2018-04-11 | BWBR0032445 | Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie
This commit is contained in:
parent
95171807df
commit
3af334522f
1 changed files with 13 additions and 23 deletions
|
|
@ -4,7 +4,7 @@ titel: Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aang
|
|||
bwb_id: BWBR0032445
|
||||
type: beleidsregel
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2017-09-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2018-04-11'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0032445
|
||||
citeertitel: Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling,
|
||||
aangepaste versie
|
||||
|
|
@ -12,9 +12,9 @@ citeertitel: Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling
|
|||
|
||||
# Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie
|
||||
|
||||
20174913131-08-201718-08-20172017-000012475520174913131-08-201718-08-20172017-000012475501-09-2017
|
||||
Het Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling (Toetsingskader Wvb) is na de inwerkingtreding van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) ingevoerd per 1 september 2006. Beroepsgenoten, belanghebbenden en derden krijgen via het Toetsingskader Wvb inzicht in de criteria waaraan aanvragen om verplichtstelling en ook om wijziging of intrekking ervan, worden getoetst evenals in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wvb.
|
||||
|
||||
## 1. Doel van verplichtstelling
|
||||
## 1. Doel van de verplichtstelling
|
||||
|
||||
Met de verplichtstelling wordt tegemoet gekomen aan de behoefte onder vrije beroepsgenoten om in collectief verband een pensioenvoorziening te treffen. Een verplichtstelling die naar het oordeel van het kabinet alleen gehandhaafd kan worden met strikte eisen ten aanzien van solidariteit en representativiteit. Die eisen zijn in de Wvb opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -30,7 +30,7 @@ Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door d
|
|||
|
||||
De beoordeling van de representativiteit van de beroepspensioenvereniging die een aanvraag in het kader van de Wvb indient, is ook gekoppeld aan de omschreven werkingssfeer van de verplichtstelling.
|
||||
|
||||
Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, geeft de beroepspensioenvereniging een beschrijving van het beroep dat wordt uitgeoefend in de tak van beroep waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd. Wanneer op voorhand al bekend is dat voor een bepaalde groep een overlap van de werkingssfeer zal ontstaan, kan deze groep beter worden uitgesloten van de werkingssfeer.
|
||||
Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, geeft de beroepspensioenvereniging een beschrijving van het beroep dat wordt uitgeoefend in de tak van beroep waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd.
|
||||
|
||||
Daarom is het in ieder geval nodig aan te geven of de werkingssfeer zich uitstrekt over beroepsgenoten in loondienst. Verder moet, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, worden aangegeven hoe hoog die is. Ook moet de maximum leeftijd voor beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling worden opgenomen. Wanneer voor de maximumleeftijd wordt verwezen naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zal de maximumleeftijd automatisch meebewegen met het tijdpad dat daarin is opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -38,7 +38,7 @@ Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaal
|
|||
|
||||
#### . Overlapping van werkingssferen
|
||||
|
||||
Een overlap van werkingsferen zal zich niet voordoen bij de vrije beroepsgenoten, omdat de werkingssfeer een afgebakende omschrijving kent van het beroep van de beroepsgenoot. Voor beroepsgenoten in loondienst kan wel een overlap van werkingsferen ontstaan. Een beroepsgenoot in loondienst kan zowel onder de werkingssfeer van een verplichte beroepspensioenregeling vallen als onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld Bedrijfstakpensioenfonds (bpf). Teneinde een samenloop te voorkomen zal de beroepspensioenvereniging de werkingssfeer zo moeten omschrijven dat werknemers die al onder een andere verplichtstelling vallen worden uitgesloten. Mocht bij de aanvraag blijken dat er toch overlap bestaat, dan zal de Minister van SZW de beroepspensioenvereniging verzoeken de werkingssfeer te wijzigen alvorens de aanvraag verder in behandeling wordt genomen.
|
||||
Een overlap van werkingsferen zal zich niet voordoen bij de vrije beroepsgenoten, omdat de werkingssfeer een afgebakende omschrijving kent van het beroep van de beroepsgenoot. Voor beroepsgenoten in loondienst kan wel een overlap van werkingsferen ontstaan. Een beroepsgenoot in loondienst kan zowel onder de werkingssfeer van een verplichte beroepspensioenregeling vallen als onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (bpf). Teneinde een samenloop te voorkomen zal de beroepspensioenvereniging de werkingssfeer zo moeten omschrijven dat werknemers die al onder een andere verplichtstelling vallen worden uitgesloten. Mocht bij de aanvraag blijken dat er toch overlap bestaat, dan zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de beroepspensioenvereniging verzoeken de werkingssfeer te wijzigen alvorens de aanvraag verder in behandeling wordt genomen.
|
||||
|
||||
Mocht uit zienswijzen blijken dat er sprake is van overlap, dan zal de Minister van SZW de betrokken partijen verzoeken tot een oplossing te komen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -72,7 +72,7 @@ het totaal aantal beroepsgenoten binnen de werkingssfeer van de
|
|||
|
||||
pensioenregeling
|
||||
|
||||
Als de verplichtstelling wordt gevraagd voor zowel zelfstandig werkende beroepsgenoten als voor beroepsgenoten in loondienst moet eerst de verhouding tussen beide groepen worden beoordeeld. In artikel 20 Wvb is bepaald dat de beroepspensioenregeling in overwegende mate is bestemd voor zelfstandig werkende beroepsgenoten. Daarbij is gedacht aan een percentage van 55 afgezet tegen het totaal aantal beroepsgenoten vallend onder de werkingssfeer van de verplichtstelling.
|
||||
Als er een verplichtstelling wordt gevraagd voor een nieuwe beroepspensioenregeling voor zowel zelfstandig werkende beroepsgenoten als voor beroepsgenoten in loondienst moet eerst de verhouding tussen beide groepen worden beoordeeld. Dit dient ook te gebeuren als voor een bestaande beroepspensioenregeling die nu alleen geldt voor zelfstandige beroepsgenoten, een uitbreiding met beroepsgenoten in loondienst wordt gevraagd. In artikel 20 Wvb is bepaald dat de beroepspensioenregeling in overwegende mate is bestemd voor zelfstandig werkende beroepsgenoten. Daarbij is gedacht aan een percentage van 55 afgezet tegen het totaal aantal beroepsgenoten vallend onder de werkingssfeer van de verplichtstelling.
|
||||
|
||||
Is het percentage minder dan 55 dan zal dat verzoek om verplichtstelling voor beide groepen niet verder in behandeling worden genomen. De beroepspensioenvereniging kan dan vervolgens een verplichtstelling voor alleen de zelfstandig werkende beroepsgenoten aanvragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -130,7 +130,7 @@ De opgave van de representativiteit kan worden ingediend aan de hand van het for
|
|||
|
||||
Deze eisen aan de opgave van representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling.
|
||||
|
||||
#### . Rol Sociaal Economische Raad
|
||||
#### . Rol Sociaal Economische Raad (SER)
|
||||
|
||||
Zienswijzen tegen en onduidelijkheid over de representativiteit zullen worden voorgelegd aan de SER.
|
||||
|
||||
|
|
@ -138,14 +138,12 @@ Zienswijzen tegen en onduidelijkheid over de representativiteit zullen worden vo
|
|||
|
||||
Evenals de Wet Bpf 2000 kent ook de Wvb een periodieke representativiteitstoets.
|
||||
|
||||
Ten minste één maal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat (eerste keer per 1 januari 2011).Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling - een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten ondersteunt de verplichtstelling - gewaarborgd wordt.
|
||||
Ten minste één maal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat (eerste keer per 1 januari 2011).Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling - een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten ondersteunt deze - gewaarborgd wordt.
|
||||
|
||||
De periodieke toets betreft de meting van de representativiteit op dezelfde manier, met dezelfde criteria en (vorm)vereisten, als in paragraaf 3a beschreven.
|
||||
|
||||
De periodieke toets kent geen procedure op grond waarvan derden zienswijzen kunnen indienen.
|
||||
|
||||
Aan deze beoordeling gaat, in het geval de verplichtstelling tevens bestaat voor beroepsgenoten in loondienst, de toets vooraf om te bepalen of de beroepspensioenregeling nog in overwegende mate bestaat voor zelfstandig werkende beroepsgenoten. Zie hiervoor onder paragraaf 3a.
|
||||
|
||||
De Minister van SZW zal ten minste 8 weken voor het verstrijken van de vijfjaarstermijn aan de beroepspensioenvereniging verzoeken op juiste en volledige wijze binnen 8 weken aan te tonen dat zij nog steeds een voldoende representativiteit heeft.
|
||||
|
||||
Uit de Wvb blijkt dat de termijn van 8 weken voor het aantonen van de representativiteit niet vrijblijvend is. Het niet voldoen aan de termijn leidt immers tot mededeling in de Staatscourant en tot een herhalingstoets.
|
||||
|
|
@ -166,8 +164,6 @@ Indien het representativiteitpercentage minder dan 60% bedraagt, moet ook in het
|
|||
|
||||
Iedere keer dat een verplichtstelling na 1 januari 2006 is opgelegd dan wel gewijzigd en waarbij de representativiteit is vastgesteld, begint de termijn van vijf jaar voor de periodieke toets opnieuw te lopen.
|
||||
|
||||
Ook in geval dat bij een wijziging van de regeling de ingebrachte zienswijzen tegen de representativiteit (ex art. 10 Wvb, zie hierna onder paragraaf 4h) hebben geleid tot het aantonen van een voldoende meerderheid, begint op dat moment de vijfjaarstermijn opnieuw te lopen.
|
||||
|
||||
Indien geen wijziging van de verplichtstelling plaatsvindt, zal vijf jaar na de vorige periodieke toets of in het geval van een noodzakelijke herhalingstoets, vijf jaar na afronding van die herhalingstoets, de representativiteit opnieuw getoetst worden.
|
||||
|
||||
In het geval dat bij een aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets van de representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal intrekking van de verplichtstelling volgen.
|
||||
|
|
@ -193,7 +189,7 @@ Betrokkenen zullen door de Minister van SZW worden geïnformeerd over het voldoe
|
|||
3. Indien bij de herhalingstoets sprake is van een meerderheid tussen de 50% en 55% zal in beginsel de verplichtstelling worden ingetrokken, tenzij er naar het oordeel van de Minister van SZW sprake is van bijzondere omstandigheden;
|
||||
4. Indien bij de herhalingstoets sprake is van een percentage beneden de 50% zal de verplichtstelling worden ingetrokken, waarbij de Minister van SZW rekening zal houden met de rechten van de deelnemers en de gewezen deelnemers.
|
||||
|
||||
#### . Overleg met DNB
|
||||
#### . Overleg met De Nederlandsche Bank (DNB)
|
||||
|
||||
DNB zal in de procedure tot intrekking worden geraadpleegd over de consequenties van een intrekking. Gedurende de periode dat er overwegende bezwaren bestaan tegen de intrekking, omdat de rechten van deelnemers en gewezen deelnemers in het geding zijn, zal de intrekking nog niet plaatsvinden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -293,7 +289,7 @@ De aanvrager van de verplichtstelling, de eventuele indieners van zienswijzen, e
|
|||
|
||||
De SER wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen. Is er in verband met (vermeende) overlap van werkingssferen een reactie gevraagd van de SER en van de Stichting van de Arbeid dan worden deze over het besluit geïnformeerd.
|
||||
|
||||
#### b. Wijziging van de verplichtstelling
|
||||
#### b. wijziging van de verplichtstelling
|
||||
|
||||
##### . Indienen aanvraag tot wijziging
|
||||
|
||||
|
|
@ -371,7 +367,7 @@ Op grond van artikel 15, derde lid, Wvb kan de Minister van SZW ter bescherming
|
|||
|
||||
##### . Besluit tot intrekking
|
||||
|
||||
Een besluit betreffende een intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van inwerking treden wordt in besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed uitgebracht wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht.
|
||||
Een besluit betreffende een intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. De datum van in werking treden wordt in het besluit vermeld waarbij voor de volledigheid wordt aangegeven dat het besluit geen terugwerkende kracht heeft. Het besluit tot intrekking wordt met redenen omkleed uitgebracht wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht.
|
||||
|
||||
De aanvrager tot intrekking en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. De SER wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -409,7 +405,7 @@ De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag tot verpl
|
|||
|
||||
De Minister van SZW zal in het geval van een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling in overleg treden met DNB.
|
||||
|
||||
In het geval van een aanvraag tot een gedeeltelijke intrekking waarbij de uitvoering van de regeling is opgedragen aan een beroepspensioenfonds zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van een deel van de verplichtstelling.
|
||||
In het geval van een aanvraag tot een gedeeltelijke intrekking waarbij de uitvoering van de pensioenregeling is opgedragen aan een beroepspensioenfonds zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van een deel van de verplichtstelling.
|
||||
|
||||
DNB zal zich in het bijzonder ook buigen over de consequenties van de gedeeltelijke intrekking voor de financiële positie van het beroepspensioenfonds en zijn deelnemers.
|
||||
|
||||
|
|
@ -483,10 +479,4 @@ Artikel 18 van de Wvb heeft nog betekenis voor die gevallen waarop artikel 17 va
|
|||
|
||||
#### h. wijziging van de beroepspensioenregeling
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 10 Wvb zendt de beroepspensioenvereniging binnen twee weken nadat de wijziging van de regeling tot stand is gekomen een gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan de Minister van SZW.
|
||||
|
||||
De Minister van SZW doet in de Staatscourant melding van de wijziging. Binnen vier weken kunnen zienswijzen worden ingebracht over het ontbreken van een belangrijke meerderheid bij de beroepspensioenvereniging.
|
||||
|
||||
Indien de zienswijzen daartoe aanleiding geven, verzoekt de Minister van SZW de beroepspensioenvereniging om aan te tonen dat er nog sprake is van voldoende representativiteit. Dit verzoek doet de Minister van SZW binnen 8 weken na voornoemde melding in de Staatscourant. De beroepspensioenvereniging dient vervolgens binnen 8 weken op het verzoek van de Minister van SZW te reageren. Indien uit de reactie van de beroepspensioenvereniging blijkt dat nog steeds wordt voldaan aan het representativiteitvereiste, is daarmee de zienswijzenprocedure afgerond. Zowel de beroepspensioenvereniging als de indiener(s) van de zienswijzen worden hierover geïnformeerd.
|
||||
|
||||
Voor het overige zijn de hiervoor beschreven procedures van toepassing.
|
||||
Op grond van artikel 10 Wvb zendt de beroepspensioenvereniging binnen twee weken nadat de wijziging van de regeling tot stand is gekomen een gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan de Minister van SZW. De Minister van SZW doet in de Staatscourant melding van de wijziging.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue