2010-08-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang
This commit is contained in:
parent
27626ef297
commit
5bd276dabc
1 changed files with 520 additions and 317 deletions
|
|
@ -1,50 +1,55 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Wet kinderopvang
|
||||
titel: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
|
||||
bwb_id: BWBR0017017
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2004-10-30'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2010-08-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017017
|
||||
citeertitel: Wet kinderopvang
|
||||
citeertitel: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Wet kinderopvang
|
||||
# Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
|
||||
## Hoofdstuk 1. Kinderopvang
|
||||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
### Afdeling 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *beroepskracht:*
|
||||
|
||||
1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum en is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen;
|
||||
1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
2°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau en is belast met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging en opvoeding van kinderen bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang;
|
||||
- *beroepskracht voorschoolse educatie:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a;
|
||||
- *gastouder:* de natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van natuurlijke personen van wie een of meer kinderen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gronden onderworpen zijn aan ondertoezichtstelling of voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, onderscheidenlijk artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en met uitzondering van de persoon die op hetzelfde woonadres als de ouder of diens partner staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
|
||||
- *gastouderbureau:* een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt;
|
||||
- *gastouderopvang:* kinderopvang:
|
||||
|
||||
a. die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau;
|
||||
b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner;
|
||||
b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 1.5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner;
|
||||
c. waarbij de houder in totaal niet meer dan één voorziening voor gastouderopvang exploiteert;
|
||||
d. waarbij de opvang plaatsvindt op het woonadres van de gastouder of op het woonadres van een van de ouders; en
|
||||
e. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt;
|
||||
- *GGD:* een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;
|
||||
- *houder:* de rechtspersoon of natuurlijke persoon van 18 jaar of ouder die een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau exploiteert;
|
||||
- *kindercentrum:* een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang;
|
||||
- *kinderopvang:* het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
|
||||
- *kinderopvang:* het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
|
||||
- *kinderopvangtoeslag:* een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang;
|
||||
- *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||||
- *ouder:* de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
|
||||
- *oudercommissie:* de commissie, bedoeld in artikel 58;
|
||||
- *oudercommissie:* de commissie, bedoeld in artikel 1.58;
|
||||
- *overheidswerkgever:* de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
- *overheidswerknemer:* de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
- *register kinderopvang:* het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a;
|
||||
- *Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
- *uitvoeringskosten:* de kosten die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van gastouderopvang;
|
||||
- *voorschoolse educatie:* uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
|
||||
- *vrijwilliger:* degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is in de kinderopvang en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
- *werkgever:* de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
- *werknemer:* de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -53,11 +58,11 @@ e. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder
|
|||
Tot kinderopvang worden niet gerekend:
|
||||
|
||||
a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht tijdens de middagpauze;
|
||||
b. verzorging en opvoeding in een peuterspeelzaal, waaronder wordt verstaan: een voorziening waarin uitsluitend kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop zij kunnen deelnemen aan het basisonderwijs, verblijven in een speelgroep;
|
||||
b. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.1;
|
||||
c. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Wet op de jeugdzorg;
|
||||
d. verzorging en opvoeding van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
|
||||
d. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
### Artikel 1.1a
|
||||
|
||||
**1.** Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 5, van toepassing, met dien verstande dat met de aanwezigheid van een partner geen rekening wordt gehouden in de kalendermaand waarin het partnerschap aanvangt of eindigt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -89,11 +94,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
### Afdeling 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Aanspraken op kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
#### Paragraaf 1. Aanspraken op kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
### Artikel 1.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -106,9 +111,9 @@ b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die pl
|
|||
|
||||
**3.** Indien een gastouderbureau uit het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, wordt verwijderd, geldt de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voorwaarde van registratie van het gastouderbureau niet, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen uitlooptermijn waarbinnen de voorziening voor gastouderopvang op grond van artikel 47a, tweede lid, onderdeel c, in het register kinderopvang ingeschreven blijft.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Kinderopvangtoeslag
|
||||
#### Paragraaf 2. Kinderopvangtoeslag
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
### Artikel 1.6
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -146,7 +151,7 @@ d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.
|
|||
|
||||
**5.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
### Artikel 1.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -169,19 +174,19 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
|
|||
|
||||
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tevens tabellen worden vastgesteld, waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
### Artikel 1.8
|
||||
|
||||
**1.** Indien een ouder en diens partner tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a of b, wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**1.** Indien een ouder en diens partner tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a of b, wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een ouder die geen partner heeft en tegenwoordige arbeid verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a of b, wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**2.** Voor een ouder die geen partner heeft en tegenwoordige arbeid verricht als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a of b, wordt de kinderopvangtoeslag vermeerderd met een bedrag dat overeenkomt met een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een ouder met een partner die een persoon is als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel a, of artikel 29, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een ouder met een partner die een persoon is als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onderdeel a, of artikel 1.29, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid is artikel 7, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid is artikel 1.7, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
### Artikel 1.9
|
||||
|
||||
**1.** De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, voor zover toegekend aan ouders die als werknemer of overheidswerknemer tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, worden verkregen door het heffen van een opslag op de premie die ten gunste komt van het sectorfonds, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, onderscheidenlijk de premie, bedoeld in artikel 29 van die wet.
|
||||
**1.** De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vermeerdering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 1.8, eerste tot en met derde lid, voor zover toegekend aan ouders die als werknemer of overheidswerknemer tegenwoordige arbeid verrichten als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, worden verkregen door het heffen van een opslag op de premie die ten gunste komt van het sectorfonds, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, onderscheidenlijk de premie, bedoeld in artikel 29 van die wet.
|
||||
|
||||
**2.** De premieopslagen, bedoeld in het eerste lid, zijn verschuldigd door de werkgever onderscheidenlijk de overheidswerkgever.
|
||||
|
||||
|
|
@ -189,9 +194,9 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
|
|||
|
||||
**4.** Op de heffing en invordering van de premieopslagen zijn de artikelen 57, 59 en 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Met het oog op toepassing van artikel 1.5, eerste lid, verstrekt de in dat lid bedoelde ouder aan de instantie die de kinderopvangtoeslag uitkeert, het unieke nummer, bedoeld in artikel 1.47a, derde lid. Bij regeling van Onze Minister kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verstrekking.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
|
|
@ -237,57 +242,59 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
|
||||
#### Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
### Artikel 1.22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente:
|
||||
|
||||
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, d of e, of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars;
|
||||
b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder g, j, k of l;
|
||||
c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, d, of e, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of voor zover de partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder b;
|
||||
d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
|
||||
e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c;
|
||||
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c, d of e, of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars;
|
||||
b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l;
|
||||
c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c, d, of e, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of voor zover de partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder b;
|
||||
d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
|
||||
e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.29, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c;
|
||||
f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht;
|
||||
g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c.
|
||||
g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c.
|
||||
|
||||
**2.** Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en, indien hij een partner heeft, voor zover zijn partner een persoon is die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland.
|
||||
**2.** Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en, indien hij een partner heeft, voor zover zijn partner een persoon is die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland.
|
||||
|
||||
**3.** De aanspraak bestaat jegens de gemeente waar de ouder zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**4.** Een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming, indien hij geen partner heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
### Artikel 1.23
|
||||
|
||||
Door vernummering vervallen.
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
### Artikel 1.24
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22 eerste lid, onder c, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, e of f, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
|
||||
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder c, voor zover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, g, j, k of l, een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22 eerste lid, onder c, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid;
|
||||
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder c, voor zover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder d, g, j, k of l, een derde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, e of f, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
|
||||
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, g, j, k of l, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
a. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid;
|
||||
b. voor een ouder als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder a, b, d, e, f of g, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder d, g, j, k of l, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn partner als bedoeld in artikel 22, tweede lid, een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**3.** De tegemoetkoming van de gemeente bedraagt voor een ouder of zijn partner als bedoeld in artikel 1.22, tweede lid, een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van de gemeente niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 30, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder a, en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 30, tweede lid.
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 1.30, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid, onder a, en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 1.30, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
### Artikel 1.25
|
||||
|
||||
De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
### Artikel 1.26
|
||||
|
||||
**1.** De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders.
|
||||
|
||||
|
|
@ -295,11 +302,11 @@ De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast omtrent de tegemoetkoming van
|
|||
|
||||
**3.** Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door die partner.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
### Artikel 1.27
|
||||
|
||||
Het college van burgemeester en wethouders maakt bij de uitvoering van deze wet gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
### Artikel 1.28
|
||||
|
||||
**1.** De ouder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -309,32 +316,32 @@ Het college van burgemeester en wethouders maakt bij de uitvoering van deze wet
|
|||
|
||||
**4.** De houder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
|
||||
#### Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
### Artikel 1.29
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen:
|
||||
|
||||
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of op grond van artikel 7, derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij arbeidsinschakeling;
|
||||
b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die partner bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
|
||||
c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder c;
|
||||
d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder b;
|
||||
a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of op grond van artikel 7, derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die ouder bij arbeidsinschakeling;
|
||||
b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen van die partner bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;
|
||||
c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder c;
|
||||
d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder b;
|
||||
e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht;
|
||||
f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en zijn partner een persoon als bedoeld onder b.
|
||||
f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, en zijn partner een persoon als bedoeld onder b.
|
||||
|
||||
**2.** Een persoon als bedoeld in het eerste lid onder a heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming indien hij geen partner heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
### Artikel 1.30
|
||||
|
||||
**1.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**1.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor een ouder als bedoeld in artikel 1.29, eerste lid, onder b, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, een derde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in artikel 29, eerste lid, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
|
||||
**2.** De tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bedraagt voor de overige ouders, bedoeld in artikel 1.29, eerste lid, voorzover de ouder een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, een zesde deel van de kosten van kinderopvang, verhoogd met een bij regeling van Onze Minister zodanig vast te stellen bedrag, dat het totaal aan kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 24, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a.
|
||||
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter voorkoming van samenloop van tegemoetkomingen ingevolge dit artikel, voorzover de ouder en zijn partner personen zijn als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk met tegemoetkomingen ingevolge artikel 1.24, voorzover het gevallen betreft, waarin, ofwel de ouder ofwel zijn partner een persoon is als bedoeld in het tweede lid en de ander een persoon is als bedoeld in artikel 1.24, tweede lid, onder a.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
### Artikel 1.31
|
||||
|
||||
**1.** De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -342,11 +349,11 @@ f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 6, eers
|
|||
|
||||
**3.** Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door die partner.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
### Artikel 1.32
|
||||
|
||||
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen maakt bij de uitvoering van deze wet gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
### Artikel 1.33
|
||||
|
||||
**1.** De ouder verstrekt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut van belang zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -356,23 +363,23 @@ Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen maakt bij de uitvoering van dez
|
|||
|
||||
**4.** De houder verstrekt desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van belang zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
### Artikel 1.34
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen
|
||||
#### Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
### Artikel 1.35
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c tot en met f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars, na beëindiging van de aanspraak op grond van artikel 22, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens de gemeente. Artikel 24 is van toepassing.
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c tot en met f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand, artikel 11, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of die gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling in het kader van een gemengde beroepspraktijk als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars, na beëindiging van de aanspraak op grond van artikel 1.22, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens de gemeente. Artikel 24 is van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of op grond van artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van artikel 29, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 30 is van toepassing.
|
||||
**2.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan besluiten dat een ouder, die een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, tenzij het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 72, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of op grond van artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, na beëindiging van de aanspraak op grond van artikel 1.29, in aansluiting daarop aanspraak heeft op een tegemoetkoming jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Artikel 1.30 is van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een met het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbaar bestuursorgaan in een andere lidstaat of Zwitserland, naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op een kinderopvangtoeslag, voor zover hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van artikel 6.
|
||||
**3.** Een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt slechts genomen met betrekking tot een ouder of diens partner, die naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een met het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbaar bestuursorgaan in een andere lidstaat of Zwitserland, naar vermogen tracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. In een zodanig geval heeft de ouder eveneens aanspraak op een kinderopvangtoeslag, voor zover hij niet reeds een aanspraak heeft op grond van artikel 1.6.
|
||||
|
||||
**4.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de maximale duur van aanspraken, verleend op grond van het eerste of tweede lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Invordering
|
||||
#### Paragraaf 6. Invordering
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
|
|
@ -382,23 +389,23 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
### Artikel 1.38
|
||||
|
||||
**1.** Bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet verschuldigd aan de gemeente worden ingevorderd door het college van burgemeester en wethouders. Een bedrag is invorderbaar vanaf een maand na de dag van dagtekening van de beschikking waarbij de vordering is ontstaan.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 58 tot en met 60 van de Wet werk en bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
### Artikel 1.39
|
||||
|
||||
Op de invordering van bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn de artikelen 57 tot en met 57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 7. Overige bepalingen
|
||||
#### Paragraaf 7. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
### Artikel 1.40
|
||||
|
||||
De kinderopvangtoeslag, alsmede de tegemoetkomingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen blijven buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
### Artikel 1.41
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -417,51 +424,53 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
### Artikel 1.44
|
||||
|
||||
De ouder en zijn partner zijn ten aanzien van schulden voortvloeiend uit vorderingen van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge deze wet, hoofdelijk aansprakelijk.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Kwaliteit
|
||||
### Afdeling 3. Kwaliteit kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
|
||||
#### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
### Artikel 1.45
|
||||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, doet daarvoor een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging.
|
||||
|
||||
**2.** De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging van de voorziening voor gastouderopvang.
|
||||
|
||||
**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 62 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.
|
||||
**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
|
||||
**5.** In de gevallen waarin het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, dient te worden verstrekt, is degene ten behoeve van wie een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt gedaan gehouden dat nummer te verstrekken aan degenen, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
### Artikel 1.46
|
||||
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, een beschikking af aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau.
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, geeft het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, een beschikking af aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau.
|
||||
|
||||
**2.** Indien na een aanvraag als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, is gebleken dat de exploitatie van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging zorg voor de onverwijlde inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang.
|
||||
**2.** Indien na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, is gebleken dat de exploitatie van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging zorg voor de onverwijlde inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
**3.** Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau onderscheidenlijk de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**4.** De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**5.** Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge artikel 45, vierde lid, zijn verstrekt.
|
||||
**5.** Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college van burgemeester en wethouders opgave van de gegevens die ingevolge artikel 1.45, vierde lid, zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**6.** Het register kinderopvang is bij de gemeentesecretarie kosteloos te raadplegen.
|
||||
**6.** Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college van burgemeester en wethouders dit op in het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
**7.** Het register kinderopvang is bij de gemeentesecretarie kosteloos te raadplegen.
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of gastouderbureau doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
|
||||
### Artikel 1.47
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of gastouderbureau doet van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders. Het college draagt er zorg voor dat deze wijzigingen worden doorgevoerd in het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
**2.** Het college van burgemeester en wethouders deelt de houder van het kindercentrum of gastouderbureau schriftelijk mee dat de wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van het gastouderbureau deelt de gastouder schriftelijk mee dat de wijziging in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 47a
|
||||
### Artikel 1.47a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register kinderopvang ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van de kinderopvang en gastouderopvang alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.
|
||||
**1.** Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register kinderopvang ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van de kinderopvang en gastouderopvang alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens afdeling 3 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -475,7 +484,9 @@ e. de verstrekking van gegevens;
|
|||
f. de openbaarheid van gegevens;
|
||||
g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
**3.** Kindercentra, gastouderbureau’s en voorzieningen voor gastouderopvang worden in het register kinderopvang geregistreerd onder een uniek nummer.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.48
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan een buiten Nederland gevestigd kindercentrum, een buiten Nederland gevestigde voorziening voor gastouderopvang of een buiten Nederland gevestigd gastouderbureau gelijkstellen met een geregistreerd kindercentrum, een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang of een geregistreerd gastouderbureau, door opneming ervan in een door hem bij te houden register buitenlandse kinderopvang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -491,7 +502,7 @@ g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van
|
|||
|
||||
**7.** Onze Minister deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register buitenlandse kinderopvang zijn aangetekend.
|
||||
|
||||
**8.** De artikelen 45 tot en met 47 en 49 tot en met 60 en de hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**8.** De artikelen 1.45 tot en met 1.47 en 1.49 tot en met 1.60 en de afdelingen 4 en 5 zijn niet van toepassing op een kindercentrum of een gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -503,15 +514,15 @@ c. het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de ouder en de houder alsme
|
|||
|
||||
**10.** Indien blijkt dat de kwaliteit van het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau niet langer naar aard en strekking overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels of dat de houder niet voldoet aan enige verplichting die op grond van deze wet op hem rust wordt het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau uit het register verwijderd.
|
||||
|
||||
### Artikel 48a
|
||||
### Artikel 1.48a
|
||||
|
||||
**1.** Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van buiten Nederland gevestigde kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus worden aangewezen die worden gelijkgesteld met geregistreerde kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang of geregistreerde gastouderbureaus, indien deze kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus voldoen aan de in het land van vestiging geldende regels met betrekking tot de kwaliteit en deze regels naar aard en naar strekking overeenkomen met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 48 is niet van toepassing op kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** Artikel 1.48 is niet van toepassing op kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Eisen
|
||||
#### Paragraaf 2. Eisen
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
### Artikel 1.49
|
||||
|
||||
**1.** Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang aan waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
|
||||
|
||||
|
|
@ -524,12 +535,25 @@ Een houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering
|
|||
a. het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving;
|
||||
b. het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
### Artikel 1.50
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen.
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en opvang van kinderen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de veiligheid en de gezondheid;
|
||||
b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen;
|
||||
c. de inzet van beroepskrachten in opleiding;
|
||||
d. het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;
|
||||
e. de groepsgrootte;
|
||||
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk;
|
||||
g. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopvang;
|
||||
h. de beschikbare ruimte voor kinderen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de veiligheid en de gezondheid;
|
||||
|
|
@ -541,17 +565,30 @@ f. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor kinderopva
|
|||
g. de beschikbare ruimte voor kinderen;
|
||||
h. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een kindercentrum en de personen werkzaam bij een kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
**4.** De houder van een kindercentrum en de personen werkzaam bij een kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
**5.** De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de houder vast te stellen termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
### Artikel 1.50a
|
||||
|
||||
De houder van een kindercentrum neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen 167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs en werkt mee aan de totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.50b
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
|
||||
|
||||
a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen;
|
||||
b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;
|
||||
c. de groepsgrootte; en
|
||||
d. de minimum omvang van de voorschoolse educatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.51
|
||||
|
||||
De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerd kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico's de opvang van kinderen met zich brengt.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
### Artikel 1.52
|
||||
|
||||
**1.** Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.
|
||||
|
||||
|
|
@ -559,27 +596,27 @@ De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid va
|
|||
|
||||
**3.** Het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, kan per soort kinderopvang verschillend worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
### Artikel 1.53
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij kindercentra.
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
### Artikel 1.54
|
||||
|
||||
De houder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
### Artikel 1.55
|
||||
|
||||
**1.** Bij kinderopvang in een kindercentrum of in een voorziening voor gastouderopvang wordt de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebezigd, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode.
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
### Artikel 1.56
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een gastouderbureau organiseert zijn werkzaamheden op zodanige wijze, voorziet het bureau zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde uitvoering van die werkzaamheden.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus, waaronder regels omtrent de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten voldoen.
|
||||
|
||||
**3.** Op de houder van een gastouderbureau en personen, werkzaam bij een gastouderbureau, is artikel 50, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Op de houder van een gastouderbureau en personen, werkzaam bij een gastouderbureau, is artikel 1.50, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Gastouderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -594,11 +631,11 @@ b. het betalingsverkeer tussen gastouders, het gastouderbureau en vraagouders.
|
|||
|
||||
**7.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal gastouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 56a
|
||||
### Artikel 1.56a
|
||||
|
||||
De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer.
|
||||
|
||||
### Artikel 56b
|
||||
### Artikel 1.56b
|
||||
|
||||
**1.** De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -613,29 +650,29 @@ d. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastoudero
|
|||
e. de beschikbare ruimte voor kinderen;
|
||||
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
|
||||
|
||||
**3.** De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder hun hoofdverblijf hebben, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
**3.** De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder hun hoofdverblijf hebben, alsmede de daar werkzame vrijwilligers, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaringen, bedoeld in het derde lid, worden door de gastouder aan de houder van het gastouderbureau overgelegd, voordat de gastouder zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaringen zijn op het moment dat zij worden overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn.
|
||||
|
||||
**6.** De artikelen 51, 53, 54 en 55 zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
|
||||
**6.** De artikelen 1.51, 1.53, 1.54 en 1.55 zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
### Artikel 1.57
|
||||
|
||||
Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 50, eerste lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 50, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 57a
|
||||
### Artikel 1.57a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 49, 50, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 51, 56, eerste en derde lid, en 56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 51.
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 1.49, 1.50, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 1.51, 1.56, eerste en derde lid, en 1.56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 1.51.
|
||||
|
||||
**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Oudercommissie
|
||||
#### Paragraaf 3. Oudercommissie
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
### Artikel 1.58
|
||||
|
||||
**1.** Een houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 60.
|
||||
**1.** Een houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum of gastouderbureau een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 1.60.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen wier kinderen in het kindercentrum of door tussenkomst van het gastouderbureau worden opgevangen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -643,9 +680,9 @@ Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd
|
|||
|
||||
**4.** De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
### Artikel 1.59
|
||||
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 45, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast.
|
||||
**1.** De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -661,16 +698,16 @@ c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
|
|||
|
||||
**5.** Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie.
|
||||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
### Artikel 1.60
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 50 dan wel aan artikel 56;
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 1.50 dan wel aan artikel 1.56;
|
||||
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
|
||||
c. openingstijden;
|
||||
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen;
|
||||
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen, waaronder het aanbieden van voorschoolse educatie;
|
||||
e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten;
|
||||
f. wijziging van de prijs van kinderopvang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -680,33 +717,33 @@ f. wijziging van de prijs van kinderopvang.
|
|||
|
||||
**4.** De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 60a
|
||||
### Artikel 1.60a
|
||||
|
||||
De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 1.60, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Handhaving
|
||||
### Afdeling 4. Handhaving
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
|
||||
#### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
### Artikel 1.61
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 66, tweede lid, uitgevaardigde verboden. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
### Artikel 1.62
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3.
|
||||
**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elk kindercentrum, elke voorziening voor gastouderopvang of elk gastouderbureau plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elk kindercentrum, elke voorziening voor gastouderopvang of elk gastouderbureau plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
|
||||
|
||||
**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gestelde regels. Artikel 63 is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
|
||||
**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gestelde regels. Artikel 1.63 is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
### Artikel 1.63
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau vast in een inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
|
||||
|
||||
|
|
@ -714,17 +751,19 @@ De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau treft een regeling voor d
|
|||
|
||||
**5.** De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
**6.** De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.61, tekortkomingen zijn geconstateerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.64
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
|
||||
#### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
### Artikel 1.65
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens afdeling 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -739,35 +778,35 @@ b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor h
|
|||
|
||||
**5.** De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
### Artikel 1.66
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 62 blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
### Artikel 1.67
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van dit hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2a. Informatieverstrekking aan de GGD
|
||||
#### Paragraaf 2a. Informatieverstrekking aan de GGD
|
||||
|
||||
### Artikel 67a
|
||||
### Artikel 1.67a
|
||||
|
||||
De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Rijkstoezicht op gemeentelijk toezicht en ingrijpen
|
||||
#### Paragraaf 3. Rijkstoezicht op gemeentelijk toezicht en ingrijpen
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
### Artikel 1.68
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders.
|
||||
**1.** Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 1, afdeling 4 en afdeling 6 gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders, met uitzondering van de bij artikel 1.50b gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.** Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend door de Inspectie van het onderwijs, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. De artikelen 3, 4, tweede lid, 7, 22 en 23 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
|
||||
**3.** Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 1, afdeling 4 en afdeling 6 gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.
|
||||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
### Artikel 1.69
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken Onze Minister alle gegevens en inlichtingen die hij voor het toezicht nodig heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -775,29 +814,29 @@ De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlic
|
|||
|
||||
**3.** De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
### Artikel 1.70
|
||||
|
||||
Onze Minister stelt jaarlijks een verslag vast van de werkzaamheden die hij in het kader van dit hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar heeft verricht. Hij zendt afschrift van het verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties
|
||||
### Afdeling 5. Opsporing en sancties
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Opsporing
|
||||
#### Paragraaf 1. Opsporing
|
||||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
|
||||
#### Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten
|
||||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
### Artikel 1.72
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het college van burgemeester en wethouders kan:
|
||||
|
||||
a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk 3, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 65 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
|
||||
b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
|
||||
c. de ouder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, eerste tot en met derde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2269.
|
||||
a. de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 3, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000;
|
||||
b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 1.28, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
|
||||
c. de ouder die een verplichting als bedoeld in artikel 1.28, eerste tot en met derde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2269.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -829,7 +868,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
### Artikel 1.80
|
||||
|
||||
Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.
|
||||
|
||||
|
|
@ -853,16 +892,16 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 86
|
||||
### Artikel 1.86
|
||||
|
||||
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan:
|
||||
|
||||
a. aan de ouder die een verplichting gesteld in artikel 33 niet nakomt, een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 29a, en 29g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
|
||||
b. aan de houder die een verplichting gesteld in artikel 33, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 72, eerste lid, onder b, en 80.
|
||||
a. aan de ouder die een verplichting gesteld in artikel 1.33 niet nakomt, een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 29a, en 29g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
|
||||
b. aan de houder die een verplichting gesteld in artikel 1.33, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 1.72, eerste lid, onder b, en 1.80.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Experimenten
|
||||
### Afdeling 6. Experimenten
|
||||
|
||||
### Artikel 87
|
||||
### Artikel 1.87
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -873,41 +912,307 @@ b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
|
|||
c. de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de hoogte van de tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
|
||||
d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.
|
||||
|
||||
Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1, eerste lid, wat betreft de begrippen gastouderbureau en gastouderopvang, artikel 7, hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 48, alsmede van hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, hoofdstuk 5, paragraaf 2.
|
||||
Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1.1, eerste lid, wat betreft de begrippen «gastouderbureau» en «gastouderopvang», artikel 1.7, afdeling 3, met uitzondering van artikel 1.48, alsmede van afdeling 4, paragrafen 1 en 2, en afdeling 5, paragraaf 2.
|
||||
|
||||
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
|
||||
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 1.6, 1.22, 1.29 en 1.35 aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 88
|
||||
### Artikel 1.88
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in artikel 87, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
**1.** Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in artikel 1.87, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een experiment als bedoeld in artikel 87, eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
**2.** Indien een experiment als bedoeld in artikel 1.87, eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 89
|
||||
### Artikel 1.89
|
||||
|
||||
Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
## Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *beroepskracht:* degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die voldoet aan de opleidingseisen als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, en ten behoeve van beroepspraktijkvorming is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een peuterspeelzaal;
|
||||
- *beroepskracht voorschoolse educatie:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a;
|
||||
- *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||||
- *GGD:* gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke gezondheid;
|
||||
- *houder:* degene die een peuterspeelzaal in stand houdt;
|
||||
- *ouder:* bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie het peuterspeelzaalwerk betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft;
|
||||
- *oudercommissie:* commissie als bedoeld in artikel 2.15;
|
||||
- *peuterspeelzaalwerk:* de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;
|
||||
- *peuterspeelzaal:* voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum;
|
||||
- *register peuterspeelzaalwerk:* het register peuterspeelzaalwerk, bedoeld in artikel 2.3;
|
||||
- *voorschoolse educatie:* uitvoering van een door het college van burgemeester en wethouders gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
|
||||
- *vrijwilliger:* degene die structureel al dan niet tegen een vrijwilligersvergoeding op regelmatige, niet incidentele, basis werkzaam is bij een peuterspeelzaal en is belast met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en die niet voldoet aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Kwaliteit peuterspeelzalen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Aanvraag en registratie
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Eisen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5
|
||||
|
||||
Een houder biedt verantwoord peuterspeelzaalwerk aan waaronder wordt verstaan peuterspeelzaalwerk dat bijdraagt aan en stimuleert tot een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.6
|
||||
|
||||
**1.** De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Ter uitvoering van de eerste volzin besteedt de houder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, de opleidingseisen van de beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de opvoeding en verzorging van kinderen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de veiligheid en de gezondheid;
|
||||
b. de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten moeten voldoen;
|
||||
c. de inzet van beroepskrachten in opleiding;
|
||||
d. het aantal beroepskrachten en vrijwilligers in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie;
|
||||
e. de groepsgrootte;
|
||||
f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
|
||||
|
||||
**3.** Personen die op structurele basis werkzaam zijn ten behoeve van de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
|
||||
|
||||
**4.** De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de houder vast te stellen termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.7
|
||||
|
||||
De houder van een peuterspeelzaal neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, en werkt mee aan de totstandkoming van de samenwerkingsafspraken en de nakoming ervan.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
|
||||
|
||||
a. de opleidingseisen en de scholingseisen waaraan de beroepskrachten voorschoolse educatie voldoen;
|
||||
b. het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie in relatie tot het aantal kinderen;
|
||||
c. de groepsgrootte; en
|
||||
d. de minimumomvang van de voorschoolse educatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9
|
||||
|
||||
De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elke door hem in stand gehouden peuterspeelzaal zoveel mogelijk zijn gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s het peuterspeelzaalwerk met zich brengt.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.10
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij peuterspeelzalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.11
|
||||
|
||||
De houder informeert de ouders van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
**1.** In een peuterspeelzaal wordt de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebezigd, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister voor Jeugd en Gezin, beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 2.5, 2.6 en 2.9.
|
||||
|
||||
**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Oudercommissie
|
||||
|
||||
### Artikel 2.14
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.15
|
||||
|
||||
**1.** Een houder van een peuterspeelzaal biedt voor elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal aan degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen, de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie die tot taak heeft hem te adviseren over de aangelegenheden, genoemd in artikel 2.17.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de oudercommissie worden gekozen uit en door degenen van wie de kinderen in de peuterspeelzaal worden opgevangen.
|
||||
|
||||
**3.** Personen werkzaam bij een peuterspeelzaal zijn geen lid van de oudercommissie van die peuterspeelzaal.
|
||||
|
||||
**4.** De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16
|
||||
|
||||
**1.** De houder stelt binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, voor de oudercommissie een reglement vast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent:
|
||||
|
||||
a. het aantal leden van de oudercommissie;
|
||||
b. de wijze waarop de leden van de oudercommissie worden gekozen;
|
||||
c. de zittingsduur van de leden van de oudercommissie.
|
||||
|
||||
**3.** Het reglement bevat geen regels omtrent de werkwijze van de oudercommissie.
|
||||
|
||||
**4.** De oudercommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
|
||||
|
||||
**5.** Wijziging van het reglement behoeft instemming van de oudercommissie.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder stelt de oudercommissie in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van de houder met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.6;
|
||||
b. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van opvoeding, veiligheid of gezondheid;
|
||||
c. openingstijden;
|
||||
d. het beleid met betrekking tot spel- en ontwikkelingsactiviteiten ten behoeve van de kinderen, waaronder voorschoolse educatie;
|
||||
e. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en het aanwijzen van personen die belast worden met de behandeling van klachten;
|
||||
f. wijziging van de prijs van peuterspeelzaalwerk.
|
||||
|
||||
**2.** Van een advies als bedoeld in het eerste lid kan de houder slechts afwijken indien hij schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van het peuterspeelzaalwerk zich tegen het advies verzet.
|
||||
|
||||
**3.** De oudercommissie is bevoegd de houder ook ongevraagd te adviseren over de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De houder verstrekt de oudercommissie tijdig en desgevraagd schriftelijk alle informatie die deze voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.18
|
||||
|
||||
De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3. Handhaving
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Toezicht op de naleving
|
||||
|
||||
### Artikel 2.19
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders ziet toe op de naleving van de bij of krachtens afdeling 2 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college van burgemeester en wethouders wijst de directeur van de GGD aan als toezichthouder.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.20
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 2.21
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
|
||||
|
||||
**4.** De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats.
|
||||
|
||||
**5.** De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar.
|
||||
|
||||
**6.** De toezichthouder zendt een afschrift van het inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, aan het college van burgemeester en wethouders en aan de Inspectie van het onderwijs, indien in een of meer van de basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie, als bedoeld in artikel 2.19, tekortkomingen zijn geconstateerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.22
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de door de toezichthouder te hanteren werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
**2.** De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.23
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens afdeling 2, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college van burgemeester en wethouders met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet, dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd.
|
||||
|
||||
**4.** De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing, onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.24
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de instandhouding van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 2, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.25
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van deze afdeling in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.26
|
||||
|
||||
**1.** Wanneer het college van burgemeester en wethouders een krachtens deze wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een krachtens deze wet gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht, besluit Onze Minister daarin te voorzien ten laste van de gemeente.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid vindt geen toepassing dan nadat het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid is gesteld binnen een door Onze Minister gestelde termijn alsnog de in het eerste lid bedoelde taken uit te voeren.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4. Sancties
|
||||
|
||||
### Artikel 2.27
|
||||
|
||||
Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.28
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 2, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
|
||||
### Afdeling 5. Experimenten
|
||||
|
||||
### Artikel 2.29
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming van innovatief peuterspeelzaalwerk mogelijk te maken, vormen van peuterspeelzaalwerk worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld omtrent:
|
||||
|
||||
a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk;
|
||||
b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
|
||||
c. de hoogte van de ouderbijdrage voor peuterspeelzaalwerk;
|
||||
d. de duur van de aan te wijzen vormen van peuterspeelzaalwerk als experiment.
|
||||
|
||||
Bij die regels kan worden afgeweken van de bepalingen in afdeling 2.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.30
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister zendt na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in artikel 2.29, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een experiment als bedoeld in artikel 2.29, eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.31
|
||||
|
||||
Een voordracht voor een krachtens deze afdeling vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Overgangsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 90
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a. Artikel 46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
|
||||
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a. Artikel 1.46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 1.47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft artikel 46, zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
|
||||
**2.** Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft artikel 1.46, zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.
|
||||
|
||||
**3.** Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in artikel 45, vierde lid.
|
||||
**3.** Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in artikel 1.45, vierde lid.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving, welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**5.** De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
|
||||
**5.** De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
|
||||
|
||||
### Artikel 90a
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
**1.** Ter uitvoering van artikel 49, derde lid, onderdeel a, is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (*Stb.* 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
|
||||
**1.** Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, onderdeel a, is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (*Stb.* 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
|
||||
|
||||
**2.** Het gastouderbureau stelt de ouders die gebruikmaken van de diensten van de gastouder in kennis van zijn in het eerste lid bedoelde beoordeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -915,171 +1220,61 @@ Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatreg
|
|||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het eerste en derde lid baseert het gastouderbureau zich op geobjectiveerde redelijke maatstaven die aantoonbaar zijn afgeleid van de in het eerste lid bedoelde eisen.
|
||||
|
||||
**5.** Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
|
||||
**5.** Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
|
||||
|
||||
**6.** De gastouder verstrekt aan het gastouderbureau de benodigde informatie met het oog op toepassing van het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**7.** Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
|
||||
**7.** Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
|
||||
|
||||
**8.** Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
|
||||
**8.** Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a, is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.
|
||||
|
||||
**9.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 91
|
||||
|
||||
**1.** Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G, worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in artikel 45, tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, eerste lid, is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt uiterlijk op 31 december van het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft, werkt de inschrijving, onder voorwaarde dat de aanvraag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, voor 1 september van genoemd kalenderjaar plaatsvindt, terug tot en met 1 januari van dat kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 92
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag als bedoeld in artikel 45, tweede lid, die is gedaan ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345), geldt als aanvraag gedaan op de eerste dag van inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G.
|
||||
|
||||
**2.** Een oordeel van de toezichthouder als bedoeld in artikel 63, inhoudende dat de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3 van deze wet zoals luidend na inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, dat is gegeven ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemd artikel I, onderdelen B en G, geldt als oordeel gegeven op de eerste dag van laatstbedoeld tijdstip van inwerkingtreding.
|
||||
|
||||
### Artikel 92a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G van de in het tweede lid genoemde wijzigingswet aan de Staten-Generaal een verslag over de voortgang van de vulling van het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
**2.** Aan het bepaalde in de artikelen 90, 91 en 92 kan bij ministeriële regeling met het oog op een goede invoering van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) in het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, zo nodig een andere uitvoering worden gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 92b
|
||||
|
||||
De artikelen 90 tot en met 92b vervallen drie jaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345).
|
||||
|
||||
### Artikel 93
|
||||
|
||||
**1.** Hoofdstuk 2 en artikel 86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h en i, die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
|
||||
|
||||
**2.** Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de artikelen 74 van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a, 34 tot en met 37, 45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 94
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 95
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 96
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 97
|
||||
|
||||
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
**1.** Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G, worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47a, ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
|
||||
**2.** Indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt uiterlijk op 31 december van het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft, werkt de inschrijving, onder voorwaarde dat de aanvraag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, voor 1 september van genoemd kalenderjaar plaatsvindt, terug tot en met 1 januari van dat kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6a
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, onder b, heeft een ouder voor het berekeningsjaar 2010 tevens aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft gastouderopvang, die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, in een of meer voorzieningen voor gastouderopvang die niet in het register kinderopvang zijn opgenomen onder voorwaarde dat is voldaan aan artikel 1.56b, derde, vierde en vijfde lid.
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover er geen uniek nummer is verstrekt als bedoeld in artikel 1.10, is dat artikel niet van toepassing gedurende het berekeningsjaar 2010.
|
||||
**1.** Een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, die is gedaan ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345), geldt als aanvraag gedaan op de eerste dag van inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2016.
|
||||
**2.** Een oordeel van de toezichthouder als bedoeld in artikel 1.63, inhoudende dat de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van deze wet zoals luidend na inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, dat is gegeven ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemd artikel I, onderdelen B en G, geldt als oordeel gegeven op de eerste dag van laatstbedoeld tijdstip van inwerkingtreding.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6b
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G van de in het tweede lid genoemde wijzigingswet aan de Staten-Generaal een verslag over de voortgang van de vulling van het register kinderopvang.
|
||||
|
||||
Voorzieningen voor gastouderopvang die niet zijn opgenomen in het register kinderopvang, worden voor de toepassing van artikel 1.5, eerste lid, onder b, gelijk gesteld met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang op voorwaarde dat:
|
||||
**2.** Aan het bepaalde in de artikelen 3.1, 3.3 en 3.4 kan bij ministeriële regeling met het oog op een goede invoering van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) in het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, zo nodig een andere uitvoering worden gegeven.
|
||||
|
||||
a. van de gastouder die de opvang verzorgt in een gelijkgestelde voorziening één voorzienig voor gastouderopvang is opgenomen in het register kinderopvang; en
|
||||
b. de gelijkgestelde voorzieningen voor gastouderopvang voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1.
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
De artikelen 3.1 tot en met 3.6 vervallen drie jaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345).
|
||||
|
||||
Indien opvang plaatsvindt in meer dan een voorzienig van gastouderopvang heeft een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, tweede lid, betrekking:
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
a. op het woonadres van de gastouder, indien de gastouderopvang zal plaatsvinden op zowel het woonadres van de gastouder als op het woonadres van een of meer ouders; of
|
||||
b. op een van de woonadressen van de ouders, indien de gastouderopvang uitsluitend zal plaatsvinden op twee of meer woonadressen van ouders.
|
||||
**1.** Afdeling 2 en artikel 1.86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h en i, die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de gastouder van wie een voorziening voor gastouderopvang met het woonadres van een ouder is ingeschreven in het register kinderopvang, na die inschrijving tevens opvang gaat bieden op het eigen woonadres, wordt dit aangemerkt als een wijziging in de gegevens als bedoeld in artikel 1.47, eerste lid.
|
||||
**2.** Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de artikelen 74 van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a, 34 tot en met 37, 45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Op het in exploitatie nemen van een op grond van het eerste lid gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang zijn de artikelen 1.45 tot en met 1.47a niet van toepassing.
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
**5.** Een ouder die gebruik maakt van een of meer voorzieningen die zijn gelijkgesteld op grond van het eerste lid, verstrekt het in artikel 1.10 bedoelde unieke nummer dat is afgegeven voor de geregistreerde voorziening bedoeld in het eerste lid, onder a, eveneens ten aanzien van de gelijkgestelde voorzieningen.
|
||||
|
||||
**6.** Dit artikel geldt vanaf het berekeningsjaar 2011 en vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij de verschillende leden op verschillende tijdstippen kunnen vervallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6c
|
||||
|
||||
**1.** De in artikel 1.61, eerste lid, genoemde toezichthouder kan in afwijking van artikel 1.62 tevens ten aanzien van een op grond van artikel 3.6b, eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang onderzoeken of de exploitatie van deze voorziening redelijkerwijs plaatsvindt in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 1. De artikelen 1.61, 1.62, derde lid, en 1.63 tot en met 1.66 zijn met ingang van 1 januari 2011 van overeenkomstige toepassing op een op grond van artikel 3.6b, eerste lid, gelijkgestelde voorziening voor gastouderopvang.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Wijziging van andere wet- en regelgeving
|
||||
|
||||
### Artikel 98
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/253.
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 99
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 100
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 101
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 102
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 103
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 104
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 105
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 106
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 107
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 109
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 110
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 111
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 112
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 113
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
**1.** Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1087,17 +1282,25 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**3.** De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.
|
||||
|
||||
### Artikel 114
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
De voordracht voor een krachtens de artikelen 7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 56, tweede lid, en 56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 115
|
||||
### Artikel 3.12
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag uit over de werking ervan.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (*Stb.* 345) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de genoemde wet.
|
||||
**3.** Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de genoemde wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.13
|
||||
|
||||
Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.14
|
||||
|
||||
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 116
|
||||
|
||||
|
|
@ -1105,6 +1308,6 @@ De voordracht voor een krachtens de artikelen 7, tweede, vierde, vijfde en zesde
|
|||
|
||||
**2.** De artikelen 1, onder b, 3°, 2, negende lid, tweede volzin, 2a, tweede lid, en 3c, van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 117
|
||||
### Artikel 3.15
|
||||
|
||||
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang.
|
||||
Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue