2022-08-01 | BWBR0019574 | Uitvoeringswet internationale kinderbescherming
This commit is contained in:
parent
1aa73f70ad
commit
5c30ff3081
1 changed files with 56 additions and 32 deletions
|
|
@ -16,8 +16,8 @@ citeertitel: Uitvoeringswet internationale kinderbescherming
|
|||
|
||||
In deze wet wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
– het verdrag: het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299);
|
||||
– de verordening: de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PbEU L 338).
|
||||
– *het verdrag:* het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299);
|
||||
– *de verordening:* de Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PbEU L 178).
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -25,7 +25,7 @@ De hoofdstukken 1, 2, 4, 7 en 8 zijn mede van toepassing op internationale kwest
|
|||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 1, onder a, van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10), artikel 4 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139) en artikel 2 van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van die verdragen (Stb. 202), is deze wet van toepassing op kinderen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.
|
||||
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 1, onder a, van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10), artikel 4 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139) en artikel 2 van de Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van die verdragen (Stb. 202), is deze wet van toepassing op kinderen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Bereikt een kind ten aanzien waarvan een verzoek op grond van het verdrag, van de verordening of van deze wet in behandeling is, de leeftijd van achttien jaren, dan wordt de behandeling van dat verzoek ambtshalve gestaakt. Hetzelfde geldt voor maatregelen ter uitvoering van een beslissing op een verzoek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -33,9 +33,9 @@ De hoofdstukken 1, 2, 4, 7 en 8 zijn mede van toepassing op internationale kwest
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Justitie wordt voor Nederland aangewezen als centrale autoriteit, bedoeld in artikel 29 van het verdrag en in artikel 53 van de verordening.
|
||||
**1.** Onze Minister van Justitie wordt voor Nederland aangewezen als centrale autoriteit, bedoeld in artikel 29 van het verdrag en in artikel 76 van de verordening.
|
||||
|
||||
**2.** De centrale autoriteit is belast met de in hoofdstuk V van het verdrag, onderscheidenlijk hoofdstuk IV van de verordening omschreven taken van de centrale autoriteit. Deze centrale autoriteit is als zodanig tevens belast met de behandeling van verzoeken om tussenkomst in internationale kwesties betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, wanneer deze niet door het verdrag of de verordening worden beheerst. Bij de behandeling van deze verzoeken worden de bepalingen van hoofdstuk V van het verdrag zoveel mogelijk in acht genomen.
|
||||
**2.** De centrale autoriteit is belast met de in hoofdstuk V van het verdrag, onderscheidenlijk hoofdstuk V van de verordening omschreven taken van de centrale autoriteit. Deze centrale autoriteit is als zodanig tevens belast met de behandeling van verzoeken om tussenkomst in internationale kwesties betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, wanneer deze niet door het verdrag of de verordening worden beheerst. Bij de behandeling van deze verzoeken worden de bepalingen van hoofdstuk V van het verdrag zoveel mogelijk in acht genomen.
|
||||
|
||||
**3.** In het bijzonder neemt de centrale autoriteit alle passende maatregelen teneinde te bevorderen dat in de omstandigheden waarin het verdrag, de verordening of deze wet van toepassing is, minnelijke schikkingen tot stand komen met betrekking tot de bescherming van de persoon of het vermogen van het kind.
|
||||
|
||||
|
|
@ -45,7 +45,7 @@ De hoofdstukken 1, 2, 4, 7 en 8 zijn mede van toepassing op internationale kwest
|
|||
|
||||
**1.** De centrale autoriteit is bevoegd, zonodig ook zonder uitdrukkelijke volmacht van degene die zich met een verzoek tot haar heeft gewend, namens hem, anders dan in rechte, op te treden.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het bepaalde in artikel 5, derde lid, van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) en artikel 26 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), draagt de centrale autoriteit zelf alle kosten die aan de uitvoering van haar taak zijn verbonden.
|
||||
**2.** Onverminderd het bepaalde in artikel 5, derde lid, van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) en artikel 26 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), draagt de centrale autoriteit zelf alle kosten die aan de uitvoering van haar taak zijn verbonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
|
|
@ -67,7 +67,7 @@ De gemeentebesturen en de ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de cen
|
|||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** De beslissing tot plaatsing van, of tot verstrekking van zorg aan een uit Nederland afkomstig kind in een pleeggezin of in een instelling in een andere staat ingevolge artikel 33 van het verdrag dan wel artikel 56 van de verordening, wordt in Nederland genomen door de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
|
||||
**1.** De beslissing tot plaatsing van, of tot verstrekking van zorg aan een uit Nederland afkomstig kind in een pleeggezin of in een instelling in een andere staat ingevolge artikel 33 van het verdrag dan wel artikel 82 van de verordening, wordt in Nederland genomen door de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De centrale autoriteit zendt een gemotiveerd verzoek, vergezeld van een rapport betreffende het kind, toe aan de centrale autoriteit dan wel de andere bevoegde autoriteit van de staat waar de plaatsing of de verstrekking van zorg dient plaats te vinden. Zij treedt met deze autoriteit in overleg.
|
||||
|
||||
|
|
@ -75,25 +75,23 @@ De gemeentebesturen en de ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de cen
|
|||
|
||||
De in het eerste lid bedoelde beslissing wordt eerst genomen nadat de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de volgende bescheiden heeft ontvangen:
|
||||
|
||||
a. een schriftelijke verklaring van de personen of de instelling bij welke de plaatsing of de verstrekking van zorg dient plaats te vinden, waaruit hun instemming blijkt;
|
||||
a. een schriftelijke verklaring van de personen of de instelling bij welke de plaatsing of de verstrekking van zorg dient plaats te vinden, waaruit hun instemming dan wel goedkeuring blijkt;
|
||||
b. indien gewenst, een door de centrale autoriteit of de andere bevoegde autoriteit in het land van plaatsing opgesteld rapport waaruit de geschiktheid van de pleegouder tot het verstrekken van pleegzorg aan het kind blijkt;
|
||||
c. de instemming, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het verdrag, dan wel artikel 56, tweede lid, van de verordening;
|
||||
c. de instemming, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het verdrag, dan wel de goedkeuring, bedoeld in artikel 82, vijfde lid, van de verordening;
|
||||
d. indien toepasselijk, bescheiden waaruit blijkt dat het kind vergunning heeft of zal verkrijgen om de staat waar de plaatsing of de verstrekking van zorg zal plaatsvinden, binnen te komen en met het oog op de plaatsing of de verstrekking van zorg een verblijfsrecht in die staat heeft of zal verkrijgen.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** In geval van plaatsing van een kind vanuit een andere staat in Nederland of verstrekking van zorg aan een zodanig kind in een pleeggezin of in een instelling in Nederland ingevolge artikel 33 van het verdrag dan wel artikel 56 van de verordening, dient de instemming, bedoeld in de genoemde artikelen, te worden gegeven door de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
|
||||
**1.** In geval van plaatsing van een kind vanuit een andere staat in Nederland of verstrekking van zorg aan een zodanig kind in een pleeggezin of in een instelling in Nederland ingevolge artikel 33 van het verdrag dan wel artikel 82 van de verordening, dient de instemming dan wel goedkeuring, bedoeld in de genoemde artikelen, te worden gegeven door de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De instemming, bedoeld in het eerste lid, wordt eerst gegeven nadat de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van het kind een gemotiveerd verzoek heeft ontvangen, vergezeld van een rapport betreffende het kind, en nadat zij de volgende bescheiden heeft ontvangen, welke bescheiden zij toezendt aan de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het kind:
|
||||
De instemming dan wel goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, wordt eerst gegeven nadat de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst van het kind een gemotiveerd verzoek heeft ontvangen, vergezeld van een rapport betreffende het kind, en nadat zij de volgende bescheiden heeft ontvangen, welke bescheiden zij toezendt aan de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het kind:
|
||||
|
||||
a. een schriftelijke verklaring van de personen of de instelling bij welke de plaatsing of de verstrekking van zorg dient plaats te vinden, waaruit hun instemming blijkt;
|
||||
a. een schriftelijke verklaring van de personen of de instelling bij welke de plaatsing of de verstrekking van zorg dient plaats te vinden, waaruit hun instemming dan wel goedkeuring blijkt;
|
||||
b. indien gewenst, een rapport waaruit de geschiktheid van de pleegouder tot het verstrekken van pleegzorg aan het kind blijkt;
|
||||
c. indien van toepassing, bescheiden waaruit blijkt dat het kind vergunning heeft of zal verkrijgen om Nederland binnen te komen en met het oog op de plaatsing of de verstrekking van zorg een verblijfsrecht in Nederland heeft of zal verkrijgen.
|
||||
|
||||
**3.** Kennisgevingen van buitenlandse autoriteiten, als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de verordening, worden aan de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, gericht. Deze zendt afschriften van deze kennisgevingen toe aan de raad voor de kinderbescherming en aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
**1.** Indien de voorschriften van artikel 10 niet in acht zijn genomen, kan de officier van justitie of de centrale autoriteit de kinderrechter verzoeken een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over het kind. Dit verzoek kan ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming. Tenzij de kinderrechter een langere termijn van verval van de voorlopige voogdij heeft bepaald, wendt de raad zich binnen zes weken na de beslissing over de voorlopige voogdij tot de rechter ten einde een voorziening in het gezag over de minderjarige te verkrijgen. Artikel 241, vierde en vijfde lid, alsmede artikel 306a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 813, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
|
@ -156,43 +154,69 @@ Artikel 14 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (Stb. 1990, 202
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** De voorzieningenrechter van de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de verzoeken, bedoeld in de artikelen 21, derde lid, 28 en 48, eerste lid, van de verordening. Ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn de artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 29, tweede lid, van de verordening is van overeenkomstige toepassing op de relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter in de zaken, bedoeld in artikel 21, derde lid, van de verordening. Kan de bevoegdheid van deze rechter niet worden gebaseerd op de daar genoemde gronden, dan is bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.
|
||||
Ten aanzien van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid is de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd tot kennisneming van:
|
||||
|
||||
**3.** Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt gevraagd bij verzoekschrift. Het wordt ingediend door een advocaat. Het verzoekschrift houdt tevens in de keuze van een woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank.
|
||||
a. een verzoek tot erkenning of de weigering daarvan, als bedoeld in artikel 30, derde lid, respectievelijk 40, eerste lid, van de verordening;
|
||||
b. een verzoek betreffende de uitoefening van het omgangsrecht, als bedoeld in artikel 54 van de verordening;
|
||||
c. een verzoek tot weigering van de tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 59 van de verordening.
|
||||
|
||||
**4.** Onverminderd het bepaalde bij artikel 38, eerste lid, van de verordening, wordt bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoekschrift overgelegde stukken aan de verzoeker de gelegenheid tot aanvulling gegeven met het stuk, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, van de verordening.
|
||||
**2.** Relatief bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wiens rechtsgebied het kind waarop het verzoek betrekking heeft, zijn woonplaats heeft of, bij gebreke daarvan in Nederland, zijn verblijfplaats heeft. Kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de woonplaats of het werkelijke verblijf van het kind, dan is de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd.
|
||||
|
||||
**3.** Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt gevraagd bij verzoekschrift dat door tussenkomst van een advocaat wordt ingediend. Het verzoekschrift houdt tevens de keuze in van een woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank.
|
||||
|
||||
**4.** Onverminderd het bepaalde bij artikel 32 van de verordening, wordt bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoekschrift overgelegde stukken aan de verzoeker gelegenheid tot aanvulling gegeven met de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de verordening.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
**1.** De persoon tegen wie tenuitvoerlegging wordt gevraagd en andere belanghebbenden worden in de procedure over een verzoek als bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet opgeroepen.
|
||||
**1.** Ten aanzien van beslissingen in huwelijkszaken is de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats dan wel zijn verblijfplaats heeft, of bij gebreke daarvan in Nederland, de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, bevoegd tot kennisneming van een verzoek tot erkenning of de weigering daarvan, als bedoeld in artikel 30, derde lid, respectievelijk 40, eerste lid, van de verordening. Artikel 18, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden worden in de procedure niet opgeroepen.
|
||||
|
||||
**2.** Inwilliging van het verzoek, bedoeld in artikel 28 van de verordening, door de voorzieningenrechter geschiedt in de vorm van een eenvoudig verlof, dat op de overgelegde expeditie van de ten uitvoer te leggen beslissing wordt gesteld.
|
||||
**2.** In de zaken, bedoeld in het eerste lid, is de procedure van artikel 26 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het verlof tot tenuitvoerlegging is uitvoerbaar bij voorraad.
|
||||
**3.** Artikel 26e van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op een beslissing als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op een verzoek als bedoeld in artikel 18, eerste lid, heeft beschikt, neemt kennis van het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 van de verordening.
|
||||
**1.** Het afschrift van de rechterlijke beslissing en het certificaat, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder a en b, respectievelijk artikel 46, eerste lid, onder a en b, van de verordening vormen telkens tezamen een executoriale titel in de zin van artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
|
||||
|
||||
**2.** Het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 33 van de verordening, wordt, indien het wordt ingesteld door de verzoeker en is gericht tegen een weigering om een verzoek als bedoeld in artikel 18, eerste lid, in te willigen, ingesteld binnen een maand na de dagtekening van de beschikking.
|
||||
|
||||
**3.** De rechtbank bij welke hoger beroep is ingesteld, doet daarover onverwijld uitspraak.
|
||||
**2.** Een authentieke akte of overeenkomst, als bedoeld in artikel 64 van de verordening vormt tezamen met het certificaat, bedoeld in artikel 66, eerste lid, onder b, van de verordening een executoriale titel in de zin van artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** De procedure van artikel 26 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing ten aanzien van het op artikel 21, derde lid, van de verordening gegronde verzoek om een beslissing houdende erkenning of niet-erkenning van een in een andere lidstaat gegeven beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk.
|
||||
**1.** Heeft de partij tegen wie de tenuitvoerlegging zich richt woonplaats in Nederland, dan kan de in artikel 20 bedoelde executoriale titel niet dan na verloop van een maand na betekening, als bedoeld in artikel 55 van de verordening, tegen die partij ten uitvoer worden gelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 26e van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op een beslissing als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** Heeft de partij tegen wie de tenuitvoerlegging zich richt geen woonplaats in Nederland, dan kan de in artikel 20 bedoelde executoriale titel niet dan na verloop van twee maanden na betekening, als bedoeld in artikel 55 van de verordening, tegen die partij ten uitvoer worden gelegd.
|
||||
|
||||
**3.** De voorzieningenrechter van de rechtbank kan, indien daartoe gronden aanwezig zijn, de in het eerste en tweede lid genoemde termijn inkorten op verzoek van de partij die de executoriale titel ten uitvoer wil leggen. Dit verzoek wordt door tussenkomst van een advocaat ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd of het kind waarop het verzoek betrekking heeft, gewone verblijfplaats heeft dan wel binnen wiens rechtsgebied de tenuitvoerlegging dient plaats te vinden. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging zich richt, wordt op dit verzoek niet gehoord. Tegen de beschikking van de voorzieningenrechter staat geen hoger beroep open.
|
||||
|
||||
**4.** Bij toepassing van het derde lid vermeldt het exploot van de gerechtsdeurwaarder waarmee het certificaat wordt betekend, bedoeld in artikel 55 van de verordening, het door de voorzieningenrechter verleende verlof voor verkorting van de termijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
In het in artikel 41, derde lid, laatste zin, van de verordening bedoelde geval wordt het verzoek om een certificaat betreffende een beslissing inzake het omgangsrecht door tussenkomst van een advocaat ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank van welke de kinderrechter de beslissing heeft gegeven. De voorzieningenrechter beslist onverwijld op het verzoek. Artikel 19, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Op de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in de verordening, zijn de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de partij die de executoriale titel ten uitvoer wil leggen, bepalen op welke wijze de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing moet plaatsvinden. Artikel 18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter.
|
||||
|
||||
**3.** Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt gevraagd bij verzoekschrift door tussenkomst van een advocaat. Het verzoekschrift houdt tevens de keuze in van een woonplaats binnen het arrondissement van de rechtbank.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing op de procedure, bedoeld in artikel 43 van de verordening, indien het certificaat door een Nederlandse rechter is afgegeven.
|
||||
**1.** Het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 61 van de verordening, is het gerechtshof.
|
||||
|
||||
**2.** Het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 62 van de verordening, is de Hoge Raad.
|
||||
|
||||
### Artikel 23a
|
||||
|
||||
**1.** De rechter die de beslissing heeft gegeven, is bevoegd kennis te nemen van een verzoek tot afgifte van een certificaat, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de verordening.
|
||||
|
||||
**2.** Het certificaat bedoeld in artikel 36, eerste lid, en artikel 47, eerste lid, van de verordening wordt op verzoek van een partij afgegeven zonder dat die partij of andere belanghebbenden worden gehoord. Voor dit verzoek is de tussenkomst van een advocaat niet vereist.
|
||||
|
||||
**3.** Op een verzoek tot rectificatie van het certificaat, als bedoeld in de artikelen 37 en 48, eerste lid, van de verordening, is artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, indien het certificaat door een Nederlandse rechter is afgegeven. De rechter stelt belanghebbenden niet in de gelegenheid om zich over de rectificatie uit te laten.
|
||||
|
||||
**4.** Het verzoek om intrekking van het certificaat, bedoeld in artikel 48, tweede lid, en het verzoek om afgifte van een certificaat van niet-uitvoerbaarheid of beperkte uitvoerbaarheid, bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de verordening, worden door tussenkomst van een advocaat ingediend bij de rechter die de beslissing heeft gegeven. De rechter kan bepalen dat een mondelinge behandeling achterwege blijft indien geen van de partijen, na te zijn gewezen op hun recht te worden gehoord, binnen een door de rechter te bepalen termijn heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.
|
||||
|
||||
**5.** Tegen beslissingen op verzoeken, als bedoeld in het vierde lid, kan hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken na de dagtekening van de beslissing. Tegen de beschikking van het gerechtshof staat geen gewoon rechtsmiddel open.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Internationale samenwerking van gerechten
|
||||
|
||||
|
|
@ -208,7 +232,7 @@ Artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstig
|
|||
|
||||
**5.** Voordat een consultatie als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, stelt de rechter bij wie de procedure aanhangig is, de partijen hiervan in kennis. Nadat de consultatie heeft plaatsgevonden, doet hij partijen verslag van de consultatie.
|
||||
|
||||
**6.** De overdracht van verzoeken als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van het verdrag en artikel 15 van de verordening, geschiedt door tussenkomst van de in het eerste lid bedoelde rechter. De rechter die een verzoek heeft overgedragen, stelt partijen hiervan in kennis.
|
||||
**6.** De overdracht van verzoeken als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van het verdrag en de artikelen 12 en 13 van de verordening, geschiedt door tussenkomst van de in het eerste lid bedoelde rechter. De rechter die een verzoek heeft overgedragen, stelt partijen hiervan in kennis.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -222,7 +246,7 @@ Artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstig
|
|||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
In de betrekkingen tussen Nederland en andere staten die partij zijn zowel bij het in artikel 1 bedoelde verdrag als bij het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) gaat het in artikel 1 bedoelde verdrag voor.
|
||||
In de betrekkingen tussen Nederland en andere staten die partij zijn zowel bij het in artikel 1 bedoelde verdrag als bij het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) gaat het in artikel 1 bedoelde verdrag voor.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
|
||||
|
||||
|
|
@ -242,7 +266,7 @@ Wijzigt de Uitvoeringswet EG-executieverordening.
|
|||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 28, onderdeel B, van deze wet is van toepassing op procedures inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, nietigverklaring alsmede nietigheid en geldigheid van het huwelijk die worden ingesteld op of na 1 maart 2005.
|
||||
**1.** Artikel 28, onderdeel B, van deze wet is van toepassing op procedures inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, nietigverklaring alsmede nietigheid en geldigheid van het huwelijk die worden ingesteld op of na 1 maart 2005.
|
||||
|
||||
**2.** Het in artikel 1 bedoelde verdrag is niet van toepassing in procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of maatregelen ter bescherming van kinderen, die vóór zijn inwerkingtreding in Nederland zijn ingesteld en waarin na zijn inwerkingtreding een beslissing wordt genomen.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue