2005-01-01 | BWBR0006147 | Tracéwet
This commit is contained in:
parent
ffcb97b41f
commit
45aaf3af80
1 changed files with 31 additions and 31 deletions
|
|
@ -22,14 +22,14 @@ a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
|
|||
b. Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
bb. regionaal openbaar lichaam: een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering;
|
||||
c. hoofdweg: een weg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve hoofdwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnd plan als bedoeld in artikel 2*a* van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (*Stb.* 1985, 626);
|
||||
d. landelijke railweg: een railweg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve railwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnd plan als bedoeld in artikel 2 *a* van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
|
||||
d. landelijke spoorweg: een spoorweg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve spoorwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnd plan als bedoeld in artikel 2 *a* van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
|
||||
e. hoofdvaarweg: een vaarweg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve hoofdvaarwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnd plan als bedoeld in artikel 2 *a* van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
|
||||
f. bijkomende infrastructurele voorzieningen: werken of bouwwerken die, zonder deel uit te maken van het profiel van een hoofdweg, een landelijke railweg of een hoofdvaarweg, met die weg, railweg of vaarweg zijn verbonden en dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik daarvan;
|
||||
f. bijkomende infrastructurele voorzieningen: werken of bouwwerken die, zonder deel uit te maken van het profiel van een hoofdweg, een landelijke spoorweg of een hoofdvaarweg, met die weg, spoorweg of vaarweg zijn verbonden en dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik daarvan;
|
||||
g. verkeers- en vervoertraject: een verkeers- en vervoergebied gelegen tussen twee punten van een verbinding als bedoeld onder *c, d* of *e* van dit artikellid;
|
||||
h. tracé:
|
||||
|
||||
1°. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg, en
|
||||
2°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg of landelijke railweg betreft, een nauwkeurige beschrijving van:
|
||||
1°. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, en
|
||||
2°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg of landelijke spoorweg betreft, een nauwkeurige beschrijving van:
|
||||
|
||||
- de daarbij te realiseren ligging in het terrein,
|
||||
- het daarbij te realiseren aantal rijstroken of sporen,
|
||||
|
|
@ -41,16 +41,16 @@ indien het de aanleg of wijziging van een hoofdvaarweg betreft, een nauwkeurige
|
|||
- de voor het gebruik van de hoofdvaarweg toe te laten laadvermogen per schip,
|
||||
- de bij de aanleg of wijziging van de hoofdvaarweg te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en
|
||||
- de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard, zomede
|
||||
3°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg of landelijke railweg betreft, de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder;
|
||||
3°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg of landelijke spoorweg betreft, de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder;
|
||||
i. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, en vijfde lid onder a en b, van de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352).
|
||||
|
||||
**2.** Ontheffingen, dispensaties, afwijkingen en soortgelijke beschikkingen worden voor de toepassing van deze wet als vergunning aangemerkt.
|
||||
|
||||
**3.** In deze wet wordt onder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg mede verstaan de aanleg of wijziging van een deel van die hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg.
|
||||
**3.** In deze wet wordt onder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg mede verstaan de aanleg of wijziging van een deel van die hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.** De aanleg van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg, in gevallen waarin de hoofdvaarweg kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 1350 ton of meer, geschiedt overeenkomstig het daarvoor met toepassing van deze wet vastgestelde tracé.
