2007-01-01 | BWBR0002633 | Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968

This commit is contained in:
Coornhert 2007-01-01 12:00:00 +00:00
parent 8867c0ee97
commit 4e8c803591

View file

@ -141,10 +141,10 @@ b. 1°. voor wat betreft de leveringen van accijnsgoederen als bedoeld in de bij
2°. voor wat betreft de leveringen van minerale oliën als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 7, onder b, indien de ondernemer kan overleggen een afschrift van het geleidedocument alsmede een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de minerale oliën afneemt dat deze de minerale oliën niet aan het geleidedocument zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is;
c. voor wat betreft de leveringen van goederen als bedoeld in de bij de wet behorende tabel II, onderdeel a, post 8, onder a, indien de ondernemer kan overleggen een schriftelijke verklaring van de ondernemer die de goederen afneemt dat deze die goederen opneemt in zijn niet-plaatsgebonden entrepot als bedoeld in die post, onder vermelding van het nummer van zijn entrepotvergunning, en dat deze de goederen niet aan dat regime zal onttrekken, anders dan in het kader van een levering ter zake waarvan gehele aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet door die ondernemer mogelijk is.
d. voor wat betreft de achtereenvolgende leveringen die plaatsvinden ingeval door meer dan één persoon overeenkomsten worden gesloten met de verplichting tot levering van eenzelfde goed dat vervolgens door de eerste persoon rechtstreeks aan de laatste afnemer buiten de Gemeenschap of in een entrepot wordt afgeleverd, indien een door iedere afnemer - behalve de buitenlandse - aan zijn leverancier uit te reiken schriftelijke opdracht tot uitvoer uit de Gemeenschap of tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, eerste lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek kan worden overgelegd;
e. voor wat betreft de levering van een motorrijtuig waarvoor ter zake van de in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde opgaaf van een kenteken een bewijs is afgegeven en welk motorrijtuig door een ondernemer wordt vervoerd naar een andere Lid-Staat, wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap of wordt gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, eerste lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek, indien de ondernemer een terzake door de Rijksdienst voor het Wegverkeer opgemaakte verklaring kan overleggen;
e. voor wat betreft de levering van een motorrijtuig waarvoor ter zake van de in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde opgaaf van een kenteken een bewijs is afgegeven en welk motorrijtuig door een ondernemer wordt vervoerd naar een andere Lid-Staat, wordt uitgevoerd uit de Gemeenschap of wordt gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, eerste lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek, indien de ondernemer een terzake door de Dienst Wegverkeer (RDW) opgemaakte verklaring kan overleggen;
f. voor wat betreft de levering door een ondernemer als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wet, van een nieuw vervoermiddel dat wordt vervoerd naar een andere Lid-Staat, indien de ondernemer aan de inspecteur de naam en het adres meldt van degene aan wie de levering is verricht.
In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de onderdelen b en c niet in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar geen vaste inrichting heeft, dient deze voor de toepassing van het tarief van nihil een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 24c te hebben aangesteld.
In geval de leverancier of de afnemer in de gevallen bedoeld in de onderdelen b en c niet in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar geen vaste inrichting heeft, dient deze voor de toepassing van het tarief van nihil een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 24c te hebben aangesteld.
**3.** In geval een ondernemer die een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, heeft afgegeven, aan de desbetreffende goederen een andere bestemming geeft, wordt de belasting ter zake van de aan hem verrichte levering van die goederen alsnog verschuldigd naar het tarief als bedoeld in artikel 9, eerste lid, dan wel tweede lid, onderdeel a, van de wet.
@ -197,7 +197,7 @@ g. na afloop van het boekjaar wordt de belasting herrekend als volgt:
4°. van het aldus berekende deel van de ontvangsten dat betrekking heeft op de 6%-goederen, wordt 6/106 en over het deel dat betrekking heeft op de 19%-goederen, wordt 19/119 gedeelte genomen;
5°. de som van de uitkomsten van de berekeningen onder 4° vormt het bedrag dat geacht wordt in het boekjaar aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine ondernemersregeling enz.);
6°. indien deze herrekening leidt tot een hoger bedrag dan over het boekjaar aan belasting is afgedragen, moet het verschil worden voldaan op de aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar; leidt de herrekening tot een lager bedrag dan over het boekjaar aan belasting is afgedragen, dan wordt het verschil aan de ondernemer op verzoek teruggegeven;
7°. op die aangifte voldoet de ondernemer tevens de belasting ter zake van het beschikken over goederen in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel *g*, van de wet (eigen gebruik) in het boekjaar, voor zover de vergoeding voor deze goederen niet in de onder 3° bedoelde ontvangsten zijn begrepen;
7°. op die aangifte voldoet de ondernemer tevens de belasting ter zake van het beschikken over goederen in de zin van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de wet (eigen gebruik) in het boekjaar, voor zover de vergoeding voor deze goederen niet in de onder 3° bedoelde ontvangsten zijn begrepen;
h. de in onderdeel *g* - 1° bedoelde in voorraad zijnde goederen worden beschouwd als goederen die in het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar zijn ingekocht.
II. a. De ondernemer houdt afzonderlijk aantekening van zijn inkopen van voor wederverkoop bestemde 19%-goederen;
b. hij bepaalt voor die goederen de winkelwaarde;
@ -214,6 +214,8 @@ d. over de aldus berekende totale winkelwaarde die betrekking heeft op de 6%-goe
e. de som van beide belastingbedragen vormt het bedrag dat geacht wordt in het belastingtijdvak aan belasting te zijn verschuldigd; op die som worden vervolgens de overige bepalingen van de wet toegepast (aftrek van voorbelasting, kleine ondernemersregeling, enz.);
f. na afloop van het boekjaar kan de ondernemer op zijn aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar in mindering brengen de belasting over het verschil tussen de winkelwaarde en de vergoeding voor de goederen voor eigen gebruik.
Algemene aantekeningen
1. Dit artikel is slechts van toepassing, indien en voor zover de ondernemer niet op grond van zijn bedrijfsadministratie kan vaststellen welk gedeelte van de ontvangsten betrekking heeft op leveringen van 6%-goederen en welk gedeelte op leveringen van 19%-goederen.
2. Dit artikel heeft niet betrekking op goederen die worden geleverd ingevolge een overeenkomst van huurkoop of een andere overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling.
3. Ingeval de ondernemer naast leveringen van 6%-goederen en/of 19%-goederen tevens leveringen verricht van tabaksprodukten, als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns, is dit artikel op laatstbedoelde goederen van overeenkomstige toepassing.
@ -387,6 +389,21 @@ c. beleggingsgoud wordt geleverd met toepassing van het in artikel 28l van de we
**2.** Artikel 24*b*, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 24bb
**1.**
Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, worden tevens aangewezen de gevallen waarin sprake is van de levering aan een ondernemer van oude materialen, oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval, schroot, en van bepaalde goederen en diensten, voorzover het betreft:
a. de levering van resten en afval van ferro- en non-ferroproducten en oude materialen, halffabrikaten daaronder begrepen, die het resultaat zijn van het verwerken, vervaardigen of smelten van ferro- en non-ferrometalen of legeringen daarvan;
b. de levering van ferro- en non-ferrohalffabrikaten en daarmee samenhangende verwerkingsdiensten;
c. de levering van residuen en andere materialen voor hergebruik bestaande uit ferro- en non-ferrometalen, legeringen daarvan, slakken, assen, bladders en industriële residuen die metalen of legeringen daarvan bevatten, alsmede de diensten bestaande in het scheiden, snijden, fragmenteren en samenpersen van deze producten;
d. de levering van en verwerkingsdiensten met betrekking tot afval van ferro- en non-ferroproducten alsmede snippers, schroot, resten en afval, en oud materiaal en materiaal voor hergebruik bestaande uit glasscherven en glas, papier en karton, lompen, beenderen, leder, kunstleder, perkament, huiden en vellen, pezen en zenen, bindgaren, touw en kabel, rubber en kunststof;
e. de levering van de in dit lid genoemde materialen na bewerking in de vorm van reinigen, polijsten, scheiden, snijden, fragmenteren, samenpersen of gieten tot ingots;
f. de levering van resten en afval dat ontstaat bij de bewerking van grondstoffen.
**2.** Artikel 24b, zesde en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Afdeling F. Fiscaal vertegenwoordiger
### Artikel 24c
@ -485,7 +502,7 @@ Algemene aantekening
Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard worden niet aangemerkt de leveringen van goederen welke door de in de onderdelen b en c bedoelde instellingen in het kader van arbeidstherapie zijn voortgebracht en de diensten welke door die instellingen in dat kader worden verricht.
Als diensten van sociale of culturele aard worden voorts niet aangemerkt diensten bestaande in thuiszorg.
Als diensten van sociale of culturele aard worden voorts niet aangemerkt diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de wet, die worden verleend aan personen die niet beschikken over een in dat onderdeel g, onder 2°, bedoeld indicatiebesluit of besluit op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning.
De in de onderdelen b en c bedoelde instellingen, behoudens die bedoeld in de posten 29 en 33 van onderdeel b, mogen niet systematisch het maken van winst beogen en, zo er wel winst wordt gemaakt, mogen zij deze niet uitkeren, maar moet die winst worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de leveringen en diensten die worden verleend.