2009-01-17 | BWBR0025401 | Zuivelverordening 2008, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met vloeistofmeetinstallatie

This commit is contained in:
Coornhert 2009-01-17 12:00:00 +00:00
parent e2f7cad2e8
commit 2c77c6f252

View file

@ -32,60 +32,18 @@ In deze verordening wordt gebezigd de terminologie van de Zuivelverordening 2005
De ontvanger van boerderijmelk maakt gebruik van RMOs voorzien van een vloeistofmeetinstallatie die voldoet aan de hiernavolgende eisen:
1. 1.
Voorzien van een vloeistofmeetinstallatie die voldoet aan de in artikel 4 genoemde eisen.
2. 2.
Voorzien van een doelmatige ruimte, waarin de monsters diepgekoelde boerderijmelk kunnen worden gekoeld en bewaard op een temperatuur van ten minste 0,0° C en ten hoogste 4,0° C.
3. 3.
Op een duidelijke zichtbare plaats voorzien van een verzegelbare opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
a.
merk of naam van de fabrikant;
b.
gegevens over de nauwkeurigheid: nauwkeurigheidsklasse 0,5 en bestemd voor melk;
c.
gegevens met betrekking tot gebruiksomstandigheden (melk): de minimale en maximale werkdruk;
d.
meetcapaciteit: gegevens over de minimale en maximale volumestroom;
e.
kenmerk ter identificatie van het meetinstrument (waaronder duidelijk leesbaar het nummer van de melkmeter);
f.
nummer van het certificaat van het EG-type-onderzoek (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties);
g.
de kleinste ontvangsthoeveelheid: 900 liter;
h.
de basishoeveelheid, zijnde de melkinhoud op het gemiddelde rustniveau van de vloeistofmeetinstallatie tot de melkmeter.
a. a.
merk of naam van de fabrikant;
b. b.
gegevens over de nauwkeurigheid: nauwkeurigheidsklasse 0,5 en bestemd voor melk;
c. c.
gegevens met betrekking tot gebruiksomstandigheden (melk): de minimale en maximale werkdruk;
d. d.
meetcapaciteit: gegevens over de minimale en maximale volumestroom;
e. e.
kenmerk ter identificatie van het meetinstrument (waaronder duidelijk leesbaar het nummer van de melkmeter);
f. f.
nummer van het certificaat van het EG-type-onderzoek (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties);
g. g.
de kleinste ontvangsthoeveelheid: 900 liter;
h. h.
de basishoeveelheid, zijnde de melkinhoud op het gemiddelde rustniveau van de vloeistofmeetinstallatie tot de melkmeter.
1. Voorzien van een vloeistofmeetinstallatie die voldoet aan de in artikel 4 genoemde eisen.
2. Voorzien van een doelmatige ruimte, waarin de monsters diepgekoelde boerderijmelk kunnen worden gekoeld en bewaard op een temperatuur van ten minste 0,0° C en ten hoogste 4,0° C.
3. Op een duidelijke zichtbare plaats voorzien van een verzegelbare opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
a. merk of naam van de fabrikant;
b. gegevens over de nauwkeurigheid: nauwkeurigheidsklasse 0,5 en bestemd voor melk;
c. gegevens met betrekking tot gebruiksomstandigheden (melk): de minimale en maximale werkdruk;
d. meetcapaciteit: gegevens over de minimale en maximale volumestroom;
e. kenmerk ter identificatie van het meetinstrument (waaronder duidelijk leesbaar het nummer van de melkmeter);
f. nummer van het certificaat van het EG-type-onderzoek (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties);
g. de kleinste ontvangsthoeveelheid: 900 liter;
h. de basishoeveelheid, zijnde de melkinhoud op het gemiddelde rustniveau van de vloeistofmeetinstallatie tot de melkmeter.
### Artikel 4
@ -93,23 +51,15 @@ h. h.
De vloeistofmeetinstallatie is voorzien van:
a. a.
Een typegoedkeuring overeenkomstig het bepaalde in de Metrologiewet (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties).
b. b.
Een melkmeter: de meter registreert zowel de hoeveelheid melk van elke melkveehouder afzonderlijk, als de totale hoeveelheid melk welke per rit wordt ontvangen en is voorzien van de wettelijke kenmerken en waarvan de justeerinrichting door het Nederlands Meetinstituut of een andere daartoe bevoegde instantie is verzegeld. De melkmeter is voorzien van een aanwijsinrichting, waarvan de afleeseenheid < 1 liter is.
c. c.
Een luchtafscheider met op doelmatige wijze aangebracht kijkglas of niveau-aanwijzer en met een op een duidelijk zichtbare plaats aangebrachte opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
De inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau.
Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste 7 liter bedraagt. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt.
a. Een typegoedkeuring overeenkomstig het bepaalde in de Metrologiewet (alleen voor na september 2008 in de handel gebrachte en/of in gebruik genomen vloeistofmeetinstallaties).
b. Een melkmeter: de meter registreert zowel de hoeveelheid melk van elke melkveehouder afzonderlijk, als de totale hoeveelheid melk welke per rit wordt ontvangen en is voorzien van de wettelijke kenmerken en waarvan de justeerinrichting door het Nederlands Meetinstituut of een andere daartoe bevoegde instantie is verzegeld. De melkmeter is voorzien van een aanwijsinrichting, waarvan de afleeseenheid < 1 liter is.
c. Een luchtafscheider met op doelmatige wijze aangebracht kijkglas of niveau-aanwijzer en met een op een duidelijk zichtbare plaats aangebrachte opschriftenplaat, waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
- De inhoudsvariaties per cm niveauverschil over het gebied van ten minste plus en minus 5 cm ten opzichte van het gemiddelde rustniveau.
- Het kijkglas of de niveau-aanwijzer is op zodanige wijze aangebracht, dat het rustniveau kan worden vastgesteld. Het rustniveau bevindt zich altijd in een door 2 streepjes afgebakende zone, waarvan het volume ten hoogste 7 liter bedraagt. De afstand tussen de twee streepjes bedraagt ten minste 15 mm. De luchtafvoerleiding van de luchtafscheider mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Indien dit niet het geval is, is in deze leiding een beveiligingsinrichting opgenomen, die de melkpomp uitschakelt indien tijdens normaal bedrijf melk door deze leiding stroomt.
d. d.
De melkpomp met de bijbehorende aandrijving, welke - voor zover niet aangedreven door een elektromotor met constant toerental - door een verzegelbaar stroomregelventiel in het hydraulische systeem van de melkpomp, zodanig moet zijn geborgd, dat de maximaal toelaatbare volumestroom niet kan worden overschreden (zie artikel 3, lid 3, onder d).
Indien gebruik wordt gemaakt van dataregistratie-apparatuur behoeft een stroomregelventiel zoals hierboven bedoeld, niet te zijn aangebracht, indien ten behoeve van de melkveehouder en de zuivelfabriek een duidelijke schriftelijke signalering plaatsvindt van een grotere dan de maximale volumestroom; dat wil zeggen bij overschrijding van het daarbij behorende aantal afgegeven pulsen per tijdseenheid gedurende meer dan 15 seconden.
d. De melkpomp met de bijbehorende aandrijving, welke - voor zover niet aangedreven door een elektromotor met constant toerental - door een verzegelbaar stroomregelventiel in het hydraulische systeem van de melkpomp, zodanig moet zijn geborgd, dat de maximaal toelaatbare volumestroom niet kan worden overschreden (zie artikel 3, lid 3, onder d).
Indien gebruik wordt gemaakt van dataregistratie-apparatuur behoeft een stroomregelventiel zoals hierboven bedoeld, niet te zijn aangebracht, indien ten behoeve van de melkveehouder en de zuivelfabriek een duidelijke schriftelijke signalering plaatsvindt van een grotere dan de maximale volumestroom; dat wil zeggen bij overschrijding van het daarbij behorende aantal afgegeven pulsen per tijdseenheid gedurende meer dan 15 seconden.
**2.** De melkmeter vertoont bij het vaststellen van het aantal liters zonder luchtafscheider geen grotere fout dan plus of minus 0,3%.
@ -119,33 +69,24 @@ d. d.
De vloeistofmeetinstallatie is zodanig uitgevoerd, dat voor de desbetreffende onderdelen in elk geval de volgende voorzieningen zijn aangebracht:
A. A.
Melkpomp
Deze is:
a.
Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen.
Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b.
Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd.
Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar.
De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
a. a.
Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen.
Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b. b.
Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd.
Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar.
De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
B. B.
Luchtafscheider
Deze is zo aangesloten op het leidingwerk, dat ze op eenvoudige wijze kan worden vervangen door een kortsluitleiding ten behoeve van de controle van de melkmeter. Hiertoe kunnen de toe- en afvoerleiding worden losgenomen en omgezwaaid.
C. C.
Melkmeter
Wanneer de afleesbaarheid > 0,1 liter is, zijn zodanige voorzieningen aanwezig dat tijdens controle afgelezen kan worden op 0,1 liter.
A. Melkpomp
Deze is:
a. Voorzien van een toe- en afvoerleiding, die zodanig zijn uitgevoerd, dat - ten behoeve van de controle van de melkmeter - een omloopleiding met regelafsluiter kan worden gemonteerd. Hiertoe is zowel aan de zuig- als aan de persleiding van de pomp een extra pijpstuk (2”) gemaakt, tenzij door aangebrachte koppelingen in de leiding bedoelde pijpstukken eenvoudig zijn aan te brengen.
Bovenstaande voorziening kan achterwege blijven indien het toerental van de pomp aan de bedieningszijde regelbaar is van 0 tot maximaal (ingesteld volgens artikel 4, lid 1, onder d).
b. Zo nodig, uitsluitend ten behoeve van de controlemetingen aan de melkmeter, voorzien van een extra inrichting om de pomp aan en uit te kunnen schakelen als de luchtafscheider is uitgebouwd.
Indien aan het begin en/of einde van de zuigperiode met een automatisch geregeld lager toerental wordt gewerkt, is dit lagere toerental ook met voornoemde inrichting instelbaar.
De inrichting is zodanig uitgevoerd, dat er tijdens normaal bedrijf niet op foutieve wijze gebruik van kan worden gemaakt.
B. Luchtafscheider
Deze is zo aangesloten op het leidingwerk, dat ze op eenvoudige wijze kan worden vervangen door een kortsluitleiding ten behoeve van de controle van de melkmeter. Hiertoe kunnen de toe- en afvoerleiding worden losgenomen en omgezwaaid.
C. Melkmeter
Wanneer de afleesbaarheid > 0,1 liter is, zijn zodanige voorzieningen aanwezig dat tijdens controle afgelezen kan worden op 0,1 liter.
### Paragraaf 4. Keuringen
@ -181,57 +122,29 @@ De omrekening van liters naar kilogrammen melk vindt plaats met behulp van een d
De bepaling van de omrekeningsfactor wordt door de ontvanger van boerderijmelk als volgt uitgevoerd:
A. A.
Indien de ontvanger van boerderijmelk gebruik maakt van één RMO wordt voor de desbetreffende in gebruik zijnde RMO in de kalendermaand een omrekeningsfactor vastgesteld door na beëindiging van een melkrit het gewicht van de ontvangen melk door middel van een weegbrug of tanksnelweger in kilogrammen vast te stellen. Dat gewicht wordt gedeeld door het totale aantal gedurende die rit ontvangen liters melk, zoals dat met behulp van de vloeistofmeetinstallatie op de betreffende RMO werd vastgesteld:
Bij gebruikmaking van een weegbrug wordt voor de bepaling van de omrekeningsfactor ofwel:
na beëindiging van een melkrit eerst het gewicht van de geladen RMO vastgesteld, alvorens het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) te bepalen, ofwel
voor de aanvang van een melkrit het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) vastgesteld en na beëindiging van de melkrit het gewicht van de geladen RMO bepaald. In laatstgenoemd geval wordt bij de vaststelling van de omrekeningsfactor rekening gehouden met het verbruik van dieselolie door de RMO. Hierbij wordt uitgegaan van een verbruik van 1 kg op 3 kilometer.
Het gevonden getal wordt afgerond op de derde decimaal (tot 0,0005 naar beneden en vanaf 0,0005 tot 0,001 naar boven).
De omrekeningsfactor voor iedere RMO wordt vastgesteld op het getal, dat resulteert uit deze afronding, doch ten minste op 1,028.
De bepaling van het gewicht van de van veehouders ontvangen boerderijmelk geschiedt door, met behulp van de omrekeningsfactor voor de betreffende RMO, het aantal liters, als bepaald in dit punt, om te rekenen in kg, waarbij hoeveelheden tot een halve kg naar beneden en hoeveelheden van een halve tot één kg naar boven worden afgerond.
De gegevens waaruit de omrekeningsfactor wordt afgeleid, worden gedurende ten minste één jaar op het bedrijf van de ontvanger van boerderijmelk bewaard onder vermelding van de data van bepaling van de omrekeningsfactor en de gemiddelde temperatuur van de melk bij aankomst op de zuivelfabriek.
A. Indien de ontvanger van boerderijmelk gebruik maakt van één RMO wordt voor de desbetreffende in gebruik zijnde RMO in de kalendermaand een omrekeningsfactor vastgesteld door na beëindiging van een melkrit het gewicht van de ontvangen melk door middel van een weegbrug of tanksnelweger in kilogrammen vast te stellen. Dat gewicht wordt gedeeld door het totale aantal gedurende die rit ontvangen liters melk, zoals dat met behulp van de vloeistofmeetinstallatie op de betreffende RMO werd vastgesteld:
Bij gebruikmaking van een weegbrug wordt voor de bepaling van de omrekeningsfactor ofwel:
- na beëindiging van een melkrit eerst het gewicht van de geladen RMO vastgesteld, alvorens het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) te bepalen, ofwel
- voor de aanvang van een melkrit het gewicht van de lege RMO (tarragewicht) vastgesteld en na beëindiging van de melkrit het gewicht van de geladen RMO bepaald. In laatstgenoemd geval wordt bij de vaststelling van de omrekeningsfactor rekening gehouden met het verbruik van dieselolie door de RMO. Hierbij wordt uitgegaan van een verbruik van 1 kg op 3 kilometer.
- Het gevonden getal wordt afgerond op de derde decimaal (tot 0,0005 naar beneden en vanaf 0,0005 tot 0,001 naar boven).
De omrekeningsfactor voor iedere RMO wordt vastgesteld op het getal, dat resulteert uit deze afronding, doch ten minste op 1,028.
De omrekeningsfactor voor iedere RMO wordt vastgesteld op het getal, dat resulteert uit deze afronding, doch ten minste op 1,028.
- De bepaling van het gewicht van de van veehouders ontvangen boerderijmelk geschiedt door, met behulp van de omrekeningsfactor voor de betreffende RMO, het aantal liters, als bepaald in dit punt, om te rekenen in kg, waarbij hoeveelheden tot een halve kg naar beneden en hoeveelheden van een halve tot één kg naar boven worden afgerond.
- De gegevens waaruit de omrekeningsfactor wordt afgeleid, worden gedurende ten minste één jaar op het bedrijf van de ontvanger van boerderijmelk bewaard onder vermelding van de data van bepaling van de omrekeningsfactor en de gemiddelde temperatuur van de melk bij aankomst op de zuivelfabriek.
B. B.
Indien gebruik wordt gemaakt van twee of meer RMOs gebruikt de ontvanger van boerderijmelk, in afwijking van het bepaalde in punt A, per fabriek of per groep van fabrieken of per groep van ontvangers een uniforme omrekeningsfactor.
Deze uniforme omrekeningsfactor wordt als volgt vastgesteld:
Van iedere in gebruik zijnde RMO wordt op de wijze als omschreven in punt A de omrekeningsfactor bepaald.
Het, op de wijze als omschreven in punt A, in kilogrammen vastgestelde gewicht van de melk ontvangen door RMOs, waarvan de omrekeningsfactoren niet kleiner zijn dan 1,028 en niet groter dan 1,035 wordt gedeeld door het totaal door deze RMOs ontvangen liters melk.
De op deze wijze vastgestelde uniforme omrekeningsfactor geldt voor alle in gebruik zijnde RMOs, inclusief die RMOs waarvan de omrekeningsfactoren kleiner zijn dan 1,028 dan wel groter dan 1,035.
Indien de omrekeningsfactor voor een RMO kleiner is dan 1,028 dan wel groter is dan 1,035, wordt binnen één week na vaststelling van de vorige omrekeningsfactor opnieuw de omrekeningsfactor van deze RMO vastgesteld. Indien de omrekeningsfactor wederom kleiner is dan 1,028 dan wel groter is dan 1,035, wordt de RMO binnen 10 werkdagen aansluitende op de weegcontrole voor een keuring bij de erkende keurder worden aangeboden en wordt hiervan binnen één week melding gemaakt aan het COKZ.
De uniforme omrekeningsfactor wordt éénmaal per uitbetalingsperiode bepaald. Van elke in gebruik zijnde RMO wordt de datum, alsmede het tijdstip waarop de factorvaststelling plaatsvindt vastgelegd. De ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat voor de weging van de RMO ten behoeve van de factorvaststelling een voor de betreffende ontvanger van boerderijmelk representatief aantal leveranties boerderijmelk wordt gehanteerd.
Alle op de berekening van de uniforme omrekeningsfactor betrekking hebbende gegevens (datum, liters, kilogrammen en factoren) worden ten genoegen van het COKZ door de ontvanger van boerderijmelk op een duidelijke wijze geadministreerd.
De bepaling van het gewicht van de van veehouders ontvangen boerderijmelk geschiedt door, met behulp van de omrekeningsfactor voor alle RMOs, het aantal liters, als bepaald in dit punt, om te rekenen in kg, waarbij hoeveelheden tot een halve kg naar beneden en hoeveelheden van een halve tot één kg naar boven worden afgerond. De gegevens waaruit de omrekeningsfactor wordt afgeleid, worden gedurende ten minste één jaar op het bedrijf van de ontvanger van boerderijmelk bewaard onder vermelding van de data van bepaling van de omrekeningsfactor en de gemiddelde temperatuur van de melk bij aankomst op de zuivelfabriek.
B. Indien gebruik wordt gemaakt van twee of meer RMOs gebruikt de ontvanger van boerderijmelk, in afwijking van het bepaalde in punt A, per fabriek of per groep van fabrieken of per groep van ontvangers een uniforme omrekeningsfactor.
Deze uniforme omrekeningsfactor wordt als volgt vastgesteld:
- Van iedere in gebruik zijnde RMO wordt op de wijze als omschreven in punt A de omrekeningsfactor bepaald.
- Het, op de wijze als omschreven in punt A, in kilogrammen vastgestelde gewicht van de melk ontvangen door RMOs, waarvan de omrekeningsfactoren niet kleiner zijn dan 1,028 en niet groter dan 1,035 wordt gedeeld door het totaal door deze RMOs ontvangen liters melk.
De op deze wijze vastgestelde uniforme omrekeningsfactor geldt voor alle in gebruik zijnde RMOs, inclusief die RMOs waarvan de omrekeningsfactoren kleiner zijn dan 1,028 dan wel groter dan 1,035.
De op deze wijze vastgestelde uniforme omrekeningsfactor geldt voor alle in gebruik zijnde RMOs, inclusief die RMOs waarvan de omrekeningsfactoren kleiner zijn dan 1,028 dan wel groter dan 1,035.
- Indien de omrekeningsfactor voor een RMO kleiner is dan 1,028 dan wel groter is dan 1,035, wordt binnen één week na vaststelling van de vorige omrekeningsfactor opnieuw de omrekeningsfactor van deze RMO vastgesteld. Indien de omrekeningsfactor wederom kleiner is dan 1,028 dan wel groter is dan 1,035, wordt de RMO binnen 10 werkdagen aansluitende op de weegcontrole voor een keuring bij de erkende keurder worden aangeboden en wordt hiervan binnen één week melding gemaakt aan het COKZ.
- De uniforme omrekeningsfactor wordt éénmaal per uitbetalingsperiode bepaald. Van elke in gebruik zijnde RMO wordt de datum, alsmede het tijdstip waarop de factorvaststelling plaatsvindt vastgelegd. De ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat voor de weging van de RMO ten behoeve van de factorvaststelling een voor de betreffende ontvanger van boerderijmelk representatief aantal leveranties boerderijmelk wordt gehanteerd.
Alle op de berekening van de uniforme omrekeningsfactor betrekking hebbende gegevens (datum, liters, kilogrammen en factoren) worden ten genoegen van het COKZ door de ontvanger van boerderijmelk op een duidelijke wijze geadministreerd.
- De uniforme omrekeningsfactor wordt éénmaal per uitbetalingsperiode bepaald. Van elke in gebruik zijnde RMO wordt de datum, alsmede het tijdstip waarop de factorvaststelling plaatsvindt vastgelegd. De ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat voor de weging van de RMO ten behoeve van de factorvaststelling een voor de betreffende ontvanger van boerderijmelk representatief aantal leveranties boerderijmelk wordt gehanteerd.
Alle op de berekening van de uniforme omrekeningsfactor betrekking hebbende gegevens (datum, liters, kilogrammen en factoren) worden ten genoegen van het COKZ door de ontvanger van boerderijmelk op een duidelijke wijze geadministreerd.
- De bepaling van het gewicht van de van veehouders ontvangen boerderijmelk geschiedt door, met behulp van de omrekeningsfactor voor alle RMOs, het aantal liters, als bepaald in dit punt, om te rekenen in kg, waarbij hoeveelheden tot een halve kg naar beneden en hoeveelheden van een halve tot één kg naar boven worden afgerond. De gegevens waaruit de omrekeningsfactor wordt afgeleid, worden gedurende ten minste één jaar op het bedrijf van de ontvanger van boerderijmelk bewaard onder vermelding van de data van bepaling van de omrekeningsfactor en de gemiddelde temperatuur van de melk bij aankomst op de zuivelfabriek.
**3.**
@ -256,14 +169,10 @@ Tevens worden slangen, koppelingen, kleppen, de kraan van de boerderijtank en af
Een gewijzigde RMO is een RMO waarbij essentiële wijzigingen in de vloeistofmeetinstallatie zijn aangebracht; deze wijzigingen worden geadministreerd ten genoegen van het COKZ en hebben met name betrekking op:
a. a.
de melkpomp, indien dit een verandering in de opzuigcapaciteit tot gevolg heeft;
b. b.
de luchtafscheider, indien het een wijziging van het binnenwerk dan wel een vervanging van de gehele luchtafscheider betreft;
c. c.
de melkinhoud, indien dit een wijziging van de basishoeveelheid tot gevolg heeft;
d. d.
de melkmeter, indien het een verandering in de meter dan wel een vervanging van de meter betreft en voorzover het COKZ dit nodig oordeelt.
a. de melkpomp, indien dit een verandering in de opzuigcapaciteit tot gevolg heeft;
b. de luchtafscheider, indien het een wijziging van het binnenwerk dan wel een vervanging van de gehele luchtafscheider betreft;
c. de melkinhoud, indien dit een wijziging van de basishoeveelheid tot gevolg heeft;
d. de melkmeter, indien het een verandering in de meter dan wel een vervanging van de meter betreft en voorzover het COKZ dit nodig oordeelt.
**4.** De ontvanger van boerderijmelk houdt zich aan de eventuele aanwijzingen die door het COKZ worden gegeven.