|
||||
**1.** De aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, in gevallen waarin de hoofdvaarweg kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 1350 ton of meer, geschiedt overeenkomstig het daarvoor met toepassing van deze wet vastgestelde tracé.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -58,9 +58,9 @@ Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:
|
|||
|
||||
a. een wijziging van een hoofdweg, die bestaat uit de ombouw van een weg tot autosnelweg;
|
||||
b. een verbreding van een hoofdweg met één of meer rijstroken, indien het te verbreden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt;
|
||||
c. een wijziging van een landelijke railweg, die bestaat uit:
|
||||
c. een wijziging van een landelijke spoorweg, die bestaat uit:
|
||||
|
||||
1°. een verbreding van die railweg met twee of meer sporen, die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen in een in een streekplan begrensd beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument, aangewezen ingevolge artikel 7 of 21 van de Natuurbeschermingswet, dan wel in een in een streekplan begrensd kerngebied, natuurontwikkelingsgebied of in een zodanig plan begrensde verbindingszone, deel uitmakend van de ecologische hoofdstructuur;
|
||||
1°. een verbreding van die spoorweg met twee of meer sporen, die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen in een in een streekplan begrensd beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument, aangewezen ingevolge artikel 7 of 21 van de Natuurbeschermingswet, dan wel in een in een streekplan begrensd kerngebied, natuurontwikkelingsgebied of in een zodanig plan begrensde verbindingszone, deel uitmakend van de ecologische hoofdstructuur;
|
||||
2°. de aanleg van een geheel nieuwe spoorbaan, die over een lengte van 500 meter of meer op een afstand van 25 meter of meer van de grens van de bestemming, aangewezen voor spoorwegdoeleinden, is gelegen of
|
||||
3°. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken met de daartoe behorende aansluitingen, los van de bestemming, aangewezen voor spoorwegdoeleinden, voor zover deze geheel zijn gelegen in een in een streekplan begrensd gebied als bedoeld onder 1°;
|
||||
d. een wijziging van een hoofdvaarweg, die bestaat uit:
|
||||
|
|
@ -74,17 +74,17 @@ d. een wijziging van een hoofdvaarweg, die bestaat uit:
|
|||
- in het geval waarin de rivier kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van ten minste 1350 ton, en
|
||||
- waarbij het zomerbed wordt verlegd en de verlegging een oppervlakte beslaat van ten minste 50 hectare.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt het eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van in die maatregel aan te geven andere gevallen van wijziging van een hoofdweg, van een landelijke railweg of van een hoofdvaarweg dan die welke zijn bedoeld in het tweede lid, indien ten aanzien van deze gevallen het maken van een milieu-effectrapport op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer verplicht is.
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt het eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van in die maatregel aan te geven andere gevallen van wijziging van een hoofdweg, van een landelijke spoorweg of van een hoofdvaarweg dan die welke zijn bedoeld in het tweede lid, indien ten aanzien van deze gevallen het maken van een milieu-effectrapport op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer verplicht is.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. De trajectnota
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
Een beslissing om het in dit hoofdstuk bedoelde besluitvormingsproces ten aanzien van de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke railweg als bedoeld in artikel 2 aan te vangen, wordt genomen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
|
||||
Een beslissing om het in dit hoofdstuk bedoelde besluitvormingsproces ten aanzien van de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 aan te vangen, wordt genomen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke railweg, als bedoeld in artikel 2, in overweging neemt stelt hij ter voorbereiding van de in hoofdstuk III bedoelde beslissingen een trajectnota op.
|
||||
**1.** Indien Onze Minister de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, in overweging neemt stelt hij ter voorbereiding van de in hoofdstuk III bedoelde beslissingen een trajectnota op.
|
||||
|
||||
**2.** Op die voorbereiding is de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. Een trajectnota als bedoeld in dit hoofdstuk wordt voor toepassing van die procedure gelijkgesteld met een ontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 3:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de besturen van de provincies, van de regionale openbare lichamen en van de gemeenten en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -117,13 +117,13 @@ c. een uiteenzetting van de bestaande en te verwachten verkeers- en vervoerbehoe
|
|||
d. een uiteenzetting van:
|
||||
|
||||
1°. de mogelijke redenen om in de onder *c* bedoelde behoeften niet te voorzien;
|
||||
2°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien zonder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2;
|
||||
3°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien door aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2, alsmede een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd:
|
||||
e. het tracé van de hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg, zo mogelijk uitgewerkt in een of meer varianten, waarbij voor elke variant de mogelijkheid van een verschuiving van de as van het tracé van ten hoogste 100 meter aan elke zijde en van een verschuiving van ten hoogste twee meter naar boven of naar beneden is open gelaten, alsmede een beschrijving van de kenmerken van die varianten;
|
||||
2°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien zonder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2;
|
||||
3°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien door aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2, alsmede een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd:
|
||||
e. het tracé van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, zo mogelijk uitgewerkt in een of meer varianten, waarbij voor elke variant de mogelijkheid van een verschuiving van de as van het tracé van ten hoogste 100 meter aan elke zijde en van een verschuiving van ten hoogste twee meter naar boven of naar beneden is open gelaten, alsmede een beschrijving van de kenmerken van die varianten;
|
||||
f. een beschrijving van de bestaande inrichting en het gebruik van de grond, daaronder begrepen water, in het desbetreffende verkeers- en vervoertraject;
|
||||
g. een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject en de mate waarin in streek- en bestemmingsplannen als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening met de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg is rekening gehouden;
|
||||
g. een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject en de mate waarin in streek- en bestemmingsplannen als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening met de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg is rekening gehouden;
|
||||
h. een beschrijving van de voor- en nadelen van de onder *d* bedoelde alternatieven en de onder *e* bedoelde varianten;
|
||||
i. een raming van de kosten van de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg.
|
||||
i. een raming van de kosten van de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid onder *a* wordt gebruik gemaakt van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:50 000.
|
||||
|
||||
|
|
@ -131,7 +131,7 @@ i. een raming van de kosten van de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelij
|
|||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
Indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, betrekt Onze Minister de exploitant van de railweg bij de voorbereiding daarvan. Deze verleent de in verband daarmee nodige medewerking aan het opstellen van de trajectnota.
|
||||
Indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, betrekt Onze Minister de beheerder van de spoorweg bij de voorbereiding daarvan. Deze verleent de in verband daarmee nodige medewerking aan het opstellen van de trajectnota.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
|
|
@ -165,27 +165,27 @@ c. of en zo ja, tegen welke van die alternatieven en varianten zij bedenkingen h
|
|||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister bepaalt binnen acht weken na het verstrijken van de ingevolge artikel 8, eerste lid, bepaalde termijn, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn standpunt met betrekking tot de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 dan wel de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke railweg als bedoeld in artikel 2. Het standpunt houdt in dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke railweg al dan niet verder in overweging neemt. Indien hij de aanleg of wijziging van het in de eerste volzin bedoelde werk of de medewerking daaraan verder in overweging neemt, houdt het standpunt tevens in welk tracé de voorkeur verdient.
|
||||
**1.** Onze Minister bepaalt binnen acht weken na het verstrijken van de ingevolge artikel 8, eerste lid, bepaalde termijn, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn standpunt met betrekking tot de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 , of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2. Het standpunt houdt in dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg al dan niet verder in overweging neemt. Indien hij de aanleg of wijziging van het in de eerste volzin bedoelde werk of de medewerking daaraan verder in overweging neemt, houdt het standpunt tevens in welk tracé de voorkeur verdient.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, voert Onze Minister overleg over het door hem te bepalen standpunt met de exploitant van de railweg.
|
||||
**2.** Indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, voert Onze Minister overleg over het door hem te bepalen standpunt met de beheerder van de spoorweg.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de standpuntbepaling als bedoeld in het eerste lid niet binnen de daar genoemde termijn kan geschieden, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de redenen mee aan de Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van de hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 dan wel de medewerking aan de aanleg of wijziging van de landelijke railweg als bedoeld in artikel 2 niet verder in overweging neemt, deelt hij dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de exploitant van de railweg.
|
||||
**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 niet verder in overweging neemt, deelt hij dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de beheerder van de railweg.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen een week na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt Onze Minister het standpunt ter inzage. Artikel 7, eerste lid, van deze wet en artikel 3:22, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van de hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 dan wel de medewerking aan de aanleg of wijziging van de landelijke railweg als bedoeld in artikel 2 verder in overweging neemt, stelt hij overeenkomstig het standpunt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, binnen zes maanden na het uitbrengen van het standpunt een ontwerp-tracébesluit vast. Hij deelt dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de exploitant van de railweg.
|
||||
**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 verder in overweging neemt, stelt hij overeenkomstig het standpunt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, binnen zes maanden na het uitbrengen van het standpunt een ontwerp-tracébesluit vast. Hij deelt dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de beheerder van de railweg.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het ontwerp-tracébesluit wordt ter voldoening aan artikel 1, eerste lid onder *h*, onder 1° gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000.
|
||||
|
||||
**3.** Het ontwerp-tracébesluit bevat de resultaten van het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 87d onderscheidenlijk 106c van de Wet geluidhinder, alsmede, indien het voornemen bestaat hogere waarden vast te stellen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i of 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder, de bedoelde hogere waarden.
|
||||
|
||||
**4.** Het ontwerp-tracébesluit geeft aan op welke wijze de inpassing van de aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg zal geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen.
|
||||
**4.** Het ontwerp-tracébesluit geeft aan op welke wijze de inpassing van de aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg zal geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien de vaststelling van een ontwerp-tracébesluit niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan geschieden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -193,7 +193,7 @@ c. of en zo ja, tegen welke van die alternatieven en varianten zij bedenkingen h
|
|||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** In geval van toepassing van artikel 11, eerste lid, zendt Onze Minister het ontwerp-tracébesluit onder opgave van redenen en met een toelichting op het tracé aan de betrokken bestuursorganen en, indien het ontwerp-tracébesluit betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de exploitant van de railweg.
|
||||
**1.** In geval van toepassing van artikel 11, eerste lid, zendt Onze Minister het ontwerp-tracébesluit onder opgave van redenen en met een toelichting op het tracé aan de betrokken bestuursorganen en, indien het ontwerp-tracébesluit betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -214,7 +214,7 @@ Provinciale staten, het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam en d
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister in de bij de toepassing van artikel 12, derde lid, naar voren gebrachte zienswijzen of ingebrachte bedenkingen dan wel in het ingevolge artikel 13 door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten gegeven oordeel aanleiding vindt zijn voorkeur voor het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg te wijzigen, bepaalt hij in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk binnen twaalf weken na het verstrijken van de in artikel 13 bedoelde termijn zijn gewijzigde voorkeur en werkt hij deze eveneens binnen de in dit lid bedoelde termijn van twaalf weken uit tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit. De zienswijzen en mededelingen als bedoeld in de eerste volzin kunnen geen grond vinden in bedenkingen tegen de trajectnota. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien het bepalen van de gewijzigde voorkeur dan wel het uitwerken daarvan tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn kan geschieden.
|
||||
**1.** Indien Onze Minister in de bij de toepassing van artikel 12, derde lid, naar voren gebrachte zienswijzen of ingebrachte bedenkingen dan wel in het ingevolge artikel 13 door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten gegeven oordeel aanleiding vindt zijn voorkeur voor het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg te wijzigen, bepaalt hij in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk binnen twaalf weken na het verstrijken van de in artikel 13 bedoelde termijn zijn gewijzigde voorkeur en werkt hij deze eveneens binnen de in dit lid bedoelde termijn van twaalf weken uit tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit. De zienswijzen en mededelingen als bedoeld in de eerste volzin kunnen geen grond vinden in bedenkingen tegen de trajectnota. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien het bepalen van de gewijzigde voorkeur dan wel het uitwerken daarvan tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn kan geschieden.
|
||||
|
||||
**2.** Bij toepassing van het eerste lid van dit artikel vinden de artikelen 9, tweede lid, 11, tweede en vierde lid, 12 en 13 overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -230,7 +230,7 @@ Indien Onze Minister naar aanleiding van de bij toepassing van artikel 12, derde
|
|||
|
||||
**2.** Een beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een tracébesluit, maakt deel uit van het tracébesluit.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voor de bij het tracébesluit behorende zone, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder onderscheidenlijk de zone, bedoeld in artikel 106b van die wet, geldt dat tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, met dien verstande dat dit slechts geldt met betrekking tot geprojecteerde woningen en andere geprojecteerde geluidsgevoelige objecten ten aanzien waarvan de geluidsbelasting vanwege de hoofdweg of de landelijke railweg of vanwege binnen de zone van die hoofdweg of landelijke railweg gelegen wegen of railwegen de waarden die ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder als ten hoogst toelaatbare waarden worden aangemerkt, te boven zal gaan. Voorzover het tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing. Het tracébesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste volzin bedoelde gebied en de in de tweede volzin bedoelde zone een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit in werking is getreden.
|
||||
**3.** Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voor de bij het tracébesluit behorende zone, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder onderscheidenlijk de zone, bedoeld in artikel 106b van die wet, geldt dat tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, met dien verstande dat dit slechts geldt met betrekking tot geprojecteerde woningen en andere geprojecteerde geluidsgevoelige objecten ten aanzien waarvan de geluidsbelasting vanwege de hoofdweg of de landelijke spoorweg of vanwege binnen de zone van die hoofdweg of landelijke spoorweg gelegen wegen of spoorwegen de waarden die ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder als ten hoogst toelaatbare waarden worden aangemerkt, te boven zal gaan. Voorzover het tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing. Het tracébesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste volzin bedoelde gebied en de in de tweede volzin bedoelde zone een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit in werking is getreden.
|
||||
|
||||
**4.** Onder een geprojecteerde woning of een ander geprojecteerd geluidsgevoelig object als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid wordt verstaan een nog niet aanwezige woning of ander geluidsgevoelig object waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de bouwvergunning toelaat, maar deze nog niet is afgegeven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -248,7 +248,7 @@ Indien Onze Minister naar aanleiding van de bij toepassing van artikel 12, derde
|
|||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister zendt het tracébesluit onder opgave van redenen en met een toelichting op het tracé toe aan de Staten-Generaal en aan de besturen van de in artikel 12, derde lid, bedoelde provincies, regionale openbare lichamen, gemeenten en waterschappen alsmede, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de exploitant van de railweg.
|
||||
**1.** Onze Minister zendt het tracébesluit onder opgave van redenen en met een toelichting op het tracé toe aan de Staten-Generaal en aan de besturen van de in artikel 12, derde lid, bedoelde provincies, regionale openbare lichamen, gemeenten en waterschappen alsmede, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de bekendmaking van het tracébesluit worden de motivering en de toelichting op het tracé vermeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -262,7 +262,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Indien de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg niet is opgenomen in een jaarlijks voortschrijdend meerjarig uitvoeringsprogramma voor hoofdwegen, landelijke railwegen en hoofdvaarwegen, dat bij besluit van Onze Minister is vastgesteld voor het derde jaar na het jaar waarin het tracébesluit van kracht is geworden, vervalt het tracébesluit van rechtswege. Het tracébesluit vervalt eveneens van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.
|
||||
Indien de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg niet is opgenomen in een jaarlijks voortschrijdend meerjarig uitvoeringsprogramma voor hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen, dat bij besluit van Onze Minister is vastgesteld voor het derde jaar na het jaar waarin het tracébesluit van kracht is geworden, vervalt het tracébesluit van rechtswege. Het tracébesluit vervalt eveneens van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
|
|
@ -270,7 +270,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Indien voor de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 bij of krachtens de wet een vergunning van een orgaan van een provincie, van een regionaal openbaar lichaam, van een gemeente, van een waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde het Rijk, is vereist met betrekking tot de inrichting of het gebruik van grond, daaronder begrepen water, welke is benodigd voor die aanleg of wijziging, dient Onze Minister onderscheidenlijk de exploitant van de railweg de aanvraag voor die vergunning niet eerder in dan twee jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop blijkens het meerjarig uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 18, eerste lid, met die aanleg of wijziging zal worden begonnen.
|
||||
**1.** Indien voor de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 bij of krachtens de wet een vergunning van een orgaan van een provincie, van een regionaal openbaar lichaam, van een gemeente, van een waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde het Rijk, is vereist met betrekking tot de inrichting of het gebruik van grond, daaronder begrepen water, welke is benodigd voor die aanleg of wijziging, dient Onze Minister onderscheidenlijk de beheerder van de spoorweg de aanvraag voor die vergunning niet eerder in dan twee jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop blijkens het meerjarig uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 18, eerste lid, met die aanleg of wijziging zal worden begonnen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een tracébesluit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -338,7 +338,7 @@ De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan ge
|
|||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 2, eerste lid, is uitsluitend dit hoofdstuk van toepassing op de besluitvorming over de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg ten aanzien waarvan een planologische kernbeslissing van kracht is als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
|
||||
In afwijking van artikel 2, eerste lid, is uitsluitend dit hoofdstuk van toepassing op de besluitvorming over de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg ten aanzien waarvan een planologische kernbeslissing van kracht is als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
|
|
@ -390,7 +390,7 @@ Indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden in
|
|||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.** Deze wet blijft buiten toepassing ten aanzien van besluiten van Onze Minister tot vaststelling van een tracé voor de aanleg of wijziging van hoofdwegen, landelijke railwegen en hoofdvaarwegen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen, voor zover deze besluiten vóór 1 januari 1997 worden opgenomen in een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 18, eerste lid. In het laatste geval vervalt het besluit indien het niet binnen tien jaar na eerste opneming in het uitvoeringsprogramma ten uitvoer wordt gebracht.
|
||||
**1.** Deze wet blijft buiten toepassing ten aanzien van besluiten van Onze Minister tot vaststelling van een tracé voor de aanleg of wijziging van hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen, voor zover deze besluiten vóór 1 januari 1997 worden opgenomen in een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 18, eerste lid. In het laatste geval vervalt het besluit indien het niet binnen tien jaar na eerste opneming in het uitvoeringsprogramma ten uitvoer wordt gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in dat lid die binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet zijn genomen alsmede op door Onze Ministers aan te wijzen besluiten die binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze wet zijn genomen.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue