2021-09-01 | BWBR0005682 | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
This commit is contained in:
parent
25ea5bbeb4
commit
623e9ec824
1 changed files with 204 additions and 114 deletions
|
|
@ -56,7 +56,10 @@ y. college van bestuur:
|
|||
z. graad: de graad Bachelor of Master met of zonder toevoeging, de graad Associate degree of de graad Doctor, Doctor honoris causa of Doctor of Philosophy;
|
||||
aa. rechtspersoon voor hoger onderwijs: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat of een instelling of een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgt met uitzondering van de Staat;
|
||||
bb. openbaar lichaam BES: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
|
||||
cc. titel: een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste en tweede lid (ingenieur, afgekort tot ir., meester, afgekort tot mr., doctorandus, afgekort tot drs., ingenieur, afgekort tot ing., baccalaureus, afgekort tot bc.) of de titel als bedoeld in artikel 7.22, tweede en derde lid (doctor, afgekort tot dr.).
|
||||
cc. titel: een titel als bedoeld in artikel 7.20, eerste en tweede lid (ingenieur, afgekort tot ir., meester, afgekort tot mr., doctorandus, afgekort tot drs., ingenieur, afgekort tot ing., baccalaureus, afgekort tot bc.) of de titel als bedoeld in artikel 7.22, tweede en derde lid (doctor, afgekort tot dr.);
|
||||
dd. *premaster:* mogelijkheid om tekortkomingen weg te nemen in verband met het niet voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in artikel 7.30e;
|
||||
ee. *Verordening (EU) nr. 1178/2011:* Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 311);
|
||||
ff. *Verordening (EU) 2015/340:* Verordening (EU) 2015/340 van de Commissie van 20 februari 2015 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot vergunningen en certificaten van luchtverkeersleiders overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 805/2011 van de Commissie (PbEU L63).
|
||||
|
||||
### Artikel 1.1a
|
||||
|
||||
|
|
@ -534,9 +537,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
|
|||
|
||||
### Artikel 2.9
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het bestuursverslag en overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code overeenkomstig artikel 2.14 is aangewezen. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties of het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeld, cursusgeld of voor de bijdrage bedoeld in artikel 7.50, tweede lid, tenzij er sprake is van een financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.50, derde lid, of 7.51 tot en met 7.51k.
|
||||
|
||||
**1a.** Indien na goedkeuring van Onze Minister, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, een associate degree-opleiding gedeeltelijk wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, kan het instellingsbestuur in verband daarmee een deel van de rijksbijdrage overdragen aan die instelling.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister een verslag in. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met bijbehorende begroting, het bestuursverslag en overige gegevens als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede een verantwoording over de wijze waarop van een branchecode voor goed bestuur is afgeweken, voor zover een zodanige code overeenkomstig artikel 2.14 is aangewezen. Uit het verslag dient te blijken in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend en van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, mede in het licht van het instellingsplan. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake, voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het uitvoeren van de procedure voor erkenning van verworven competenties of het op enigerlei wijze compenseren van studenten of extraneï voor collegegeld, examengeldcursusgeld, de bijdrage bedoeld in artikel 7.50, tweede lid, of voor de vergoeding verschuldigd aan de opleidingsorganisatie, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011, tenzij sprake is van een financiële ondersteuning als bedoeld in de artikelen 7.50, derde lid, of 7.51 tot en met 7.51k.
|
||||
|
||||
**2.** In de jaarrekening wordt rekening en verantwoording afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. Het bestuursverslag omvat mede het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instelling, mede in het licht van de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18 en andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Aan het bestuursverslag van een universiteit waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden, wordt het in artikel 12.21 bedoelde document toegevoegd, dan wel, indien het een bijzondere universiteit betreft, een overzicht van de voornemens betreffende de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de universiteit en het academisch ziekenhuis op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Toepassing van de voorgaande volzin blijft achterwege indien het document, onderscheidenlijk het overzicht reeds aan een eerder bestuursverslag is toegevoegd en het sindsdien niet is gewijzigd of opnieuw is vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -564,7 +565,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omt
|
|||
|
||||
### Artikel 2.11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Indien na goedkeuring van Onze Minister, bedoeld in artikel 7.8a, tweede lid, een associate degree-opleiding gedeeltelijk wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, kan het instellingsbestuur in verband daarmee een deel van de rijksbijdrage overdragen aan die instelling.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -1521,7 +1522,7 @@ b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q
|
|||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur doet een aanvraag tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, onderdeel b, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. Voor zover er sprake is van het behoud van accreditatie bestaande opleiding doet het accreditatieorgaan een melding tot het registreren van de bevestiging, bedoeld in artikel 5.16, derde lid, en het daarbij vermelden van de datum waarop het eerstvolgende visitatierapport moet worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag voegt het instellingsbestuur het besluit, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, artikel 5.16, eerste lid, of artikel 5.22, tweede lid, en het besluit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs voegt zo nodig het besluit, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe.
|
||||
**2.** De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag voegt het instellingsbestuur het besluit, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, artikel 5.16, eerste lid, of artikel 5.22, tweede lid, en het besluit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs voegt zo nodig het besluit, bedoeld in 7.5c, eerste lid, toe.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1636,7 +1637,7 @@ e. de collegegeldverplichtingen voor studenten.
|
|||
|
||||
### Artikel 7.3d
|
||||
|
||||
**1.** In geval een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs gezamenlijk met een of meer andere Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgt, zijn die instellingsbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 5.6, 5.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, vierde lid, 7.8, 7.8a, 7.8b, 7.9, 7.9a, 7.9b, 7.10a, 7.11, 7.12a, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.
|
||||
**1.** In geval een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs gezamenlijk met een of meer andere Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgt, zijn die instellingsbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 5.6, 5.11, 6.2, 6.14, 7.5a, onderdeel a, 7.5b, eerste lid, onderdeel a, 7.5d, onderdeel a, 7.8, 7.8a, 7.8b, 7.9, 7.9a, 7.9b, 7.10a, 7.11, 7.12a, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding of een afstudeerrichting leggen de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1658,57 +1659,98 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ter ui
|
|||
|
||||
### Artikel 7.3h
|
||||
|
||||
**1.** Een instelling voor hoger onderwijs kan in samenwerking met een opleidingsorganisatie als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011 een bacheloropleiding of een afstudeerrichting in het hoger beroepsonderwijs op het gebied van de luchtvaart verzorgen waarvan de opleidingsorganisatie het gedeelte verzorgt dat opleidt tot het beroep van piloot.
|
||||
|
||||
**2.** Een instelling voor hoger onderwijs kan in samenwerking met een opleidingsorganisatie als bedoeld in Verordening (EU) 2015/340 een bacheloropleiding of een afstudeerrichting in het hoger beroepsonderwijs op het gebied van de luchtvaart verzorgen waarvan de opleidingsorganisatie het gedeelte verzorgt dat opleidt tot het beroep van luchtverkeersleider.
|
||||
|
||||
**3.** Een instelling voor hoger onderwijs kan uitsluitend een bacheloropleiding of een afstudeerrichting in samenwerking met een opleidingsorganisatie verzorgen, indien het instellingsbestuur met de opleidingsorganisatie een overeenkomst heeft afgesloten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De overeenkomst bevat in elk geval:
|
||||
|
||||
a. afspraken over de inhoud van het gedeelte van de bacheloropleiding of afstudeerrichting dat wordt verzorgd door de opleidingsorganisatie; en
|
||||
b. de verplichting voor de opleidingsorganisatie tot:
|
||||
|
||||
1°. het verlenen van medewerking aan activiteiten van het accreditatieorgaan op grond van hoofdstuk 5; en
|
||||
2°. het laten deelnemen van studenten die hiervoor door het instellingsbestuur zijn geselecteerd aan het gedeelte van de bacheloropleiding of afstudeerrichting dat wordt verzorgd door de opleidingsorganisatie.
|
||||
|
||||
**5.** De propedeutische fase, de afstudeerfase en het afsluitend examen worden in ieder geval verzorgd door de instelling voor hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld ter uitvoering van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.3i
|
||||
|
||||
**1.** Indien een instellingsbestuur een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3h aanbiedt, selecteert het instellingsbestuur daarvoor studenten die naar het oordeel van de opleidingsorganisatie geschikt zijn voor het desbetreffende onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de selectieprocedure.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.3j
|
||||
|
||||
Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden. Indien nodig wijst het instellingsbestuur een examencommissie aan die met de in de eerste volzin bedoelde beslissing is belast.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt zestig studiepunten. Zestig studiepunten is gelijk aan 1680 uren studie.
|
||||
**1.** De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt 60 studiepunten. 60 studiepunten is gelijk aan 1.680 uren studie.
|
||||
|
||||
**2.** Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar gebaseerd is.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur bepaalt de jaarlijkse studielast van deeltijdopleidingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4a
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 180 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin kan de studielast van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs ten hoogste 240 studiepunten bedragen, indien Onze Minister voor die opleiding daartoe een besluit heeft genomen dat gebaseerd is op het accreditatierapport van die opleiding. In het besluit, bedoeld in de tweede volzin, wordt de studielast van de opleiding bepaald.
|
||||
|
||||
**2.** Behoudens het bepaalde in het derde tot en met zevende lid bedraagt de studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**3.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. In afwijking van de eerste volzin bedraagt de studielast van door Onze Minister aan te wijzen opleidingen als bedoeld in die volzin ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
|
||||
|
||||
**4.** De studielast van de masteropleiding voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten.
|
||||
|
||||
**5.** De studielast van de door Onze Minister aan te wijzen masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs bedraagt 120 studiepunten. Onze Minister kan bepalen dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep, 180 studiepunten bedraagt en dat de studielast van de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met een buitenlandse instelling als bedoeld in artikel 7.3c 90 studiepunten bedraagt.
|
||||
|
||||
**6.** De studielast van de masteropleidingen voor het beroep van arts, voor het beroep van dierenarts, voor het beroep van apotheker, voor het beroep van tandarts en voor het beroep van klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten.
|
||||
|
||||
**7.** De studielast van de masteropleidingen geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
**8.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4b
|
||||
|
||||
**1.** De studielast van een associate degree-opleiding bedraagt 120 studiepunten.
|
||||
|
||||
**2.** De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
**3.** De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
**4.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding.
|
||||
|
||||
**5.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten.
|
||||
|
||||
**6.** De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten.
|
||||
|
||||
**7.** De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten.
|
||||
|
||||
**8.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
**9.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het eerste lid een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten en een opleiding als bedoeld in het derde lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 7.5a tot en met 7.5d bedraagt de studielast van:
|
||||
|
||||
a. een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 180 studiepunten;
|
||||
b. een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten;
|
||||
c. een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs 240 studiepunten;
|
||||
d. een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs 60 studiepunten; en
|
||||
e. een associate degree-opleiding 120 studiepunten.
|
||||
|
||||
**2.** Met inachtneming van het eerste lid bepaalt het instellingsbestuur de jaarlijkse studielast van deeltijdopleidingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5a
|
||||
|
||||
De studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs:
|
||||
|
||||
a. tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt binnen die bandbreedte de studielast van de opleiding;
|
||||
b. voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten;
|
||||
c. voor het beroep van arts, dierenarts, apotheker, tandarts en klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten; en
|
||||
d. geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs:
|
||||
|
||||
a. op het gebied van de kunst bedraagt een door het instellingsbestuur te bepalen studielast van ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten;
|
||||
b. tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten;
|
||||
c. tot advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten;
|
||||
d. tot physician assistant bedraagt 150 studiepunten; en
|
||||
e. op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
**2.** De studielast van een versneld traject als bedoeld in artikel 7.9a, eerste lid, bedraagt 180 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5c
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan op aanvraag bacheloropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs aanwijzen, waarvan de studielast meer dan 180 studiepunten, maar ten hoogste 240 studiepunten bedraagt. In het besluit op de aanvraag bepaalt Onze Minister de studielast van de opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan op aanvraag masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs aanwijzen, waarvan de studielast 120 studiepunten bedraagt.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan op aanvraag masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs die mede zijn gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep aanwijzen, waarvan de studielast 180 studiepunten bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan op aanvraag een gezamenlijke masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.3c aanwijzen, waarvan de studielast 90 studiepunten bedraagt, indien die opleiding wordt verzorgd met een buitenlandse instelling.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan op aanvraag een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs aanwijzen, waarvan de studielast ten minste 120 studiepunten en ten hoogste 180 studiepunten bedraagt. Het instellingsbestuur bepaalt binnen die bandbreedte de studielast van de opleiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5d
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur kan bepalen dat:
|
||||
|
||||
a. een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten;
|
||||
b. een associate degree-opleiding een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten;
|
||||
c. in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten gevallen, de studielast van een versneld traject als bedoeld in artikel 7.9a in afwijking van artikel 7.5b, tweede lid, 240 studiepunten bedraagt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1815,8 +1857,6 @@ Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan
|
|||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur kan besluiten ook een andere student dan degene, bedoeld in het eerste lid, tot het versnelde traject toe te laten indien hij naar het oordeel van het instellingsbestuur blijk heeft gegeven van geschiktheid voor dat traject.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 7.4b, tweede lid, bedraagt de studielast voor een versneld traject 180 studiepunten. Het instellingsbestuur kan in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten, gevallen bepalen dat de studielast voor een versneld traject 240 studiepunten bedraagt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.9b
|
||||
|
||||
**1.** Indien een instellingsbestuur binnen een opleiding een speciaal traject aanbiedt, dat is gericht op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten, kan het instellingsbestuur daarvoor studenten selecteren.
|
||||
|
|
@ -1899,6 +1939,18 @@ Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels en voldoet aan het Eu
|
|||
|
||||
**5.** Degene die meer dan een tentamen met goed gevolg heeft afgelegd en aan wie geen getuigschrift als bedoeld in het tweede lid kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven verklaring waarin in elk geval de tentamens zijn vermeld die door hem met goed gevolg zijn afgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.11a
|
||||
|
||||
**1.** Aan de bezitter van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, of aan de bezitter van een verklaring als bedoeld in artikel 7.11, vijfde lid, wordt door een examencommissie van de betreffende instelling voor hoger onderwijs desgevraagd een vervangend getuigschrift of een vervangende verklaring uitgereikt in verband met een naamswijziging van de betrokkene ten gevolge van de toepassing van de artikelen 4, vierde lid, 7, eerste lid, of 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
**2.** Het vervangende getuigschrift of de vervangende verklaring bevat geen andere wijzigingen van de oorspronkelijke relevante gegevens, bedoeld in artikel 7.11, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het vervangende getuigschrift of de vervangende verklaring wordt verstrekt onder de voorwaarde dat het oorspronkelijke getuigschrift of de oorspronkelijke verklaring bij de betrokken examencommissie wordt ingeleverd.
|
||||
|
||||
**4.** Het vervangende getuigschrift of de vervangende verklaring heeft dezelfde bewijskracht als het oorspronkelijke getuigschrift onderscheidenlijk de oorspronkelijke verklaring.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de door de aanvrager over te leggen gegevens en de wijze waarop de vervanging door de examencommissie wordt uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.12
|
||||
|
||||
**1.** Elke opleiding of groep van opleidingen aan de instelling heeft een examencommissie.
|
||||
|
|
@ -1929,7 +1981,7 @@ Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid
|
|||
|
||||
a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,
|
||||
b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,
|
||||
c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3h te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet,
|
||||
c. het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3j te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet,
|
||||
d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens, en
|
||||
e. het borgen van de kwaliteit van de organisatie en de procedures rondom tentamens en examens.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1947,6 +1999,10 @@ e. het borgen van de kwaliteit van de organisatie en de procedures rondom tentam
|
|||
|
||||
**2.** De examinatoren verstrekken de examencommissie de gevraagde inlichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.12d
|
||||
|
||||
De artikelen 7.12 tot en met 7.12c zijn op opleidingen als bedoeld in artikel 7.3h van toepassing voor zover de bijzondere kenmerken van die opleidingen en de inhoud van de overeenkomst, bedoeld in het derde lid van dat artikel, zich daartegen niet verzetten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.13
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen.
|
||||
|
|
@ -1962,10 +2018,10 @@ c. de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een stud
|
|||
d. waar nodig, de inrichting van praktische oefeningen,
|
||||
e. de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,
|
||||
f. de nadere regels, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid,
|
||||
g. ten aanzien van welke masteropleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.4a, achtste lid,
|
||||
g. ten aanzien van welke opleidingen toepassing is gegeven aan artikel 7.5d,
|
||||
h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,
|
||||
i. de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding,
|
||||
j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,
|
||||
j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens, alsmede de wijze waarop inschrijving hiervoor plaatsvindt en de reguliere inschrijfperiode die van toepassing is,
|
||||
k. de nadere regels bedoeld in artikel 7.10, vierde lid,
|
||||
l. of de tentamens mondeling, schriftelijk of op een andere wijze worden afgelegd, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie in bijzondere gevallen anders te bepalen,
|
||||
m. de wijze waarop studenten met een handicap of chronische ziekte redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld de tentamens af te leggen,
|
||||
|
|
@ -1977,8 +2033,8 @@ r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde te
|
|||
s. waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor de toelating tot het afleggen van andere tentamens,
|
||||
t. waar nodig, de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen met het oog op de toelating tot het afleggen van het desbetreffende tentamen, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie vrijstelling van die verplichting te verlenen, al dan niet onder oplegging van vervangende eisen,
|
||||
u. de bewaking van studievoortgang en de individuele studiebegeleiding,
|
||||
v. indien van toepassing: de wijze waarop de selectie van studenten voor een speciaal traject binnen een opleiding, bedoeld in artikel 7.9b, plaatsvindt,
|
||||
x. de feitelijke vormgeving van het onderwijs, en
|
||||
v. waar nodig: de wijze waarop de selectie van studenten voor een traject als bedoeld in artikel 7.9b of voor een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3h plaatsvindt,
|
||||
x. de feitelijke vormgeving van het onderwijs, waaronder in ieder geval begrepen het aanbod aan premasters, en
|
||||
y. indien van toepassing: de regeling, bedoeld in artikel 7.9a, derde lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
**3.** In de onderwijs- en examenregeling van de associate degree-opleiding wordt beschreven welke mogelijkheden er zijn voor een aan de instelling afgestudeerde met een graad Associate degree om door te stromen naar een bacheloropleiding.
|
||||
|
|
@ -2290,13 +2346,13 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
|
|||
|
||||
### Artikel 7.28
|
||||
|
||||
**1.** Degene aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10a is verleend, is vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen, onverminderd het derde en vierde lid. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 7.28, derde en vierde lid, is degene aan wie een graad Bachelor of een graad Master is verleend, vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste en tweede lid bedoelde vooropleidingseisen en is degene aan wie een graad Associate degree is verleend, vrijgesteld van de in artikel 7.24, tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.
|
||||
|
||||
**1a.** Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een bacheloropleiding aan een universiteit van de bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs die niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, dan wel een op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling als ten minste gelijkwaardig aangemerkt onderscheidenlijk naar het oordeel van het instellingsbestuur daaraan ten minste gelijkwaardig diploma eisen dat hij aantoont over kennis, inzicht en vaardigheden te beschikken om de bedoelde bacheloropleiding met goed gevolg af te ronden.
|
||||
**1a.** Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een bacheloropleiding aan een universiteit van de bezitter van een graad Associate degree of van de bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs die niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, dan wel een op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling als ten minste gelijkwaardig aangemerkt onderscheidenlijk naar het oordeel van het instellingsbestuur daaraan ten minste gelijkwaardig diploma eisen dat hij aantoont over kennis, inzicht en vaardigheden te beschikken om de bedoelde bacheloropleiding met goed gevolg af te ronden.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, of bijzondere nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25a, eerste lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste tot en met tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de nadere of bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.25 onderscheidenlijk 7.25a, betrekking hebben.
|
||||
**3.** Indien nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste tot en met vierde lid, van toepassing zijn, of bijzondere nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25a, eerste lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste tot en met tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de nadere of bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.25 onderscheidenlijk 7.25a, betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in de artikelen 7.25 of 7.25a, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2347,21 +2403,17 @@ b. het bezit van kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van een graad Bac
|
|||
|
||||
### Artikel 7.30c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs gelden als toelatingseisen dat:
|
||||
|
||||
Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs gelden als toelatingseisen dat:
|
||||
|
||||
a. aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, en
|
||||
a. aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, indien het een opleiding van minder dan 120 studiepunten betreft, en
|
||||
b. de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de toelatingseis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien uit een door hem ingesteld onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over vergelijkbare kennis, inzicht en vaardigheden waarop die toelatingseis betrekking heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.30d
|
||||
|
||||
Op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin, zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. artikel 7.30b, met uitzondering van de eisen, bedoeld in het tweede lid, en
|
||||
b. artikel 7.30c, met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde kennis, inzicht en vaardigheden.
|
||||
b. artikel 7.30c.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.30e
|
||||
|
||||
|
|
@ -2369,6 +2421,17 @@ Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikele
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 3. Gelijkwaardigheid buitenlandse getuigschriften
|
||||
|
||||
### Artikel 7.30f
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien uit verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is, voortvloeit dat het niveau zoals dat blijkt uit een buitenlands getuigschrift, gelijkwaardig is aan het niveau zoals dat blijkt uit een van de getuigschriften bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, is het instellingsbestuur niet bevoegd:
|
||||
|
||||
a. om bij de bezitter van dat buitenlandse getuigschrift een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang tot het hoger onderwijs in het land waar het getuigschrift werd behaald en de algemene eisen, als bedoeld in de artikelen 7.28, eerste lid, tweede volzin, en 7.30d; of
|
||||
b. van de bezitter van dat buitenlands getuigschrift nader bewijs te verlangen voor de vaststelling dat het niveau van het buitenlandse getuigschrift gelijkwaardig is aan het niveau van het desbetreffende Nederlandse getuigschrift, als bedoeld in de artikelen 7.28, tweede lid, tweede volzin.
|
||||
|
||||
**2.** Van de gelijkwaardigheid van de buitenlandse getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Titel 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS
|
||||
|
||||
### Titel 3. Studenten en extraneï
|
||||
|
|
@ -2515,7 +2578,7 @@ De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7
|
|||
|
||||
**1.** De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en de artikelen 7.31a tot en met 7.31d, met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
**2.** Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde collegegeld OU is of wordt voldaan.
|
||||
**2.** Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde collegegeld OU is of wordt voldaan. Voor de inschrijving voor een opleiding tot piloot als bedoeld in artikel 7.3h geldt als aanvullende voorwaarde dat degene die daarvoor wenst te worden ingeschreven het bewijs overlegt dat de vergoeding verschuldigd aan de opleidingsorganisatie, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011, door of namens hem is of wordt voldaan. Deze voorwaarde geldt uitsluitend voor de inschrijving voor studiejaren waarin de student onderwijs volgt aan de opleidingsorganisatie.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een meerderjarige student of extraneus het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat door de student of extraneus schriftelijk is verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld voldoet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2535,30 +2598,7 @@ In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleid
|
|||
|
||||
### Artikel 7.37c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur kan, in afwijking van artikel 7.37, eerste lid, en onverminderd de overige bepalingen van artikel 7.37, degene per 1 september 2020 inschrijven voor een opleiding in het hoger onderwijs of wetenschappelijk onderwijs voor het studiejaar 2020–2021 die ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 niet heeft kunnen voldoen aan:
|
||||
|
||||
a. een of meer van de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.24 tot en met 7.26a, 7.28, eerste lid, de zinsnede voor de eerste komma, lid 1a en tweede lid, derde en vierde volzin, en 7.30; of
|
||||
b. een of meer van de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b en 7.30c.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 7.42, eerste tot en met derde lid, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving:
|
||||
|
||||
a. indien degene die is ingeschreven op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, niet vóór 1 januari 2021 alsnog heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in dat onderdeel;
|
||||
b. indien degene die is ingeschreven op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, niet vóór een daartoe door het instellingsbestuur bij de inschrijving vastgestelde datum, die niet eerder is gelegen dan 1 januari 2021 en niet later dan 1 september 2021, alsnog heeft voldaan aan de eisen, bedoeld in dat onderdeel.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur kan afzien van de beëindiging van de inschrijving vanwege het niet voldoen aan de in het tweede lid, onderdelen a en b neergelegde termijn, indien de beëindiging zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dat geval wordt de inschrijving beëindigd indien niet alsnog vóór 1 september 2021 aan de in het eerste lid bedoelde eisen wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**4.** Op het beleid dat het instellingsbestuur van een universiteit en het instellingsbestuur van een hogeschool ter uitvoering van dit artikel voert, zijn respectievelijk de aanhef van artikel 9.33a, tweede lid, en de aanhef van artikel 10.20a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
|
||||
|
||||
a. de nadere voorwaarden voor inschrijving, waaronder mede wordt verstaan in welke gevallen het niet kunnen voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, het gevolg is van de uitbraak van COVID-19;
|
||||
b. de onderwerpen waarop het beleid dat het instellingsbestuur in het kader van zijn bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, voert, in ieder geval betrekking heeft.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.37d
|
||||
|
||||
|
|
@ -2623,7 +2663,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Indien degene die is ingeschreven voor een opleiding zijn wettelijk collegegeld, instellingscollegegeld, collegegeld OU of examengeld na aanmaning niet heeft voldaan, kan het instellingsbestuur de inschrijving, met ingang van de tweede maand volgend op de aanmaning beëindigen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een inschrijving wordt beëindigd in een geval als bedoeld in artikel 7.8b, vijfde lid, artikel 7.12b, artikel 7.37, vierde of vijfde lid, artikel 7.42a of artikel 7.57h, eerste of tweede lid, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving met ingang van de volgende maand.
|
||||
**3.** Indien een inschrijving wordt beëindigd in een geval als bedoeld in artikel 7.8b, vijfde lid, artikel 7.12b, artikel 7.37, vierde of vijfde lid, artikel 7.42a, artikel 7.42b of artikel 7.57h, eerste of tweede lid, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving met ingang van de volgende maand.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2639,6 +2679,12 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**4.** Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.42b
|
||||
|
||||
**1.** Van de student die een bacheloropleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3h volgt en van wie gedurende de opleiding of afstudeerrichting blijkt dat hij niet langer voldoet aan de eisen van medische geschiktheid voor het beroep van piloot of luchtverkeersleider, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving voor de desbetreffende opleiding of beslist het instellingsbestuur dat de student de desbetreffende afstudeerrichting niet meer kan volgen.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Eigen bijdragen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.43
|
||||
|
|
@ -2669,6 +2715,12 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**6.** De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid, worden jaarlijks volgens de consumentenprijsindex geïndexeerd, op de wijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.45Aa
|
||||
|
||||
**1.** Voor het studiejaar 2021–2022 wordt voor het krachtens artikel 7.45, eerste lid, vastgestelde bedrag, gelezen: € 1.084 en wordt voor het krachtens artikel 7.45, tweede lid, vastgestelde minimumbedrag, gelezen: € 645.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 september 2022.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.45a
|
||||
|
||||
**1.** Het wettelijk collegegeld is verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit. Voor een inschrijving aan een associate degree-opleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Associate degree, een graad Bachelor of een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een bacheloropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een masteropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald.
|
||||
|
|
@ -2774,13 +2826,44 @@ mits de student gedurende die periode geen onderwijs volgt of examens of tentame
|
|||
|
||||
**5.** Artikel 7.47 is van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.49a
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur kan voor het aanbieden van een premaster een vergoeding vragen.
|
||||
|
||||
**2.** Een student die gebruik maakt van een premaster, terwijl hij een opleiding volgt waarvoor hij wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, verschuldigd is, wordt vrijgesteld van het betalen van een vergoeding voor de premaster.
|
||||
|
||||
**3.** Een student die gebruik maakt van een premaster en, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, alleen met dat oogmerk is ingeschreven voor een opleiding, betaalt gedurende de periode van de premaster in plaats van collegegeld een vergoeding voor de premaster.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.49b
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 7.4, eerste en tweede lid, is op de berekening van de studielast van een premaster van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De vergoeding voor een premaster met een studielast van 60 studiepunten of meer bedraagt maximaal het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, bedraagt de vergoeding voor studenten die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoren, noch de Surinaamse nationaliteit bezitten, voor een premaster met een studielast van 60 studiepunten of meer minimaal de hoogte van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, minimaal het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De vergoeding voor een premaster van minder dan 60 studiepunten bedraagt maximaal een proportioneel deel van het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal een proportioneel deel van het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid, bedraagt de vergoeding voor studenten die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoren, noch de Surinaamse nationaliteit bezitten, voor een premaster met een studielast van minder dan 60 studiepunten minimaal een proportioneel deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, minimaal het proportionele deel van het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 7.47 is van overeenkomstige toepassing op het voldoen van de vergoeding voor een premaster.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.50
|
||||
|
||||
**1.** De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43 tot en met 7.49 bedoelde bedragen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 6.7, 7.26, eerste lid, 7.26a, eerste lid, 7.53 en 7.56 een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs, waaronder worden begrepen de kosten die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van selectieprocedures. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, wordt in ieder geval vastgesteld op welke kostensoorten de bijdrage betrekking heeft en welk bedrag ten hoogste verlangd kan worden.
|
||||
Bij ministeriele regeling kan worden bepaald dat het instellingsbestuur een andere bijdrage dan bedoeld in de artikelen 7.43 tot en met 7.49b bij een aspirant-student of student in rekening kan brengen voor kosten die:
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
a. verband houden met de inschrijving;
|
||||
b. voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding;
|
||||
c. verband houden met de inschrijving voor een tentamen na de reguliere inschrijfperiode van dit tentamen, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder j; of
|
||||
d. direct verband houden met het verstrekken van een vervangend getuigschrift of een vervangende verklaring als bedoeld in artikel 7.11a, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriele regeling wordt vastgesteld op welke kostensoorten het eerste lid betrekking heeft en kan worden vastgesteld welk bedrag ten hoogste in rekening kan worden gebracht en voor welke kostensoorten het instellingsbestuur een kosteloos alternatief biedt.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van degenen die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort, noch de Surinaamse nationaliteit bezit, en voor wie de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met b, een onoverkomelijke belemmering vormt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het instellingsbestuur een bijdrage, als bedoeld in het eerste lid, in rekening brengt stelt hij regels vast over de bijdrage en over de financiële ondersteuning, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.50a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2807,9 +2890,9 @@ h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, in
|
|||
|
||||
### Artikel 7.51a
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarop het instellingsbestuur artikel 7.4a, achtste lid, heeft toegepast.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor het instellingsbestuur een grotere studielast heeft vastgesteld op grond van artikel 7.5d, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** De duur van de financiële ondersteuning bedraagt de periode die overeenstemt met de studielast die uitgaat boven 60 studiepunten.
|
||||
**2.** De duur van de financiële ondersteuning bedraagt de periode die overeenstemt met de studielast die uitgaat boven het toepasselijke aantal studiepunten, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onderdelen b en d.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.51b
|
||||
|
||||
|
|
@ -3013,19 +3096,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 7.57i
|
||||
|
||||
**1.** De onderwijs- en examenregelingen van de betreffende hogescholen, universiteiten en Open Universiteit regelen de wijze waarop aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen, verbonden aan een bacheloropleiding heeft afgelegd, door het instellingsbestuur ondersteuning wordt geboden ter bevordering van een goede doorstroming naar een verwante masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur kan voor het bieden van de ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding vragen.
|
||||
|
||||
**3.** De vergoeding, bedoeld in het tweede lid, bedraagt voor een ondersteuning met een studielast van 60 studiepunten of meer maximaal het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De vergoeding, bedoeld in het tweede lid, bedraagt voor een ondersteuning met een studielast van minder dan 60 studiepunten maximaal een proportioneel deel van het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal een proportioneel deel van het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 7.4, eerste en tweede lid, is op de berekening van de studielast van de ondersteuning van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Een student die gebruik maakt van de ondersteuning terwijl hij een opleiding volgt waarvoor hij wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, verschuldigd is, wordt vrijgesteld van het betalen van een vergoeding voor de ondersteuning.
|
||||
|
||||
**7.** Een student die gebruik maakt van de ondersteuning en, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, alleen met dat oogmerk is ingeschreven voor een opleiding, betaalt gedurende de periode dat hij ondersteuning ontvangt in plaats van collegegeld een vergoeding voor de ondersteuning.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.58
|
||||
|
||||
|
|
@ -3110,7 +3181,7 @@ Het college van beroep voor de examens is bevoegd ten aanzien van de volgende be
|
|||
a. beslissingen als bedoeld in de artikelen 7.8b, derde en vijfde lid, en 7.9, eerste lid,
|
||||
b. beslissingen inzake het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen, bedoeld in artikel 7.9d,
|
||||
c. beslissingen, niet zijnde besluiten van algemene strekking, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens titel 2 van dit hoofdstuk, met het oog op de toelating tot examens,
|
||||
d. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen 7.25, vijfde lid, en 7.28, vierde lid,
|
||||
d. beslissingen, genomen op grond van het aanvullend onderzoek, bedoeld in de artikelen 7.25, zesde lid, en 7.28, vierde lid,
|
||||
e. beslissingen van examencommissies en examinatoren,
|
||||
f. beslissingen van commissies als bedoeld in artikel 7.29, eerste lid, en
|
||||
g. beslissingen, genomen op grond van artikel 7.30b met het oog op de toelating tot de in dat artikel bedoelde opleidingen.
|
||||
|
|
@ -3696,6 +3767,8 @@ g. het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van de artikelen 7.51
|
|||
|
||||
**3.** Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de universiteitsraad met het besluit een opleiding in het buitenland te verzorgen als bedoeld in artikel 1.19a, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de universiteitsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in artikel 7.50, eerste lid, onder c.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.33a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -4423,6 +4496,8 @@ i. een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.
|
|||
|
||||
**4.** Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad met het besluit een opleiding in het buitenland te verzorgen als bedoeld in artikel 1.19a, eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in artikel 7.50, eerste lid, onder c.
|
||||
|
||||
### Artikel 10.20a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -4439,7 +4514,7 @@ Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de medezeggen
|
|||
a. het algemeen personeels- en benoemingsbeleid, tenzij artikel 10.24, tweede lid, van toepassing is,
|
||||
b. het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46 en het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid,
|
||||
c. de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.48, vierde lid,
|
||||
d. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk artikel 7.26, 7.26a en 7.53, derde lid, en voorzover het de selectieprocedure betreft artikel 7.30b, tweede lid,
|
||||
d. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk artikel 7.26, 7.26a en 7.53, derde lid, en voor zover het de selectieprocedure betreft artikel 7.30b, tweede lid, en artikel 7.3i,
|
||||
e. de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder c, en
|
||||
f. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in artikel 7.9b, eerste lid,
|
||||
g. de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de studiekeuzeadviezen en studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, vijfde lid.
|
||||
|
|
@ -4605,7 +4680,14 @@ Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over t
|
|||
|
||||
**5.** Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis.
|
||||
|
||||
**6.** Een lid van het college van bestuur kan niet tevens lid zijn van een ander bestuursorgaan van de Open Universiteit.
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:
|
||||
|
||||
a. lid van de raad van toezicht van de Open Universiteit,
|
||||
b. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij de Open Universiteit slechts een faculteit zou omvatten,
|
||||
c. lid van het bestuur van een opleiding, indien dat bestuur is ingesteld, of
|
||||
d. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.
|
||||
|
||||
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5910,10 +5992,18 @@ In afwijking van artikel 5.23, derde lid, worden aanvragen voor een instellingst
|
|||
|
||||
### Artikel 18.95
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Op een student als bedoeld in artikel 7.46, vierde lid, die een opleiding, waarvoor hij stond ingeschreven in het studiejaar waarin artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid in werking trad en waarvoor hij instellingscollegegeld was verschuldigd, onafgebroken voortzet, blijft artikel 7.46, zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid, van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Op een student als bedoeld in artikel 7.46a, vierde lid, die in het studiejaar waarin artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid in werking trad, stond ingeschreven voor een of meer onderwijseenheden van een opleiding waarvoor hij instellingscollegegeld was verschuldigd, en die ook na dit studiejaar onderwijseenheden van deze opleiding volgt, blijft artikel 7.45b zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid van toepassing, mits dit onderwijs wordt gevolgd in aaneengesloten studiejaren.
|
||||
|
||||
### Titel 19. Variawet hoger onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 18.96
|
||||
|
||||
**1.** Op een student die, voor het studiejaar waarin artikel I, onderdeel BB, van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (Stb. 2021, 263) in werking trad, een vergoeding was verschuldigd voor ondersteuning als bedoeld in artikel 7.57i, zoals dit artikel luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van voornoemde wet, en onafgebroken gebruik blijft maken van deze ondersteuning, blijft artikel 7.57i zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van voornoemde wet, van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Op een student die, voor het studiejaar waarin artikel I, onderdeel W, van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (Stb. 2021, 263) in werking trad, een vergoeding was verschuldigd voor ondersteuning als bedoeld in artikel 7.49b, derde of vijfde lid, zoals deze leden luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel W, van voornoemde wet, en onafgebroken gebruik blijft maken van deze ondersteuning, blijft artikel 7.49b, derde of vijfde lid, zoals deze leden luidden onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel W, van voornoemde wet, van toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 19.1
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue