijdt of de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen, stelt, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van het voornemen schriftelijk in kennis. Het is de natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden om aan dit voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid niet is gedaan.
|
||||
**1.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is een gekwalificeerde deelneming van 10 procent of meer in een kredietinstelling te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent overschrijdt of de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen, stelt, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van het voornemen schriftelijk in kennis. Het is de natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden om aan dit voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid niet is gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming zodanig wijzigt dat de omvang van de deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.
|
||||
**2.** Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming zodanig wijzigt dat de omvang van de deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid deelt zij de natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, mede dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen.
|
||||
**3.** Indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid, dan wel indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet ertoe leidt of zou kunnen leiden dat de naleving van de in artikel 30ca bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd, deelt zij de natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, mede dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen.
|
||||
|
||||
**4.** Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder 10, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
|
||||
**4.** Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder 10, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming de mededeling, bedoeld in het derde lid, is gedaan, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 30e
|
||||
|
||||
**1.** Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de richtlijnen, bedoeld in de artikelen 30b en 30c, niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.
|
||||
**1.** Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 28, tweede lid, derde lid, onder a en b, en vierde tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Artikel 28, tweede lid, derde lid, onder a en b, en vierde tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 30f
|
||||
|
||||
|
|
@ -772,13 +815,13 @@ b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van de
|
|||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
De artikelen 19 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent.
|
||||
Artikel 21 is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Bijzondere maatregelen
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
**1.** Indien de Bank constateert, dat een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, de richtlijnen als bedoeld in artikel 21 niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt of zou kunnen brengen, is artikel 28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.
|
||||
**1.** Indien de Bank constateert, dat een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, de regels als bedoeld in artikel 21 niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt of zou kunnen brengen, is artikel 28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de aanwijzing als bedoeld in artikel 28, tweede lid, een haar bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° gevestigd is, daarvan in kennis stellen en die toezichthoudende autoriteit verzoeken te bewerkstelligen dat alsnog binnen een door de Bank te stellen termijn aan de aanwijzing gevolg wordt gegeven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -786,7 +829,7 @@ De artikelen 19 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in N
|
|||
|
||||
**4.** Indien de Bank bij een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Bank, niettegenstaande het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zesde lid, met betrekking tot het bijkantoor maatregelen treffen die zij onontbeerlijk acht voor de bescherming van de belangen van de crediteuren van het bijkantoor.
|
||||
|
||||
**5.** De Bank kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zesde lid, met betrekking tot het bijkantoor tevens maatregelen treffen, ingeval zij daartoe een verzoek heeft gekregen van de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° gevestigd is.
|
||||
**5.** De Bank kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zevende lid, met betrekking tot het bijkantoor tevens maatregelen treffen, ingeval zij daartoe een verzoek heeft gekregen van de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° gevestigd is.
|
||||
|
||||
**6.** De Bank doet van de maatregelen als bedoeld in het vierde en vijfde lid onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -828,7 +871,7 @@ Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietin
|
|||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
De artikelen 8, eerste lid, tweede lid, onder a, b, e, f, g, h en j, derde lid, 9, eerste lid, onder a, b, c, f, g en h, tweede lid, vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op het bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid.
|
||||
De artikelen 8, eerste lid, tweede lid, onder a, b, e, f, g, h, i en k, derde lid, 9, eerste lid, onder a, b, c, f, g en h, tweede lid, vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op het bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
|
|
@ -842,7 +885,7 @@ Niettegenstaande het bepaalde in artikel 9 en onverminderd het bepaalde in artik
|
|||
|
||||
**1.** De artikelen 20 tot en met 23 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 30b en 30c zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.
|
||||
**2.** De artikelen 30b tot en met 30ca zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Bijzondere maatregelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -868,15 +911,16 @@ Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gev
|
|||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Op aanvraag van een financiële instelling die dochtermaatschappij is van één of meer kredietinstellingen die een vergunning bedoeld in artikel 6 heeft of hebben verkregen, en die haar bedrijf door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, kan de Bank aan die financiële instelling een verklaring van ondertoezichtstelling verlenen en daarbij het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22, 24, 26 en 27 bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaren op die financiële instelling.
|
||||
**1.** Op aanvraag van een financiële instelling die dochtermaatschappij is van één of meer kredietinstellingen die een vergunning bedoeld in artikel 6 heeft of hebben verkregen, en die haar bedrijf door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, kan de Bank aan die financiële instelling een verklaring van ondertoezichtstelling verlenen en daarbij het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22, 22a, 24, 26 en 27 bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaren op die financiële instelling.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het verlenen van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 46, gegevens omtrent:
|
||||
|
||||
a. de identiteit van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is;
|
||||
b. een programma van werkzaamheden welke de financiële instelling verricht dan wel voornemens is te verrichten; en
|
||||
c. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle.
|
||||
b. een programma van werkzaamheden welke de financiële instelling verricht dan wel voornemens is te verrichten;
|
||||
c. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle en
|
||||
d. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
|
||||
|
||||
**3.** De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -897,7 +941,7 @@ a. de financiële instelling daarom verzoekt;
|
|||
b. de onderneming of instelling, aan welke de verklaring van ondertoezichtstelling is verleend, opgehouden heeft een financiële instelling te zijn;
|
||||
c. de financiële instelling niet meer voldoet aan het bepaalde in artikel 46, onder *a*;
|
||||
d. met betrekking tot de financiële instelling niet meer wordt voldaan aan het in artikel 46, onder *b*, *c* of *d* bepaalde of het in de artikelen 24, 26 of 27, eerste lid, bepaalde niet wordt nageleefd;
|
||||
e. de financiële instelling het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22 of 27, tweede lid, bepaalde niet naleeft; of
|
||||
e. de financiële instelling het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22, 22a en 27, tweede lid, bepaalde niet naleeft; of
|
||||
f. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van ondertoezichtstelling zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bijkantoor
|
||||
|
|
@ -917,11 +961,11 @@ d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zu
|
|||
|
||||
**3.** De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens alsmede van gegevens omtrent de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling en de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder *a*. De Bank stelt de financiële instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht dan wel voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20 en 22, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder *a*. De Bank stelt de financiële instelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.
|
||||
**4.** Indien de Bank van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht dan wel voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 22 en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, in kennis.
|
||||
|
||||
**5.** Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder *b*, *c* of *d*, voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de financiële instelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20 en 22, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de financiële instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.
|
||||
**6.** Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels als bedoeld in de artikelen 20, 22 en 22a, trekt zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de financiële instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Verrichten van diensten
|
||||
|
||||
|
|
@ -1015,13 +1059,24 @@ g. die niet langer krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland mag verrichte
|
|||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
De Bank is bevoegd bij iedere onderneming of instelling, van welke zij vermoedt, dat zij een kredietinstelling in de zin van artikel 1 is of dat zij handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn om dit te beoordelen.
|
||||
De Bank kan bij iedere onderneming of instelling ten aanzien waarvan kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen die redelijkerwijs nodig zijn om dit te beoordelen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Informatie-inwinning door de Bank ten behoeve van haar toezicht op kredietinstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
De Bank is bevoegd bij een kredietinstelling die ingevolge artikel 52 tweede lid, onder *a*, *b* of *c*, is geregistreerd, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die zij meent nodig te hebben voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij deze wet opgelegd.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Bank kan bij:
|
||||
|
||||
- iedere kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, b, of c, is geregistreerd;
|
||||
- iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 20, derde lid, onder d, dan wel overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 25, tweede lid, onder c, binnen de reikwijdte van de consolidatie valt;
|
||||
- iedere onderneming of instelling die met een onder a genoemde kredietinstelling in een groep is verbonden;
|
||||
- iedere onderneming of instelling die een gekwalificeerde deelneming houdt als bedoeld in artikel 24, eerste lid, en artikel 30d, eerste lid,
|
||||
|
||||
alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die zij op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van personen die door de Bank zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de Bank heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
|
|
@ -1052,11 +1107,11 @@ d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid
|
|||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
**1.** Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder *a* of *b*, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 20, 21 of 22.
|
||||
**1.** Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder *a* of *b*, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 of 22a.
|
||||
|
||||
**2.** Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder *c*, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in artikel 21.
|
||||
**2.** Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder *c*, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 21.
|
||||
|
||||
**3.** Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 30b of 30c.
|
||||
**3.** Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c of 30ca.
|
||||
|
||||
### Artikel 56a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1064,19 +1119,11 @@ De Bank is bevoegd de personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder *b*,
|
|||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
De Bank is bevoegd bij
|
||||
|
||||
a. iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 20, derde lid, onder *d*, binnen de reikwijdte van de consolidatie valt;
|
||||
b. iedere dochtermaatschappij van een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder *a* of *b*, is geregistreerd;
|
||||
c. iedere houder van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waarvan de betrokken kredietinstelling dochtermaatschappij is;
|
||||
d. iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 25, tweede lid, onder *c*, binnen de reikwijdte van de consolidatie valt; en
|
||||
e. iedere dochtermaatschappij van een houder van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waarvan tevens de betrokken kredietinstelling dochtermaatschappij is;
|
||||
|
||||
alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die de Bank meent nodig te hebben voor de juiste uitoefening van haar toezicht op de betrokken kredietinstelling.
|
||||
Bij of krachtens de in de artikelen 22a en 30ca bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat kredietinstellingen bepaalde gegevens ter zake van de integere bedrijfsvoering aan de Bank melden. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
**1.** Een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 57, onder *a* of *d*, dient een zodanige boekhouding te voeren, dat zij de Bank de inlichtingen als bedoeld in artikel 57 kan verschaffen.
|
||||
**1.** Een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, dient een zodanige boekhouding te voeren, dat zij de Bank de inlichtingen, bedoeld in artikel 54, kan verschaffen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de Bank van oordeel is dat een onderneming of instelling niet aan het bepaalde in het eerste lid voldoet, kan zij aan die onderneming of instelling een voorschrift met betrekking tot het voeren van haar boekhouding geven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1090,7 +1137,7 @@ De artikelen 54, 55 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Ingeval een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 57 in een andere Lid-Staat is gevestigd, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:
|
||||
Ingeval een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 54, eerste lid, in een andere Lid-Staat is gevestigd, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:
|
||||
|
||||
a. de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel
|
||||
b. zich, na daartoe van de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
|
||||
|
|
@ -1118,13 +1165,15 @@ Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of artikel 50,
|
|||
a. de Bank zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die toezichthoudende autoriteit verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel
|
||||
b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, wanneer deze daaromtrent de Bank in kennis heeft gesteld, zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.
|
||||
|
||||
**3.** Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De Bank kan aan die verificatie deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen deelnemen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Bijzondere bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
**1.** Iedere onderneming of instelling is verplicht de inlichtingen, die krachtens de artikelen 53, 54, 55, 57, 59 of 61 bij haar worden ingewonnen, binnen een door of namens de Bank te stellen termijn te verstrekken.
|
||||
**1.** De onderneming of instelling waar bij of namens de Bank op grond van de artikelen 53 of 54, eerste lid, inlichtingen worden ingewonnen, verstrekt deze binnen de door de Bank te stellen termijn.
|
||||
|
||||
**2.** Iedere onderneming of instelling is verplicht de Bank, of degene die in opdracht van de Bank inlichtingen als bedoeld in het eerste lid bij haar inwint, desgevorderd in de gelegenheid te stellen zich van de juistheid van de verstrekte inlichtingen te overtuigen aan de hand van zakelijke gegevens en bescheiden en daarbij zoveel mogelijk behulpzaam te zijn.
|
||||
**2.** Iedere onderneming of instelling is verplicht de Bank desgevorderd in de gelegenheid te stellen zich van de juistheid van de verstrekte inlichtingen te overtuigen aan de hand van zakelijke gegevens en bescheiden en daarbij zoveel mogelijk behulpzaam te zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Een derde, die de in het tweede lid bedoelde zakelijke gegevens en bescheiden onder zich heeft, is desgevorderd verplicht deze daartoe over te leggen dan wel toegankelijk te maken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1142,7 +1191,7 @@ De bij of krachtens deze wet te verschaffen inlichtingen en opgaven moeten tijdi
|
|||
|
||||
**2.** Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65*a *, eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
|
||||
|
||||
**3.** Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering welke betrekking hebben op het als getuige of deskundige in strafzaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak.
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
**4.** Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een kredietinstelling die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1192,13 +1241,11 @@ b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van Nederlandse of buitenla
|
|||
|
||||
**2.** Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, is verplicht deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze minister onderscheidenlijk de Bank te stellen termijn te verstrekken.
|
||||
|
||||
**3.** Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld, dient aan de persoon die het onderzoek verricht alle medewerking te verlenen die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld slechts kan worden verplicht tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden voor zover deze op de uitoefening van zijn beroep of bedrijf betrekking hebben.
|
||||
|
||||
### Artikel 66a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister onderscheidenlijk de Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 66, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.
|
||||
|
||||
**2.** De verplichting, omschreven in het derde lid van artikel 66, geldt eveneens jegens de in het eerste lid bedoelde functionaris.
|
||||
**2.** Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1363,7 +1410,7 @@ De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de verklaring, b
|
|||
|
||||
### Artikel 79
|
||||
|
||||
Door de bekendmaking, bedoeld in artikel 75, vierde of zevende lid, artikel 77, onder *c*, of artikel 78, vervallen van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, hadden verkregen.
|
||||
Door de bekendmaking, bedoeld in artikel 75, vierde lid, indien deze bekendmaking betrekking had op alle verbintenissen van de kredietinstelling, artikel 75, zevende lid, artikel 77, onder c, of artikel 78, vervallen van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, hadden verkregen.
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
|
||||
|
|
@ -1409,9 +1456,15 @@ b. de Bank;
|
|||
c. de Lid-Staten, alsmede de regionale of locale overheden van de Lid-Staten; en
|
||||
d. internationaal publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan één of meer Lid-Staten deelnemen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister kan vrijstelling of, op verzoek en de Bank gehoord, ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen, naar zijn oordeel anderszins voldoende worden beschermd. Een ontheffing kan worden geweigerd, indien naar het oordeel van Onze Minister de betrouwbaarheid van één of meer personen die het beleid van de betrokken onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, of die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de betrokken onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.
|
||||
**3.** Onze minister kan vrijstelling of, op verzoek en de Bank gehoord, ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen, naar zijn oordeel anderszins voldoende worden beschermd. Een ontheffing kan onder meer worden geweigerd, indien naar het oordeel van Onze Minister de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat van de aanvrager dan wel, indien het een rechtspersoon betreft, van één of meer personen die het beleid van de betrokken onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, of die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de betrokken onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen.
|
||||
|
||||
**4.** Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
|
||||
**4.** De onderneming of instelling die een ontheffing als bedoeld in het derde lid heeft verkregen, meldt iedere wijziging van de gegevens betreffende het aantal of de identiteit van de in dat lid genoemde personen, vooraf aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**5.** Een wijziging als bedoeld in het vierde lid wordt niet doorgevoerd, indien Onze Minister binnen 6 weken na ontvangst van de melding, of, indien Onze Minister om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen 6 weken na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen, aan de onderneming of instelling bekend heeft gemaakt niet met het voornemen in te stemmen.
|
||||
|
||||
**6.** De onderneming of instelling die beschikt over een ontheffing als bedoeld in het derde lid stelt Onze Minister onverwijld schriftelijk in kennis van iedere wijziging in de antecedenten van de in het derde lid bedoelde personen.
|
||||
|
||||
**7.** Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bescherming van het woord "bank"
|
||||
|
||||
|
|
@ -1565,7 +1618,7 @@ c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid,
|
|||
|
||||
### Artikel 90b
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister of de Bank kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 14, eerste, tweede en zesde lid, 15, vijfde lid, 16, zesde en achtste lid, 16a, zesde lid, 19, eerste lid, derde lid, tweede volzin, en vijfde lid, tweede volzin, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, zevende lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste lid en tweede lid, eerste volzin, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, tweede, derde en vierde lid, 32a onder a, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 50, eerste lid, 51, 55, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 56a, 58, eerste en tweede lid, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede en derde lid, 66a, tweede lid, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste en vierde lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
|
||||
**1.** Onze Minister of de Bank kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 14, eerste, tweede, zevende, achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, zesde en achtste lid, 16a, zesde lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en vierde lid, tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, zevende lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste en tweede lid, 30b, eerste lid, 30c, eerste lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, tweede, derde en vierde lid, 32a onder a, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 50, eerste lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 56a, 57, 58, eerste en tweede lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste en zevende lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1584,17 +1637,17 @@ b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binne
|
|||
|
||||
### Artikel 90c
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister of de Bank kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 13, 14, eerste, tweede en zesde lid, 15, vijfde lid, 16, eerste, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, 16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b, eerste lid, 17, eerste en tweede lid, 19, eerste lid, derde lid, tweede volzin, en vijfde lid, tweede volzin, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, zevende lid, 27, eerste en tweede lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, vierde en vijfde lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 48, eerste, tweede en vijfde lid, 49, eerste en tweede lid, 50, eerste en tweede lid, 51, 55, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 56, eerste, tweede en derde lid, 56a, 58, eerste en tweede lid, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede en derde lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste en vierde lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
|
||||
**1.** Onze Minister of de Bank kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 13, 14, eerste, tweede, zevende, achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, eerste, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, 16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b, eerste, tweede en derde lid, 16c, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste en tweede lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en vierde lid, tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, zevende lid, 27, eerste en tweede lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 30b, eerste lid, 30c, eerste lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 48, eerste, tweede en vijfde lid, 49, eerste en tweede lid, 50, eerste en tweede lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 56, eerste, tweede en derde lid, 56a, 57, 58, eerste en tweede lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.
|
||||
|
||||
**2.** De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat indien deze door de Minister van Financiën is opgelegd, of aan de Bank indien deze door haar is opgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vierde en vijfde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 90d
|
||||
|
||||
**1.** Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
|
||||
**1.** Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1602,7 +1655,7 @@ b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binne
|
|||
|
||||
**4.** Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste lid worden de bedragen van de boetes terzake van overtreding van de afzonderlijke regels, gesteld bij de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 85a en 85b, bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste lid worden de bedragen van de boetes terzake van overtreding van de afzonderlijke regels, gesteld bij de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 22a, 30ca, 57, 85a en 85b, bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 90e
|
||||
|
||||
|
|
@ -1638,7 +1691,7 @@ c. de termijn, bedoeld in artikel 90i, eerste lid, waarbinnen de boete moet word
|
|||
|
||||
**2.** De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 90f, tweede lid, is aangewezen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het derde lid zal worden ingevorderd.
|
||||
**3.** Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1672,8 +1725,66 @@ De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete w
|
|||
|
||||
**2.** Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het ter openbare kennis brengen worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk XIIIC. Openbaarmaking van overtredingen
|
||||
|
||||
### Artikel 90n
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Bank kan, in afwijking van artikel 64, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:
|
||||
|
||||
- haar weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;
|
||||
- het feit dat een onderneming of instelling waarop naar haar oordeel het verbod, bedoeld in artikel 6 of artikel 38 van toepassing is, niet over een vergunning beschikt;
|
||||
- het feit dat een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling in strijd met artikel 31 door middel van een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent;
|
||||
- het feit dat een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling uitoefent in strijd met artikel 32 onderscheidenlijk artikel 32a door middel van het verrichten van diensten in Nederland al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking verkrijgt dan wel gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven;
|
||||
- het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met artikel 38a;
|
||||
- het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met artikel 82;
|
||||
- het feit dat het woord «bank» of vertalingen of vormen daarvan worden gebezigd in strijd met artikel 83.
|
||||
|
||||
### Artikel 90o
|
||||
|
||||
Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 90n ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
|
||||
|
||||
### Artikel 90p
|
||||
|
||||
**1.** De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
|
||||
|
||||
**2.** In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, is de Bank niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
|
||||
|
||||
### Artikel 90q
|
||||
|
||||
De beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
|
||||
|
||||
- het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
|
||||
- de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
|
||||
- de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 90r
|
||||
|
||||
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
|
||||
|
||||
### Artikel 90s
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
|
||||
|
||||
### Artikel 90t
|
||||
|
||||
**1.** De bevoegdheid om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
|
||||
|
||||
**2.** Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 90n vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 90u
|
||||
|
||||
**1.** De bevoegdheid om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.
|
||||
|
||||
**2.** De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 90v
|
||||
|
||||
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 90n ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten
|
||||
|
||||
### Artikel 91
|
||||
|
|
@ -1780,15 +1891,15 @@ Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
|||
|
||||
### Artikel 112b
|
||||
|
||||
**1.** Indien een Lid-Staat richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (Pb EG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2000 tot wijziging van Richtlijn 2000/12/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (Pb EG L 275) niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen en instellingen het tweede en derde lid gelden.
|
||||
**1.** Indien een Lid-Staat richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomische toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 tot wijziging van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 275) niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen of instellingen het tweede en derde lid gelden.
|
||||
|
||||
**2.** Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van artikel 31, eerste lid, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, is, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in plaats van artikel 32a, artikel 82a van toepassing.
|
||||
**3.** Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, is, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in plaats van artikel 32a, artikel 38a van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder b en c. De aan deze onderneming of instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.
|
||||
|
||||
**5.** Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland uitoefent en die daarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 82a, tweede lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 32a. De aan deze onderneming of instelling verleende ontheffing als bedoeld in artikel 82a, tweede lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.
|
||||
**5.** Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, door middel van het verrichten van diensten in Nederland uitoefent en die daarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 38a, derde lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 32a. De aan deze onderneming of instelling verleende ontheffing als bedoeld in artikel artikel 38a, derde lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.
|
||||
|
||||
### Artikel 113
|
||||
|
||||
|
|
@ -1844,4 +1955,4 @@ Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat
|
|||
|
||||
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht kredietwezen 1992.
|
||||
|
||||
## Bijlage . bedoeld in artikel 90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992
|
||||
## Bijlage . bedoeld in
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue