2007-07-01 | BWBR0004800 | Leidraad invordering 1990
This commit is contained in:
parent
830b8b8fd3
commit
2a38e56be1
1 changed files with 48 additions and 65 deletions
|
|
@ -54,7 +54,7 @@ De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt
|
|||
|
||||
De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de Staat op de belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige, weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie.
|
||||
|
||||
Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1, Awb niet van toepassing zijn op de wet, wordt, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 (besluit van juli 1997, AFZ97/2526M) gehandeld.
|
||||
Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1, Awb niet van toepassing zijn op de wet, wordt, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb gehandeld.
|
||||
|
||||
De ontvanger dient bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop, e.d.). Zie in dit verband het tiende lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1052,12 +1052,9 @@ In artikel 22 van de wet is geen bepaling omtrent voorrang opgenomen, maar volge
|
|||
|
||||
Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen, bijvoorbeeld omdat de inbeslaggenomen zaken inmiddels zijn verkocht of de belastingschuldige failliet is verklaard en het gaat om bezitloos verpande zaken die door het faillissement weer in de boedel vallen. Wordt desalniettemin toch een beroepschrift ingediend, dan zal dit beroepschrift door de directeur over het algemeen in verband met termijnoverschrijding niet ontvankelijk worden verklaard en niet in behandeling worden genomen, gelet op het feit dat het beslag niet meer ligt.
|
||||
|
||||
Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet is op de beroepsfase naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. Deze termijn kan ook terstond zijn. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan de motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in § 6.2.2 van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken.
|
||||
|
||||
Een beroepschrift dat te laat is ingediend, maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt, zal door de directeur niet ontvankelijk worden verklaard, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest. Een in verband met te late indiening niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift, zal de directeur, ambtshalve in behandeling nemen. In dat geval wordt de executie van de desbetreffende zaken, indien redelijkerwijs nog mogelijk, opgeschort. De ontvanger prolongeert, ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe, in het algemeen eveneens als een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft. Als de belanghebbende zich, voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt, wijst deze de belanghebbende voor zoveel nodig op de mogelijkheid een beroepschrift tot de directeur te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de opheffing van een beslag door de ontvanger in dat geval niet plaatsvindt dan na overleg met de directeur. Komt de ontvanger na de indiening van een beroepschrift, maar voordat doorzending aan de directeur heeft plaatsgevonden, tot de slotsom dat ten onrechte beslag is gelegd, dan heft hij het beslag op en bevordert de intrekking van het beroepschrift. Heeft doorzending van het beroepschrift aan de directeur reeds plaatsgevonden dan wordt het beslag na overleg met de directeur opgeheven. Er volgt dan nog wel een beslissing van de directeur op het beroepschrift.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1211,14 +1208,11 @@ De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde, i
|
|||
|
||||
Wanneer de instemming is geweigerd en de belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen ten tijde van de uitbetaling van het terug te geven bedrag inmiddels zijn voldaan, dient uitbetaling plaats te vinden aan de cessionaris of pandhouder. Evenzo kan, in het geval na verrekening van het terug te geven bedrag met belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen nog een saldo om uit te betalen resteert, bevrijdende uitbetaling daarvan slechts plaatsvinden aan de cessionaris of pandhouder.
|
||||
|
||||
Op verzoeken om instemming met een cessie of een pandrecht is hoofdstuk 5 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing, waarbij de beslissing op een dergelijk verzoek wordt aangemerkt als een financiële beschikking.
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet is op de beroepsfase naast hetgeen in deze paragraaf is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in § 6.2.2 van het Voorschrift Awb 1997, de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken.
|
||||
|
||||
De beslissing van de directeur geschiedt bij beschikking. De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in casu de pandhouder of cessionaris. Als op het beroepschrift afwijzend is beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat, na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt, acht dagen zijn verstreken. Gedurende deze termijn wordt het uit te betalen bedrag noch uitbetaald noch verrekend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1250,7 +1244,7 @@ In dat geval wordt geen beschikking gegeven. Het uitstelbeleid is niet van toepa
|
|||
|
||||
Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als ware het verzoek toegewezen. Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
|
||||
Op het schriftelijk ingediende verzoek om uitstel van betaling is naast hetgeen in deze paragraaf en de volgende paragrafen is bepaald hoofdstuk 5 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing, voorzover daarvan hierna niet wordt afgeweken. Bij toewijzing van het verzoek worden de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend in de beschikking vermeld. (Zie ook lid 15 van deze paragraaf).
|
||||
Bij toewijzing van het verzoek worden de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend in de beschikking vermeld. (Zie ook lid 15 van deze paragraaf).
|
||||
|
||||
Een verzoek om uitstel van betaling wordt onder meer afgewezen als:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1291,6 +1285,8 @@ Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uit
|
|||
|
||||
Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag kan de ontvanger dit alleen voor een korte termijn verlenen om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog het ingevulde en ondertekende aangiftebiljet in te dienen. De door de ontvanger te bepalen termijn waarbinnen het biljet moet worden ingediend zal worden gesteld op ten hoogste één maand na dagtekening van zijn beschikking. Wanneer het biljet niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt aan de belastingschuldige medegedeeld dat het uitstel derhalve is vervallen. Aan de belastingschuldige wordt niet nogmaals uitstel van betaling verleend om het biljet alsnog in te dienen. Geen uitstel als hiervoor bedoeld wordt verleend wanneer het een heffing van een andere instantie betreft waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen.
|
||||
|
||||
Voor een aanslag die uitsluitend wordt opgelegd met het doel de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag te behouden, een en ander als bedoeld in artikel 11, lid 3, artikel 16, lid 3 en artikel 20, lid 3, van de AWR, verleent de ontvanger ambtshalve uitstel van betaling. Het uitstel wordt verleend voor het gehele bedrag van de aanslag en duurt voort tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige de precieze elementen van de aanslag heeft meegedeeld.
|
||||
|
||||
Uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete wordt verleend in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete. Voorts wordt uitstel van betaling verleend van een bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, tenzij uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zicht niet richt tegen de bestuurlijke boete. Aan het uitstel kan de voorwaarde worden verbonden dat maatregelen worden getroffen die ertoe strekken de belangen van de Staat veilig te stellen. Het uitstel wordt verleend tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.
|
||||
|
||||
Gedurende de periode waarin voor een bestuurlijke boete uitstel is verleend, wordt een betaling die op de desbetreffende belastingaanslag wordt verricht, afgeboekt met inachtneming van het bepaalde in artikel 7, § 1, zesde lid, van deze leidraad.
|
||||
|
|
@ -1315,13 +1311,9 @@ Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de beschikking op een vlak voor
|
|||
|
||||
Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een verleend uitstel beëindigt kan de belastingschuldige daartegen schriftelijk opkomen bij de directeur. Het gemotiveerde beroepschrift dient te worden gericht tot de directeur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen. Als ambtelijke beroepsinstantie toetst de directeur de beschikking van de ontvanger aan het beleid, waarbij de directeur zal bezien in hoeverre de ontvanger in de concrete situatie in redelijkheid tot zijn beschikking heeft kunnen komen. Zodra de ontvanger blijkt van een zodanig beroepschrift aan de directeur neemt hij een overeenkomstige houding aan als tijdens de behandeling van een verzoek om uitstel.
|
||||
|
||||
Op de beroepsfase is naast hetgeen in deze paragraaf is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
|
||||
- in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 6.1.2 van het Voorschrift Awb 1997 de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt;
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd; gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken.
|
||||
|
||||
Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de ontvanger op een verzoek om uitstel kan beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat uitstel had moeten worden verleend, dan behoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1345,6 +1337,15 @@ Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet in het verzoek om uitstel
|
|||
|
||||
Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het bestreden bedrag dient tijdig te worden voldaan.
|
||||
|
||||
Als een belastingschuldige van mening is dat het opleggen van een aanslag door de inspecteur niet in overeenstemming is met een door Nederland gesloten belastingverdrag, kan hij verzoeken om een overlegprocedure. Als beide verdragspartners de overlegprocedure accepteren, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor de aanslag(en) in kwestie als:
|
||||
|
||||
– de inspecteur een verrekenprijscorrectie heeft aangebracht;
|
||||
– de inspecteur in tegenstelling tot de belastingschuldige van mening is wel degelijk een heffingsrecht te hebben.
|
||||
|
||||
Het uitstel duurt in beginsel tot het tijdstip waarop de nationale en internationale procedures ter oplossing van het geschil zijn afgerond. Lid 3 van deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
In de situatie waarin een overlegprocedure start omdat de verdragspartner een verrekenprijscorrectie aanbrengt of meent een heffingsrecht te hebben, zal de verdragspartner uitstel van betaling dienen te verlenen. Gebeurt dat niet, dan verleent de ontvanger slechts uitstel van betaling als er sprake is van ernstige liquiditeitsproblemen.
|
||||
|
||||
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de betwiste belastingschuld. In beginsel wordt alleen zekerheid gevraagd als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de bij de ontvanger bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag wordt mede bij de beslissing van de ontvanger betrokken. Voor het geval voor de betwiste belastingschuld geen uitstel van betaling wordt verleend omdat de verlangde zekerheid niet wordt verstrekt, zij verwezen naar het bepaalde in § 2, lid 3a.
|
||||
|
||||
Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, worden voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen getroffen. Wanneer echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat of de belangen van belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen zouden worden geschaad, kunnen bedoelde maatregelen wel worden getroffen. Het enkel leggen van beslagen die feitelijk dienst doen als bewaringsmaatregel, geldt in dit verband niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.
|
||||
|
|
@ -1771,7 +1772,7 @@ Artikel 7 van de regeling bepaalt dat het de ontvanger is, die op een verzoek va
|
|||
|
||||
In artikel 8, tweede lid, van de regeling is bepaald dat geen kwijtschelding wordt verleend voor belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting, belastingaanslagen belasting van personenauto's en motorrijwielen, belastingaanslagen belasting zware motorrijtuigen, belastingaanslagen die zijn opgelegd wegens verschuldigde rente op grond van de Ruilverkavelingswet 1954, de Herverkavelingswet Walcheren 1947, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën en de Landinrichtingswet en voor belastingaanslagen die zijn opgelegd wegens verschuldigde kosten op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden. Wanneer een belastingschuldige de ontvanger kwijtschelding vraagt van de hiervoor genoemde belastingen c.q. heffingen deelt de ontvanger hem mee dat daarvoor geen kwijtschelding wordt verleend. Toezending van een verzoekformulier kan in dat geval achterwege blijven.
|
||||
|
||||
Op verzoeken om kwijtschelding is naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 5 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing, voor zo ver daarvan hierna niet wordt afgeweken.
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend op een daartoe ingesteld verzoekformulier, bij de ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Als het verzoek wordt ingediend door een belastingschuldige/niet-ondernemer moet gebruik worden gemaakt van het verzoekformulier voor particulieren. Ook als firmanten van een vennootschap onder firma om kwijtschelding verzoeken moet naast het verzoekformulier voor ondernemers ook van het verzoekformulier voor particulieren gebruik gemaakt worden. Als het verzoek wordt ingediend door een ondernemer moet gebruik worden gemaakt van het verzoekformulier voor ondernemers. Wanneer ex-ondernemers een verzoek om kwijtschelding indienen voor belastingaanslagen die verband houden met de uitoefening van het - inmiddels gestaakte - bedrijf of zelfstandige beroep moet eveneens gebruik worden gemaakt van het verzoekformulier voor ondernemers. De formulieren zijn (op aanvraag) verkrijgbaar bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1931,7 +1932,7 @@ Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden
|
|||
|
||||
Het gaat in casu om de volgende bedragen:
|
||||
|
||||
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2115 per kalenderjaar;
|
||||
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2.133 per kalenderjaar;
|
||||
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar;
|
||||
- een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar;
|
||||
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 177 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
|
||||
|
|
@ -1944,14 +1945,14 @@ Voordat van het netto-besteedbare inkomen de kosten van bestaan worden afgetrokk
|
|||
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de ontvanger niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de ontvanger de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die belastingaanslagen blijkt. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de ontvanger een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Betreft het belastingen van lokale overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Onder betaling op belastingschulden wordt ook begrepen een betaling ter zake van premie voor de volksverzekeringen, ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en een betaling ter zake van een terugvorderingsbeschikking toeslagen. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De ontvanger kan de belastingschuldige te zijner tijd bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden bedoeld in § 1, zesde lid, hiervoor.
|
||||
|
||||
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Wet op de huurtoeslag minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Thans is dit een bedrag van € 182,47 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 182,47: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 180,65 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 178,84) tot het bedrag van de maximum huurgrens (€ 615,01 per maand). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 615,01 – € 182,47 = € 432,54.
|
||||
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Wet op de huurtoeslag minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Thans is dit een bedrag van € 184,85 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 184,85: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 183,03 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 181,22) tot het bedrag van de maximum huurgrens (€ 621,78 per maand). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 621,78 – € 184,85 = € 436,93.
|
||||
|
||||
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag, dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhogingen wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf), wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De "kost" wordt dus niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huurtoeslag verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Dat is het geval als: - het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; - belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huurtoeslag.
|
||||
|
||||
In het vorige lid dient voor:
|
||||
|
||||
a. € 182,47 in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: € 180, 65 voor éénpersoonsouderenhuishoudens en € 178, 84 voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
|
||||
b. € 615,01 – € 182,47 = € 432,54 in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 615,01 – € 180,65 = € 434,36 onderscheidenlijk € 615,01 – € 178,84 = € 436,17.
|
||||
a. € 184,85 in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: € 183,03 voor éénpersoonsouderenhuishoudens en € 181,22 voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
|
||||
b. € 621,78 – € 184,85 = € 436,93 in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 621,78 – € 183,03 = € 438,75 onderscheidenlijk € 621,78 – € 181,22 = € 440,56.
|
||||
|
||||
De niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag, mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AWBZ. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1967,9 +1968,9 @@ Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld, kunnen de kosten van bestaan
|
|||
|
||||
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die thans gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
|
||||
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 891 en maximum € 1114; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1166; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1166. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 780 en maximum € 1002; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1048. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 557 en maximum € 780; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 851. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 898 en maximum € 1.122; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1.176; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1.176. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 786 en maximum € 1.010; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1.057. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 561 en maximum € 786; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 858. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
|
||||
NB: Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1977,20 +1978,20 @@ Voorbeelden
|
|||
|
||||
Voorbeeld 1
|
||||
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 890. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 800. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 865 en bedraagt dus € 801. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 780. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 780. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 800 minus € 780 = € 20 × 80% = € 16.
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 890. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 800. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 890 en bedraagt dus € 801. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 785. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 785. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 800 minus € 785 = € 15 × 80% = € 12.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 2
|
||||
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 870. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 870 en bedraagt dus € 783. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 1002 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 780. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 783. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 770 minus € 783 = nihil.
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 900. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 900 en bedraagt dus € 810. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 1.009 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 785. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 810. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 770 minus € 785 = nihil.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 3
|
||||
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 891. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 898. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met
|
||||
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 184 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 53;
|
||||
- voor gehuwden: € 286 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 76.
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 185 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 53;
|
||||
- voor gehuwden: € 288 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 76.
|
||||
|
||||
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2253,13 +2254,9 @@ Wanneer de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de
|
|||
|
||||
Wanneer een belastingschuldige geen administratief beroep instelt tegen de afwijzende beschikking van de ontvanger maar voor dezelfde aanslag opnieuw een verzoek om kwijtschelding indient, handelt de ontvanger overeenkomstig hetgeen in het eerste lid hiervoor is vermeld, tenzij de ontvanger op dat moment tot een voor belastingschuldige gunstigere beslissing zou komen dan in zijn eerdere beschikking, in welk geval hij het herhaalde verzoek zelf afdoet. Wanneer het verzoek is afgewezen op grond van artikel 8, eerste lid, onderdelen a of c, van de regeling, dan wel als gevolg van een duidelijke, ambtelijke fout en de belastingschuldige dient voor dezelfde belastingaanslag opnieuw een verzoek om kwijtschelding in, wordt het verzoek behandeld als een eerste verzoek om kwijtschelding en dus niet ter beoordeling voorgelegd aan de directeur. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen de belastingschuldige desgewenst nog een beroepschrift bij de directeur kan indienen na de beslissing van de ontvanger.
|
||||
|
||||
Op de beroepfase is naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
|
||||
- in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 6.1.2 van het Voorschrift Awb 1997 de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt;
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek en van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats als in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2295,7 +2292,7 @@ Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de wet vindt kwijtschelding van de belasti
|
|||
|
||||
Kwijtschelding kan alleen op schriftelijk verzoek worden verleend. De kwijtschelding wordt niet verleend als de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens niet, onjuist of onvolledig zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing bekend bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing bekend bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Besluit Fiscaal Bestuursrecht zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
|
||||
In het geval dat een aanmerkelijk-belanghouder emigreert wordt een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang verondersteld en is de vervreemding belast voor de inkomstenbelasting. Voor de opgelegde belastingaanslag die betrekking heeft op de fictieve vervreemding wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder een zogenaamde conserverende belastingaanslag opgelegd. Op grond van artikel 25, achtste lid, van de wet kan, nadat voldoende zekerheid is gesteld, voor de duur van tien jaren uitstel van betaling worden verleend voor die belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 indien de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woont en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 van die wet of behoren tot het resultaat uit een werkzaamheid in Nederland van hem, of door toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of van artikel 7.5, vierde, vijfde of zevende lid, van die wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2312,7 +2309,7 @@ In de hiervoor bedoelde gevallen kan voor een aandeel of winstbewijs het bedrag
|
|||
|
||||
Kwijtschelding van conserverende belastingaanslagen kan alleen op verzoek worden verleend. De kwijtschelding wordt niet verleend als de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens niet, onjuist of onvolledig zijn verstrekt. Evenmin wordt kwijtschelding verleend van een voorlopige conserverende aanslag.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing kenbaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing kenbaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Besluit Fiscaal Bestuursrecht zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -2322,7 +2319,7 @@ Als een ander dan de belastingschuldige op grond van een fiscale of civielrechte
|
|||
|
||||
Artikel 27 van de wet stelt buiten twijfel dat de verjaring alleen wordt gestuit door de betekening van een akte van vervolging aan de belastingschuldige. Daaronder valt iedere betekening aan de belastingschuldige van een vervolgingsstuk, bijvoorbeeld een dwangbevel, een hernieuwd bevel tot betaling of een beslag, ongeacht of de desbetreffende vervolgingsmaatregel overigens resultaat oplevert. Bij de betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring, wordt de belastingschuldige over het doel van die betekening ingelicht; kosten worden voor een zodanige betekening niet in rekening gebracht. Ter stuiting van de verjaring kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat ingeval van stuiting van de verjaring door middel van het betekenen van een dwangbevel per post als betekeningsdatum geldt de dag van de ter post bezorging. Met betrekking tot de belastingaanslag van een overledene wordt stuiting verkregen door betekening aan de erfgenamen overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 53 Rv.
|
||||
|
||||
Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de wet heeft alleen plaats op grond van een formeel verleend uitstel van betaling. Eenzijdige opschorting van de invordering uit welken hoofde dan ook heeft geen schorsende werking. Als een verleend uitstel voortijdig wordt beëindigd wordt slechts de termijn gedurende welke de belastingschuldige daadwerkelijk uitstel van betaling heeft genoten in aanmerking genomen als de termijn waarmee de verjaring wordt geschorst, ongeacht de termijn waarvoor oorspronkelijk het uitstel van betaling is verleend. De schorsing eindigt dus op de dag waarop het uitstel formeel wordt beëindigd. Wanneer een verleend uitstel van rechtswege vervalt (zie in dit verband artikel 25, § 1, tiende lid, van deze leidraad) eindigt de schorsing op de dag waarop dat uitstel van rechtswege is vervallen en dus niet op de dag dat de belastingschuldige schriftelijk in kennis wordt gesteld van het feit dat het uitstel van rechtswege is vervallen. Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag met de tijd gedurende welke het uitstel loopt.
|
||||
Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a., van de wet heeft alleen plaats op grond van een formeel verleend uitstel van betaling dat hetzij op verzoek hetzij ambtshalve is verleend. Eenzijdige opschorting van de invordering uit welken hoofde dan ook heeft geen schorsende werking. Als een verleend uitstel voortijdig wordt beëindigd wordt slechts de termijn gedurende welke de belastingschuldige daadwerkelijk uitstel van betaling heeft genoten in aanmerking genomen als de termijn waarmee de verjaring wordt geschorst, ongeacht de termijn waarvoor oorspronkelijk het uitstel van betaling is verleend. De schorsing eindigt dus op de dag waarop het uitstel formeel wordt beëindigd. Wanneer een verleend uitstel van rechtswege vervalt (zie in dit verband artikel 25, § 1, tiende lid, van deze leidraad) eindigt de schorsing op de dag waarop dat uitstel van rechtswege is vervallen en dus niet op de dag dat de belastingschuldige schriftelijk in kennis wordt gesteld van het feit dat het uitstel van rechtswege is vervallen. Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag met de tijd gedurende welke het uitstel loopt.
|
||||
|
||||
Door de beëindiging van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356, tweede lid, FW zijn belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt, voorzover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar. Deze (onvoldaan gebleven) belastingaanslagen zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen in de zin van artikel 6:3, tweede lid, onderdeel a, BW. De verlenging van de verjaringstermijn inzake het recht tot dwanginvordering en verrekening heeft dan ook geen effect ten aanzien van belastingaanslagen die onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen. Echter in het geval de ontvanger met betrekking tot die belastingaanslagen zijn rechten wel op de gewone wijze zou kunnen uitoefenen (vergelijk bijvoorbeeld artikel 350, derde lid, onderdelen c, d en e, en artikel 358, tweede lid, juncto artikel 358a, eerste lid, FW) heeft verlenging van de verjaringstermijn wel zin. De verjaringstermijn wordt dan verlengd met de tijd gedurende welke de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gelopen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2342,7 +2339,7 @@ De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de bel
|
|||
|
||||
### Artikel 27a
|
||||
|
||||
In artikel 27a van de wet is de mogelijkheid opgenomen om bij betaling van een belastingaanslag een betalingskorting te verlenen. De betalingskorting wordt verleend met betrekking tot belastingaanslagen die een te innen bedrag behelzen en die invorderbaar zijn in meer dan één termijn waarvan ten minste één termijn vervalt voor de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. De betalingskorting wordt verleend indien het volledige bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting, op de eerste vervaldag van de belastingaanslag is voldaan. Oók als het bedrag van de belastingaanslag door de belastingplichtige bestreden wordt moet het volledige bedrag van de belastingaanslag worden voldaan om voor de betalingskorting in aanmerking te komen. Als de belastingaanslag waarover de betalingskorting is verleend nog in hetzelfde jaar wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering maar ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
|
||||
In artikel 27a van de wet is de mogelijkheid opgenomen om bij betaling van een belastingaanslag een betalingskorting te verlenen. De betalingskorting wordt verleend met betrekking tot belastingaanslagen die een te innen bedrag behelzen en die invorderbaar zijn in meer dan één termijn waarvan ten minste één termijn vervalt voor de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. De betalingskorting wordt verleend indien het volledige bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting, op de eerste vervaldag van de belastingaanslag is voldaan. Oók als het bedrag van de belastingaanslag door de belastingplichtige bestreden wordt moet het volledige bedrag van de belastingaanslag worden voldaan om voor de betalingskorting in aanmerking te komen. Als de belastingaanslag waarover de betalingskorting is verleend nog voor het eind van de eerste helft van het tijdvak wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering maar ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
|
||||
|
||||
De belastingaanslagen waarop de betalingskorting wordt verleend zijn:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2406,9 +2403,9 @@ In artikel 30, eerste lid, van de wet is bepaald dat de ontvanger het bedrag van
|
|||
- de door de deurwaarder verstrekte kwitantie;
|
||||
- de formulieren NRK 001 en 002.
|
||||
|
||||
Deze bescheiden geven kennis van de genoemde beschikking waartegen op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen van de AWR in bezwaar kan worden gekomen (zie het tweede lid van deze paragraaf). Wordt een bezwaarschrift door de ontvanger gedeeltelijk gehonoreerd, waarna een acceptgiro wordt gezonden waarop de herstelboeking is vermeld, dan kan tegen hetgeen op deze acceptgiro ten aanzien van de betalingskorting en de invorderingsrente is vermeld niet opnieuw bezwaar worden gemaakt als de belastingschuldige van mening is dat onvoldoende aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Alsdan zal tegen de uitspraak beroep moeten worden aangetekend. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat afschriften van een giro- of bankrekening niet het karakter hebben van een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is. Dit geldt ook voor betalingsoverzichten die ten behoeve van belastingschuldigen worden verstrekt en waarop de betalingskorting en de afgeboekte rente staat vermeld, alsmede voor overige correspondentie waarin om enigerlei reden een betalingskorting of afgeboekte rente wordt vermeld. Op de beschikking is de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing.
|
||||
Deze bescheiden geven kennis van de genoemde beschikking waartegen op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen van de AWR in bezwaar kan worden gekomen (zie het tweede lid van deze paragraaf). Wordt een bezwaarschrift door de ontvanger gedeeltelijk gehonoreerd, waarna een acceptgiro wordt gezonden waarop de herstelboeking is vermeld, dan kan tegen hetgeen op deze acceptgiro ten aanzien van de betalingskorting en de invorderingsrente is vermeld niet opnieuw bezwaar worden gemaakt als de belastingschuldige van mening is dat onvoldoende aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Alsdan zal tegen de uitspraak beroep moeten worden aangetekend. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat afschriften van een giro- of bankrekening niet het karakter hebben van een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is. Dit geldt ook voor betalingsoverzichten die ten behoeve van belastingschuldigen worden verstrekt en waarop de betalingskorting en de afgeboekte rente staat vermeld, alsmede voor overige correspondentie waarin om enigerlei reden een betalingskorting of afgeboekte rente wordt vermeld. Op de beschikking is de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van toepassing.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet kan de belastingschuldige bezwaar maken tegen de hoogte van de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente. Als een belastingschuldige ten kantore mondeling - terecht - bezwaar maakt, bevordert de ontvanger zoveel mogelijk dat hij dit ten kantore op schrift stelt. De ontvanger vraagt de belastingschuldige die telefonisch zijn bezwaren uit, deze schriftelijk in te dienen. Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte invorderingsrente wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking waarbij de invorderingsrente in rekening is gebracht. Tegen de afwijzing van dit bezwaarschrift dat binnen de bezwaartermijn is ingediend staat derhalve beroep bij de belastingrechter open. Als dit bezwaarschrift tegen de rentebeschikking niet-ontvankelijk is vindt ambtshalve toetsing van het bezwaar plaats. Aangezien de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn op de desbetreffende beschikking wordt opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het bezwaar richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid. De ontvanger beslist op een bezwaarschrift tegen de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente binnen zes weken na ontvangst daarvan, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet kan de belastingschuldige bezwaar maken tegen de hoogte van de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente. Als een belastingschuldige ten kantore mondeling - terecht - bezwaar maakt, bevordert de ontvanger zoveel mogelijk dat hij dit ten kantore op schrift stelt. De ontvanger vraagt de belastingschuldige die telefonisch zijn bezwaren uit, deze schriftelijk in te dienen. Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte invorderingsrente wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking waarbij de invorderingsrente in rekening is gebracht. Tegen de afwijzing van dit bezwaarschrift dat binnen de bezwaartermijn is ingediend staat derhalve beroep bij de belastingrechter open. Als dit bezwaarschrift tegen de rentebeschikking niet-ontvankelijk is vindt ambtshalve toetsing van het bezwaar plaats.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting relevant zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3495,7 +3492,7 @@ In de praktijk zal de belastingschuldige om uitstel van betaling als bedoeld in
|
|||
|
||||
Zodra de aansprakelijkheid ingevolge de in het eerste lid van deze paragraaf genoemde artikelen ontstaan, wordt de verzekeraar, ongeacht of de belastingplichtige te zijner tijd tot betaling van de verschuldigde belasting zal overgaan, daarvan zo spoedig mogelijk door de inspecteur, waaronder de belastingplichtige ressorteert, op de hoogte gesteld. Daarbij wordt tevens mededeling gedaan van het bedrag waarvoor de verzekeraar eventueel aansprakelijk kan worden gesteld. De inspecteur informeert de ontvanger over de verzending van de mededeling aan de verzekeraar. Indien jaarlijks een aangepaste conserverende belastingaanslag aan de belastingplichtige moet worden opgelegd, stelt de inspecteur de verzekeraar op de hoogte van de wijziging van de aansprakelijkheid.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning ten laste van de verzekeraar. Pas nadat de belastingschuldige in gebreke is - hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld niet is voldaan binnen de voor de aanslag geldende betalingstermijn of, bij toepassing van artikel 10 van de wet, terstond - vindt aansprakelijkstelling plaats. Zie artikel 49 van deze leidraad dat integraal van toepassing is. De in Nederland gevestigde verzekeraar is niet langer aansprakelijk als hij zijn medewerking heeft verleend aan de overgang van verplichtingen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam een civiele overeenkomst met de ontvanger heeft gesloten waarin het de aansprakelijkheid aanvaardt voor de door de verzekeringnemer verschuldigde belasting en revisierente. Desgevraagd zendt de ontvanger de in Nederland gevestigde verzekeraar een verklaring dat hij niet langer aansprakelijk is zodra de civiele overeenkomst als bedoeld in de vorige volzin is gesloten.
|
||||
De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning ten laste van de verzekeraar. Pas nadat de belastingschuldige in gebreke is - hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld niet is voldaan binnen de voor de aanslag geldende betalingstermijn of, bij toepassing van artikel 10 van de wet, terstond - vindt aansprakelijkstelling plaats. Zie artikel 49 van deze leidraad dat integraal van toepassing is. De in Nederland gevestigde verzekeraar is niet langer aansprakelijk als hij zijn medewerking heeft verleend aan de overgang van verplichtingen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan een pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent dat niet wordt aangemerkt als een toegestane pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a van de Wet op de loonbelasting 1964 en dit pensioenfonds of lichaam een civiele overeenkomst met de ontvanger heeft gesloten waarin het de aansprakelijkheid aanvaardt voor de door de verzekeringnemer verschuldigde belasting en revisierente. Desgevraagd zendt de ontvanger de in Nederland gevestigde verzekeraar een verklaring dat hij niet langer aansprakelijk is zodra de civiele overeenkomst als bedoeld in de vorige volzin is gesloten.
|
||||
|
||||
De omvang van de aansprakelijkheid wordt gevormd door de verschuldigde belasting, vermeerderd met de heffings-, revisie- en invorderingsrente (zie het eerste lid van deze paragraaf). De verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredige gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake van alle in het jaar ingevolge artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 3.83, eerste en tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot loon gerekende aanspraken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3603,7 +3600,7 @@ Indien de ontvanger de derde aansprakelijk wenst te stellen voor een vergrijpboe
|
|||
|
||||
De ontvanger stelt de aansprakelijke op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarin informatie is opgenomen met betrekking tot de gronden waarop de aansprakelijkheid voor de bestuurlijke boete berust.
|
||||
|
||||
De beschikking aansprakelijkstelling is een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit houdt in dat dezelfde rechtsmiddelen - bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie - open staan als die welke zijn opgenomen in hoofdstuk V van de AWR en dat ook de Awb en het Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn.
|
||||
De beschikking aansprakelijkstelling is een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit houdt in dat dezelfde rechtsmiddelen - bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie - open staan als die welke zijn opgenomen in hoofdstuk V van de AWR en dat ook de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
Indien aan de aansprakelijk gestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Voorzover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen - zie artikel 32, § 3 , eerste lid - wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3642,7 +3639,7 @@ De beschikking waarbij een derde aansprakelijk wordt gesteld is een voor bezwaar
|
|||
|
||||
Op grond van artikel 49, derde lid, van de wet, staan met betrekking tot de beschikking aansprakelijkstelling dezelfde rechtsmiddelen open (bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie) als die welke zijn opgenomen in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen met betrekking tot de door de inspecteur vastgestelde belastingaanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen.
|
||||
|
||||
De toepasselijkheid van hoofdstuk V van de AWR op de beschikking aansprakelijkstelling houdt in dat tevens de Awb en het Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn.
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
De aansprakelijk gestelde kan tegen de beschikking aansprakelijkstelling een bezwaarschrift indienen. Het bezwaarschrift kan zowel tegen de aansprakelijkstelling zelf als tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling zijn gericht. De termijn voor het instellen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken en gaat in op de dag na de dagtekening van de beschikking, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Het bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling moet worden ingediend bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3650,7 +3647,7 @@ Als het bezwaarschrift (mede) is gericht tegen de hoogte van de aan de aansprake
|
|||
|
||||
Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling kan tevens worden aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling. Artikel 25, § 2, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Voor de afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen geldt, dat deze in beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 Awb) worden afgehandeld. De hoofdregel daarbij is dat de ontvanger binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet. Voldoet het bezwaarschrift niet aan de minimumeisen dan stelt de ontvanger belanghebbende in de gelegenheid het bezwaarschrift binnen de termijn volgens artikel 6.1.1 van het Voorschrift Awb 1997 aan te vullen. De termijn die de belanghebbende nodig heeft om het bezwaarschrift aan te vullen dan wel ongebruikt laat verstrijken, schort de beslistermijn van de ontvanger op.
|
||||
Voor de afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen geldt, dat deze in beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 Awb) worden afgehandeld. De hoofdregel daarbij is dat de ontvanger binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet. Voldoet het bezwaarschrift niet aan de minimumeisen dan stelt de ontvanger belanghebbende in de gelegenheid het bezwaarschrift binnen de termijn volgens onderdeel 5. van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht aan te vullen. De termijn die de belanghebbende nodig heeft om het bezwaarschrift aan te vullen dan wel ongebruikt laat verstrijken, schort de beslistermijn van de ontvanger op.
|
||||
|
||||
Kan de ontvanger niet binnen zes weken (of binnen zes weken verlengd met de periode gedurende welke de beslistermijn is opgeschort) op het bezwaarschrift beslissen, dan kan hij de termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbende. In overleg met de belanghebbende is verder uitstel mogelijk. De wet (artikel 49, derde lid) geeft de ontvanger formeel een beslistermijn van één jaar met de mogelijkheid deze termijn - met schriftelijke toestemming van of vanwege de minister - met maximaal één jaar te verlengen. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen in uitzonderingsgevallen gebruik.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3982,7 +3979,7 @@ Desgevraagd is de ontvanger op grond van artikel 475g, lid 3, Rv, verplicht aan
|
|||
|
||||
– de vraag of een voorlopige teruggaaf is verleend;
|
||||
– de termijn en de omvang van de betalingen van een voorlopige teruggaaf, onder vermelding van een eventuele verrekening die plaats vindt;
|
||||
– de vraag of op de voorlopige teruggaaf in kwestie beslag is gelegd.
|
||||
– de vraag of op de voorlopige teruggaaf in kwestie beslag is gelegd en, zo ja, door welke gerechtsdeurwaarder beslag is gelegd en in wiens opdracht dat is gebeurd.
|
||||
|
||||
Het verstrekken van andere informatie dan hiervoor genoemd is in strijd met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de wet. Aan het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek doet op grond van artikel 475g, lid 3, Rv, mag de ontvanger het vertrouwen ontlenen dat er een gerechtigdheid bestaat tot het leggen van beslag tegen de schuldenaar in kwestie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4148,9 +4145,7 @@ Artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen opent een bijzondere rec
|
|||
|
||||
Tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten en de betekeningskosten van een per post betekend dwangbevel staat bezwaar open bij de ontvanger. Tegen het in rekening brengen van de betekeningskosten van een dwangbevel dat door de belastingdeurwaarder is betekend, staat administratief beroep open bij de ontvanger. Ter zake van de beslissing van de ontvanger staat beroep en vervolgens hoger beroep open bij de fiscale rechter. Geschillen over andere in rekening gebrachte vervolgingskosten dan die van de aanmaning en van de betekening van het dwangbevel, kunnen aan het oordeel van de rechter worden onderworpen door het instellen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
|
||||
|
||||
Op een bezwaarschrift tegen de in rekening gebrachte kosten van een aanmaning zijn de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing. De ontvanger beslist op een bezwaarschrift binnen zes weken na ontvangst daarvan, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
Voorts wordt opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het bezwaar richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
Op een bezwaarschrift tegen de in rekening gebrachte kosten van een aanmaning zijn de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van toepassing.
|
||||
|
||||
Als sprake is van administratief beroep bij de ontvanger is het tweede lid van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4670,7 +4665,7 @@ In de uitoefening van invorderingstaken door Belastingdienst/Toeslagen kan de St
|
|||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 januari 2007
|
||||
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 juli 2007
|
||||
|
||||
## Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering
|
||||
|
||||
|
|
@ -4684,18 +4679,6 @@ Eenoudertoeslag per maand € 423,34
|
|||
|
||||
## Bijlage 1c. Overzicht normen huurtoeslag
|
||||
|
||||
De vermelde bedragen zijn op maandbasis
|
||||
|
||||
Het begrip huurprijs in de zin van de Wet op de huurtoeslag
|
||||
|
||||
Onder huurprijs in de zin van de Wet op de huurtoeslag wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning (de zgn. kale huur), verminderd met het eventueel daarin begrepen bedrag voor bedrijfsruimte en met een vast bedrag voor de huur van een garage (€ 22) en vermeerderd met een aantal servicekosten (de zgn. subsidiabele servicekosten: artikel 5, derde lid, Wet op de huurtoeslag). Deze servicekosten zijn:
|
||||
|
||||
De overige in de betaalde bruto-huur begrepen elementen komen niet voor subsidiëring in aanmerking en worden dus ook bij de verhoging van de beslagvrije voet op grond van artikel 475d, vijfde lid, onderdeel b, Rv buiten beschouwing gelaten. Het feit dat de belastingschuldige niet onder betaling van deze elementen uitkomt doet hieraan niet af.
|
||||
|
||||
NB: Voor toepassing van het vorenstaande dient de belastingschuldige zo nodig een huurspecificatie te verstrekken, verkrijgbaar bij de verhuurder.
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
## Bijlage II. Samenloop van vorderingen
|
||||
|
||||
Ingeval van samenloop van een vordering van een douane-expediteur en een openstaande vordering van de Belastingdienst wordt als volgt gehandeld.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue