2010-10-01 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO

This commit is contained in:
Coornhert 2010-10-01 12:00:00 +00:00
parent f50196df41
commit 72b72899d8

View file

@ -231,9 +231,13 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode
**3.** De directeur doet in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel *a*, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel *b*, indien hem bekend is op welke andere school of school of instelling voor ander onderwijs de leerling was ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel *b*, bedoelde periode, onder vermelding van de datum van inschrijving op zijn school, binnen 1 week schriftelijk mededeling van de inschrijving aan de directeur van de school of de school of instelling voor ander onderwijs waarop de leerling voordien was ingeschreven.
**4.** De directeur schrijft de leerling in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt.
**5.** In afwijking van het vierde lid, schrijft de directeur de leerling die de school voor het eerst bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1 augustus van dat schooljaar, behoudens wanneer de leerling op 1 augustus de leeftijd van 4 jaar nog niet heeft bereikt.
### Artikel 8
**1.** De directeur van een school op wiens school de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag volgende op de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een bewijs van uitschrijving.
**1.** De directeur van een school op wiens school de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een bewijs van uitschrijving. De directeur schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.
**2.** Indien de directeur van een school op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen 4 weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van een school of een school of instelling voor ander onderwijs, van de inschrijving van de leerling op diens school, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op de andere school of de school of instelling voor ander onderwijs.
@ -247,7 +251,7 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode
### Artikel 10
**1.** Voor de toepassing van de wet worden, onverminderd artikel 8 en artikel 11, vijfde lid, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school staan ingeschreven tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
**1.** Voor de toepassing van de wet worden, onverminderd artikel 8, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school staan ingeschreven tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 (*Stb.* 1971, 406). Ten aanzien van de niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin.
@ -257,17 +261,13 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode
### Artikel 11
**1.** Voor 15 oktober indien de teldatum 1 oktober is dan wel binnen 2 weken na een andere teldatum zendt het bevoegd gezag aan Onze Minister, de inspecteur en, indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders, een opgave van het aantal leerlingen overeenkomstig artikel 10. Deze opgave is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in de opgave een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
**1.** Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
**2.** De opgave, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba.
**2.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba.
**3.** De opgave, bedoeld in het eerste lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.
**3.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.
**4.** Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de opgave, bedoeld in het eerste lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
**5.** Indien als gevolg van de wijzigingen op grond van artikel 8 een wijziging optreedt in de in het eerste lid bedoelde opgave, doet het bevoegd gezag van de school waarvan de leerling is respectievelijk leerlingen zijn uitgeschreven, binnen 6 weken na de teldatum daarvan mededeling aan Onze Minister, de inspecteur en, indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders.
**6.** Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het eerste lid, en de melding, bedoeld in artikel 70a, eerste lid, van de wet wordt gedaan.
**4.** Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het overzicht, bedoeld in het eerste lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
#### Afdeling 3. Verstrekken gewogen gemiddelde leeftijd leraren
@ -291,9 +291,9 @@ Vervallen
### Artikel 12a
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
**2.** Indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is en indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op 1 maart van het bekostigingsjaar voor 15 maart van dat jaar heeft gemeld, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.
**2.** Indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.
**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
@ -389,9 +389,9 @@ De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elke leerling met een leerl
### Artikel 18
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29, 30 en 34, vast binnen 8 weken na ontvangst van de gegevens ten behoeve van de berekening van deze bekostiging.
**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29, 30 en 34, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante datum.
**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
@ -510,7 +510,7 @@ Met het hebben gevolgd van een schoolopleiding op maximaal het niveau praktijkon
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen toegekend indien:
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op de eerste schooldag dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens telkens indien de som van de bedoelde aantallen leerlingen op de eerste dag van enige maand in de periode september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei is toegekend; en
b. het bevoegd gezag het aantal leerlingen binnen 4 weken op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de eerste dag van de maand, bedoeld in onderdeel a, op de school of scholen staan ingeschreven, uiterlijk vier weken na die dag zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
**2.** Bij de berekening van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel getal.
@ -532,7 +532,7 @@ a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op grond waarvan het bevoegd gezag aanspraak maakt op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, binnen 4 weken na de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel 29.
@ -730,6 +730,26 @@ Voor het kalenderjaar 2002 wordt de factor A, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
A = 8,50 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in artikel 14, derde lid.
### Artikel 36a
**1.** Indien Onze Minister van oordeel is dat een bevoegd gezag voor een of meer van zijn scholen als gevolg van factoren buiten de invloedssfeer van de school niet in staat is om de leerlinggegevens te leveren op de in artikel 178a van de wet bedoelde wijze, kan hij bepalen dat in de periode tot 1 augustus volgend op de datum van inwerkingtreding van dit artikel de levering van gegevens over het aantal leerlingen van de desbetreffende school of scholen ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste en tweede lid, 18, eerste lid, 29, eerste lid, en 30, eerste lid, plaatsvindt op de in het vierde tot en met negende lid bedoelde wijze.
**2.** De verplichting van het bevoegd gezag tot levering van de gegevens over het aantal leerlingen op de in het vierde tot en met negende lid bedoelde wijze vervalt zodra Onze Minister heeft bepaald dat het bevoegd gezag heeft aangetoond in staat te zijn de leerlinggegevens te leveren op de in artikel 178a van de wet bedoelde wijze.
**3.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn op de levering van gegevens over het aantal leerlingen in een of meer schooljaren vanaf 1 augustus volgend op de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
**4.** Indien het eerste lid van toepassing is, doet het bevoegd gezag ten behoeve van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste en tweede lid, 18, eerste lid, 29, eerste lid, en 30, eerste lid, voor de vijftiende dag van elke maand aan Onze Minister een opgave van het aantal leerlingen van de school op de eerste dag van die maand toekomen overeenkomstig het vijfde tot en met negende lid.
**5.** De opgave, bedoeld in het vierde lid, is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in de opgave een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
**6.** De opgave, bedoeld in het vierde lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba.
**7.** De opgave, bedoeld in het vierde lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.
**8.** Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de opgave, bedoeld in het vierde lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
**9.** Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt gedaan.
### Paragraaf 2. Slotbepaling
### Artikel 37