2013-01-01 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
This commit is contained in:
parent
9f4420d816
commit
7ad74ac01a
1 changed files with 3802 additions and 615 deletions
|
|
@ -1,19 +1,25 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
|
||||
titel: Activiteitenbesluit milieubeheer
|
||||
bwb_id: BWBR0022762
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2008-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0022762
|
||||
citeertitel: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
|
||||
citeertitel: Activiteitenbesluit milieubeheer
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
|
||||
# Activiteitenbesluit milieubeheer
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 1. Algemeen
|
||||
|
||||
### Afdeling 1.1. Begripsbepalingen, omhangbepaling, reikwijdte en procedurele bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
**1.** Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen 1.4, 1.4a en 1.4b.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1.1.1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.1
|
||||
|
|
@ -24,16 +30,34 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
*aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, is aangewezen;
|
||||
|
||||
*aardgas:* in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 volumeprocent inerte en andere bestanddelen;
|
||||
|
||||
*ADR:* de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
|
||||
|
||||
*afgewerkte olie:* afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen;
|
||||
|
||||
*afleverinstallatie:* geheel van de al dan niet onder de grond liggende tank of tanks met daaraan gekoppelde leidingen, appendages, één of meer afleverzuilen, voorzover aanwezig, een kassa en, voorzover aanwezig, één of meer betaalautomaten;
|
||||
|
||||
*afvalmeeverbrandingsinstallatie:* technische eenheid die in hoofdzaak is bestemd voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten en waarin afvalstoffen als normale of aanvullende brandstof worden gebruikt, of waarin afvalstoffen thermisch worden behandeld ten behoeve van verwijdering door de verbranding door oxidatie van afvalstoffen alsmede andere thermische behandelingsprocessen voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand;
|
||||
|
||||
*afvalstoffenlijst:* afvalstoffenlijst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst;
|
||||
|
||||
*afvalverbrandingsinstallatie:* technische eenheid die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afvalstoffen, waarin al dan niet de opgewekte warmte wordt teruggewonnen, door de verbranding door oxidatie van afvalstoffen alsmede andere thermische behandelingsprocessen voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand;
|
||||
|
||||
*afvalverbrandingsresiduen:* vloeibare of vaste afvalstoffen die worden geproduceerd door een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie;
|
||||
|
||||
*afvangrendement:* hoeveelheid damp van lichte olie die door een EU-systeem voor dampretour fase-II wordt afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid damp van lichte olie die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage;
|
||||
|
||||
*agrarische activiteiten:* geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden;
|
||||
|
||||
*agrarische bedrijfsstoffen:* dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, kuilvoer, bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn, gebruikt substraatmateriaal en restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen;
|
||||
|
||||
*ammoniakemissie:* emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram NH_3 per jaar;
|
||||
|
||||
*andere hernieuwbare brandstoffen:* andere hernieuwbare brandstoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/30/EG;
|
||||
|
||||
*assimilatiebelichting:* kunstmatige belichting van gewassen, gericht op de bevordering van het groeiproces van gewassen;
|
||||
|
||||
*autodemontagebedrijf:* inrichting voor het demonteren van autowrakken;
|
||||
|
||||
*autowrak:*
|
||||
|
|
@ -44,6 +68,8 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
*autowrakkenrichtlijn:* richtlijn nr. 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269);
|
||||
|
||||
*axiaalspuit:* apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in opgaande gewasrijen, waarbij de spuitvloeistof, met luchtondersteuning horizontaal en schuin omhoog verspoten wordt;
|
||||
|
||||
*bedrijfsduurcorrectie:* correctie als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidsbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode;
|
||||
|
||||
*bedrijventerrein:* cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein;
|
||||
|
|
@ -54,24 +80,55 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
*bijkomend gevaar:* een gevaar naast de grootste gevaarseigenschap als bedoeld in het ADR;
|
||||
|
||||
*bijvoedermiddel:* plantaardig restproduct uit de land- en tuinbouw en uit de voedselbereiding en -verwerking, uitgezonderd voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens;
|
||||
|
||||
*binnenschietbaan:* een schietbaan of een combinatie van schietbanen in een gebouw of een deel van een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking;
|
||||
|
||||
*biobrandstof:* biobrandstof als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2003/30/EG, waaronder in elk geval de biobrandstoffen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2003/30/EG, worden verstaan;
|
||||
|
||||
*bodembedreigende activiteit:* bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB;
|
||||
*biocide:* biocide als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
|
||||
|
||||
*bodembedreigende stof:* stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB;
|
||||
* biologische productiemethode:* productiemethode als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
|
||||
|
||||
*biomassa:*
|
||||
|
||||
a. producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten;
|
||||
b. de volgende afvalstoffen:
|
||||
|
||||
1°. plantaardig afval uit land- of bosbouw;
|
||||
2°. plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
|
||||
3°. vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, indien het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
|
||||
4°. kurkafval;
|
||||
5°. houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten;
|
||||
|
||||
*bodem:* bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak, bestaande uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen;
|
||||
|
||||
*bodembedreigende activiteit:* bedrijfsmatige activiteit die gepaard gaat met het gebruik, de productie of de emissie van een bodembedreigende stof;
|
||||
|
||||
*bodembedreigende stof:* stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in bijlage 2 van deel 3 van de NRB, en stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels die de bodem kunnen verontreinigen;
|
||||
|
||||
*bodembeschermende maatregel:* op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd;
|
||||
|
||||
*bodembeschermende voorziening:* een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;
|
||||
|
||||
*bovengrondse opslagtank:* opslagtank die geheel boven de bodem is gelegen;
|
||||
*bovengrondse opslagtank:* opslagtank niet zijnde een ondergrondse opslagtank en niet zijnde een ladingtank van een bunkerstation;
|
||||
|
||||
*brandcompartiment:* brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012;
|
||||
|
||||
*brandstof:* vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof;
|
||||
|
||||
*BTEX:* benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen;
|
||||
|
||||
*bunkerstation:* drijvend bouwsel dat wegens zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst en dat bestemd of in gebruik is voor de opslag of levering van brandstof voor voortstuwing van schepen;
|
||||
|
||||
*coating:* mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels, dat wordt gebruikt om op een oppervlak voor een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te zorgen;
|
||||
|
||||
*composteren:* omzetten van groenafval en hulpstoffen in een product dat geheel of grotendeels bestaat uit een of meer organische afvalstoffen die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een zodanig stabiel eindproduct dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt;
|
||||
|
||||
*composteringshoop:* hoop van groenafval en hulpstoffen, opgezet met als doel dit materiaal te composteren;
|
||||
|
||||
*concentratiegebied:* concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij;
|
||||
|
||||
*consumentenvuurwerk:* consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
|
||||
|
||||
*CMR-stof:* stof of preparaat die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd is als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2 of als «Voor de voortplanting giftig» categorie 1 of 2;
|
||||
|
|
@ -80,10 +137,44 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
*debiet van lichte olie:* totale jaarlijkse hoeveelheid lichte olie die uit mobiele tanks aan een inrichting wordt geleverd;
|
||||
|
||||
*diercategorie:* diercategorie als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
|
||||
*dieren met geuremissiefactor:* dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij;
|
||||
|
||||
*dieren zonder geuremissiefactor:* dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij;
|
||||
|
||||
*dierenverblijf:* al dan niet overdekte ruimte waarbinnen landbouwhuisdieren worden gehouden;
|
||||
|
||||
*dierlijke bijproducten:* bijproducten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van Verordening nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten;
|
||||
|
||||
*dierlijke meststoffen:* dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet;
|
||||
|
||||
*dierplaats:* dierplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
|
||||
*dieselmotor:* verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;
|
||||
|
||||
*diffuse emissie:* emissie, in een andere vorm dan vanuit een puntbron, in de lucht, bodem of water, almede in enig product, tenzij anders vermeld in tabel 2.28a;
|
||||
|
||||
*digestaat:* stabiel restproduct dat overblijft na het vergisten van ten minste 50% dierlijke uitwerpselen met als nevenbestanddeel uitsluitend producten die krachtens artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet zijn aangewezen;
|
||||
|
||||
*dioxinen en furanen:* 2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine (tcdd), 1,2,3,7,8 -pentachloordibenzodioxine (pecdd), 1,2,3,4,7,8 -hexachloordibenzodioxine (hxcdd), 1,2,3,6,7,8 -hexachloordibenzodioxine (hxcdd), 1,2,3,7,8,9 -hexachloordibenzodioxine (hxcdd), 1,2,3,4,6,7,8 -heptachloordibenzodioxine (hpcdd), octachloordibenzodioxine (ocdd), 2,3,7,8 -tetrachloordibenzofuraan (tcdf), 2,3,4,7,8 -pentachloordibenzofuraan (pecdf), 1,2,3,7,8 -pentachloordibenzofuraan (pecdf), 1,2,3,4,7,8 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf), 1,2,3,6,7,8 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf), 1,2,3,7,8,9 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf), 2,3,4,6,7,8 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf), 1,2,3,4,6,7,8 -heptachloordibenzofuraan (hpcdf), 1,2,3,4,7,8,9 -heptachloordibenzofuraan (hpcdf), of octachloordibenzofuraan (ocdf);
|
||||
|
||||
*doelmatig beheer van afvalwater:* zodanig beheer van afvalwater dat daarbij rekening wordt gehouden met de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.29a van de wet;
|
||||
|
||||
*donkerteperiode:* periode van 1 november tot 1 april van 18.00 tot 24.00 uur en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van het tijdstip van een half uur na zonsondergang tot 02.00 uur;
|
||||
|
||||
*drainagewater:* water dat wordt afgevoerd via een stelsel van geperforeerde buizen die in de grond zijn aangebracht;
|
||||
|
||||
*drainwater:* voedingswater dat bij substraatteelt niet wordt opgenomen door het gewas;
|
||||
|
||||
*driftarme dop:* spuitdop als bedoeld in artikel 3.83, tweede lid, onderdeel a;
|
||||
|
||||
*drijfmest:* dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn;
|
||||
|
||||
*dwarsstroomspuit:* apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in opgaande gewasrijen waarbij de spuitvloeistof in de hoogte gelijkmatig en links en rechts symmetrisch wordt verdeeld;
|
||||
|
||||
*emissiescherm:* scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistof bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen;
|
||||
|
||||
*equivalent geluidsniveau:*: equivalent geluidsniveau als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
|
||||
|
||||
*etmaalwaarde:* de hoogste van de volgende drie waarden:
|
||||
|
|
@ -105,6 +196,10 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*gasfles:* een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter;
|
||||
|
||||
*gasmotor:* verbrandingsmotor die werkt volgens de ottocyclus en gebruikmaakt van vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof te verbranden;
|
||||
|
||||
*gasturbine:* roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om het werkmedium te verhitten, en een turbine;
|
||||
|
||||
*geluidsgevoelige ruimte:* geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
|
||||
|
||||
*geluidsniveau:* geluidsniveau in dB(A) als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
|
||||
|
|
@ -113,7 +208,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*gevaarlijke stoffen:* stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code;
|
||||
|
||||
*gevel:* gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vijfde lid, van de Wet geluidhinder;
|
||||
*gevel:* gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder;
|
||||
|
||||
*gevoelige gebouwen:* woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
|
||||
|
||||
|
|
@ -121,14 +216,36 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*gevoelige terreinen:* terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
|
||||
|
||||
*gewasbed:* strook beteelde grond die in de breedte wordt begrensd door een strook onbeteelde grond;
|
||||
|
||||
*gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
|
||||
|
||||
*gezoneerd industrieterrein:* industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
|
||||
|
||||
*glastuinbouwbedrijf:* inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het in een kas telen van gewassen, met uitzondering van een zodanige inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het in een kas telen van eetbare paddenstoelen of witlof;
|
||||
|
||||
*glastuinbouwgebied:* cluster aaneengesloten percelen met overwegend glastuinbouwbestemmingen;
|
||||
|
||||
*grote stookinstallatie:* stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype;
|
||||
|
||||
*huisvestingssysteem:* gedeelte van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
|
||||
|
||||
*inerte goederen:* goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn;
|
||||
|
||||
*inkt:* mengsel dat bij een drukactiviteit wordt gebruikt om een tekst of afbeelding op een oppervlak af te drukken;
|
||||
|
||||
*insteek van een oppervlaktewaterlichaam:* snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;
|
||||
|
||||
*ISO:* door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie uitgegeven norm;
|
||||
|
||||
*jachthaven:* inrichting voor het bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen;
|
||||
|
||||
*kantdop:* driftarme dop die een tophoek van maximaal 90° heeft;
|
||||
|
||||
*ketelinstallatie:* stookinstallatie, bestaande uit een ketel waarin brandstof wordt verstookt, welke verbranding in hoofdzaak is bedoeld om kracht op te wekken of om warmte over te dragen aan water, stoom of een combinatie van water of stoom;
|
||||
|
||||
*kleefstof:* mengsel dat wordt gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;
|
||||
|
||||
*koelinstallatie:* een combinatie van met koudemiddel gevulde onderdelen die met elkaar zijn verbonden en die tezamen een gesloten koudemiddelcircuit vormen waarin het koudemiddel circuleert met het doel warmte op te nemen of af te staan;
|
||||
|
||||
*kunststeen:* blokken van korrels of brokken van natuursteen met bindmiddel;
|
||||
|
|
@ -139,7 +256,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*Lnight:* de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;
|
||||
|
||||
*landbouwinrichting:* inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer;
|
||||
*lak:* doorzichtige coating;
|
||||
|
||||
*langtijdgemiddeld beoordelingsniveau:* (L_Ar,LT) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai;
|
||||
|
||||
|
|
@ -149,23 +266,39 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*lozen:* het brengen van:
|
||||
|
||||
1°. afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam;
|
||||
1°. stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet in een oppervlaktewaterlichaam;
|
||||
2°. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem;
|
||||
3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;
|
||||
4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar ontwateringstelsel;
|
||||
5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;
|
||||
6°. afvalwater of andere afvalstoffen in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of
|
||||
7°. afvalwater of andere afvalstoffen met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater op een zuiveringtechnisch werk;
|
||||
7°. water of stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet met behulp van een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, op een zuiveringtechnisch werk;
|
||||
|
||||
*LQ:* Limited Quantities, gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in het ADR;
|
||||
|
||||
*massastroom:* massa van een bepaalde stof of stoffen die per tijdseenheid wordt geëmitteerd, uitgedrukt in massa per uur;
|
||||
*luchtondersteuning:* voorziening aan de spuitboom van veldspuitapparatuur, waarbij een separate luchtstroom een geforceerde neerwaartse richting van het gewasbeschermingsmiddel creëert;
|
||||
|
||||
*massastroom:* massa van een bepaalde stof of stoffen die per tijdseenheid wordt geëmitteerd, uitgedrukt in massa per tijdseenheid;
|
||||
|
||||
*maximaal geluidsniveau:* (L_Amax) maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand «F» of «fast», als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai;
|
||||
|
||||
*maximale emissiewaarde:* maximale emissiewaarde als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
|
||||
*melkrundvee:* melkrundvee als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
|
||||
*mestbassin:* voorziening voor het opslaan van drijfmest, niet zijnde een opslagtank of verpakking;
|
||||
|
||||
*mestkelder:* ondergronds mestbassin, voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren en onderdeel is van een dierenverblijf of van een voormalig dierenverblijf;
|
||||
|
||||
*meststoffen:* meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Meststoffenwet;
|
||||
|
||||
*meststoffengroep:* aanduiding van de gevaarscategorie van vaste minerale anorganische meststoffen overeenkomstig de indeling van PGS 7;
|
||||
|
||||
*natte koeltoren:* installatie gebruikt voor het afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en gebouwen door middel van het vernevelen van water;
|
||||
*motorvoertuigen of werktuigen:* motorvoertuigen, aanhangers, landbouwwerktuigen en -machines en carrosserieonderdelen;
|
||||
|
||||
*nanacht:* periode van 1 november tot 1 april van 24.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 02.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang;
|
||||
|
||||
*natte koeltoren:* installatie gebruikt voor het, middels een open constructie, afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en gebouwen door middel van het vernevelen van water;
|
||||
|
||||
*natuursteen:* uit de natuur gewonnen blokken en platen van steen;
|
||||
|
||||
|
|
@ -175,16 +308,41 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen oppervlaktewaterlichaam is;
|
||||
|
||||
*niet-doorlatende ondergrond:* bodembedekkende voorziening waarbij geen uitspoeling plaatsvindt naar de onderliggende bodemlaag;
|
||||
|
||||
*noodsignalen:* noodsignalen die onder de klasse 1.3 of klasse 1.4 van het ADR vallen;
|
||||
|
||||
*normaal kubieke meter:* afgashoeveelheid bij 273,15 Kelvin en 101,3 kilo Pascal en betrokken op droge lucht;
|
||||
|
||||
*NRB:* door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;
|
||||
*NRB:* door Agentschap NL uitgegeven Nederlandse Richtlijn Bodembescherming;
|
||||
|
||||
*odour unit:* Europese eenheid voor geurconcentratie volgens NEN-EN-13725;
|
||||
|
||||
*ondergrondse opslagtank:* opslagtank die geheel in de bodem ligt of ingeterpt is;
|
||||
|
||||
*oplosmiddelenhergebruik:* gebruik van uit een oplosmiddeleninstallatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar met uitzondering van het verwijderen van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;
|
||||
|
||||
*oplosmiddeleninput:* de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de hergebruikte oplosmiddelen, binnen en buiten de installatie, die telkens worden meegerekend wanneer zij worden gebruikt om de betrokken activiteit uit te oefenen;
|
||||
|
||||
*oplosmiddeleninstallatie:* installatie als bedoeld in bijlage VII, deel 1, bij Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334);
|
||||
|
||||
*oplosmiddelenverbruik:* de totale input van organische oplosmiddelen per twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele vluchtige organische stoffen die voor hergebruik worden teruggewonnen;
|
||||
|
||||
*opslagtank:* een opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een opslagvoorziening voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter, uitgezonderd een intermediate bulk container die voldoet aan hoofdstuk 6.5 van het ADR;
|
||||
|
||||
*organisch oplosmiddel:* vluchtige organische verbinding die wordt gebruikt:
|
||||
|
||||
a. om, alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan, grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen,
|
||||
b. als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen,
|
||||
c. als verdunner,
|
||||
d. als dispergeermiddel,
|
||||
e. om de viscositeit aan te passen,
|
||||
f. om de oppervlaktespanning aan te passen,
|
||||
g. als weekmaker, of
|
||||
h. als conserveermiddel;
|
||||
|
||||
*overkapte beddenspuit:* apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waarbij de spuitdoppen gemonteerd zijn binnen een overkapping, die met uitzondering van de voor- en de achterzijde van de apparatuur, het gewasbed min of meer omsluit en waarbij per gewasbed een eenheid van spuitleiding en overkapping wordt gebruikt;
|
||||
|
||||
*PAK’s:* som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g,h,i)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1,2,3-cd)pyreen;
|
||||
|
||||
*PER:* tetrachlooretheen;
|
||||
|
|
@ -193,6 +351,8 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*pleziervaartuig:* schip bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding;
|
||||
|
||||
*pluimvee:* dieren behorend tot diercategorieën E1 tot en met E5, F1 tot en met F4, G1, G2 en J1, als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
|
||||
*praktijkruimte:* ruimte voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
|
||||
|
||||
*propaan:* product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voor zover de dampspanning bij 343 Kelvin (70 graden Celsius) ten hoogste 3100 kilopascal (31 bar) bedraagt;
|
||||
|
|
@ -201,28 +361,63 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:* pyrotechnische artikelen voor theatergebruik als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
|
||||
|
||||
*recirculatie:* hergebruik van opgevangen drain- of drainagewater;
|
||||
|
||||
*recirculatiesysteem:* voorziening voor het opvangen en transporteren van drain- of drainagewater, ten behoeve van hergebruik;
|
||||
|
||||
*referentieniveau:* hoogste waarde van de in de onderdelen a en b genoemde niveaus:
|
||||
|
||||
a. het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;
|
||||
b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode;
|
||||
|
||||
*reflectiescherm:* verticale constructie aan apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die een zodanige hoogte en breedte heeft, dat het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt;
|
||||
|
||||
*richtlijn 2003/30/EG:*
|
||||
richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer;
|
||||
|
||||
*rookzwak kruit:* kruit dat onder de klasse 1.3 van het ADR valt;
|
||||
|
||||
*schoorsteen:* structuur met een of meer afgaskanalen voor de afvoer van afgassen met het oog op de emissie ervan in de lucht;
|
||||
|
||||
*spoorvoertuig:* voertuig, bestemd voor het verkeer over spoorstaven met inbegrip van de carrosserieonderdelen daarvan;
|
||||
|
||||
*spuitbus:* niet-hervulbare houder van metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien van een aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van schuim, pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige toestand;
|
||||
|
||||
*stookinstallatie:* stookinstallatie als bedoeld in het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer;
|
||||
*spuitdop:* uitstroomopening van apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die in staat is spuitvloeistof zo te verdelen in druppels dat er op de grond of op het gewas een regelmatige verdeling ontstaat;
|
||||
|
||||
*spuitgeweer:* apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bestaande uit een spuitleiding die is voorzien van een spuitdop die met de hand wordt vastgehouden en bediend;
|
||||
|
||||
*stookinstallatie:* technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken;
|
||||
|
||||
*substraatmateriaal:* materiaal, bestemd om te worden gebruikt voor het telen van gewassen los van de ondergrond;
|
||||
|
||||
*substraatteelt:* wijze van telen waarbij gewassen groeien los van de ondergrond;
|
||||
|
||||
*teeltoppervlak:* oppervlak, uitgedrukt in vierkante meter, dat wordt gebruikt voor het telen van gewassen;
|
||||
|
||||
*teeltvrije zone:* strook tussen de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, behoudens grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld;
|
||||
|
||||
*theatervuurwerk:* theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
|
||||
|
||||
*totaal stikstof:* de som van nitraat-, nitriet-, organisch en ammonium stikstof waarvan de emissiemetingen worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 2.3;
|
||||
|
||||
*traditioneel schieten:* door schutterijen of schuttersgilden schieten met buksen ofwel geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht;
|
||||
*tunnelspuit:* apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in een gewasrij waarbij het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt door een constructie die de gewasrij geheel of gedeeltelijk omsluit;
|
||||
|
||||
*vanggewas:* barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt;
|
||||
|
||||
*vast object:* locatiegebonden constructie of gedeelte daarvan;
|
||||
|
||||
*veehouderij:* inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren;
|
||||
|
||||
*veldspuitapparatuur:* mechanisch voortbewogen apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de bovengrondse volveldsbehandeling in buitenteelten, die een overwegend neerwaartse uitstroming van de spuitvloeistof bewerkstelligt;
|
||||
|
||||
*venturidop:* dop die bestaat uit een voorkamer en uitstroomopening waarbij als gevolg van de constructie van de dop door de stromende vloeistof een onderdruk in de voorkamer ontstaat waardoor door een kleine opening in de voorkamer op natuurlijke wijze lucht wordt aangezogen dat zich in de voorkamer vermengt met de vloeistof waardoor grovere druppels ontstaan die verdeeld worden door een uitstroomopening;
|
||||
|
||||
*verblijfsruimten:* verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder;
|
||||
|
||||
*verbruik van vluchtige organische stoffen:* verbruik van vluchtige organische stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
|
||||
*verdichten:* reduceren van het volume bij een gelijkblijvende massa of een gelijkblijvend gewicht;
|
||||
|
||||
*verdichten:* reduceren van het volume;
|
||||
*vergistinggas:* gasvormige brandstof, met als hoofdbestanddelen methaan en koolstofdioxide, dat is ontstaan door vergisting van organisch materiaal;
|
||||
|
||||
*verkleinen:* in kleinere delen opdelen;
|
||||
|
||||
|
|
@ -234,15 +429,19 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen:* een voertuig, oplegger of aanhanger met een conform het ADR voor het vervoer van gevaarlijke stoffen toegelaten tank, tankcontainer, tankbatterij, laadketel, laadruimte of laadvloer waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn;
|
||||
|
||||
*verwaarloosbaar bodemrisico:* een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;
|
||||
*verwaarloosbaar bodemrisico:* een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van voorzieningen en maatregelen het ontstaan of de toename van verontreiniging van de bodem gemeten tussen het nul- en eindsituatieonderzoek, bedoeld in artikel 2.11, eerste en derde lid, zo veel mogelijk wordt voorkomen en waarbij herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk is;
|
||||
|
||||
*vloeibaar bijvoedermiddel:* bijvoedermiddel dat verpompbaar is en dat is aan te merken als «inerte goederen» als bedoeld in dit artikel;
|
||||
|
||||
*vloeibare brandstof:* lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns;
|
||||
|
||||
*vloeistofdichte vloer of verharding:* vloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of verharding kan komen;
|
||||
|
||||
*vloeistofkerende voorziening:* lekbak, tankput, vloer, verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in de bodem kunnen geraken;
|
||||
*vloeistofkerende voorziening:* fysieke barrière die in staat is stoffen tijdelijk te keren;
|
||||
|
||||
*vluchtige organische stoffen:* stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
|
||||
*vluchtige organische stof:* organische verbinding, alsook de fractie creosoot, die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
|
||||
|
||||
*voedingswater:* water dat aan het gewas wordt toegediend en waar eventueel meststoffen aan zijn toegevoegd;
|
||||
|
||||
*voorziening voor het beheer van afvalwater:* een openbaar vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwateringstelsel, een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, een zuiveringtechnisch werk of een zuiveringsvoorziening;
|
||||
|
||||
|
|
@ -258,7 +457,9 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*windturbine:* een apparaat voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind;
|
||||
|
||||
*woning:* een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
|
||||
*woning:* gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet;
|
||||
|
||||
*zeer kwetsbaar gebied:* zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij.
|
||||
|
||||
*zuiveringsvoorziening:* werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is;
|
||||
|
||||
|
|
@ -274,6 +475,8 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ten aanzien van emissies
|
|||
|
||||
*grensmassastroom:* een drempelwaarde per stofklasse, uitgedrukt in gram emissie per uur, waarboven een emissie naar de lucht als relevant beschouwd wordt;
|
||||
|
||||
*ISO-luchtcondities:* temperatuur van 288 Kelvin, een druk van 101,3 kiloPascal en een relatieve vochtigheid van 60 procent;
|
||||
|
||||
*meetmethode:* het geheel van monsterneming, monsterbehandeling en analyse ten behoeve van de kwantificering van emissies;
|
||||
|
||||
*stofcategorie:* clustering van stoffen op basis van vergelijkbare fysische of chemische eigenschappen, overeenkomstig paragraaf 4.4 van de NeR;
|
||||
|
|
@ -300,7 +503,13 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ten aanzien van emissies
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
*bevoegd gezag:* het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1 van de wet, alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen of de beheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet;
|
||||
*bevoegd gezag:* bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de wet, alsmede:
|
||||
|
||||
a. het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen;
|
||||
b. de beheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet;
|
||||
c. burgemeester en wethouders, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 10.32 van de wet;
|
||||
d. gedeputeerde staten van de provincie waar het lozen in de bodem plaatsvindt, indien dat lozen plaatsvindt anders dan vanuit een inrichting en geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld;
|
||||
e. burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen op of in de bodem plaatsvindt, indien dat lozen plaatsvindt anders dan vanuit een inrichting, niet zijnde lozen in de bodem als bedoeld in onderdeel d;
|
||||
|
||||
*inrichting type A:* een inrichting:
|
||||
|
||||
|
|
@ -331,13 +540,13 @@ h. waarbinnen geen van de in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de hoofdstukken 3
|
|||
13°. het opslaan in verpakking van stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen;
|
||||
14°. het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden aan vaste objecten, die periodiek worden uitgevoerd en waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt verwijderd;
|
||||
|
||||
*inrichting type B:* een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en die geen inrichting type A of C is;
|
||||
*inrichting type B:* een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en die geen inrichting type A is;
|
||||
|
||||
*inrichting type C:* een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangewezen, voor zover daartoe geen gpbv-installatie behoort, behoudens indien het betreft een installatie die betrekking heeft op het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen;
|
||||
*inrichting type C:* een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangewezen;
|
||||
|
||||
*maatwerkvoorschrift:* voorschrift als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de wet, inhoudende:
|
||||
*maatwerkvoorschrift:*voorschrift als bedoeld in de artikelen 8.42, eerste lid, en 10.32 van de wet, artikel 17, derde lid, en artikel 65, eerste lid, van de Wet bodembescherming en artikel 6.6, tweede lid, van de Waterwet, inhoudende:
|
||||
|
||||
a. een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
|
||||
a. een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt, dan wel
|
||||
b. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;
|
||||
|
||||
*wet:* de Wet milieubeheer.
|
||||
|
|
@ -362,83 +571,72 @@ In afwijking van artikel 1.2 worden gedeputeerde staten van de provincie waarin
|
|||
|
||||
### Artikel 1.3a
|
||||
|
||||
Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7 van de Waterwet.
|
||||
Dit besluit berust mede op de artikelen 10.2, tweede lid, 10.30, derde lid, en 10.32 van de wet, de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6, 6.7 en 6.12, onderdeel e, van de Waterwet, de artikelen 78, 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onderdeel i, 2.17 en 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 6, 17 en 65 van de Wet bodembescherming en artikel 2, eerste lid, van de Meststoffenwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.3b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen waaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen plaatsvinden bij het verrichten van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1.1.2. Reikwijdte en andere procedurele bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting type A drijft voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels. Afdeling 1.2 is niet van toepassing ten aanzien van een inrichting type A.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een inrichting type B drijft voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Degene die een inrichting type C drijft voldoet aan de regels gesteld bij of krachtens:
|
||||
|
||||
a. hoofdstuk 3;
|
||||
b. artikel 4.6 voor zover het het opslaan van ten hoogste 3.000 liter gasolie, smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in artikel 3.17, betreft;
|
||||
c. paragraaf 4.8.2, voor zover het gaat om een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen;
|
||||
d. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot en met 2.4, en 2.10 en hoofdstuk 6 voor zover deze betrekking hebben op activiteiten binnen de inrichting waarop de regels, bedoeld in de onderdelen a tot en met c van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type A of B voor het lozen waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.
|
||||
|
||||
**5.** Onverminderd het derde lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type C voor het lozen waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de regels genoemd in het derde lid, met uitzondering van afdeling 1.2.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het derde lid voldoet degene die een inrichting type C drijft waartoe een gpbv-installatie behoort die betrekking heeft op het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen, aan artikel 3.20 en aan hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot en met 2.4, afdeling 2.10 en hoofdstuk 6, voor zover deze betrekking hebben op de activiteit binnen de inrichting waarop artikel 3.20 van toepassing is.
|
||||
Een ieder die loost vanuit een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C, voldoet voor lozen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet, aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Degene die anders dan vanuit een inrichting loost ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden, voldoet aan de voor dat lozen bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Degene die nabij een oppervlaktewaterlichaam voor agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden gewasbeschermingsmiddelen en biociden gebruikt, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
De bij of krachtens de artikelen 3.78 tot en met 3.83 gestelde regels zijn niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet aan dat gebruik regels zijn gesteld en voor zover die regels niet verenigbaar zijn met de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5a
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 1, 1.9b, 1.22, 2.1a, 2.3a, 2.8a, 2.11a, 2.14c, 2.15a, 2.16b, 2.22a, 2.23a, 2.27a, 3, 4 en 5, voldoet degene die een stookinstallatie binnen de Nederlandse exclusieve economische zone in werking heeft, uitsluitend aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels en voorschriften in hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 1.4, en in paragraaf 3.2.1, met uitzondering van de artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o, en hoofdstuk 6.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.6
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet, voor lozingen vanuit:
|
||||
Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet voor:
|
||||
|
||||
a. inrichtingen type A of inrichtingen type B, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6b, 3.32 tot en met 3.34, 4.19, 4.74c, 4.104, 4.109, 4.113a, 4.113b; of
|
||||
b. inrichtingen type C, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6b en 3.32 tot en met 3.34.
|
||||
a. lozen vanuit een inrichting type A of een inrichting type B voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.6 tot en met 3.6b, 3.10k, 3.31, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138, 3.150, 3.152, 4.74c, 4.103g en 4.104e;
|
||||
b. lozen vanuit een inrichting type C, voor zover aan dat het lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.6 tot en met 3.6b, 3.10k, 3.31, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138 en 3.150 en 3.152;
|
||||
c. lozen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.3, 3.3a, 3.5, 3.6 tot en met 3.6b, 3.31, 3.33, 3.34, 3.60 tot en met 3.64, 3.76 tot en met 3.91, 3.101, 3.102, 3.104, 3.105, 3.131, 3.138, 3.150 en 3.152.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, waarbij niet wordt voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels en voorschriften is verboden.
|
||||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op:
|
||||
**3.** Van de verboden, bedoeld in de artikelen 10.2, eerste lid, en 10.30, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor lozen anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee samenhangen, voor zover aan dat het lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6b, 3.34, 3.36, 3.70, 3.71 tot en met 3.73, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.126, 3.127 en 3.129.
|
||||
|
||||
a. het in een oppervlaktewaterlichaam:
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De artikelen van dit besluit zijn, behoudens dit artikellid, niet van toepassing op het in een oppervlaktewaterlichaam:
|
||||
|
||||
1°. in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;
|
||||
2°. aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie alsmede het houden van die aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie;
|
||||
3°. lozen ten gevolge van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;
|
||||
b. het lozen ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel activiteiten die daarmee verband houden;
|
||||
c. het lozen waarvoor de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet, gelden.
|
||||
3°. lozen afkomstig van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.
|
||||
|
||||
**5.** Dit besluit is niet van toepassing op lozingen op of in de bodem waaraan regels zijn gesteld krachtens de Mijnbouwwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen:
|
||||
|
||||
a. ter bescherming van het milieu regels worden gesteld ter uitwerking van de hoofdstukken 2, 3 en 4;
|
||||
b. ter uitwerking van de bij of krachtens dit besluit voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam gestelde regels, oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven; en
|
||||
c. bodembedreigende activiteiten worden aangewezen, waarop afdeling 2.4 niet van toepassing is.
|
||||
b. ter uitwerking van de bij of krachtens dit besluit voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam gestelde regels, oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de verplichting worden opgelegd te voldoen aan maatwerkvoorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu gesteld door het bevoegd gezag met betrekking tot de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en kan worden bepaald in welke mate die maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van de regels, bedoeld in onderdeel a.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kan de verplichting worden opgelegd te voldoen aan maatwerkvoorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu gesteld door het bevoegd gezag met betrekking tot de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en kan worden bepaald in welke mate die maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van de regels, bedoeld in onderdeel a.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:
|
||||
|
||||
a. de bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen;
|
||||
b. de NeR; en
|
||||
|
|
@ -458,6 +656,13 @@ Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet,
|
|||
|
||||
### Afdeling 1.2. Melding
|
||||
|
||||
### Artikel 1.9b
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die:
|
||||
|
||||
a. een inrichting type B drijft, of
|
||||
b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
|
@ -479,11 +684,31 @@ f. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de ligging
|
|||
|
||||
### Artikel 1.10a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Degene die voornemens is agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden uit te voeren buiten een inrichting ten gevolge waarvan lozen kan plaatsvinden, meldt het lozen ten minste vier weken voordat daarmee wordt aangevangen aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van de activiteiten, bedoeld in dat lid. Een melding is niet vereist indien:
|
||||
|
||||
a. eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en de artikelen 1.13 en 1.14 niet verplichten tot het verstrekken van andere gegevens, of
|
||||
b. de veranderende activiteiten slechts een wijziging in teelt betreffen en de gegevens omtrent de te telen gewassen en de betreffende percelen op grond van artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet zijn gemeld aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. de naam en het adres van degene die meldt;
|
||||
b. de aard en omvang van de activiteiten die worden verricht;
|
||||
c. het tijdstip waarop het lozen zal aanvangen en de duur van het lozen, en
|
||||
d. de locatie van de percelen van waaraf het lozen plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan de krachtens artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gemelde gegevens gebruiken voor zover noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
**5.** Onverminderd het eerste en tweede lid is een melding evenmin vereist voor het lozen als bedoeld in paragraaf 3.1.3.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.11
|
||||
|
||||
**1.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien tussen 19.00 en 7.00 uur naar verwachting gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kilogram en binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn. Het gemiddelde als bedoeld in de eerste volzin betreft een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. De eerste volzin is niet van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare verkoop aan derden van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas voor het wegverkeer en inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden.
|
||||
**1.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien tussen 19.00 en 7.00 uur naar verwachting gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kilogram en binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn. Het gemiddelde als bedoeld in de eerste volzin betreft een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. Voor inrichtingen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde en zesde lid, wordt in plaats van «tussen 19.00 en 7.00 uur» gelezen «tussen 19.00 en 6.00 uur». De eerste volzin is niet van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare verkoop aan derden van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas voor het wegverkeer en inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -495,27 +720,37 @@ a. in enig vertrek van de inrichting het equivalente geluidsniveau (L_Aeq) veroo
|
|||
2°. 80 dB(A), indien onderdeel 1° niet van toepassing is; of
|
||||
b. in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting muziek ten gehore zal worden gebracht.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien de melding betrekking heeft op een of meer windturbines.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt.
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien:
|
||||
|
||||
**5.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien de melding betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in categorie 27.3 van onderdeel C, bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht.
|
||||
a. de melding betrekking heeft op een of meer windturbines;
|
||||
b. in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
|
||||
c. de melding betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in categorie 27.3 van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht;
|
||||
d. airbags of gordelspanners worden geneutraliseerd door deze te ontsteken;
|
||||
e. de melding betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in categorie 11.1, onderdeel b, van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, voor zover het een inrichting betreft voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren, of
|
||||
f. de melding betrekking heeft op een binnenschietbaan en de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde gevoelige object kleiner is dan 50 meter.
|
||||
|
||||
**6.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien airbags of gordelspanners worden geneutraliseerd door deze te ontsteken.
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en de maximale geluidsniveaus (L_Amax) veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning.
|
||||
|
||||
**7.** Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met zesde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en de maximale geluidsniveaus (L_Amax) veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw.
|
||||
**5.** Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het eerste tot en met zesde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) of het maximaal geluidsniveau (L_Amax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd.
|
||||
|
||||
**8.** Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) of het maximaal geluidsniveau (L_Amax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd.
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 1.10, besluiten dat een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en een rapport van een akoestisch onderzoek noodzakelijk is voor zonebeheer.
|
||||
|
||||
**9.** Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 1.10, besluiten dat een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en een rapport van een akoestisch onderzoek noodzakelijk is voor zonebeheer.
|
||||
**7.** Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.
|
||||
|
||||
**10.** Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
**11.** In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, geeft het rapport tevens een beschrijving van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting op de zonegrens en op geluidgevoelige objecten binnen de zone op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of aan de geluidsvoorwaarden voor de zone kan worden voldaan.
|
||||
In de volgende gevallen geeft het rapport tevens een beschrijving van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting op de zonegrens en op geluidgevoelige objecten binnen de zone op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of aan de geluidsvoorwaarden voor de zone kan worden voldaan:
|
||||
|
||||
**12.** Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
|
||||
a. indien het een inrichting betreft als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3° van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, of
|
||||
b. indien het een inrichting betreft als bedoeld in categorie 27.3, van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht.
|
||||
|
||||
**13.** In afwijking van het twaalfde lid wordt het akoestisch onderzoek voor windturbines uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**9.** Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
|
||||
|
||||
**10.** In afwijking van het negende lid wordt het akoestisch onderzoek voor windturbines of een binnenschietbaan uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**11.** Indien aannemelijk is dat de geluidniveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten bij een inrichting als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid, een significante bijdrage leveren aan de totale geluidsbelasting van de inrichting, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus vanwege de werkzaamheden en activiteiten. In het rapport wordt aangegeven welke technische voorzieningen worden getroffen en welke gedragsregels in acht worden genomen om deze geluidsniveaus te beperken.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -531,7 +766,7 @@ Bij een melding, als bedoeld in artikel 1.10, wordt, indien de melding betreft h
|
|||
|
||||
### Artikel 1.14
|
||||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van een lozing van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem als bedoeld in artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 of artikel 1.10a worden indien sprake is van een lozing van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem als bedoeld in artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:
|
||||
|
||||
a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
|
||||
b. de wijze van behandeling van het afvalwater.
|
||||
|
|
@ -557,38 +792,71 @@ Degene die een inrichting drijft verstrekt desgevraagd aan het bevoegd gezag bin
|
|||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake is van het opslaan, overslaan of verwerken van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, de volgende gegevens gemeld:
|
||||
|
||||
a. de afvalstoffen en de activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in onderdeel 28.10, onder 1° tot en met 31° van onderdeel C, bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, en
|
||||
a. de afvalstoffen en de activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in onderdeel 28.10, onder 1° tot en met 34° van onderdeel C, bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, en
|
||||
b. per handeling per afvalstof de maximale opslagcapaciteit en de verwerkingscapaciteit per jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, worden ingezameld bij of worden afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, wordt bij de melding een beschrijving gevoegd van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen als bedoeld in artikel 2.14b.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.16a
|
||||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt een rapport met de onderbouwing van de gevolgen voor de luchtkwaliteit gevoegd, indien sprake is van een inrichting als bedoeld in categorie 11.1, onderdeel b, van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, voor zover het een inrichting betreft voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.17
|
||||
|
||||
**1.** Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt, indien sprake is van de oprichting van een zuiveringtechnisch werk of verandering van een zuiveringtechnisch werk die van invloed is op de geurbelasting op gevoelige objecten, een rapport van een geuronderzoek gevoegd.
|
||||
**1.** Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, wordt indien sprake is van een zuiveringtechnisch werk, een beschrijving gevoegd hoe invulling wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3.5b en artikel 3.5d.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, wordt indien sprake is van een inrichting voor het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken als bedoeld in artikel 3.137, een beschrijving gevoegd hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3.140.
|
||||
|
||||
Uit het rapport van een geuronderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt:
|
||||
**3.** Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, wordt indien sprake is van een inrichting voor de verwerking van polyesterhars, een beschrijving gevoegd hoe invulling wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens artikel 4.31c.
|
||||
|
||||
a. op grond van de verrichte geurberekeningen of aan de waarden, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, dan wel artikel 6.19b, tweede tot en met vijfde lid, is voldaan, en
|
||||
b. welke voorzieningen worden getroffen om de geuremissie te beperken.
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien onvoldoende aannemelijk is dat aan artikel 3.5b en artikel 3.5d, respectievelijk artikel 3.140 wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Een geuronderzoek als bedoeld in het vierde lid wordt uitgevoerd overeenkomstig NTA 9065: 2012.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.18
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien in de inrichting ten minste 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden in dierenverblijven, tevens de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. per dierenverblijf het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie en per huisvestingssysteem, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
b. per dierenverblijf een beschrijving van het ventilatiesysteem;
|
||||
c. per dierenverblijf waarin dieren met een geuremissiefactor worden gehouden:
|
||||
|
||||
1°. de inputgegevens van het verspreidingsmodel V-stacks vergunning, genoemd in de regeling op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij;
|
||||
2°. een plattegrondtekening overeenkomstig de beschrijving van de binnen het dierenverblijf toegepaste huisvestingssystemen, waarop de emissiepunten en de ventilatoren met hun diameter zijn aangegeven;
|
||||
3°. een doorsnedetekening overeenkomstig de beschrijving van de binnen het dierenverblijf toegepaste huisvestingssystemen, waarop de goothoogte, de nokhoogte, de emissiepunten en de ventilatoren zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een kinderboerderij.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.19
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, worden de inputgegevens voor het luchtkwaliteitsmodel ISL3a verstrekt indien sprake is van het in huisvestingssystemen houden van:
|
||||
|
||||
a. ten minste 500 en ten hoogste 1.200 vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
|
||||
b. ten minste 3.000 stuks pluimvee, voor zover er geen sprake is van een gpbv-installatie;
|
||||
c. ten minste 900 varkens behorend tot de diercategorieën D1 tot en met D3, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij,voor zover er geen sprake is van een gpbv-installatie;
|
||||
d. ten minste 1.500 stuks pluimvee behorend tot de diercategorieën E1 tot en met E5, F1 tot en met F4, G1, G2 en J1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, 500 gespeende biggen behorend tot de diercategorie D.1.1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij of 500 landbouwhuisdieren anders dan pluimvee en gespeende biggen indien binnen de inrichting landbouwhuisdieren van meer dan een hoofdcategorie als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij worden gehouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.20
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 of artikel 1.10a, worden, voor lozen als bedoeld in de artikelen 3.60, 3.61, 3.76, 3.77, 3.80, 3.83 en 3.105 afkomstig van biologische teelt, gegevens verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van biologische teelt.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.21
|
||||
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt, indien sprake is van een lozing in het vuilwaterriool van zuurstofbindende stoffen met een jaargemiddelde vervuilingswaarde van 5.000 inwonerequivalenten of meer, inzicht gegeven in de spreiding van de lozing over het jaar.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.1. Zorgplicht
|
||||
|
||||
### Artikel 1.22
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die:
|
||||
|
||||
a. een inrichting type A of een inrichting B drijft, of
|
||||
b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
|
||||
|
|
@ -615,13 +883,22 @@ o. het doelmatig beheer van afvalwater;
|
|||
p. het doelmatig beheer van afvalstoffen;
|
||||
q. het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door de inrichting te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid, onderdelen b, c, d, n, o en p, zijn van overeenkomstige toepassing op degene die, anders dan vanuit een inrichting, loost ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste en derde lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft dan wel degene die loost, te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting dan wel het lozen, bedoeld in het derde lid, nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.2. Lozingen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die:
|
||||
|
||||
a. een inrichting type A of een inrichting B drijft, of
|
||||
b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.63.6a, 3.32 tot en met 3.34, 4.19, 4.74c, 4.104, 4.109, 4.113a, is toegestaan.
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6a, 3.10k, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.126, 3.127, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.103g tot en met 4.104d, is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -668,8 +945,9 @@ o. NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN 6604 ten aanzien van ammoniumstikstof;
|
|||
p. NEN-ISO 5813 of NEN-ISO 5814 ten aanzien van het zuurstofgehalte;
|
||||
q. NEN-EN 872 ten aanzien van onopgeloste stoffen;
|
||||
r. NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal;
|
||||
s. NEN 6414 ten aanzien van temperatuur; en
|
||||
t. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
|
||||
s. NEN 6414 ten aanzien van temperatuur;
|
||||
t. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI;
|
||||
u. NEN-ISO 15681-1/2 ten aanzien van totaal fosfor.
|
||||
|
||||
**2.** De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN-6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.
|
||||
|
||||
|
|
@ -677,9 +955,16 @@ t. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.3. Lucht
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die:
|
||||
|
||||
a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft, of
|
||||
b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4
|
||||
|
||||
De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld.
|
||||
De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -745,7 +1030,7 @@ b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde s
|
|||
c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven;
|
||||
d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -754,7 +1039,7 @@ d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperke
|
|||
Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast en degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten aanzien van de emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld:
|
||||
|
||||
a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag éénmalig aangetoond of de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4, vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden; of
|
||||
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien een of meer grensmassastromen als bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
|
||||
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien een of meer grensmassastromen als bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -762,11 +1047,11 @@ b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien een of meer grensmassastromen a
|
|||
|
||||
Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen worden uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR en volgens:
|
||||
|
||||
a. NEN-EN 13284-1, dan wel in het geval van continue metingen, volgens NEN-EN 13284-2, ten aanzien van totaal stof;
|
||||
a. NEN-EN 13284-1, dan wel in het geval van continue metingen, volgens NEN-EN 13284-2, ten aanzien van stofklasse S;
|
||||
b. ISO 16740, ten aanzien van chroom VI -verbindingen;
|
||||
c. NEN-EN 14385, ten aanzien van zware metalen;
|
||||
d. NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3, dan wel in het geval van continue metingen volgens VDI 3480-3, ten aanzien van zoutzuur;
|
||||
e. NEN 2819, ten aanzien van waterstoffluoride;
|
||||
d. NEN-EN 1911, dan wel in het geval van continue metingen volgens VDI 3480-3, ten aanzien van zoutzuur;
|
||||
e. ISO 5713, ten aanzien van waterstoffluoride;
|
||||
f. NEN-EN 14792, dan wel in het geval van continue metingen volgens NEN-ISO 10849, ten aanzien van stikstofoxiden; en
|
||||
g. NEN 2826, ten aanzien van ammoniak.
|
||||
|
||||
|
|
@ -776,6 +1061,17 @@ g. NEN 2826, ten aanzien van ammoniak.
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.4. Bodem
|
||||
|
||||
### Artikel 2.8a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die:
|
||||
|
||||
a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft of een C-inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, of
|
||||
b. een inrichting type C drijft waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover deze activiteiten verricht binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover het betreft een inrichting type C waartoe een IPPC-installatie behoort, is in afwijking van het eerste lid, onder a, artikel 2.11, eerste lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.9
|
||||
|
||||
**1.** Indien in een inrichting een bodembedreigende activiteit wordt verricht worden bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
|
||||
|
|
@ -803,7 +1099,7 @@ b. de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren.
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien in de inrichting een bodembedreigende activiteit is verricht wordt uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag. In dit rapport wordt ten minste vermeld:
|
||||
Indien in de inrichting een bodembedreigende activiteit is verricht wordt uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de IPPC-installatie of na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag. In dit rapport wordt ten minste vermeld:
|
||||
|
||||
a. de naam en adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
|
||||
b. de wijze waarop het onderzoek is verricht;
|
||||
|
|
@ -834,6 +1130,10 @@ Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijk
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.5. Afvalbeheer
|
||||
|
||||
### Artikel 2.11a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -859,7 +1159,14 @@ Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b en c, is niet van toepa
|
|||
a. ten behoeve van recycling als product of als materiaal, en
|
||||
b. van afvalwater waarvan het lozen bij of krachtens dit besluit op dezelfde wijze is toegestaan, voorafgaand aan dat lozen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling worden categorieën van afvalstoffen aangewezen waarin per categorie de afvalstoffen wat betreft aard, samenstelling en concentratie in ieder geval vergelijkbaar zijn.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, is niet van toepassing op het mengen van:
|
||||
|
||||
a. verschillende soorten afvalwater waarvan het lozen bij of krachtens dit besluit op dezelfde wijze is toegestaan, voorafgaand aan dat lozen, en
|
||||
b. afvalwater waarvan het lozen op of in de bodem krachtens dit besluit is toegestaan met meststoffen voor zover dit niet in strijd is met artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden categorieën van afvalstoffen aangewezen waarin per categorie de afvalstoffen wat betreft aard, samenstelling en concentratie in ieder geval vergelijkbaar zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -871,7 +1178,7 @@ Indien binnen een inrichting een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof, texti
|
|||
|
||||
### Artikel 2.14a
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden afvalstoffen te verbranden.
|
||||
**1.** Het is verboden afvalstoffen te verbranden, tenzij het betreft de verbranding van biomassa in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 megawatt of minder en bij die verbranding van biomassa wordt voldaan aan artikel 3.10n.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden afvalstoffen op of in de bodem te brengen met het doel ze daar te laten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -885,6 +1192,14 @@ Indien binnen een inrichting een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof, texti
|
|||
|
||||
**7.** Uiterlijk binnen acht weken na de beëindiging van de inrichting worden de daarin aanwezige afvalstoffen uit de inrichting afgevoerd.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Het is verboden afvalstoffen te verdichten, tenzij:
|
||||
|
||||
a. het geen gevaarlijke afvalstof betreft;
|
||||
b. de afvalstoffen niet afkomstig zijn van buiten de inrichting, en
|
||||
c. het verdichten geen belemmering vormt voor nascheiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.14b
|
||||
|
||||
**1.** Indien binnen een inrichting afvalstoffen worden op- of overgeslagen of verwerkt die worden ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, is binnen de inrichting een actuele beschrijving aanwezig van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen afvalstoffen, die nodig zijn voor een doelmatig beheer van die afvalstoffen.
|
||||
|
|
@ -909,6 +1224,10 @@ b. de afvalstoffen binnen de inrichting uitsluitend worden ingenomen voor zover
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.6. Energiebesparing
|
||||
|
||||
### Artikel 2.14c
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.15
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of alle energiebesparende maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.
|
||||
|
|
@ -919,14 +1238,24 @@ b. de afvalstoffen binnen de inrichting uitsluitend worden ingenomen voor zover
|
|||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het energiegebruik in de inrichting in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kilowatt uur aan elektriciteit en kleiner is dan 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste lid is niet van toepassing op een inrichting waarop de verboden, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, betrekking hebben en op een inrichting als bedoeld in artikel 15.51, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.7. Verkeer en vervoer
|
||||
|
||||
### Artikel 2.15a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Afdeling 2.8. Geluidhinder
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16b
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -978,6 +1307,35 @@ c. de in tabel 2.17d aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige ter
|
|||
d. indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en binnen een afstand van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan gevoelige objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen, de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) uit tabel 2.17d gelden op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting; en
|
||||
e. de in tabel 2.17d aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, dat:
|
||||
|
||||
a. voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT), veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen, de niveaus op de plaatsen en tijdstippen, genoemd in tabel 2.17e, niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
|
||||
b. voor het maximaal geluidsniveau (L_amax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, de niveaus op de plaatsen en tijdstippen, genoemd in tabel 2.17f, niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
|
||||
c. de in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur in tabel 2.17f opgenomen waarden niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid;
|
||||
d. de in tabel 2.17e en 2.17f aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen;
|
||||
e. de in tabel 2.17e en 2.17f aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
|
||||
f. de waarden binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, en
|
||||
g. de in tabel 2.17e en 2.17f aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied dat:
|
||||
|
||||
a. voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, de niveaus op de in tabel 2.17g genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
|
||||
b. de in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus (L_Amax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
|
||||
c. de in tabel 2.17g aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
|
||||
d. de in tabel 2.17g aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
|
||||
e. de waarden binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, en
|
||||
f. de in tabel 2.17g aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
|
||||
|
||||
**7.** De waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) op de gevel van gevoelige gebouwen in de tabellen 2.17e en 2.17g zijn niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in een gebied waarvoor bij of krachtens een gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. In een dergelijk gebied bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) niet meer dan de waarden die zijn opgenomen in die gemeentelijke verordening.
|
||||
|
||||
**8.** Voor inrichtingen in een gebied als bedoeld in het zevende lid, bedragen de in de verordening vastgelegde waarden ten hoogste 5 dB(A) meer of minder dan de waarden in tabel 2.17e en voor inrichtingen als bedoeld in het zesde lid, bedragen de in de verordening vastgelegde waarden ten hoogste 5 dB(A) meer of minder dan de waarden in tabel 2.17g.
|
||||
|
||||
**9.** Bij vaststelling van de waarden, bedoeld in het zevende lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met het in het gebied heersende referentieniveau. Indien voor inrichtingen als bedoeld in het zesde lid, waarden worden vastgelegd die hoger zijn dan de waarden in tabel 2.17g, wordt daarmee het in het gebied heersende referentieniveau niet overschreden.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.18
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -990,7 +1348,7 @@ c. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of le
|
|||
d. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen;
|
||||
e. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen;
|
||||
f. het ten gehore brengen van onversterkte muziek tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;
|
||||
g. het traditioneel schieten, tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;
|
||||
g. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 3.7.2., tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;
|
||||
h. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
|
||||
i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1001,7 +1359,9 @@ i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onder
|
|||
Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (L_Amax), bedoeld in artikel 2.17, 2.20 dan wel 6.12, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
|
||||
|
||||
a. het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden;
|
||||
b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.
|
||||
b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan;
|
||||
c. laad- en losactiviteiten in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur ten behoeve van de aan- en afvoer van producten bij inrichtingen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde en zesde lid, voor zover dat ten hoogste een keer in de genoemde periode plaatsvindt;
|
||||
d. het verrichten van activiteiten in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur ten behoeve van het wassen van kasdekken bij inrichtingen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde en zesde lid.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1015,7 +1375,19 @@ b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 meter van het motorv
|
|||
Bij gemeentelijke verordening kunnen ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, en
|
||||
b. het traditioneel schieten.
|
||||
b. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 3.7.2.
|
||||
|
||||
**6.** Bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Degene die een inrichting drijft, waar het stomen van grond plaatsvindt met een installatie van derden, treft maatregelen of voorzieningen die betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. de periode waarin het grondstomen plaatsvindt;
|
||||
b. de locatie waar de installatie wordt opgesteld, en
|
||||
c. het aanbrengen van geluidreducerende voorzieningen binnen de inrichting.
|
||||
|
||||
**8.** Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken daarvan, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de maatregelen of voorzieningen, bedoeld in het zevende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.19
|
||||
|
||||
|
|
@ -1035,6 +1407,8 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
**6.** In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau L_Amax vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**7.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen ter beperking van het geluid als gevolg van werkzaamheden en activiteiten bij een inrichting als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.21
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1056,6 +1430,10 @@ b. andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bi
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.9. Trillinghinder
|
||||
|
||||
### Artikel 2.22a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.23
|
||||
|
||||
**1.** Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, met uitzondering van geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, niet meer dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen.
|
||||
|
|
@ -1066,6 +1444,10 @@ b. andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bi
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.10. Financiële zekerheid
|
||||
|
||||
### Artikel 2.23a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type B of een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse opslagtank wordt opgeslagen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.24
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft waarin vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse tank wordt opgeslagen stelt door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als gevolg van dat opslaan of het drijven van het tankstation. De eerste volzin is niet van toepassing op het Rijk.
|
||||
|
|
@ -1095,7 +1477,101 @@ Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam
|
|||
|
||||
### Afdeling 2.11. Oplosmiddelen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type c
|
||||
### Artikel 2.27a
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B, of een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.28
|
||||
|
||||
Deze afdeling is van toepassing op oplosmiddeleninstallaties die een of meer van de in tabel 2.28a of tabel 2.28b vermelde drempelwaarden bereiken.
|
||||
|
||||
(^1) Oplosmiddeleninstallaties voor de coating van voertuigen beneden de in deze tabel vermelde drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik voldoen aan de in tabel 2.28a, onderdeel 6, vermelde eisen voor coating of overspuiten van voertuigen.
|
||||
|
||||
(^2) Geldt voor de jaarlijkse productie van gecoat materiaal.
|
||||
|
||||
(^3) De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per m² vervaardigd product en in kilogram uitgestoten oplosmiddel per carrosserie.
|
||||
|
||||
Het oppervlak van de vermelde producten wordt als volgt gedefinieerd: het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.
|
||||
|
||||
Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende formule:
|
||||
|
||||
(2 maal gewicht product zonder coating)
|
||||
|
||||
(gemiddelde dikte metaalplaat x dichtheid metaalplaat)
|
||||
|
||||
Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.
|
||||
|
||||
Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de installatie gecoate oppervlak wordt gebruikgemaakt van CAD (computergesteund ontwerp) of andere gelijkwaardige methoden.
|
||||
|
||||
De totale emissiegrenswaarden hebben betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.
|
||||
|
||||
(^4) In deze tabel wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: een oplosmiddeleninstallatie die op 1 april 2002 in werking was.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.29
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij het in werking hebben van een oplosmiddeleninstallatie worden:
|
||||
|
||||
a. de emissiegrenswaarden en de diffuse-emissiegrenswaarden van tabel 2.28a en tabel 2.28b niet overschreden, of
|
||||
b. de totale emissiegrenswaarden van tabel 2.28a en tabel 2.28b niet overschreden.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien wordt voldaan aan een reductieprogramma waarmee een emissiebeperking wordt bereikt die gelijkwaardig is aan die welke bij toepassing van de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde waarden zou zijn bereikt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een bestaande oplosmiddeleninstallatie als bedoeld in artikel 2.28 een verandering als bedoeld in artikel 1.10, tweede lid, of artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2^°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ondergaat of na een verandering voor het eerst onder deze afdeling valt, wordt dat deel van de oplosmiddeleninstallatie dat de verandering heeft ondergaan aangemerkt als nieuwe oplosmiddeleninstallatie. De eerste volzin is niet van toepassing indien de totale emissies van de oplosmiddeleninstallatie niet hoger zijn dan indien het deel dat de verandering heeft ondergaan als een nieuwe oplosmiddeleninstallatie zou zijn aangemerkt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien degene die een inrichting drijft waartoe een oplosmiddeleninstallatie behoort, aantoont dat het voldoen aan de diffuse-emissiegrenswaarde technisch en economisch niet haalbaar is voor die oplosmiddeleninstallatie, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een andere diffuse-emissiegrenswaarde vaststellen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor coatingprocessen als bedoeld in tabel 2.28a, onderdeel 8, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor de oplosmiddeleninstallatie andere emissiegrenswaarden of diffuse-emissiegrenswaarden vaststellen dan die welke gelden op grond van het eerste lid, indien:
|
||||
|
||||
a. de vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen of uitgestoten, en
|
||||
b. degene die de inrichting drijft waartoe de oplosmiddeleninstallatie behoort, aantoont dat het voldoen aan de verplichtingen uit het eerste lid technisch en economisch niet haalbaar is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.30
|
||||
|
||||
**1.** Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan vluchtige organische stoffen die krachtens de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, worden voor zover mogelijk binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door naar hun aard minder schadelijke stoffen of mengsels.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De emissies van:
|
||||
|
||||
a. vluchtige organische stoffen als bedoeld in het eerste lid en
|
||||
b. gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevarenaanduidingen H341 of H351 of de risicozinnen R40 of R68 zijn toegekend, of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien,
|
||||
|
||||
overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 2.30 niet. De emissiegrenswaarden gelden voor de totale massa van de betrokken stoffen.
|
||||
|
||||
| Stoffen of mengsels | Massastroom | Emissiegrenswaarde |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| H340, H350, H350i, H360D of H360F of R45, R46, R49, R60 en R61 en verplichte etikettering | ≥10 g/uur | 2 mg/Nm³ |
|
||||
| H341 of H351 of R40 of R68 en verplichte etikettering | ≥ 100 g/uur | 20 mg/Nm³ |
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een oplosmiddeleninstallatie waarin twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van tabel 2.28a of tabel 2.28b overschrijden, voldoet:
|
||||
|
||||
a. ten aanzien van de stoffen of mengsels, genoemd in het eerste of tweede lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en
|
||||
b. ten aanzien van de andere stoffen of mengsels dan bedoeld onder a:
|
||||
|
||||
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 2.29, eerste of tweede lid, of
|
||||
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.31
|
||||
|
||||
Degene die een inrichting drijft waartoe een oplosmiddeleninstallatie behoort, neemt alle passende voorzorgsmaatregelen om de emissies van vluchtige organische stoffen bij het opstarten en stilleggen van de installatie tot een minimum te beperken.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.32
|
||||
|
||||
De monitoring van emissies, het opstellen van een reductieprogramma en een oplosmiddelenboekhouding en de emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking tot activiteiten, tevens geldend voor inrichtingen type C
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.0. Reikwijdte hoofdstuk 3
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.1. Afvalwaterbeheer
|
||||
|
||||
|
|
@ -1195,7 +1671,15 @@ b. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de
|
|||
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende lid.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde:
|
||||
|
||||
a. grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek of vanuit een bodemsanering als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid;
|
||||
b. drainagewater afkomstig van telen in een kas als bedoeld in artikel 3.70, en
|
||||
c. drainagewater als bedoeld in artikel 3.87, negende lid.
|
||||
|
||||
Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met tiende lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1244,21 +1728,22 @@ c. het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 300 milligr
|
|||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
|
||||
|
||||
a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in artikel 2.9;
|
||||
b. geen hemelwater is waarop de artikelen 3.33 en 3.34 van toepassing zijn.
|
||||
a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening,
|
||||
b. geen hemelwater is waarop de artikelen 3.33, 3.34, 3.49 en 3.60 van toepassing zijn, of
|
||||
c. geen drainagewater is als bedoeld in artikel 3.87, negende lid.
|
||||
|
||||
Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
**2.** Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen van afvloeiend hemelwater vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
|
||||
**3.** Het lozen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, worden slechts op half-open en gesloten verhardingen gebruikt, indien:
|
||||
|
||||
a. sprake is van pleksgewijze behandeling door middel van selectieve toepassingstechnieken; en
|
||||
b. de kans op neerslag voor een periode van 24 uur na het voorgenomen gebruik niet groter is dan 40% volgens het weerbericht, bedoeld in artikel 5 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, voor de desbetreffende regio van het land.
|
||||
|
||||
**4.** Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, worden niet gebruikt in of nabij straatkolken of putten.
|
||||
**5.** Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, worden niet gebruikt in of nabij straatkolken of putten.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.1.4. Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie
|
||||
|
||||
|
|
@ -1347,7 +1832,7 @@ De geurbelasting, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, en artikel 6.19
|
|||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het zevende lid.
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater met een warmtevracht van 50.000 kilojoule of minder per seconde. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het zevende lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1396,41 +1881,157 @@ c. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4190 Kilojoule pe
|
|||
|
||||
### Afdeling 3.2. Installaties
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.1. In werking hebben van een warmtekrachtinstallatie
|
||||
#### Paragraaf 3.2.1. Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, indien:
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
a. de installatie een totaal motorisch vermogen heeft van maximaal 15 megawatt;
|
||||
b. de installatie een nominaal vermogen heeft van meer dan 100 kilowatt;
|
||||
c. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt; en
|
||||
d. zich in de inrichting geen broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.1 van de wet.
|
||||
De artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 6.20 tot en met 6.20c inzake emissies naar de lucht zijn van toepassing op het in werking hebben van een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor, tenzij het betreft:
|
||||
|
||||
a. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof;
|
||||
b. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die een noodvoorziening is en ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is;
|
||||
c. een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van minder dan 400 kilowatt waarin andere brandstoffen dan biomassa worden toegepast;
|
||||
d. een grote stookinstallatie;
|
||||
e. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
f. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, zijn voor zover het emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) betreft, de in dat lid genoemde artikelen niet van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, voor zover titel 16.3 van de wet daarop van toepassing is. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas van een stookinstallatie vaststellen, indien dit nodig is in het belang van de luchtkwaliteit.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o inzake het doelmatig beheer van afvalwater, het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het doelmatig beheer van afval, zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft:
|
||||
|
||||
a. een grote stookinstallatie;
|
||||
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
c. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.10l en 3.10m inzake een doelmatig gebruik van energie, zijn van toepassing op inrichtingen waarin zich geen broeikasgasinstallaties als bedoeld in artikel 16.1 van de wet bevinden en waarbij sprake is van het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, tenzij:
|
||||
|
||||
a. het een warmtekrachtinstallatie betreft waarin vergistinggas wordt gebruikt;
|
||||
b. de warmtekrachtinstallatie een grote stookinstallatie betreft;
|
||||
c. de warmtekrachtinstallatie een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie betreft waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
d. de warmtekrachtinstallatie een mobiele stookinstallatie betreft.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Artikel 3.10p inzake keuring en onderhoud van een stookinstallatie is van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft:
|
||||
|
||||
a. een stookinstallatie die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof;
|
||||
b. een stookinstallatie die een noodvoorziening is en ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is;
|
||||
c. een grote stookinstallatie;
|
||||
d. een afvalverbrandingsinstallatie;
|
||||
e. een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.2 van toepassing is, of
|
||||
f. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**6.** Deze paragraaf is niet van toepassing op het stoken van stookinstallaties die ingevolge bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a, van het Besluit omgevingsrecht er toe leiden, dat een inrichting vergunningplichtig is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
Een warmtekrachtinstallatie voldoet ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan; en
|
||||
b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
|
||||
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Een stookinstallatie kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
Voor zover in deze paragraaf emissie-eisen worden gesteld aan stoffen, zijn de artikelen 2.7 en 2.8, derde tot en met vijfde lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal ingangsvermogen van 1 Megawatt of meer voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10a
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen groter dan 400 kilowatt en kleiner dan 1 megawatt voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10a.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10b
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen gelijk aan of kleiner dan 400 kilowatt voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10b.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10c
|
||||
|
||||
**1.** Bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een ketelinstallatie geldt als emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2) en totaal stof, het gewogen gemiddelde van de emissiegrenswaarden die op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10b voor elk van de brandstoffen afzonderlijk zouden gelden.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10d
|
||||
|
||||
Het rookgas van een gasturbine voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10d.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10e
|
||||
|
||||
Het rookgas van een dieselmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10e.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10f
|
||||
|
||||
Het rookgas van een gasmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10f.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10g
|
||||
|
||||
**1.** Een stookinstallatie waarvan het rookgas vanwege een storing niet voldoet aan de emissiegrenswaarden die op grond van deze paragraaf voor die stookinstallatie gelden, wordt zo spoedig mogelijk opgelost en mag ten hoogste 120 achtereenvolgende uren na het optreden van de storing in gebruik blijven, met een maximum van 120 uur per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een storing als bedoeld in het eerste lid niet binnen 120 uur op een zodanige wijze is opgeheven dat het rookgas van de stookinstallatie weer aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voldoet, wordt de stookinstallatie door de drijver van de inrichting buiten bedrijf gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid blijft buiten toepassing indien het een stookinstallatie betreft die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt, de storing redelijkerwijs niet binnen het in het eerste lid genoemde aantal uren kan worden hersteld en deze omstandigheid voor het verstrijken van dat aantal uren schriftelijk en met opgave van redenen is gemeld bij het Staatstoezicht op de mijnen. Het Staatstoezicht op de mijnen stelt in dat geval een termijn waarbinnen de storing wordt hersteld. De storing wordt zo spoedig mogelijk opgelost. Indien de storing niet wordt hersteld binnen de door het Staatstoezicht op de mijnen gestelde termijn, wordt de betreffende stookinstallatie alsnog buiten bedrijf gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een storing samenhangt met de brandstof die in een stookinstallatie wordt verstookt mag gedurende het aantal uren, genoemd in het eerste lid, een andere brandstof worden gebruikt en blijven de emissiegrenswaarden, die gelden op grond van deze paragraaf, gedurende die uren buiten toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10h
|
||||
|
||||
Een stookinstallatie die strekt tot vervanging voor ten hoogste zes maanden van een stookinstallatie die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en die is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoom- of elektriciteitsnet waaraan zij levert, voldoet ten minste aan de emissiegrenswaarden die gelden voor de buiten bedrijf gestelde stookinstallatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10i
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de berekening van de uitworp van rookgas door een stookinstallatie wordt de massaconcentratie van stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (C_xH_y, uitgedrukt in C) in het rookgas herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van:
|
||||
|
||||
a. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft, of
|
||||
b. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van de uitworp van rookgas door een stookinstallatie, wordt de massaconcentratie aan stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas berekend als massaconcentratie van stikstofdioxide.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10j
|
||||
|
||||
**1.** De concentratie aan stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (C_xH_y, uitgedrukt in C) in het rookgas dat wordt uitgeworpen door een stookinstallatie waarvoor in deze paragraaf emissiegrenswaarden zijn gesteld, wordt door de drijver van de inrichting bepaald door een meting.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid behoeft geen meting te worden verricht van zwaveldioxide (SO_2), indien het in acht nemen van de emissiegrenswaarden geschiedt door het stoken van brandstof met een bekend zwavelgehalte en de stookinstallatie niet is uitgerust met apparatuur voor het reduceren van de emissie van zwaveldioxide.
|
||||
|
||||
**3.** De meting, bedoeld in het eerste lid, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10k
|
||||
|
||||
**1.** Het spuien van een stoomketel van een stookinstallatie geschiedt in een geschikte spuitank dan wel in een andere geschikte voorziening die ten behoeve van het doelmatig beheer van afvalwater ten minste voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen van spuiwater van een stoomketel of condensaat van rookgassen van een stookinstallatie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10l
|
||||
|
||||
**1.** Van een warmtekrachtinstallatie is het jaargemiddeld rendement ten minste 65%, berekend volgens de formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte.
|
||||
|
||||
**2.** De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
### Artikel 3.10m
|
||||
|
||||
**1.** Jaarlijks wordt het brandstofverbruik en de geproduceerde elektriciteit geregistreerd.
|
||||
**1.** Jaarlijks wordt het brandstofverbruik en de geproduceerde elektriciteit van een warmtekrachtinstallatie geregistreerd.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de warmtekrachtinstallatie is aangesloten op een noodkoeler wordt jaarlijks de hoeveelheid nuttig toegepaste warmte geregistreerd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de warmtekrachtinstallatie niet is aangesloten op een noodkoeler wordt het thermisch rendement eenmaal per vier jaar vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** De in het eerste en tweede lid bedoelde registraties worden gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening bewaard en zijn in de inrichting aanwezig of binnen een termijn die wordt gesteld door het bevoegd gezag voor deze beschikbaar.
|
||||
**4.** De registraties, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening bewaard en zijn in de inrichting aanwezig of binnen een termijn die wordt gesteld door het bevoegd gezag voor deze beschikbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10n
|
||||
|
||||
Het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is in een stookinstallatie vindt niet plaats, tenzij het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10o
|
||||
|
||||
Een stookinstallatie waarin vloeibare brandstof wordt verbrand, voldoet ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10p
|
||||
|
||||
Een stookinstallatie voldoet ten behoeve van het veilig functioneren, een optimale verbranding en energiezuinigheid van deze stookinstallatie aan de bij ministeriële regeling inzake keuring en onderhoud gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.2. In werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
|
||||
|
||||
|
|
@ -1445,7 +2046,7 @@ d. de gastoevoerleiding een diameter van maximaal 50,8 centimeter heeft.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.12
|
||||
|
||||
**1.** In inrichtingen waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C in werking zijn, is een bedrijfsnoodplan aanwezig.
|
||||
**1.** In inrichtingen waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C in werking zijn, is een bedrijfsnoodplan of aantoonbaar een veiligheidsbeheerssysteem aanwezig.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1554,18 +2155,55 @@ Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een natte koeltore
|
|||
|
||||
Bij het in werking hebben van een natte koeltoren wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.3. Voorzieningen
|
||||
#### Paragraaf 3.2.6. In werking hebben van een koelinstallatie
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.1. Afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer
|
||||
### Artikel 3.16c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het in werking hebben van een koelinstallatie met een inhoud van minimaal 12 kilogram aan natuurlijk koudemiddel, of
|
||||
b. een koelinstallatie met een inhoud van maximaal 1500 kilogram ammoniak.
|
||||
|
||||
**2.** In deze paragraaf wordt verstaan onder «natuurlijk koudemiddel»: de toepassing als koudemiddel van koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gereguleerde stof of een preparaat dat een zodanige stof bevat als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen dan wel een gefluoreerd broeikasgas of een preparaat dat een zodanig gas bevat als bedoeld in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16d
|
||||
|
||||
**1.** Een koelinstallatie met een natuurlijk koudemiddel voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Een ammoniakkoelsysteem voldoet ten minste aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.** Een koelinstallatie als bedoeld in het eerste lid en een ammoniakkoelsysteem als bedoeld in het tweede lid, worden ten minste eenmaal per twee kalenderjaren gekeurd op het veilig functioneren, lekkages en energiezuinigheid.
|
||||
|
||||
**4.** Een keuring als bedoeld in het derde lid, wordt verricht door een onafhankelijk deskundig persoon die van de keuring een rapport opmaakt dat hij aan de drijver van de inrichting ter beschikking stelt.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een keuring uitwijst dat de koelinstallatie onderhoud behoeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats.
|
||||
|
||||
**6.** Het meest recent opgestelde keuringsrapport en het meest recent opgestelde onderhoudsbewijs, waaruit blijkt wanneer, door wie en welke onderhoud is verricht, worden bewaard.
|
||||
|
||||
**7.** Indien in een kunstijsbaan een ammoniakkoelinstallatie wordt toegepast, wordt een indirect ammoniakkoelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.7. In werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16e
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie met vloeibare bodembedreigende stoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.16f
|
||||
|
||||
Bij het in werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.3. Activiteiten met voer- of vaartuigen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.1. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.17
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer.
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of het afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen.
|
||||
|
||||
**2.** De voorschriften die bij of krachtens deze paragraaf gesteld worden aan het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer zijn tevens van toepassing op het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, indien dit plaats vindt bij een installatie waar ook wordt afgeleverd aan motorvoertuigen voor het wegverkeer.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid voldoet een inrichting type C waarop het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing is of die een glastuinbouwbedrijf type B als bedoeld in het Besluit glastuinbouw is, uitsluitend aan artikel 3.20.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.18
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1582,7 +2220,7 @@ De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimee
|
|||
|
||||
### Artikel 3.19
|
||||
|
||||
Het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet ten behoeve van:
|
||||
Het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of het afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen voldoet ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
|
@ -1664,7 +2302,7 @@ b. alle bewijzen van gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en inspectie die
|
|||
|
||||
### Artikel 3.23
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of verharding waarop het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of het afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1672,31 +2310,90 @@ b. alle bewijzen van gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en inspectie die
|
|||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.2. Het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan
|
||||
#### Paragraaf 3.3.2. Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.23a
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan.
|
||||
**1.** De artikelen 3.23b en 3.23c zijn van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen, waaronder tevens wordt verstaan het verwijderen van graffiti.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en op inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van landbouwhuisdieren.
|
||||
**2.** Artikel 3.24 is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen, waaronder tevens wordt verstaan het verwijderen van graffiti.
|
||||
|
||||
**3.** Deze paragraaf is niet van toepassing op het inwendig reinigen van tanks en tankwagens en het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen.
|
||||
**3.** Artikel 3.25 is van toepassing op het stallen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee bij agrarische activiteiten gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.23b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Bij het in een inrichting uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien per week ten hoogste een motorvoertuig, werktuig of spoorvoertuig, waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.23c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Bij het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het afvalwater in enig steekmonster bevat ten hoogste:
|
||||
|
||||
a. 20 milligram olie per liter;
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan de vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.24
|
||||
|
||||
Bij het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**1.** Bij het op of in de bodem of in een vuilwaterriool lozen van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee bij agrarische activiteiten gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het lozen in een vuilwaterriool wordt het afvalwater geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater op of in de bodem is toegestaan:
|
||||
|
||||
a. indien het uitwendig wassen plaatsvindt op een perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast;
|
||||
b. indien het lozen plaatsvindt door middel van een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen, die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen, of
|
||||
c. indien het lozen plaatsvindt als gevolg van het in een inrichting uitwendig wassen van ten hoogste twee motorvoertuigen of werktuigen per jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.25
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan worden gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
Onverminderd artikel 3.3, worden motorvoertuigen of werktuigen waarmee bij agrarische activiteiten gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een verhard oppervlak zodanig gestald, dat het te lozen hemelwater niet met de toegepaste gewasbeschermingsmiddelen kan worden verontreinigd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.3. Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het demonteren van autowrakken;
|
||||
b. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken;
|
||||
c. het opslaan van bij het demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken vrijkomende afvalstoffen, en
|
||||
d. het neutraliseren van airbags en gordelspanners.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26a
|
||||
|
||||
Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 3.26, wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en
|
||||
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het ontsteken van airbags en gordelspanners worden ten behoeve van het voorkomen dan wel het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26c
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1705,17 +2402,112 @@ Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
|
|||
a. 20 milligram olie per liter;
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.3. Tandheelkunde
|
||||
#### Paragraaf 3.3.4. Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26
|
||||
### Artikel 3.26d
|
||||
|
||||
Ten behoeve van het verwijderen van amalgaam wordt bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen het amalgaamhoudend afvalwater geleid door een amalgaamafscheider, die voldoet aan de eisen gesteld in NEN-EN-ISO 11143.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.4. Opslaan van propaan
|
||||
### Artikel 3.26e
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij een mechanische ventilatie in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het doelmatig verspreiden van emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, of
|
||||
c. het voorkomen dan wel beperken van luchtverontreiniging door benzeen,
|
||||
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen ten aanzien van:
|
||||
|
||||
a. de beperking van de emissie van benzeen uit een parkeergarage indien dit nodig is in het belang van de luchtkwaliteit, of
|
||||
b. de aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de mechanische ventilatie van een parkeergarage en de uitvoering en het onderhoud van de ventilatoren indien dit nodig is in het belang van de luchtkwaliteit dan wel indien dit nodig is om de geurhinder te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is te beperken.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26f
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een activiteit als bedoeld in artikel 3.26d wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Afvalwater dat afkomstig is uit een ruimte waar een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd of van een vloeistofdichte vloer of verharding waarop die activiteit wordt uitgevoerd wordt niet geloosd, indien het in enig steekmonster meer bevat dan:
|
||||
|
||||
a. 20 milligram olie per liter;
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster indien het afvalwater, voor vermenging met ander afvalwater, wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.5. Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen in een jachthaven
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26g
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op een jachthaven met meer dan 50 ligplaatsen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26h
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van ingenomen bilgewater van pleziervaartuigen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 20 milligram olie per liter, of
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26i
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van gebruikers van de jachthaven in ieder geval de afvalstoffen, genoemd onder a tot en met d, ingenomen.
|
||||
|
||||
a. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen plaatsvindt, neemt de jachthaven in:
|
||||
|
||||
1°. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
|
||||
2°. olie- en vethoudend afval van onderhoud aan pleziervaartuigen.
|
||||
b. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven het niet beroepsmatig onderhouden of reparareren van pleziervaartuigen plaatsvindt, wordt in de jachthaven tevens ingenomen:
|
||||
|
||||
1°. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;
|
||||
2°. olie- en vethoudend afval van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
|
||||
3°. afvalstoffen van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen, die niet beroepsmatig binnen de jachthaven worden uitgevoerd.
|
||||
c. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen die geen binnenboordmotor hebben, wordt in de jachthaven tevens bilgewater ingenomen.
|
||||
d. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen zonder een vaste afsluitbare verblijfsruimte, wordt in de jachthaven tevens huishoudelijk afvalwater en de inhoud van chemische toiletten ingenomen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien twee of meer jachthavens in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, wordt voldaan aan het eerste lid indien de voorzieningen gemeenschappelijk worden aangebracht en beheerd en daartoe een overeenkomst is gesloten. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een jachthaven in de onmiddellijke nabijheid is gelegen van een inrichting waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet, wordt voldaan aan het eerste lid indien de voorzieningen van die inrichting voldoen aan het eerste lid en gemeenschappelijk worden gebruikt op grond van een overeenkomst tussen de jachthaven en de inrichting. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de inzameling, bedoeld in het eerste lid, wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de inrichting.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een jachthaven niet op grond van het eerste lid behoeft te beschikken over een voorziening voor de inzameling van een bepaalde categorie afvalstoffen, wordt binnen de jachthaven duidelijk aangegeven waar de gebruikers van de jachthaven hun afvalstoffen kunnen afgeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26j
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.26i, eerste lid, worden de afvalstoffen, genoemd in dat lid, in een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen ingenomen ongeacht het aantal ligplaatsen in die inrichting.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een jachthaven drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, maakt bij de inning van het havengeld kenbaar welk aandeel daarvan bestemd is voor het instandhouden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een jachthaven drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, stelt, na overleg met betrokken partijen, eens in de drie jaar een passend plan vast voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen, en legt dit plan ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26k
|
||||
|
||||
Ten aanzien van een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en is aangewezen krachtens artikel 6 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, zijn de artikelen 3.26i en 3.26j niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.4. Opslaan van stoffen of het vullen van gasflessen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.1. Opslaan van propaan
|
||||
|
||||
### Artikel 3.27
|
||||
|
||||
|
|
@ -1747,23 +2539,38 @@ b. bij een opslagtank met propaan van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kub
|
|||
|
||||
**4.** Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een opslagtank met propaan alsmede de bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.5. Opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks
|
||||
#### Paragraaf 3.4.2. Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn
|
||||
|
||||
### Artikel 3.29
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse tanks van metaal of kunststof van maximaal 150 kubieke meter.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan in een ondergrondse opslagtank van metaal of kunststof van maximaal 150 kubieke meter van:
|
||||
|
||||
a. vloeibare brandstof;
|
||||
b. afgewerkte olie;
|
||||
c. butanon;
|
||||
d. ethanol;
|
||||
e. ethylethanoaat;
|
||||
f. 4-methyl-2-pentanon;
|
||||
g. 1-propanol;
|
||||
h. 2-propanol;
|
||||
i. propanon, of
|
||||
j. een vloeibare bodembedreigende stof, die geen gevaarlijke stof of CMR-stof is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.30
|
||||
|
||||
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een ondergrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof of afgewerkte olie wordt ten behoeve van:
|
||||
Bij het in gebruik hebben en bij het beëindigen van het gebruik van een ondergrondse opslagtank als bedoeld in artikel 3.29 die wordt of werd gebruikt voor de opslag van de stoffen, genoemd in dat artikel, wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, of
|
||||
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater,
|
||||
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.6. Opslaan en overslaan van goederen
|
||||
### Artikel 3.30a
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het vulpunt van een ondergrondse opslagtank met organische oplosmiddelen of de opstelplaats van een tankwagen, wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand aangehouden van tenminste 20 meter.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.3. Opslaan en overslaan van goederen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.31
|
||||
|
||||
|
|
@ -1773,14 +2580,14 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type B van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7;
|
||||
a. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.3., 3.4.1., 3.4.2., 3.4.5. tot en met 3.4.7., 4.1.1. tot en met 4.1.4. en 4.1.7.;
|
||||
b. het composteren van groenafval.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type C van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7, bij:
|
||||
a. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.4.1, 3.4.2, 3.4.4 tot en met 3.4.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7, bij:
|
||||
|
||||
1°. een autodemontagebedrijf;
|
||||
2°. een zuiveringtechnisch werk, of
|
||||
|
|
@ -1826,7 +2633,7 @@ Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contac
|
|||
| Onopgeloste stoffen | 300 milligram per liter |
|
||||
| Som zware metalen (som van arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink) | 1 milligram per liter |
|
||||
| Minerale olie | 20 milligram per liter |
|
||||
| PAK’s (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) | 50 microgram per liter |
|
||||
| PAK’s | 50 microgram per liter |
|
||||
| Extraheerbaar organisch chloor | 5 microgram per liter |
|
||||
| Totaal stikstof | 10 milligram per liter |
|
||||
| Fosfor | 2 milligram per liter |
|
||||
|
|
@ -1879,12 +2686,12 @@ b. S3 bij een windsnelheid groter dan 14 meter per seconde.
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**3.** Bij pneumatisch transport van stuifgevoelige goederen behorend tot stuifklasse S1 of S2 van bijlage 4.6 van de NeR is de emissie van totaal stof uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel niet hoger dan 10 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
**3.** Bij pneumatisch transport van stuifgevoelige goederen behorend tot stuifklasse S1 of S2 van bijlage 4.6 van de NeR is de emissie van stofklasse S uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel niet hoger dan 10 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.39
|
||||
|
||||
|
|
@ -1892,64 +2699,1483 @@ Bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten rui
|
|||
|
||||
### Artikel 3.40
|
||||
|
||||
**1.** Bij het voldoen aan artikel 3.32, onder a en b, wordt de opslag van asbesthoudende afvalstoffen bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet ten minste overeenkomstig artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 uitgevoerd.
|
||||
Bij het voldoen aan artikel 3.32, onder a en b, wordt de opslag van asbesthoudende afvalstoffen bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet ten minste overeenkomstig artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 2.9, zijn de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer van overeenkomstige toepassing op het opslaan van vaste mest en het composteren van groenafval, afgedragen gewas of bloembollenafval.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.3.7. Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten
|
||||
#### Paragraaf 3.4.4. Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten
|
||||
|
||||
### Artikel 3.41
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het demonteren van autowrakken;
|
||||
b. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken;
|
||||
c. het opslaan van bij het demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken vrijkomende afvalstoffen, en
|
||||
d. het neutraliseren van airbags en gordelspanners.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.42
|
||||
|
||||
Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en
|
||||
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.43
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
|
||||
|
||||
kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het ontsteken van airbags en gordelspanners worden ten behoeve van het voorkomen dan wel het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.44
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.5. Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.45
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen met een totaal volume van meer dan 3 kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op het opslaan van dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, met een totaal volume van meer dan 600 kubieke meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.46
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen vindt plaats op ten minste:
|
||||
|
||||
a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
|
||||
b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vindt het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen bij kinderboerderijen plaats op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object. Indien niet aan deze afstand kan worden voldaan, vindt het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen plaats in een afgesloten voorziening en worden de agrarische bedrijfsstoffen niet langer dan twee weken bewaard.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid vindt het opslaan van kuilvoer plaats op ten minste 25 meter afstand tot een geurgevoelig object.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de afstand van het opslagen kuilvoer, niet zijnde knolgewassen, wortelgewassen of fruit, tot een geurgevoelig object minder dan 50 meter bedraagt, is het opslagen kuilvoer afgedekt, behoudens de periode dat veevoeder aan de veevoederopslag wordt toegevoegd of onttrokken.
|
||||
|
||||
**5.** De afstanden, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de plaats waar de agrarische bedrijfsstoffen zijn opgeslagen.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, met inachtneming van de NeR, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
|
||||
|
||||
a. de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;
|
||||
b. het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen, of
|
||||
c. de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
|
||||
|
||||
**7.** Het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op in plastic folie verpakte veevoederbalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.47
|
||||
|
||||
**1.** Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van kuilvoer en dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, is verboden.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift het eerste lid niet van toepassing verklaren en het lozen toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem ten gevolge van het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen is toegestaan, indien het afvalwater ten minste gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.48
|
||||
|
||||
Bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico alsmede ten behoeve van het voorkomen van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.49
|
||||
|
||||
Agrarische bedrijfsstoffen worden op onverhard oppervlak:
|
||||
|
||||
a. op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam opgeslagen, of
|
||||
b. zodanig opgeslagen dat het te lozen hemelwater niet in contact kan komen met de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.6. Opslaan van drijfmest en digestaat
|
||||
|
||||
### Artikel 3.50
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van drijfmest in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 vierkante meter of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is tevens van toepassing op het opslaan van digestaat in één of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 vierkante meter of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 kubieke meter.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden de inhoud en oppervlakte van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren en onderdeel zijn van een werktuigberging, opslagvoorziening of erfverharding, niet meegerekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.51
|
||||
|
||||
**1.** Een mestbassin is gelegen op een afstand van ten minste 100 meter van een geurgevoelig object.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is een mestbassin gelegen op een afstand van ten minste 50 meter, indien het geurgevoelig object deel uitmaakt van een veehouderij.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid bedragen de afstanden, genoemd in die leden 50 meter onderscheidenlijk 25 meter, indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 vierkante meter.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een mestbassin is gelegen:
|
||||
|
||||
a. op een afstand van ten minste 150 meter van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins ten hoogste 350 vierkante meter bedraagt, of
|
||||
b. op een afstand van ten minste 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied, indien de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins ten minste 350 vierkante meter bedraagt.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het vierde lid, onderdeel a, is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. een mestbassin dat is opgericht voor 1 februari 1991, en
|
||||
b. een uitbreiding van een veehouderij die is opgericht voor 1 februari 1991 met een mestbassin,
|
||||
|
||||
indien de in dat onderdeel genoemde afstand tot een zeer kwetsbaar gebied niet of redelijkerwijs niet in acht kan worden genomen.
|
||||
|
||||
**6.** Het vierde lid is niet van toepassing, indien het mestbassin is opgericht in overeenstemming met dat lid en het mestbassin na het tijdstip van oprichting is komen te liggen binnen een van de afstanden van een zeer kwetsbaar gebied, genoemd in dat lid.
|
||||
|
||||
**7.** Het bevoegd gezag kan met betrekking tot een geval als bedoeld in het vijfde lid, voor zover de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een kleinere afstand tot een zeer kwetsbaar gebied vaststellen.
|
||||
|
||||
**8.** De afstanden, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het mestbassin tot de dichtstbijzijnde gevel van een geurgevoelig object dan wel tot de grens van een zeer kwetsbaar gebied.
|
||||
|
||||
**9.** Het eerste tot en met achtste lid is niet van toepassing op een mestkelder.
|
||||
|
||||
**10.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, met inachtneming van de NeR, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
|
||||
|
||||
a. de situering van het mestbassin;
|
||||
b. het afdekken van het mestbassin, of
|
||||
c. de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en digestaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.52
|
||||
|
||||
Bij het opslaan van drijfmest en digestaat in een mestbassin wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de emissie van ammoniak, of
|
||||
b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
||||
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.7. Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.53
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van ten hoogste 1.000 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige vloeibare bijvoedermiddelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.54
|
||||
|
||||
Bij het opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.8. Het vullen van gasflessen met propaan of butaan
|
||||
|
||||
### Artikel 3.54a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het vullen met propaan of butaan van gasflessen met een inhoud van maximaal 12 liter vanuit een gasfles van maximaal 150 liter.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.54b
|
||||
|
||||
Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.4.9. Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank
|
||||
|
||||
### Artikel 3.54c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns, smeerolie of afgewerkte olie in een of meer bovengrondse opslagtanks, voor zover:
|
||||
|
||||
a. de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie in de buitenlucht ten hoogste 150 kubieke meter is, of
|
||||
b. de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie inpandig ten hoogste 15 kubieke meter is.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op bovengrondse opslagtanks die zijn ingebouwd in een installatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.54d
|
||||
|
||||
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, of
|
||||
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
|
||||
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.5. Agrarische activiteiten
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.1. Telen of kweken van gewassen in een kas
|
||||
|
||||
### Artikel 3.55
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een kas.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.56
|
||||
|
||||
**1.** Een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een kas waarin uitsluitend assimilatiebelichting wordt toegepast buiten de donkerteperiode.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.57
|
||||
|
||||
Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.58
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, is:
|
||||
|
||||
a. gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd, en
|
||||
b. gedurende de nanacht die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 74% wordt gereduceerd.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een ander percentage dan het percentage in het eerste lid, onder b, vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.59
|
||||
|
||||
1. Vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang is de gevel van een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.60
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen uit het hemelwaterafvoersysteem van een kas, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bij het lozen, bedoeld in het derde lid, een hemelwateropvangvoorziening aanwezig is die volledig is benut, wordt het hemelwater geloosd via een overstortvoorziening, die is aangebracht voorafgaand aan de hemelwateropvangvoorziening.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het vierde lid is niet van toepassing, indien:
|
||||
|
||||
a. de opvangvoorziening, bedoeld in dat lid, een inhoud heeft van ten minste 3500 kubieke meter per hectare teeltoppervlak;
|
||||
b. de kas zodanig is gebouwd dat condenswater niet in het hemelwaterafvoersysteem kan geraken;
|
||||
c. in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden zodanig worden toegepast dat ze niet in het hemelwaterafvoersysteem kunnen geraken, of
|
||||
d. in de kas uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.61
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van condenswater afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van de kas dat via condensgootjes wordt verzameld, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen in een vuilwaterriool is verboden, indien in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan, indien condenswater afkomstig is van een kas:
|
||||
|
||||
a. waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast, of
|
||||
b. waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.62
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van de buitenkant van een kas wordt ten minste voldaan aan tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam vindt geen visuele verontreiniging plaats.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.63
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van:
|
||||
|
||||
a. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie;
|
||||
b. afvalwater dat bloemvoorbehandelingsmiddelen uitsluitend op basis van actief chloor bevat;
|
||||
c. uitlek- en percolatiewater van gebruikt substraatmateriaal;
|
||||
d. drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond;
|
||||
e. drainwater;
|
||||
f. afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt;
|
||||
g. reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend;
|
||||
h. condenswater van stoomleidingen en condenswater van verwarmingsketels;
|
||||
i. condenswater van warmtekrachtinstallaties, of
|
||||
j. afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal;
|
||||
|
||||
is toegestaan, indien ten minste:
|
||||
|
||||
1°. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop geloosd kan worden, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt, of
|
||||
2°. het lozen, bedoeld onder a tot en met j, in een vuilwaterriool, waarop het perceel waar het afvalwater vrijkomt is aangesloten, gelet op de capaciteit van dat vuilwaterriool niet volledig mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
|
||||
De afstand, genoemd in het eerste lid, onderdeel 1°, wordt berekend:
|
||||
|
||||
a. 20 milligram olie per liter;
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
|
||||
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel 1°, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een grotere afstand vaststellen dan de afstand, genoemd in dat onderdeel, waarbij de afstand niet meer dan 10 meter per 0,1 hectare teeltoppervlak bedraagt en wordt berekend overeenkomstig het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten in inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen type c met uitzondering van de in
|
||||
In een geval bedoeld in het eerste lid, onder 2°:
|
||||
|
||||
a. wordt, voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam de afvoercapaciteit van het vuilwaterriool optimaal benut, en
|
||||
b. vindt lozen in dat vuilwaterriool plaats in een bij ministeriële regeling aangegeven volgorde.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift dan wel bij gemeentelijke verordening een andere volgorde bepalen, dan de volgorde aangegeven in de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het vierde lid, onderdeel a, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:
|
||||
|
||||
a. de per tijdseenheid te lozen hoeveelheid;
|
||||
b. voorzieningen die gespreide afvoer in het vuilwaterriool mogelijk maken, of
|
||||
c. een buffervoorziening met een inhoud van ten hoogste 50 kubieke meter per hectare.
|
||||
|
||||
**7.** Indien met toepassing van het eerste lid, het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, zijn op dat lozen de artikelen 3.66 en 3.71 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.64
|
||||
|
||||
**1.** Indien het op grond van artikel 3.63, eerste lid, is toegestaan drainagewater afkomstig van de teelt waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond in een oppervlaktewaterlichaam te lozen vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, in afwijking van artikel 3.63, eerste, derde, zesde of zevende lid, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen waarmee het lozen wordt voorkomen of verder wordt beperkt, dan met toepassing van dat artikel het geval zou zijn. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het op grond van artikel 3.63, eerste lid, is toegestaan drainwater in een oppervlaktewaterlichaam te lozen vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor het telen of kweken van gewassen in een kas werd gebruikt, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, in afwijking van artikel 3.63, eerste, derde, zesde of zevende lid, met betrekking tot dat lozen bij maatwerkvoorschrift eisen stellen waarmee het lozen wordt voorkomen of verder wordt beperkt, dan met toepassing van dat artikel het geval zou zijn. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.65
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 3.56 tot en met 3.64, wordt bij substraatteelt in een kas voldaan aan de artikelen 3.66 tot en met 3.69.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.66
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van drainwater in een vuilwaterriool wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de gietwatervoorziening:
|
||||
|
||||
a. is een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter per hectare teeltoppervlak aanwezig en in gebruik, of
|
||||
b. wordt water met een natriumgehalte gebruikt dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het recirculeren van drainwater is een recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De hoeveelheid totaal stikstof in het te lozen drainwater bedraagt in kilogram totaal stikstof per hectare teeltoppervlak per jaar niet meer dan de in tabel 3.66 per categorie van gewassen genoemde waarden:
|
||||
|
||||
| Categorie van gewassen | 2012, 2013 en 2014 | 2015, 2016 en 2017 | 2018 en volgende jaren |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Categorie 1 | 25 | 25 | 25 |
|
||||
| Categorie 2 | 50 | 33 | 25 |
|
||||
| Categorie 3 | 75 | 50 | 38 |
|
||||
| Categorie 4 | 100 | 67 | 50 |
|
||||
| Categorie 5 | 125 | 83 | 67 |
|
||||
| Categorie 6 | 150 | 100 | 75 |
|
||||
| Categorie 7 | 200 | 133 | 100 |
|
||||
| Categorie 8 | 250 | 167 | 125 |
|
||||
| Categorie 9 | 300 | 200 | 150 |
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling wordt de indeling van gewassen in de categorieën, bedoeld in tabel 3.66, vastgesteld.
|
||||
|
||||
**6.** De hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in het vierde lid, wordt berekend door de in een jaar geloosde hoeveelheid drainwater te vermenigvuldigen met het daarin aanwezige gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het berekenen van het gehalte aan totaal stikstof.
|
||||
|
||||
**7.** Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien bij het lozen van drainwater de hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in het vierde lid, niet meer bedraagt dan 25 kilogram.
|
||||
|
||||
**8.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift het tweede en derde lid niet van toepassing verklaren, indien de maatregelen, bedoeld in die leden niet doelmatig zijn. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**9.** Het tweede, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing, indien het totale teeltoppervlak binnen de inrichting waarop telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt, kleiner is dan 2.500 vierkante meter.
|
||||
|
||||
**10.** Het te lozen drainwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.67
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De volgende gegevens worden gemeten of berekend en geregistreerd:
|
||||
|
||||
a. de hoeveelheid drainwater in kubieke meter die wordt geloosd en de hoeveelheid voedingswater die wordt toegediend;
|
||||
b. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor, natrium en de geleidingswaarde in het drainwater, en
|
||||
c. het gewas of de gewassen die worden geteeld, het teeltoppervlak en de teeltperiode per gewas.
|
||||
|
||||
**2.** Indien op grond van artikel 3.63, eerste lid, drainwater zowel in het vuilwaterriool als in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat beide hoeveelheden worden gemeten en geregistreerd overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het meten, berekenen en registreren, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** De resultaten van de metingen, berekeningen en registraties, bedoeld in het eerste lid, en van de metingen en registraties, bedoeld in het tweede lid, worden gedurende 5 jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.68
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Jaarlijks voor 1 mei wordt aan het bevoegd gezag een rapportage met de volgende gegevens overgelegd:
|
||||
|
||||
a. de gegevens, bedoeld in artikel 3.67, eerste en tweede lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar;
|
||||
b. de maximaal toegestane hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in artikel 3.66, vierde lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a;
|
||||
c. de hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in artikel 3.66, vierde lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a, en
|
||||
d. de hoeveelheid totaal fosfor in het geloosde drainwater per hectare teeltoppervlak over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de rapportage, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.69
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 3.67 en 3.68 kan het bevoegd gezag, indien het meten, berekenen, registreren of rapporteren, bedoeld in die artikelen niet doelmatig zijn, bij maatwerkvoorschrift een andere wijze van meten, berekenen, registreren en rapporteren bepalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.70
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 3.56 tot en met 3.63 wordt bij het telen in een kas, waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond, voldaan aan de artikelen 3.71 tot en met 3.74.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.71
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de gietwatervoorziening:
|
||||
|
||||
a. is een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter per hectare teeltoppervlak aanwezig en in gebruik, of
|
||||
b. wordt water gebruikt met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift het eerste lid niet van toepassing verklaren, indien de maatregelen, bedoeld in dat lid, niet doelmatig zijn. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden per gewas of gewasgroep de maximaal toegestane hoeveelheden aan totaal stikstof en totaal fosfor in kilogram per hectare per jaar vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** De hoeveelheden toe te dienen water en meststoffen zijn afgestemd op de behoefte van het gewas, waarbij rekening is gehouden met de relevante specifieke teeltomstandigheden en waarbij de hoeveelheden, bedoeld in het derde lid, niet worden overschreden.
|
||||
|
||||
**5.** Voor het doorspoelen van de grond bij een volgteelt van bladgroentegewassen wordt ten hoogste 3000 kubieke meter water per hectare gestoomde grond gebruikt.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Bij het lozen van drainagewater in een vuilwaterriool geldt ten minste dat:
|
||||
|
||||
a. voor het recirculeren daarvan een recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik is, en
|
||||
b. het te lozen drainagewater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het zesde lid, onderdeel a, behoeft geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, indien hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is.
|
||||
|
||||
**8.** Het eerste lid en het zesde lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing indien het totale teeltoppervlak binnen de inrichting waarop telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt, kleiner is dan 2.500 vierkante meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.72
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De volgende gegevens ten aanzien van de teelt worden gemeten of berekend en geregistreerd:
|
||||
|
||||
a. de hoeveelheid voedingswater in kubieke meter die wordt toegediend;
|
||||
b. de hoeveelheid drainagewater in kubieke meter die wordt hergebruikt;
|
||||
c. de hoeveelheid drainagewater in kubieke meter die wordt geloosd;
|
||||
d. het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor in het te lozen drainagewater;
|
||||
e. per gewas of groep van gewassen met eenzelfde bemestingsniveau, het gehalte aan totaal stikstof en totaal fosfor in de bodem op basis van een representatief grondmonster;
|
||||
f. na elk gebruik de hoeveelheid in kilogram per hectare toegediende meststoffen onder vermelding van de samenstelling van de meststof;
|
||||
g. het gewas of de gewassen die worden geteeld en het teeltoppervlak per gewas en de teeltperiode, of
|
||||
h. jaarlijks de op 1 januari aanwezige meststoffen onder vermelding van de merknaam zoals die op de verpakking is vermeld, de naam en het adres van de leveranciers en de hoeveelheid, uitgedrukt in kilogrammen of liters.
|
||||
|
||||
**2.** Indien op grond van artikel 3.63, eerste lid, drainagewater zowel in het vuilwaterriool als in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat beide hoeveelheden worden gemeten en geregistreerd overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het meten, berekenen en registreren.
|
||||
|
||||
**4.** De resultaten van de metingen, berekeningen, en registraties, bedoeld in het eerste lid en van de metingen en registraties, bedoeld in het tweede lid, worden gedurende 5 jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.73
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Jaarlijks voor 1 mei wordt aan het bevoegd gezag een rapportage met de volgende gegevens overgelegd:
|
||||
|
||||
a. de gegevens, bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onderdelen c, d en g, en tweede lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar;
|
||||
b. de berekende hoeveelheid toegediende totaal stikstof en totaal fosfor per vierkante meter over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, uitgaande van de gegevens, geregistreerd op grond van artikel 3.72, eerste lid, onderdelen f en g.
|
||||
c. de berekende hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor in het drainagewater die over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar is geloosd, uitgaande van de gegevens die zijn geregistreerd op grond van artikel 3.72, eerste lid, onderdelen c, d en g.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de rapportage.
|
||||
|
||||
**3.** Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag wordt een verantwoording over de hoeveelheid toegediende meststoffen en water, bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, overgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan het met oog op de verantwoording, bedoeld in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift aanvullende onderzoeksverplichtingen opleggen ter verantwoording van het meststoffen- en watergebruik.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.74
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 3.72 en 3.73 kan het bevoegd gezag, indien het meten, berekenen, registreren of rapporteren, bedoeld in die artikelen niet doelmatig is, bij maatwerkvoorschrift een andere wijze van meten, berekenen, registreren of rapporteren bepalen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.2. Telen en kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas
|
||||
|
||||
### Artikel 3.75
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.76
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:
|
||||
|
||||
a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool, waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt;
|
||||
b. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt, van een ruimte waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast of van een ruimte waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden;
|
||||
c. het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt;
|
||||
d. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in het te lozen afvalwater ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en
|
||||
e. het gehalte aan biochemisch zuurstofverbruik in het te lozen afvalwater ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De afstand, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend:
|
||||
|
||||
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
|
||||
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.77
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.76 wordt bij het lozen van afvalwater als gevolg van het circuleren van water door trekbakken waarin witlofpennen staan voor de groei van witlofstronken of als gevolg van het broeien van bolgewassen, ten minste voldaan aan het tweede tot en met het zesde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het afvalwater wordt hergebruikt totdat het water niet langer geschikt is om als proceswater te worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:
|
||||
|
||||
a. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt of het proceswater afkomstig is van uitsluitend biologische productiemethoden, en
|
||||
b. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**5.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem is toegestaan, indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem.
|
||||
|
||||
**6.** Het in een oppervlaktewaterlichaam of een vuilwaterriool te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.3. Telen van gewassen in de open lucht
|
||||
|
||||
### Artikel 3.78
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 3.79 tot en met 3.83 zijn van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen in de open lucht binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 3.84, 3.85 en 3.87 zijn van toepassing op het gebruik van meststoffen bij de teelt van gewassen in de open lucht.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 3.88 is van toepassing op het telen van gewassen in de open lucht.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder «oppervlaktewaterlichaam» verstaan: beddingen waarin ten tijde van het lozen een aan het aardoppervlak en de openlucht grenzende watermassa voorkomt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.79
|
||||
|
||||
**1.** Bij het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met zevende lid.
|
||||
|
||||
**2.** Langs een oppervlaktewaterlichaam wordt een teeltvrije zone aangehouden.
|
||||
|
||||
**3.** De teeltvrije zone wordt gemeten vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en strekt zich, met uitzondering van de teelt van grasland, uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen gewassen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid hoeft geen teeltvrije zone te worden aangehouden grenzend aan gegraven waterlopen die:
|
||||
|
||||
a. van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevatten, of
|
||||
b. geen water afvoeren ten gevolge van door of namens de beheerder geplaatste stuwen die de waterstand reguleren, voor zover die waterlopen zonder deze stuwen, waterlopen als bedoeld in de aanhef en onderdeel a, zouden zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Binnen een teeltvrije zone worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt met apparatuur voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het vijfde lid is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof met een maximale omvang van een halve gewasrij toegestaan, indien geen gebruik wordt gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid hoeft geen teeltvrije zone te worden aangehouden, aangrenzend aan oppervlaktewaterlichamen, anders dan de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in artikel 3.81, eerste lid:
|
||||
|
||||
a. bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten van bomen, waarvan de laagste gesteltak op 175 centimeter of hoger uit de stam ontspringt, indien binnen een afstand van ten minste 900 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, of
|
||||
b. bij teelt anders dan de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten, indien:
|
||||
|
||||
1°. sprake is van een biologische productiemethode, of
|
||||
2°. gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.80
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone, bedoeld in artikel 3.79, tweede lid, bedraagt bij de teelt van aardappelen, uien, bloembollen en bloemknollen in andere gebieden dan de gebieden, genoemd in bijlage 1, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, wortelen, vaste planten, en in neerwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen:
|
||||
|
||||
a. ten minste 150 centimeter;
|
||||
b. ten minste 100 centimeter, indien gebruik gemaakt wordt van:
|
||||
|
||||
1°. veldspuitapparatuur met luchtondersteuning;
|
||||
2°. een overkapte beddenspuit;
|
||||
3°. een motorisch aangedreven handgedragen spuit, of
|
||||
4°. vanggewas, dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen, of
|
||||
c. ten minste 50 centimeter, indien gebruik gemaakt wordt van een handmatig aangedreven handgedragen spuit.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van bloembollen en bloemknollen in de gebieden, genoemd in bijlage 1:
|
||||
|
||||
a. ten minste 150 centimeter, indien gebruik gemaakt wordt van:
|
||||
|
||||
1°. veldspuitapparatuur die is voorzien van driftarme doppen, aangewezen bij ministeriële regeling, of
|
||||
2°. veldspuitapparatuur die is voorzien van spuitdoppen, aangewezen bij ministeriële regeling, waarvan de onderlinge afstand niet groter is dan 25 centimeter en de apparatuur zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 30 cm boven het gewas bevinden, of
|
||||
b. ten minste 100 centimeter, indien gebruikt wordt gemaakt van:
|
||||
|
||||
1°. veldspuitapparatuur die is voorzien van driftarme doppen, aangewezen bij ministeriële regeling en de bestrijding van Botrytis plaatsvindt op basis van een waarschuwingssysteem van een onafhankelijk deskundige dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen;
|
||||
2°. veldspuitapparatuur met luchtondersteuning;
|
||||
3°. veldspuitapparatuur die is voorzien van spuitdoppen, aangewezen bij ministeriële regeling, waarvan de onderlinge afstand niet groter is dan 25 centimeter, waarbij gebruik wordt gemaakt van luchtondersteuning en de apparatuur zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 30 cm boven het gewas bevinden;
|
||||
4°. een overkapte beddenspuit, of
|
||||
5°. een handgedragen spuit.
|
||||
|
||||
**3.** De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen ten minste 500 centimeter.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten:
|
||||
|
||||
a. ten minste 900 centimeter;
|
||||
b. ten minste 450 centimeter, indien gebruik wordt gemaakt van een reflectiescherm, of
|
||||
c. ten minste 300 centimeter, indien:
|
||||
|
||||
1°. gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit;
|
||||
2°. gebruik wordt gemaakt van een vanggewas, dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen;
|
||||
3°. sprake is van biologische productiemethode;
|
||||
4°. gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit met reflectiescherm en van een emissiescherm, die voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen, of
|
||||
5°. gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit of axiaalspuit en bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur en slechts gebruik wordt gemaakt van spuitdoppen waarvan door een deskundig, onafhankelijk instituut is vastgesteld dat het gebruik van die spuitdoppen bij die wijze van bespuiten resulteert in een driftdepositie in een oppervlaktewaterlichaam in de volbladsituatie van ten hoogste 1,5%.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, bedraagt de teeltvrije zone, aangrenzend aan de kopakker ten minste 600 centimeter, indien bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
**6.** De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van grasland, graszaad, haver, rogge, spelt, teff, triticale, vlas, zomertarwe, wintertarwe, zomergerst en wintergerst ten minste 25 centimeter.
|
||||
|
||||
**7.** De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van andere gewassen dan de gewassen, genoemd in het eerste tot en met zesde lid, ten minste 50 centimeter.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.81
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.80, eerste, tweede, vierde lid, onderdelen b en c, zesde en zevende lid, bedraagt de teeltvrije zone langs de oppervlaktewaterlichamen, aangewezen in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet ten minste 500 centimeter.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 3.80, eerste lid, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het tweede lid van dat artikel van toepassing is, indien sprake is van teelt van bloembollen en bloemknollen gedurende een periode van twee of meer opeenvolgende seizoenen op een perceel.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 3.80 kan het bevoegd gezag, indien sprake is van een talud dat breder is dan 200 centimeter, bij maatwerkvoorschrift een smallere teeltvrije zone vaststellen.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 3.80 kan het bevoegd gezag bij het lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, bij maatwerkvoorschrift een bredere teeltvrije zone vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.82
|
||||
|
||||
Op braakliggend land worden binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.83
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het gebruik van veldspuitapparatuur is verboden, tenzij:
|
||||
|
||||
a. deze uitsluitend is voorzien van spuitdoppen die in het toe te passen drukbereik, vergeleken met de grensdop van de klasse fijn en midden volgens de classificatie van de British Crop Protection Council (931-030-F110 bij 3 bar), een ten minste 50% kleiner volumepercentage druppels met een diameter kleiner dan 100 μm produceren;
|
||||
b. de buitenste in gebruik zijnde spuitdop aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een kantdop is die aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligt, en
|
||||
c. de apparatuur zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 50 cm boven het gewas bevinden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het driftarme karakter van spuitdoppen als bedoeld in het eerste lid:
|
||||
|
||||
a. is vastgelegd in een keuringsverklaring, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waaruit blijkt dat een driftarme dop, die bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt toegepast, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen ten aanzien van driftarme doppen, en
|
||||
b. wordt volgens een bij ministeriële regeling te bepalen testmethode vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij het gebruik van veldspuitapparatuur wordt:
|
||||
|
||||
a. de spuitdruk geregistreerd door een drukregistratievoorziening, of
|
||||
b. uitsluitend gebruik gemaakt van venturidoppen uit de 50% driftreductieklasse.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het op- en zijwaarts spuiten van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten op de wijze, bedoeld in artikel 3.80, vierde lid, onderdeel c, onder 5°, waarbij spuitdoppen worden gebruikt die uitsluitend zijn aangewezen voor het gebruik bij een spuitdruk lager dan 5 bar, wordt de spuitdruk geregistreerd door een drukregistratievoorziening.
|
||||
|
||||
**5.** Een drukregistratievoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**6.** Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden bij een windsnelheid van ten minste 5 meter per seconde, gemeten op spuitdophoogte, tenzij degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, kan aantonen dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruik van die middelen bij een windsnelheid van ten minste 5 meter per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.
|
||||
|
||||
**7.** Het gebruik van een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer is verboden.
|
||||
|
||||
**8.** Het eerste tot en met zesde lid is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met een overkapte beddenspuit.
|
||||
|
||||
**9.** Het eerste lid, onderdelen a en c, en tweede lid, zijn niet van toepassing op een veldspuit als bedoeld in artikel 3.80, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, of onderdeel b, onder 3°.
|
||||
|
||||
**10.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan bij ministeriële regeling ten aanzien van de daarbij aangewezen driftarme doppen een lagere hoogte worden vastgesteld waarop de spuitdoppen zich ten hoogste boven het gewas mogen bevinden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.84
|
||||
|
||||
Bij het op andere wijze dan door middel van een werk lozen van meststoffen in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het gebruik van meststoffen bij het telen van gewassen in de open lucht, wordt ten minste voldaan aan artikel 3.85.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.85
|
||||
|
||||
**1.** Binnen een teeltvrije zone worden geen meststoffen gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is het bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen of van appelen, peren en overige pitvruchten en steenvruchten, toegestaan binnen een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken op een afstand van ten minste 25 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, indien binnen die zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid en onverminderd het zesde lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de teeltvrije zone op een afstand van ten minste 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam toegestaan, indien het vanggewas voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het gebruik van korrelvormige of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone gebruik gemaakt van een voorziening die de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewaterlichaam verhindert.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Bij het gebruik van bladmeststoffen op een strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone:
|
||||
|
||||
a. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, eerste, tweede, zesde en zevende lid, gebruik gemaakt van kantdoppen die aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligen en andere driftarme doppen die zich niet hoger dan 50 centimeter boven het gewas of de kale bodem bevinden, of
|
||||
b. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, derde en vierde lid, geen gebruik gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
**6.** Bij het gebruik van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas waarbij ingevolge artikel 3.79, zevende lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik gemaakt van een emissiescherm, dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**7.** Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het gebruik van meststoffen langs de oppervlaktewaterlichamen, aangewezen in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
|
||||
|
||||
**8.** Op braakliggend land worden binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen meststoffen gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.86
|
||||
|
||||
De artikelen 3.87 en 3.88 zijn van toepassing op substraatteelt van gewassen anders dan in een kas of een gebouw.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.87
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een vuilwaterriool als gevolg van de teelt van gewassen in substraat wordt voldaan aan het tweede tot en met negende lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater afkomstig van de teelt van gewassen op een niet-doorlatende ondergrond is toegestaan, indien:
|
||||
|
||||
a. bij een teeltoppervlak van ten hoogste 500 vierkante meter bij bemesting uitsluitend gebruik wordt gemaakt van meststoffen die over langere periode de werkzame bestanddelen afgeven.
|
||||
b. bij een teeltoppervlak van meer dan 500 vierkante meter:
|
||||
|
||||
1°. hemelwater en drainwater worden opgevangen in een opvangvoorziening van ten minste 1.200 kubieke meter per hectare teeltoppervlak;
|
||||
2°. het water uit de opvangvoorziening wordt gebruikt als eerste gietwaterbron, en
|
||||
3°. de bedrijfsvoering erop is gericht om na bemesting of bespuiting de eerste 50 kubieke meter hemelwater per hectare teeltoppervlak te allen tijde op te kunnen vangen in de opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, kan worden volstaan met een opvangvoorziening met een capaciteit van ten minste 500 kubieke meter per hectare teeltoppervlak, indien aanvullend gietwater wordt gebruikt met een natriumgehalte dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de capaciteit van de opvangvoorziening, bedoeld in het tweede en derde lid, volledig is benut wordt het hemelwater geloosd via een overstortvoorziening, die is aangebracht voorafgaand aan de opvangvoorziening.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het tweede en derde lid wordt bij de buitenteelt van aardbeienplanten op trayvelden drainwater opgevangen en hergebruikt en is de bedrijfsvoering erop gericht dat na bemesting of bespuiting de eerste 30 kubieke meter hemelwater per hectare teeltoppervlak wordt opgevangen en hergebruikt.
|
||||
|
||||
**6.** Bij het lozen van afvalwater als gevolg van de teelt op een doorlatende ondergrond, wordt bij bemesting uitsluitend gebruik gemaakt van meststoffen die over langere periode de werkzame bestanddelen afgeven.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het zesde lid kan het bevoegd gezag gedurende de perioden dat het gebruik van de in dat lid bedoelde meststoffen redelijkerwijs niet mogelijk is bij de teelt van aardbeienplanten op trayvelden, bij maatwerkvoorschrift het gebruik van andere meststoffen toestaan, indien het aanbrengen van een niet-doorlatende ondergrond redelijkerwijs niet mogelijk is en het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
**8.** In afwijking van het zesde lid is bij de teelt waarbij bemesting plaatsvindt via een druppelsysteem, het gebruik van meststoffen als bedoeld in dat lid, niet verplicht, indien de watergift en de meststoffengift zijn afgestemd op de behoefte van het gewas, waarbij rekening is gehouden met de relevante specifieke teeltomstandigheden.
|
||||
|
||||
**9.** Het bevoegd gezag kan bij de teelt op een doorlatende ondergrond, waarbij door middel van een drainagesysteem op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, indien de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het drainagewater wordt opgevangen en hergebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.88
|
||||
|
||||
**1.** Bij de teelt van gewassen op stellingen of in een gotensysteem wordt drainwater opgevangen en hergebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat hergebruik van drainwater niet noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.4. Waterbehandeling voor agrarische activiteiten
|
||||
|
||||
### Artikel 3.89
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op de waterbehandeling voor agrarische activiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.90
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van het afvalwater afkomstig van het voor de gietwatervoorziening bij agrarische activiteiten zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift of bij verordening bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is en het lozen in het vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien het gehalte aan:
|
||||
|
||||
a. chloride ten hoogste 200 milligram per liter bedraagt;
|
||||
b. ijzer ten hoogste 2 milligram per liter bedraagt;
|
||||
c. organische stof ten hoogste 15 milligram per liter bedraagt;
|
||||
|
||||
**5.** Indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of bij verordening bepalen dat de gehalten bedoeld in het vierde lid niet van toepassing zijn en kunnen hogere gehalten worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**6.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.91
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater als gevolg van het voor agrarische activiteiten zuiveren van water door het ontijzeren van grondwater in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien ten minste:
|
||||
|
||||
a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt, en
|
||||
b. bij het lozen het gehalte aan ijzer in het afvalwater ten hoogste 5 milligram per liter bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De afstand, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt berekend:
|
||||
|
||||
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
|
||||
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.5. Aanmaken of transporteren via vaste leidingen of apparatuur van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.92
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het voor agrarische activiteiten aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het transporteren daarvan via vaste leidingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.93
|
||||
|
||||
**1.** Bij het uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, wordt een voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen en water voorkomt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, die niet is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening, bevindt de apparatuur zich op een afstand van ten minste twee meter van de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.94
|
||||
|
||||
Bij het in een inrichting aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het transporteren via vaste leidingen wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater, of
|
||||
c. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
|
||||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.95
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater als gevolg van het inwendig reinigen van apparatuur voor het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of als gevolg van het inwendig reinigen van vaste transportleidingen voor het transport van gewasbeschermingsmiddelen in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.6. Het behandelen van gewassen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.96
|
||||
|
||||
De artikelen 3.97 en 3.98 zijn van toepassing op het voor agrarische activiteiten toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in dompelbaden en douche-installaties.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.97
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater uit dompelbaden en douche-installaties waarin gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn toegepast in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.98
|
||||
|
||||
Bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in dompelbaden en douche-installaties wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.99
|
||||
|
||||
Artikel 3.100 is van toepassing op het spoelen van fusten en verpakkingsmateriaal waarin gewassen zijn opgeslagen voor agrarische activiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.100
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het spoelen van fusten en verpakkingsmateriaal waarin gewassen zijn opgeslagen voor agrarische activiteiten, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool is het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van afvalwater op onverharde bodem is toegestaan, indien het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De afstand, genoemd in het derde lid, wordt berekend:
|
||||
|
||||
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
|
||||
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.101
|
||||
|
||||
De artikelen 3.102 en 3.103 zijn van toepassing op het spoelen van gewassen bij agrarische activiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.102
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het spoelen van gewassen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het elfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het spoelproces is onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen, waarbij de uitsleep van water uit het voorspoelen zo veel mogelijk wordt voorkomen en de hoeveelheid naspoelwater wordt geminimaliseerd.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen het spoelproces vindt hergebruik van spoelwater plaats.
|
||||
|
||||
**4.** Er wordt uitsluitend naspoelwater geloosd dat niet kan worden benut voor hergebruik.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het lozen in het vuilwaterriool bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:
|
||||
|
||||
a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool waarop geloosd kan worden;
|
||||
b. de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt, en
|
||||
c. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De afstand, genoemd in het zesde lid, wordt berekend:
|
||||
|
||||
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
|
||||
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
|
||||
|
||||
**8.** Bij het lozen van afvalwater op of in de bodem wordt het naspoelwater gelijkmatig verspreid over de onverharde bodem, waarop de gewassen, bedoeld in het eerste lid, zijn geteeld.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
Het tweede, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op het spoelen van:
|
||||
|
||||
a. prei, indien voorafgaand aan het spoelen de vervuiling met de buitenste bladeren van het gewas is verwijderd, of
|
||||
b. asperges.
|
||||
|
||||
**10.** Indien het lozen van afvalwater plaatsvindt in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam kan het bevoegd gezag aan het spoelproces bij maatwerkvoorschrift aanvullende eisen stellen, indien de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt.
|
||||
|
||||
**11.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.103
|
||||
|
||||
Bij het spoelen van bloembollen met een spoelmachine wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.104
|
||||
|
||||
Artikel 3.105 is van toepassing op het sorteren en transporteren van gewassen, die niet uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van activiteiten van derden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.105
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het sorteren en transporteren van gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:
|
||||
|
||||
a. het afvalwater afkomstig is van het sorteren en transporteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen;
|
||||
b. het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt, en
|
||||
c. in het te lozen afvalwater het chemisch zuurstofverbruik ten hoogste 300 milligram per liter en het biologisch zuurstofverbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem is toegestaan, indien het water gelijkmatig wordt verspreid over het land waarop een gewas wordt geteeld dat gelijk of soortgelijk is aan het gewas waarvan het afvalwater afkomstig is.
|
||||
|
||||
**4.** Het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool is verboden, tenzij het afvalwater afkomstig is van het sorteren en transporteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.7. Composteren
|
||||
|
||||
### Artikel 3.106
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het composteren van groenafval, dat is ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft of dat niet afkomstig is van buiten de inrichting, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, met een volume van ten hoogste 600 kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 3.107 tot en met 3.109 zijn niet van toepassing op het composteren van groenafval, van ten hoogste 3 kubieke meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.107
|
||||
|
||||
**1.** Voor het realiseren van een goede afbraak wordt een composteringshoop ten minste zo vaak omgezet als nodig is om anaërobe afbraak te voorkomen.
|
||||
|
||||
**2.** Een composteringshoop bevat ten hoogste 50% aan hulpstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.108
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het composteren vindt plaats op ten minste:
|
||||
|
||||
a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
|
||||
b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** De afstanden, genoemd in het eerste lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de locatie waar het composteren plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, met inachtneming van de NeR, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
|
||||
|
||||
a. de situering van de composteringshoop, of
|
||||
b. het afdekken van de composteringshoop.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.109
|
||||
|
||||
Bij het composteren wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.110
|
||||
|
||||
Een composteringshoop is gelegen op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.5.8. Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven
|
||||
|
||||
### Artikel 3.111
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 3.112 tot en met 3.129 zijn van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren en het bereiden van brijvoer voor landbouwhuisdieren die binnen de inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt voor het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.113 tot en met 3.126 zijn niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden;
|
||||
b. kinderboerderijen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.112
|
||||
|
||||
**1.** Voor de berekening van de ammoniakemissie van een inrichting wordt het aantal landbouwhuisdieren dat in de inrichting aanwezig mag zijn, vermenigvuldigd met de emissiefactoren, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van artikel 3.114 geldt voor een diercategorie waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, de emissiefactor behorende bij het betrokken huisvestingssysteem als maximale emissiewaarde.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.113
|
||||
|
||||
Binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied, vindt het oprichten van een dierenverblijf, indien voorafgaand aan het oprichten geen sprake is van een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden, niet plaats, tenzij het dierenverblijf bestemd is voor landbouwhuisdieren die uitsluitend of in hoofdzaak worden gehouden ten behoeve van natuurbeheer.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.114
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Binnen een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden in een dierenverblijf dat is gelegen binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied, vindt het uitbreiden van het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën niet plaats, tenzij:
|
||||
|
||||
a. de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven die de inrichting:
|
||||
|
||||
1°. voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of
|
||||
2°. voorafgaand aan de uitbreiding mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie als bedoeld onder 1°;
|
||||
b. in de inrichting op 31 december 2001 melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;
|
||||
c. de uitbreiding schapen of paarden betreft;
|
||||
d. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of
|
||||
e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het zodanig wijzigen van een huisvestingssysteem dat de ammoniakemissie per dierplaats toeneemt, tenzij de wijziging bestaat uit een aanpassing van het systeem die noodzakelijk is op grond van de wettelijke voorschriften op het gebied van dierenwelzijn en slechts voor zover het aantal dierplaatsen niet wordt uitgebreid.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de inrichting voorafgaand aan de uitbreiding, bedoeld in het eerste lid, zou mogen veroorzaken, worden de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder een vergunning is verleend met toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdelen c tot en met f, dan wel artikel 7, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet ammoniak en veehouderij, en de ammoniakemissie van de dieren waarmee de inrichting op grond van het eerste lid, onderdelen b, c, d of e, is uitgebreid, niet meegerekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.115
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het oprichten, uitbreiden, of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor is verboden, indien de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt, op geurgevoelige objecten die zijn gelegen in de gebieden, bedoeld in tabel 3.115, na de oprichting, uitbreiding of wijziging meer bedraagt dan de in die tabel aangegeven waarden.
|
||||
|
||||
| (P98) | niet-concentratiegebied | concentratiegebied |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| bebouwde kom | 2,0 | 3,0 |
|
||||
| buiten bebouwde kom | 8,0 | 14,0 |
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. indien het geurgevoelig object een object als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, onderdelen a, b of c, of tweede lid, is met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 3.116, derde lid;
|
||||
b. op de uitbreiding van een dierenverblijf indien een geurbelastingreducerende maatregel wordt toegepast en de totale geurbelasting na de uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de bij de betreffende situatie behorende waarde uit tabel 3.115 en de geurbelasting die de inrichting voorafgaand aan het toepassen van de maatregel veroorzaakte, of
|
||||
c. indien bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt, niet toeneemt en het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.116
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor vindt niet plaats, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand tussen het dierenverblijf en:
|
||||
|
||||
a. een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij;
|
||||
b. een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, of
|
||||
c. een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
|
||||
|
||||
1°. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij;
|
||||
2°. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en
|
||||
3°. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij:
|
||||
|
||||
minder dan 100 meter bedraagt, indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c, binnen de bebouwde kom is gelegen, of
|
||||
|
||||
minder dan 50 meter bedraagt, indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c, buiten de bebouwde kom is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de kavel, bedoeld in onderdeel c van dat lid, aanwezig is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing indien het object, bedoeld in onderdeel a, b of c:
|
||||
|
||||
a. binnen de bebouwde kom is gelegen en de geurbelasting op een afstand van 100 meter van het dierenverblijf lager is dan de waarde uit tabel 3.115 die van toepassing is, of
|
||||
b. buiten de bebouwde kom is gelegen en de geurbelasting op een afstand van 50 meter van het dierenverblijf lager is dan de waarde uit tabel 3.115 die van toepassing is.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is eveneens niet van toepassing als bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt, het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt en de afstand van het dierenverblijf tot een geurgevoelig object niet afneemt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.117
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging:
|
||||
|
||||
a. minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, of
|
||||
b. minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing als bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf het aantal dieren per diercategorie zonder geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt en de afstand van het dierenverblijf tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.118
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 3.115 tot en met 3.117 zijn niet van toepassing, voor zover bij verordening op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij andere waarden of afstanden zijn vastgesteld. In dat geval vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf niet plaats, indien na die oprichting, uitbreiding of wijziging de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt op geurgevoelige objecten, groter is dan de in de verordening vastgestelde belasting dan wel, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object kleiner is dan in de verordening vastgestelde afstand.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 3.115, tweede lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de totale geurbelasting na de uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in de verordening vastgelegde waarde en de geurbelasting die de inrichting voorafgaand aan het toepassen van de maatregel veroorzaakte.
|
||||
|
||||
**3.** De tweede volzin van het eerste lid is niet van toepassing op het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf, indien voorafgaand aan het tijdstip waarop een aanhoudingsbesluit als bedoeld in artikel 7 van de Wet geurhinder en veehouderij is genomen, of indien een dergelijk aanhoudingsbesluit niet is genomen, voor het tijdstip dat een verordening als bedoeld in artikel 6 van die wet is vastgesteld, een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor die oprichting of uitbreiding onherroepelijk is geworden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De tweede volzin van het eerste lid is niet van toepassing op het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf, indien:
|
||||
|
||||
a. bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.115 de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt niet toeneemt en het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt;
|
||||
b. bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.116 de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt niet toeneemt en het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, bedoeld in het eerste lid, of
|
||||
c. bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.117 het aantal dieren per diercategorie zonder geuremissiefactor binnen de inrichting niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.119
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 3.115 tot en met 3.117 is het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object:
|
||||
|
||||
a. minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, of
|
||||
b. minder dan 25 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object niet afneemt, en
|
||||
|
||||
a. bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.115 het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toeneemt en de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt niet toeneemt;
|
||||
b. bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.116 het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toeneemt, de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, genoemd in artikel 3.116, eerste lid, of
|
||||
c. bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.117 het aantal dieren per diercategorie zonder geuremissiefactor niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, genoemd in artikel 3.117, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.120
|
||||
|
||||
Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste een keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.121
|
||||
|
||||
De geurbelasting, bedoeld in deze paragraaf, wordt bepaald en de afstanden, bedoeld in deze paragraaf, worden gemeten op de wijze die in de regeling op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij is vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.122
|
||||
|
||||
Bij het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.123
|
||||
|
||||
**1.** Ten behoeve van de goede werking van een huisvestingssysteem en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies naar de lucht, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Een huisvestingssysteem is uitgevoerd overeenkomstig de bij dat huisvestingssysteem behorende technische beschrijving, bedoeld in de bijlage bij de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem, draagt er zorg voor dat het huisvestingssysteem wordt gebruikt en onderhouden overeenkomstig de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.124
|
||||
|
||||
Indien landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem dat is voorzien van een luchtwassysteem, voldoet het luchtwassysteem, onverminderd artikel 3.123, in het belang van de goede werking van het luchtwassysteem en van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies naar de lucht, ten minste aan de artikelen 3.125 en 3.126.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.125
|
||||
|
||||
**1.** De capaciteit van het luchtwassysteem is ten minste gelijk aan de totale maximale ventilatiebehoefte van het aantal en de categorie landbouwhuisdieren die worden gehouden in het huisvestingssysteem.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald op welke wijze de capaciteit en de totale maximale ventilatiebehoefte worden vastgesteld en vastgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Ten behoeve van een evenredige verdeling van de stallucht door het luchtwassysteem, wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**4.** Het luchtwassysteem is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee de parameters die van belang zijn voor een goede werking van het luchtwassysteem worden geregistreerd.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het elektronisch monitoringssysteem en wordt bepaald welke parameters in ieder geval worden geregistreerd.
|
||||
|
||||
**6.** Indien uit de registratie, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat de parameters worden overschreden, worden onmiddellijk maatregelen getroffen om een goede werking van het luchtwassysteem te waarborgen.
|
||||
|
||||
**7.** Ten aanzien van het gebruik en onderhoud van een luchtwassysteem, worden gedragsvoorschriften opgesteld, die ten minste voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.126
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het lozen van spuiwater afkomstig van:
|
||||
|
||||
a. een biologisch luchtwassysteem;
|
||||
b. een chemisch luchtwassysteem;
|
||||
c. de biologische of chemische stap van een gecombineerd luchtwassysteem;
|
||||
d. een biologisch luchtwassysteem of de biologische stap van een gecombineerd luchtwassysteem na een denitrificatiestap, of
|
||||
e. een luchtwassysteem voor zover dat stof afvangt;
|
||||
|
||||
op of in de bodem is toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is en het lozen in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.127
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven op of in de bodem is toegestaan, indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.128
|
||||
|
||||
Bij het bereiden van brijvoer wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.129
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het wassen en spoelen bij melkwinning wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Afvalwater afkomstig van het wassen en spoelen van melkwininstallaties wordt zo veel mogelijk hergebruikt in de inrichting.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem is toegestaan, indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.6. Voedingsmiddelen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.6.1. Bereiden van voedingsmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.130
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:
|
||||
|
||||
a. keukenapparatuur;
|
||||
b. grootkeukenapparatuur;
|
||||
c. één of meer bakkerijovens die chargegewijs beladen worden, of
|
||||
d. één of meer bakkerijovens die continu beladen worden met een nominaal vermogen van ten hoogste 400 kilowatt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.131
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien niet in een vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozen anders dan in een vuilwaterriool toegestaan, indien het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
|
||||
|
||||
**3.** Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
|
||||
|
||||
**4.** Het vethoudende afvalwater wordt voorafgaand aan de vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan, indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
|
||||
**5.** Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag in afwijking van het vierde lid, het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan, indien gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.132
|
||||
|
||||
Bij het bereiden van voedingsmiddelen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.6.2. Slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke bijproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 3.133
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;
|
||||
b. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;
|
||||
c. het uitsnijden van vis, of
|
||||
d. het uitsnijden en pekelen van organen.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op IPPC-inrichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.134
|
||||
|
||||
**1.** Het slachten van dieren en het bewerken van dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bewerken van dierlijke bijproducten of het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar dieren zijn geslacht, karkassen zijn bewerkt, vlees is uitgesneden van karkassen of karkasdelen, vis is uitgesneden, organen worden verwerkt of dierlijke bijproducten worden bewerkt, wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het zesde lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de plaatsing van een vetafscheider die wordt ingezet voor het afvalwater wordt een rapport opgesteld waarin staat beschreven hoe invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Dit rapport wordt binnen de inrichting bewaard.
|
||||
|
||||
**5.** Het afvalwater wordt voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling.
|
||||
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het vijfde lid, een biologische behandeling toestaan voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.135
|
||||
|
||||
**1.** Bij het broeien of koken van dierlijke bijproducten wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het pekelen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij het pekelen wordt:
|
||||
|
||||
a. ter bescherming van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater, of
|
||||
b. ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
|
||||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.136
|
||||
|
||||
Bij het slachten van dieren wordt:
|
||||
|
||||
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen, of
|
||||
b. ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.6.3. Industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken
|
||||
|
||||
### Artikel 3.137
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie, voor zover daarbij geen sprake is van:
|
||||
|
||||
a. het ambachtelijk bereiden van voedingsmiddelen of dranken;
|
||||
b. het bereiden van voedingsmiddelen of dranken met:
|
||||
|
||||
1°. keukenapparatuur,
|
||||
2°. grootkeukenapparatuur;
|
||||
3°. een of meer bakkerijovens die chargegewijs beladen worden, of
|
||||
4°. één of meer bakkerijovens die continu beladen worden met een nominaal vermogen van ten hoogste 400 kilowatt;
|
||||
c. het slachten van dieren en het uitsnijden van vlees en vis;
|
||||
d. de extractie van plantaardige oliën of veredeling van vetten;
|
||||
e. de productie van zetmeel of suiker, of
|
||||
f. de productie van alcohol.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op IPPC-inrichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.138
|
||||
|
||||
**1.** Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie is uitsluitend toegestaan, indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zesde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een:
|
||||
|
||||
a. saneringsinspanning A geldt, of
|
||||
b. saneringsinspanning B geldt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd door middel van biologische zuivering.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater als bedoeld in dat lid, onder a of b, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het tweede en derde lid voldoet het te lozen afvalwater in enig steekmonster aan de volgende eisen:
|
||||
|
||||
a) het biochemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 30 mg/l;
|
||||
b) het chemisch zuurstofverbruik bedraagt ten hoogste 250 mg/l;
|
||||
c) de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen bedraagt ten hoogste 100 mg/l;
|
||||
d) het gehalte aan zink bedraagt ten hoogste 1 mg/l;
|
||||
e) het gehalte aan koper bedraagt ten hoogste 1 mg/l;
|
||||
f) het gehalte aan totaalfosfor bedraagt ten hoogste 2 mg/l, en
|
||||
g) het gehalte aan totaalstikstof bedraagt ten hoogste 15 mg/l.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift:
|
||||
|
||||
a. lagere gehaltes of grenswaarden vaststellen indien het belang van het milieu daartoe noodzaakt, of
|
||||
b. hogere gehaltes of grenswaarden vaststellen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.139
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken bestemd voor menselijke consumptie is toegestaan indien daarbij ten minste voldaan wordt aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met zesde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
**3.** Het afvalwater wordt voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het derde lid, een biologische behandeling toestaan voorafgaand aan het lozen in een vuilwaterriool.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater waarbij olie, vet, zuivel, vlees of vis wordt verwerkt, wordt het afvalwater, voor vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
|
||||
**6.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.140
|
||||
|
||||
**1.** Een inrichting voor het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie wordt uitsluitend opgericht of uitgebreid in capaciteit voor dat vervaardigen of bewerken indien nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige objecten door die oprichting of uitbreiding wordt voorkomen. De eerste volzin is eveneens van toepassing op het wijzigen van de inrichting, indien die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid bij maatwerkvoorschrift een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige objecten toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Bij het opstellen van het maatwerkvoorschrift neemt het bevoegd gezag de NeR in acht en houdt het rekening met vastgesteld lokaal beleid ten aanzien van geurhinder.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat ten gevolge van het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar niveau overschrijdt, met inachtneming van de NeR bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, dan wel dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.141
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie waarbij voedingsmiddelen of dranken of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, indien het gaat om een emissie van hygroscopisch stof, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, indien de toepassing van een filtrerende afscheider technisch niet haalbaar is en indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissieconcentratie van stofklasse S toestaan. De emissieconcentratie die bij maatwerkvoorschrift wordt toegestaan, bedraagt ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij maatwerkvoorschrift, bedoeld in het tweede lid, kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. het controleren van de emissieconcentratie van stofklasse S, of
|
||||
b. het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die in de inrichting wordt ingezet om aan het maatwerkvoorschrift te voldoen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken voor menselijke consumptie waarbij voedingsmiddelen of dranken of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.7. Sport en recreatie
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.7.1. Binnenschietbanen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.142
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het schieten op een schietbaan of een combinatie van schietbanen in een gebouw of een deel van een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.143
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het schieten op een binnenschietbaan, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het schieten op een binnenschietbaan wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies en stofhinder en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.144
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij het schieten op een binnenschietbaan wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, of
|
||||
b. het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging;
|
||||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de bepaling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_ar,LT) en het maximaal geluidniveau L_amax, veroorzaakt door een inrichting met een binnenschietbaan, wordt voldaan aan bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.7.2. Traditioneel schieten
|
||||
|
||||
### Artikel 3.145
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het door schutterijen of schuttersgilden schieten met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.146
|
||||
|
||||
Bij het traditioneel schieten wordt:
|
||||
|
||||
a. in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, of
|
||||
b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.7.3. Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
|
||||
|
||||
### Artikel 3.147
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.148
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht is uitgeschakeld:
|
||||
|
||||
a. tussen 23.00 uur en 07.00 uur, en
|
||||
b. indien er geen sport wordt beoefend noch onderhoud plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:
|
||||
|
||||
a. de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
|
||||
b. de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar, of
|
||||
c. door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in onderdeel b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel tezamen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.7.4. Recreatieve visvijvers
|
||||
|
||||
### Artikel 3.149
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.150
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.7.5. Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op sport- of recreatieterreinen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.151
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op sport- of recreatieterreinen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.152
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een sport- of recreatieterrein in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen een afstand van een meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam:
|
||||
|
||||
a. worden gewasbeschermingsmiddelen slechts gebruikt met mechanisch voortbewogen apparatuur, indien deze uitsluitend is voorzien van driftarme doppen, en zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 50 cm boven de grond bevinden;
|
||||
b. wordt geen gebruik gemaakt van een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of hoger;
|
||||
c. worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt bij een windsnelheid van meer dan 5 meter per seconde gemeten op spuitdophoogte.
|
||||
|
||||
### Afdeling 3.8. Overige activiteiten
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.8.1. Tandheelkunde
|
||||
|
||||
### Artikel 3.153
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op tandheelkundige bewerkingen met amalgaam.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.154
|
||||
|
||||
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen wordt ten behoeve van het verwijderen van amalgaam, het amalgaamhoudend afvalwater geleid door een amalgaamafscheider, die voldoet aan de eisen gesteld in NEN-EN-ISO 11143.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.8.2. Gemeentelijke milieustraat
|
||||
|
||||
### Artikel 3.155
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waar een gemeente ter uitvoering van artikel 10.22, eerste lid, van de wet gelegenheid biedt om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.156
|
||||
|
||||
**1.** Bij een inrichting waar een gemeente gelegenheid biedt om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten wordt ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 2.12 is het bij een inrichting die voldoet aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen toegestaan om deze grove huishoudelijke afvalstoffen te mengen met andere grove huishoudelijke afvalstoffen die wat betreft aard, samenstelling of concentraties niet vergelijkbaar zijn, mits de afvalstoffen geen gevaarlijke afvalstoffen zijn.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten geldend voor een inrichting type A of een inrichting type B
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.0. Reikwijdte hoofdstuk 4
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.1. Op- en overslaan van gevaarlijke en andere stoffen en gassen en het vullen van gasflessen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en andere ontplofbare stoffen
|
||||
#### Paragraaf 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 4a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. de opslag van vuurwerk;
|
||||
b. pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
|
||||
c. andere ontplofbare stoffen;
|
||||
d. stoffen van ADR klasse 5.2 type C tot en met F;
|
||||
e. asbest;
|
||||
f. gedemonteerde airbags;
|
||||
g. gordelspanners, of
|
||||
h. vaste kunstmeststoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1
|
||||
|
||||
|
|
@ -1976,9 +4202,13 @@ b. het opslaan van gasflessen.
|
|||
|
||||
**9.** Indien gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in verpakking of vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**10.** Dit artikel is niet van toepassing op de opslag van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners en vaste kunstmeststoffen in verpakking.
|
||||
**10.** Het tweede tot en met zesde lid en het achtste en negende lid, zijn niet van toepassing op het opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in verpakking, indien dat opslaan plaatsvindt in het kader van agrarische activiteiten.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.2. Opslaan van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen
|
||||
#### Paragraaf 4.1.2. Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -1998,6 +4228,27 @@ Inbeslaggenomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.3. Opslaan van stoffen in opslagtanks
|
||||
|
||||
### Artikel 4.4a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van stoffen in een bovengrondse opslagtank van:
|
||||
|
||||
a. propeen, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof;
|
||||
b. stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar;
|
||||
c. halfzware olie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns bij een inrichting voor agrarische activiteiten;
|
||||
d. PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel;
|
||||
e. polyesterhars, of
|
||||
f. andere vloeibare bodembedreigende stoffen, niet zijnde:
|
||||
|
||||
1°. gevaarlijke stoffen;
|
||||
2°. CMR-stoffen;
|
||||
3°. smeerolie,
|
||||
4°. afgewerkte olie, of
|
||||
5°. gasolie.
|
||||
|
||||
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op bovengrondse opslagtanks die ingebouwd zijn in een installatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
|
@ -2026,9 +4277,13 @@ b. bij een opslagtank met propeen van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kub
|
|||
|
||||
**4.** Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een opslagtank met propeen alsmede de bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.5b
|
||||
|
||||
Met betrekking tot de opstelplaats van een bovengrondse opslagtank met polyesterhars, het vulpunt van een bovengrondse opslagtank met polyesterhars of de opstelplaats van de tankwagen, wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand aangehouden van ten minste 20 meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.6
|
||||
|
||||
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank of een opslagtank boven een oppervlaktewaterlichaam die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van ADR klasse 5.1 of andere vloeibare bodembedreigende stoffen wordt ten behoeve van:
|
||||
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van halfzware olie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns, stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van ADR klasse 5.1, polyesterhars of andere vloeibare bodembedreigende stoffen wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
||||
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
|
||||
|
|
@ -2038,6 +4293,10 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.4. Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.6a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het parkeren van vervoerseenheden met stoffen of voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.7
|
||||
|
||||
**1.** De afstand tussen een geparkeerde vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen en een woning van derden bedraagt ten minste 20 meter. Deze afstand wordt gemeten vanaf de rand van de vervoerseenheid tot de gevel van de woning.
|
||||
|
|
@ -2048,15 +4307,24 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
**4.** Met betrekking tot het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.5. Opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen
|
||||
#### Paragraaf 4.1.5. Gebruik of opslag van bepaalde organische peroxiden
|
||||
|
||||
### Artikel 4.8
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik of de opslag in verpakking van stoffen van:
|
||||
|
||||
a. het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type C, D, E of F, waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet vereist is, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening en in LQ-verpakking;
|
||||
b. het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, voor zover de opslag plaatsvindt bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt en waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening en in een verpakking niet zijnde LQ, en
|
||||
c. het gebruik van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt en waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.9
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Het gebruik of de opslag in verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2 type C tot en met F als bedoeld in artikel 4.8 voldoet ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en
|
||||
b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
||||
|
||||
aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -2084,15 +4352,15 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.6. Het vullen van gasflessen met propaan en/of butaan
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.7. Opslaan van vaste kunstmeststoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.16
|
||||
|
||||
Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.1.7. Opslaan van vaste kunstmeststoffen
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste kunstmeststoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.17
|
||||
|
||||
Onverminderd paragraaf 3.3.6 wordt bij het opslaan van vaste kunstmeststoffen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Onverminderd paragraaf 3.4.3 wordt bij het opslaan van vaste kunstmeststoffen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.2. Installaties
|
||||
|
||||
|
|
@ -2104,52 +4372,42 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 4.19
|
||||
|
||||
**1.** Het spuien van een stoomketel geschiedt in een geschikte spuitank dan wel in een andere geschikte voorziening die ten minste voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien spuiwater van een stoomketel of condensaat van rookgassen van een stookinstallatie niet in een openbaar vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozing op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toegestaan.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.2.2. In werking hebben van een koelinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 4.20
|
||||
|
||||
**1.** Een koelinstallatie met een inhoud van 12 kilogram of meer aan natuurlijk koudemiddel voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid, voldoet een ammoniakkoelsysteem ten minste aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.** Een koelinstallatie als bedoeld in het eerste lid en een ammoniakkoelsysteem als bedoeld in het tweede lid worden ten minste eenmaal per twee kalenderjaren gekeurd op veilig functioneren, lekkages en energiezuinigheid.
|
||||
|
||||
**4.** Een keuring als bedoeld in het derde lid wordt verricht door een onafhankelijk deskundig persoon die van de keuring een rapport opmaakt dat hij aan de drijver van de inrichting ter beschikking stelt.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een keuring uitwijst dat de koelinstallatie onderhoud behoeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats. Degene die de inrichting drijft vraagt naar een bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud is verricht.
|
||||
|
||||
**6.** Het laatst opgestelde keuringsrapport en het laatst opgestelde onderhoudsbewijs worden bewaard.
|
||||
|
||||
**7.** In een kunstijsbaan waar een ammoniakkoelinstallatie wordt toegepast wordt een indirect ammoniakkoelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.
|
||||
|
||||
**8.** In deze paragraaf wordt verstaan onder «natuurlijk koudemiddel»: de toepassing als koudemiddel van koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gereguleerde stof of een preparaat dat een zodanige stof bevat als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen dan wel een gefluoreerd broeikasgas of een preparaat dat een zodanig gas bevat als bedoeld in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.3. Activiteiten met betrekking tot hout en kurk
|
||||
### Afdeling 4.3. Activiteiten met betrekking tot hout of kurk
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.3.1. Mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.20
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.21
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de mechanische bewerkingen van hout of kurk, dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht door derden op de winterberging bij een jachthaven.
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het niet beroepsmatig onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht op de winterberging bij een jachthaven.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien bij de mechanische bewerkingen van hout of kurk in de inrichting niet meer dan 3 kubieke meter hout of kurk per jaar wordt bewerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.21a
|
||||
|
||||
Bij het verkleinen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.3.2. Reinigen, coaten en lijmen van hout of kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen
|
||||
#### Paragraaf 4.3.2. Reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.21b
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.22
|
||||
|
||||
|
|
@ -2161,10 +4419,10 @@ Bij het verkleinen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige vo
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het coaten op grond van artikelen 4.22, tweede lid, in de buitenlucht plaatsvindt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2180,11 +4438,11 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht va
|
|||
|
||||
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Indien de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is afdeling 2.11 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.25
|
||||
|
||||
Bij het reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden ten behoeve van:
|
||||
Bij het reinigen, coaten of lijmen van hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;
|
||||
|
|
@ -2206,32 +4464,42 @@ de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.4. Activiteiten met betrekking tot kunststof
|
||||
### Afdeling 4.4. Activiteiten met betrekking tot rubber of kunststof
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.4.1. Kunststofverwerking en mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten
|
||||
#### Paragraaf 4.4.1. Mechanische bewerkingen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.27
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij extrusie en spuitgieten van kunststof en bij de mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht door derden bij een jachthaven.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op de mechanische bewerking van rubber, kunststof of van rubber- of kunststofproducten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.27a
|
||||
|
||||
Bij extrusie en spuitgieten van kunststof en het verkleinen van kunststof of kunststofproducten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.4.2. Reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij de mechanische bewerking van rubber, kunststof of van rubber- of kunststofproducten de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij mechanische bewerking van rubber, kunststof of van rubber- of kunststofproducten wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het niet beroepsmatig onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht bij een jachthaven.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien bij de mechanische bewerkingen van rubber, kunststof, rubber- of kunststofproducten in de inrichting niet meer dan 3 kubieke meter rubber, kunststof, rubber- of kunststofproducten per jaar wordt bewerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.27b
|
||||
|
||||
Bij het verkleinen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.4.2. Reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.27c
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.28
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht kunststof of kunststofproducten met behulp van een nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel met behulp van een nevelspuit te reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten.
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten met behulp van een nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel met behulp van een nevelspuit te reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van het te bewerken object.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2239,16 +4507,16 @@ Bij extrusie en spuitgieten van kunststof en het verkleinen van kunststof of kun
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het coaten op grond van artikel 4.28, tweede lid, in de buitenlucht plaatsvindt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.30
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt bij het reinigen, coaten of lijmen van kunststof of kunststofproducten de bij ministeriële regeling gestelde emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt bij het reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten de bij ministeriële regeling gestelde emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2258,11 +4526,11 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2
|
|||
|
||||
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
**6.** indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** indien de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is afdeling 2.11 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.31
|
||||
|
||||
Bij het reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten worden ten behoeve van:
|
||||
Bij het reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten worden ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;
|
||||
|
|
@ -2272,15 +4540,48 @@ e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
|||
|
||||
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.4.3. Wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof of polyesterhars
|
||||
|
||||
### Artikel 4.31a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het wegen of mengen van rubbercompounds of op het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof of polyesterhars.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.31b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het wegen of mengen van rubbercompounds de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 2.5 en 2.6 is bij het wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber of thermoplastisch kunststof de emissie van stoffen die onder een minimalisatieverplichting vallen, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stoffen met een minimalisatieverplichting meer bedraagt dan 0,15 gram per uur.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden stoffen als bedoeld in het tweede lid aangewezen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof of polyesterhars wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.31c
|
||||
|
||||
Bij het verwerken van polyesterhars wordt ten behoeve van het voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.31d
|
||||
|
||||
Bij het mengen van rubbercompounds, het verwerken van rubber of thermoplastisch kunststof of het verwerken van polyesterhars, wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.5. Activiteiten met betrekking tot metaal
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.1. Spaanloze, verspanende en thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen
|
||||
#### Paragraaf 4.5.1. Spaanloze, verspanende of thermische bewerking of mechanische eindafwerking van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.31e
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op spaanloze, verspanende of thermische bewerking of mechanische eindafwerking van metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.32
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht verspanende en thermische bewerkingen en mechanische eindafwerking van metalen uit te voeren.
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht verspanende of thermische bewerkingen of mechanische eindafwerking van metalen uit te voeren.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om in het inpandig deel van de inrichting verspanende en thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen uit te voeren vanwege het volume of het gewicht van het te bewerken object.
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om in het inpandig deel van de inrichting verspanende of thermische bewerkingen of mechanische eindafwerking van metalen uit te voeren vanwege het volume of het gewicht van het te bewerken object.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het uitvoeren van fijnverspanende bewerkingen aan metalen in de buitenlucht wordt ten behoeve van het voorkomen van stofhinder voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2288,9 +4589,9 @@ de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij smeden, shredderen, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij smeden, shredderen, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkzaamheden op grond van de artikelen 4.32, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
|
||||
|
|
@ -2322,10 +4623,14 @@ Bij het smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerking en mechanisch
|
|||
|
||||
### Artikel 4.38
|
||||
|
||||
Bij spaanloze, verspanende en thermische bewerkingen en mechanische eindafwerkingen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Bij spaanloze, verspanende of thermische bewerkingen of mechanische eindafwerking van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.2. Lassen van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.38a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.39
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht laswerkzaamheden te verrichten.
|
||||
|
|
@ -2336,12 +4641,14 @@ Bij spaanloze, verspanende en thermische bewerkingen en mechanische eindafwerkin
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij laswerkzaamheden behorend tot de klassen III tot en met VII als genoemd in de Praktijkrichtlijn Lasrook, beschrijving doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen en/of aanverwante processen, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij laswerkzaamheden behorend tot de klassen III tot en met VII, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de laswerkzaamheden op grond van de artikelen 4.39, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling wordt de indeling van laswerkzaamheden in klassen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de laswerkzaamheden op grond van de artikelen 4.39, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.41
|
||||
|
||||
|
|
@ -2366,13 +4673,17 @@ Bij het lassen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.3. Solderen van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.43a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het solderen van metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.44
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij solderen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij solderen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op zachtsolderen indien het jaarverbruik van soldeermiddel minder bedraagt dan 250 ton.
|
||||
|
|
@ -2402,6 +4713,10 @@ Bij het solderen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperk
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.4. Stralen van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.48a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het stralen van metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.49
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht straalwerkzaamheden te verrichten.
|
||||
|
|
@ -2416,7 +4731,7 @@ Bij het solderen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperk
|
|||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij straalwerkzaamheden de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. totaal stof niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
a. stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
|
||||
c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,25 gram per uur;
|
||||
d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan 2,5 gram per uur;
|
||||
|
|
@ -2431,11 +4746,13 @@ f. sO stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter, indien de m
|
|||
|
||||
Bij het stralen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.5. Reinigen, lijmen en coaten van metalen
|
||||
#### Paragraaf 4.5.5. Reinigen, lijmen of coaten van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.52
|
||||
|
||||
In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 3.23a en het afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.6.
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, lijmen of coaten van metalen.
|
||||
|
||||
**2.** In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of werktuigen, bedoeld in paragraaf 3.3.2., en het afspuiten van pleziervaartuigen, bedoeld in paragraaf 4.6.6.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.53
|
||||
|
||||
|
|
@ -2447,13 +4764,29 @@ In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het coaten op grond van artikel 4.53, tweede lid, in de buitenlucht plaatsvindt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.54a
|
||||
|
||||
**1.** Het schoonbranden van lood, geïsoleerde kabels, oliegekoelde transformatoren en metaaloppervlakken die verontreinigd zijn met polyvinylchloride of andere halogeenverbindingen, is verboden.
|
||||
|
||||
**2.** Voordat metalen worden schoongebrand, worden deze vrijgemaakt van materialen die redelijkerwijs op andere wijze dan door schoonbranden kunnen worden verwijderd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij het schoonbranden van metalen is de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. stofklasse S niet meer dan 25 milligram per normaal kubieke meter;
|
||||
b. gasvormige anorganische chloriden niet meer dan 20 milligram per normaal kubieke meter, of
|
||||
c. totaal koolwaterstoffen niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
|
||||
**4.** Het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de behandeling van de emissie die vrijkomt bij het schoonbranden, is verboden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.55
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt bij het reinigen, coaten of lijmen van metalen voorwerpen met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling gestelde emissiereducerende maatregelen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
|
|
@ -2466,7 +4799,7 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2
|
|||
|
||||
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Indien de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is afdeling 2.11 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.56
|
||||
|
||||
|
|
@ -2482,6 +4815,10 @@ de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.6. Aanbrengen anorganische deklagen op metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.56a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.57
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht anorganische deklagen op metalen aan te brengen.
|
||||
|
|
@ -2492,7 +4829,7 @@ de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. totaal stof niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
a. stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
|
||||
c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,25 gram per uur;
|
||||
d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan 2,5 gram per uur;
|
||||
|
|
@ -2511,13 +4848,17 @@ e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
|||
|
||||
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.7. Beitsen en etsen van metalen
|
||||
#### Paragraaf 4.5.7. Beitsen of etsen van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.59a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het beitsen of etsen van metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.60
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het beitsen en etsen van metalen en metalen voorwerpen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het beitsen of etsen van metalen of metalen voorwerpen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. waterstoffluoride niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van waterstoffluoride naar de lucht groter is dan 15 gram per uur;
|
||||
b. zoutzuur niet meer dan 10 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van zoutzuur naar de lucht groter is dan 150 gram per uur, tenzij de concentratie aan zoutzuur in de ongereinigde massastroom kleiner is dan 1 gram per normaal kubieke meter in welk geval de emissieconcentratie van zoutzuur niet meer is dan 30 milligram per normaal kubieke meter;
|
||||
|
|
@ -2525,31 +4866,39 @@ c. salpeterzuur niet meer dan 30 milligram per normaal kubieke meter indien de m
|
|||
d. zwavelzuur niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van zwavelzuur groter is dan 15 gram per uur;
|
||||
e. azijnzuur niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van azijnzuur groter is dan 500 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het beitsen en etsen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
**2.** Bij het beitsen of etsen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.61
|
||||
|
||||
Bij het beitsen en etsen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Bij het beitsen of etsen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.8. Elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen
|
||||
#### Paragraaf 4.5.8. Elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.61a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.62
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van chroom en cadmiumlagen de emissieconcentratie van:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van chroom en cadmiumlagen de emissieconcentratie van:
|
||||
|
||||
a. chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, groter is dan 0,5 gram per uur;
|
||||
b. cadmium en cadmiumverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen groter is dan 0,25 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
**2.** Bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.63
|
||||
|
||||
Bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.9. Drogen van metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.63a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het drogen van metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.64
|
||||
|
||||
**1.** Bij het drogen van metalen is het gebruik van oplosmiddelen niet toegestaan.
|
||||
|
|
@ -2558,6 +4907,10 @@ Bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen wordt ten behoev
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.10. Aanbrengen van conversielagen op metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.64a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van conversielagen op metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.65
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -2579,13 +4932,17 @@ Bij het aanbrengen van conversielagen op metalen wordt ten behoeve van het reali
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.11. Thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.67a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.68
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen:
|
||||
|
||||
a. de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
a. de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. de emissieconcentratie van zinkchloride niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van zinkchloride naar de lucht groter is dan 10 gram per uur;
|
||||
c. de emissieconcentratie van chloorverbindingen, niet zijnde zinkchloride, niet meer dan 30 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van chloorverbindingen naar de lucht groter is dan 150 gram per uur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2597,6 +4954,10 @@ Bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen wordt ten behoeve van he
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.5.12. Lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten in
|
||||
|
||||
### Artikel 4.69a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten als bedoeld in de paragrafen 4.5.1. tot en met 4.5.11.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.70
|
||||
|
||||
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de activiteiten genoemd in de paragrafen 4.5.1 tot en met 4.5.11 wordt ten minste voldaan aan de artikelen 4.71 tot en met 4.74.
|
||||
|
|
@ -2655,46 +5016,57 @@ b. aannemelijk is dat de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikke
|
|||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.5a. Activiteiten met betrekking tot natuursteen of kunststeen
|
||||
### Afdeling 4.5a. Activiteiten met betrekking tot steen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van steen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74a
|
||||
|
||||
Het is verboden om in de buitenlucht mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen uit te voeren.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op mechanische bewerkingen van steen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74aa
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden om in de buitenlucht mechanische bewerkingen van steen uit te voeren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. indien het vanwege de omvang van het te bewerken object niet mogelijk is om in het inpandige deel van de inrichting de mechanische bewerking uit te voeren, of
|
||||
b. op het breken van steenachtig materiaal als bedoeld in paragraaf 4.5a.6.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74b
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74c
|
||||
|
||||
**1.** Indien bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen water als koel- of smeermiddel wordt toegepast, wordt gebruik gemaakt van een gesloten watercircuit, waarbij water wordt gereinigd en hergebruikt voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.
|
||||
**1.** Indien bij de mechanische bewerking van steen water als koel- of smeermiddel wordt toegepast, wordt gebruik gemaakt van een gesloten watercircuit, waarbij water wordt gereinigd en hergebruikt voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.
|
||||
**2.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van steen wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater afkomstig van:
|
||||
|
||||
– het mechanisch bewerken van natuursteen,
|
||||
– een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen, of
|
||||
– het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen,
|
||||
– het mechanisch bewerken van natuursteen of beton,
|
||||
– een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen of beton, of
|
||||
– het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen of beton,
|
||||
|
||||
is toegestaan indien geen flocculanten zijn toegevoegd.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen als bedoeld in het derde lid bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 50 milligram per liter.
|
||||
**4.** Bij het lozen als bedoeld in het derde lid bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 100 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van:
|
||||
|
||||
– het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen,
|
||||
– een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen, of
|
||||
– het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen,
|
||||
– het mechanisch bewerken van steen,
|
||||
– een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van steen, of
|
||||
– het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van steen,
|
||||
|
||||
vindt slechts plaats indien: het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter en de korreldiameter van onopgeloste stoffen niet meer dan 0,75 millimeter bedragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2702,24 +5074,30 @@ vindt slechts plaats indien: het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedra
|
|||
|
||||
### Artikel 4.74d
|
||||
|
||||
Bij de mechanische verwerking van natuursteen of kunststeen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Bij de mechanische verwerking van steen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74da
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74e
|
||||
|
||||
Het is verboden in de buitenlucht met behulp van een nevelspuit lijmen, harsen en coatings aan te brengen op natuursteen of kunststeen.
|
||||
**1.** Het is verboden in de buitenlucht met behulp van een nevelspuit vluchtige organische stoffen houdende lijmen, harsen of coatings aan te brengen op steen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het vanwege de omvang van het te bewerken object niet mogelijk is om deze activiteit in het inpandige deel van de inrichting te verrichten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74f
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74g
|
||||
|
||||
Bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van:
|
||||
Bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen worden ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
|
||||
|
|
@ -2727,16 +5105,132 @@ c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
|
|||
|
||||
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.3. Chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.3. Chemisch behandelen van steen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74ga
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het chemisch behandelen van steen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74h
|
||||
|
||||
Bij het chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
Bij het chemisch behandelen van steen worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.4. Het vervaardigen van betonmortel
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74i
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het vervaardigen van betonmortel.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74j
|
||||
|
||||
**1.** Het doseren en mengen van goederen behorende tot stuifklasse S1 voor het vervaardigen van betonmortel, vindt plaats in gesloten ruimtes of in een gesloten systeem.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het doseren en mengen van goederen, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van het vervaardigen van betonmortel de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het doseren en mengen ten behoeve van het vervaardigen van betonmortel wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74k
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van met beton verontreinigde installatieonderdelen is uitsluitend toegestaan indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, bedraagt:
|
||||
|
||||
a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, of
|
||||
b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan 200 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het lozen in een vuilwaterriool bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74l
|
||||
|
||||
**1.** Dit artikel is van toepassing op het mengen van afvalstoffen voor het vervaardigen van betonmortel waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 2.12 voldoen afvalstoffen die worden toegepast voor het vervaardigen van betonmortel afzonderlijk aan de kwaliteitseisen van hoofdstuk 3 van het Besluit bodemkwaliteit.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 2.12 kan het bevoegd gezag in afwijking van het tweede lid bepalen dat afvalstoffen die afzonderlijk niet aan de vereisten uit het Besluit bodemkwaliteit voldoen, voor het vervaardigen van betonmortel kunnen worden toegepast, indien:
|
||||
|
||||
a. de nuttige toepassing van de afvalstof is toegestaan, of
|
||||
b. de toepassing van de afvalstof bijdraagt aan de fysische of bouwtechnische eigenschappen van de bouwstof en daarmee de inzet van primaire grondstoffen uitspaart.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.5. Het vormgeven van betonproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74m
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het vormgeven van betonproducten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74n
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton is uitsluitend toegestaan indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij het lozen van afvalwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam bedraagt:
|
||||
|
||||
a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, of
|
||||
b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan 200 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag in belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool bevat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74o
|
||||
|
||||
**1.** Bij het aanbrengen van ontkistingsmiddelen op bekisting wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen inzake de reductie van de emissie van vluchtige organische stoffen, tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de activiteit, genoemd in het eerste lid, minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74p
|
||||
|
||||
Bij het op bekisting aanbrengen van ontkistingsmiddelen en het uitwassen van beton wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.6. Het breken van steenachtig materiaal
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74q
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het breken van steenachtig materiaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74r
|
||||
|
||||
Bij het in de buitenlucht breken van steenachtig materiaal wordt:
|
||||
|
||||
a. zoveel mogelijk voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is;
|
||||
b. verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk beperkt;
|
||||
c. zoveel mogelijk voorkomen dat steenachtig materiaal in een oppervlaktewaterlichaam geraakt, en
|
||||
d. zoveel mogelijk voorkomen dat steenachtig materiaal in een voorziening voor het beheer van afvalwater geraakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74s
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het inpandig breken van steenachtig materiaal de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het inpandig breken van steenachtig materiaal wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.6. Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.1. Lozen van afvalwater (algemeen)
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74t
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten als bedoeld in de paragrafen 4.6.3., 4.6.5, en 4.6.6.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.75
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een of meer activiteiten als bedoeld in de paragrafen 4.6.2, 4.6.3, 4.6.5 en 4.6.6 wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
|
@ -2750,7 +5244,7 @@ In het afvalwater afkomstig van het reviseren van motoren worden de emissiegrens
|
|||
| BTEX-som | 15 milligram per liter |
|
||||
| Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor | 100 microgram per liter |
|
||||
| Olie | 20 milligram per liter |
|
||||
| PAK’s (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) | 5 microgram per liter |
|
||||
| PAK’s | 5 microgram per liter |
|
||||
| Koper | 1 milligram per liter |
|
||||
| Nikkel | 3 milligram per liter |
|
||||
| Lood | 3 milligram per liter |
|
||||
|
|
@ -2770,26 +5264,11 @@ b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.2. Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.3. Afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.76
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij een mechanische ventilatie in een parkeergarage met ten minste 20 parkeerplaatsen worden ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het doelmatig verspreiden van emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
|
||||
c. het voorkomen dan wel beperken van luchtverontreiniging door benzeen,
|
||||
|
||||
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen:
|
||||
|
||||
a. ten aanzien van de beperking van de emissie van benzeen uit een parkeergarage indien dit nodig is in het belang van de luchtkwaliteit;
|
||||
b. ten aanzien van de aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de mechanische ventilatie van een parkeergarage en de uitvoering en het onderhoud van de ventilatoren indien dit nodig is in het belang van de luchtkwaliteit dan wel indien dit nodig is om de geurhinder te voorkomen dan wel te beperken.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.3. Afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.77
|
||||
|
||||
|
|
@ -2820,11 +5299,11 @@ d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder,
|
|||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.4. Afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen
|
||||
#### Paragraaf 4.6.4. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorwegvoertuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.80
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas, indien uitsluitend wordt afgeleverd anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas, indien uitsluitend wordt afgeleverd anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.80a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2838,7 +5317,7 @@ Het inpandig afleveren van lichte olie vindt niet plaats.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.82
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of verharding waarboven het afleveren van motorbrandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of verharding waarboven het afleveren van motorbrandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2848,14 +5327,18 @@ Het inpandig afleveren van lichte olie vindt niet plaats.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.83
|
||||
|
||||
Bij het afleveren van vloeibare brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, wordt:
|
||||
Bij het afleveren van vloeibare brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen, wordt:
|
||||
|
||||
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en
|
||||
b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
|
||||
|
||||
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.5. Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van verbrandingsmotoren
|
||||
#### Paragraaf 4.6.5. Onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of proefdraaien van verbrandingsmotoren
|
||||
|
||||
### Artikel 4.83a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of proefdraaien van verbrandingsmotoren.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.84
|
||||
|
||||
|
|
@ -2872,7 +5355,7 @@ Het is niet toegestaan, anders dan bij een autodemontagebedrijf, een autowrak en
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van verbrandingsmotoren wordt ten behoeve van:
|
||||
Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van verbrandingsmotoren wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen of beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
|
||||
b. het voorkomen of beperken van geurhinder;
|
||||
|
|
@ -2885,47 +5368,55 @@ ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
In afwijking van artikel 4.84, derde lid, is het proefdraaien van motoren van pleziervaartuigen in de buitenlucht toegestaan voor zover de motor zich in het vaartuig bevindt.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.6.6. Onderhouden en repareren en afspuiten van pleziervaartuigen
|
||||
#### Paragraaf 4.6.6. Onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.85a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.86
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 4.32 en 4.39 is het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen door derden bij een jachthaven toegestaan.
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 4.32 en 4.39 is het niet beroepsmatig onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht bij een jachthaven toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van de artikelen 4.22, 4.28 en 4.53 vinden verfspuitwerkzaamheden aan pleziervaartuigen door derden bij een jachthaven waarbij verf met een nevelspuit wordt opgebracht plaats in een daartoe bestemde ruimte.
|
||||
**2.** In afwijking van de artikelen 4.22, 4.28 en 4.53 vinden niet beroepsmatige verfspuitwerkzaamheden bij een jachthaven waarbij verf met een nevelspuit wordt opgebracht plaats in een daartoe bestemde ruimte.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.87
|
||||
|
||||
Degene die een inrichting drijft waar derden gelegenheid wordt geboden om pleziervaartuigen te onderhouden, te repareren of af te spuiten voldoet ten behoeve van het voorkomen van milieuverontreiniging bij die werkzaamheden ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Degene die een inrichting drijft waar gelegenheid wordt geboden voor het niet beroepsmatig onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen voldoet ten behoeve van het voorkomen van milieuverontreiniging bij die werkzaamheden ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.88
|
||||
|
||||
Bij het onderhouden, repareren en afspuiten van pleziervaartuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Bij het onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.7. Activiteiten met betrekking tot papier en textiel
|
||||
### Afdeling 4.7. Activiteiten met betrekking tot grafische processen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.1. Ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal
|
||||
#### Paragraaf 4.7.1. Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
|
||||
|
||||
### Artikel 4.88a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.89
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.
|
||||
**2.** Bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid behoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast indien per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en in de inrichting gedragsvoorschriften aanwezig zijn en worden nageleefd gericht op de beperking van de zilveremissie.
|
||||
|
||||
**4.** Het gehalte aan zilver in het afvalwater afkomstig van het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal bedraagt in enig steekmonster minder dan 4 milligram per liter.
|
||||
**4.** Het gehalte aan zilver in het afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bedraagt in enig steekmonster minder dan 4 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.2. Zeefdrukken
|
||||
|
||||
### Artikel 4.89a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het zeefdrukken.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.90
|
||||
|
||||
**1.** Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen gebruikt met een vlampunt groter dan 55 graden Celsius of op waterbasis.
|
||||
|
||||
**2.** Indien voor de zeefdruk per jaar meer dan 1.000 kilogram inkt op basis van organische oplosmiddelen gebruikt wordt, wordt een registratie bijgehouden van het verbruik aan vluchtige organische stoffen in kilogram per jaar.
|
||||
|
||||
**3.** De registratie, bedoeld in het tweede lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen gebruikt met een vlampunt groter dan 55 graden Celsius of op waterbasis.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.91
|
||||
|
||||
|
|
@ -2950,12 +5441,16 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
|||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.3. Vellenoffset druktechniek
|
||||
|
||||
### Artikel 4.93a
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met vellenoffset.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2977,7 +5472,7 @@ e. per jaar informatie over het verbruik aan vluchtige organische stoffen als ge
|
|||
|
||||
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
**6.** Indien het bedrukken met vellenoffset plaatsvindt in samenhang met het coaten van het substraat en daarbij de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vijfde lid niet van toepassing op het bedrukken met vellenoffset en het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Indien het bedrukken met vellenoffset plaatsvindt in samenhang met het coaten van het substraat en daarbij de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vijfde lid niet van toepassing op het bedrukken met vellenoffset en het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur en is afdeling 2.11 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94b
|
||||
|
||||
|
|
@ -3014,11 +5509,88 @@ d. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
|||
|
||||
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.3a. Bewerken, lijmen, coaten en lamineren van papier of karton
|
||||
#### Paragraaf 4.7.3a. Rotatieoffset druktechniek
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94da
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met rotatieoffset druktechniek.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94db
|
||||
|
||||
Indien bij het bedrukken met heatsetrotatieoffset druktechniek de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a van afdeling 2.11 worden overschreden, is die afdeling van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dc
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van:
|
||||
|
||||
a. het toepassen van rotatieoffset druktechniek;
|
||||
b. het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur, of
|
||||
c. de vormvervaardiging exclusief fotografische processen,
|
||||
|
||||
wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het afvalwater afkomstig van het reinigen van rubberdoeken en drukvormen van rotatieoffset druktechniekpersen bevat, voor vermenging met ander afvalwater, niet meer dan 200 milligram olie per liter in enig steekmonster.
|
||||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dd
|
||||
|
||||
**1.** Bij het vervaardigen van drukvormen voor het bedrukken met rotatieoffset druktechniek worden geen chroomzouthoudende ets- en correctiemiddelen toegepast.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het ontwikkelen en naharden van kopieerlagen voor het bedrukken met rotatieoffset druktechniek worden geen chroomhoudende oplossingen gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94de
|
||||
|
||||
Bij het bedrukken met rotatieoffset druktechniek wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van geurhinder, en
|
||||
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
||||
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.3b. Flexodruk of verpakkingsdiepdruk
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94df
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dg
|
||||
|
||||
Indien bij de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a van afdeling 2.11 worden overschreden, is die afdeling van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dh
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van watergedragen inkten, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken.
|
||||
|
||||
**2.** Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94di
|
||||
|
||||
Bij het toepassen van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek wordt ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van geurhinder;
|
||||
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, of
|
||||
d. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
|
||||
|
||||
voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Afdeling 4.7a. Activiteiten met betrekking tot papier, karton of textiel
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7a.1. Bewerken, lijmen, coaten of lamineren van papier of karton
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94dj
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het bewerken, lijmen, coaten of lamineren van papier of karton.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94e
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt bij het lijmen, coaten of lamineren van papier of karton met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3026,11 +5598,11 @@ de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
**4.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Indien de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is afdeling 2.11 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94f
|
||||
|
||||
Bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton worden ten behoeve van:
|
||||
Bij het lijmen, coaten of lamineren van papier of karton worden ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en
|
||||
|
|
@ -3042,16 +5614,20 @@ de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren en kartonnen producten de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het mechanisch verkleinen van papier of karton of van papieren of kartonnen producten de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren en kartonnen producten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
**2.** Bij het mechanisch verkleinen van papier of karton of van papieren of kartonnen producten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren en kartonnen producten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**3.** Bij het mechanisch verkleinen van papier of karton of van papieren of kartonnen producten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.4. Reinigen en wassen van textiel
|
||||
#### Paragraaf 4.7a.2. Reinigen of wassen van textiel
|
||||
|
||||
### Artikel 4.94ga
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen of wassen van textiel.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.95
|
||||
|
||||
|
|
@ -3059,27 +5635,15 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 2
|
|||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen andere stoffen dan genoemd in het eerste lid, worden aangewezen.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft waarin activiteiten worden uitgeoefend als bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, bevat ten minste de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. het totaal aan inkoop van VOS-houdende producten in het betreffende kalenderjaar;
|
||||
b. de voorraad aan VOS-houdende producten en afvalstoffen op 1 januari van elk jaar;
|
||||
c. de totale hoeveelheid vluchtige organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die in het betreffende kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd;
|
||||
d. het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de afgevoerde hoeveelheden, de aan de leverancier geretourneerde hoeveelheden en het voorraadverschil, en
|
||||
e. de totale hoeveelheid textiel, uitgedrukt in kilogram gereinigd textiel, die is gereinigd.
|
||||
|
||||
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste gedurende drie jaren bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft waarin activiteiten worden uitgeoefend als bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.96
|
||||
|
||||
**1.** Bij het reinigen en wassen van textiel is de immissieconcentratie van PER in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting, per week gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
**1.** Bij het reinigen of wassen van textiel is de immissieconcentratie van PER in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting, per week gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de gebruiker van een ruimte als bedoeld in dat lid geen toestemming geeft voor het verrichten van een meting als bedoeld in dat lid.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het reinigen en wassen van textiel is de immissieconcentratie van PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of tuinen, per jaar gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
**3.** Bij het reinigen of wassen van textiel is de immissieconcentratie van PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of tuinen, per jaar gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het bepalen van de immissieconcentratie van PER, bedoeld in het eerste of derde lid, wordt de methode met absorptiemateriaal of de methode met continu registrerende meetapparatuur toegepast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3271,7 +5835,7 @@ d. vanaf 25 meter.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.102
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen en wassen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of wassen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Afvalwater afkomstig van het wasproces bevat in enig steekmonster niet meer dan 0,1 milligram PER per liter.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3279,16 +5843,20 @@ d. vanaf 25 meter.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.103
|
||||
|
||||
Bij het reinigen en wassen van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Bij het reinigen of wassen van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.4a. Mechanische bewerking en verwerking van textiel
|
||||
#### Paragraaf 4.7a.3. Mechanische bewerking of verwerking van textiel
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103a
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en het verkleinen van textiel en producten van textiel, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op de mechanische bewerking of verwerking van textiel.
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
### Artikel 4.103aa
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en het verkleinen van textiel en producten van textiel, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103b
|
||||
|
||||
|
|
@ -3298,24 +5866,32 @@ Bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en verkleinen van textiel en pr
|
|||
|
||||
Bij het verkleinen van textiel en producten van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.4b. Lassen van textiel
|
||||
#### Paragraaf 4.7a.4. Lassen van textiel
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103bb
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van textiel.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103c
|
||||
|
||||
Bij het lassen van textiel wordt ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.7.4c. Lijmen en coaten van textiel
|
||||
#### Paragraaf 4.7a.5. Lijmen of coaten van textiel
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103ca
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het lijmen of coaten van textiel.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103d
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
|
||||
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
|
||||
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103e
|
||||
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft, neemt bij het lijmen en coaten van textiel de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
**1.** Degene die de inrichting drijft, neemt bij het lijmen of coaten van textiel de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3323,11 +5899,11 @@ b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof
|
|||
|
||||
**4.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaren in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Indien de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is afdeling 2.11 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103f
|
||||
|
||||
Bij het reinigen, lijmen en coaten van textiel worden ten behoeve van:
|
||||
Bij het reinigen, lijmen of coaten van textiel worden ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
|
||||
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
|
||||
|
|
@ -3337,199 +5913,146 @@ de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
|||
|
||||
### Afdeling 4.8. Overige activiteiten
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.1. Inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen
|
||||
#### Paragraaf 4.8.1. Inwendig reinigen of ontsmetten van transportmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103g
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het inwendig reinigen of ontsmetten van:
|
||||
|
||||
a. tanks,
|
||||
b. tankwagens,
|
||||
c. vrachtwagens,
|
||||
d. andere transportmiddelen, of
|
||||
e. werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen voor agrarische activiteiten zijn toegepast.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.103h
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Bij het in een inrichting inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.104
|
||||
|
||||
**1.** Bij het inwendig reinigen van tanks en tankwagens wordt het in het afvalwater geraken van het product zo veel mogelijk voorkomen.
|
||||
**1.** Bij het inwendig reinigen of ontsmetten van tanks of tankwagens wordt het in het afvalwater geraken van het daarin vervoerde product zo veel mogelijk voorkomen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in de inrichting afvalwater ontstaat met een soortgelijke samenstelling als het afvalwater dat ontstaat bij het inwendig reinigen van tanks en tankwagens, is het toegestaan laatstgenoemd afvalwater te lozen op dezelfde wijze als het afvalwater van soortgelijke samenstelling mits het afvalwater van soortgelijke samenstelling door een zuiveringsvoorziening wordt geleid, die is gedimensioneerd op de totale afvalwaterstroom.
|
||||
**2.** Indien in de inrichting afvalwater ontstaat met een soortgelijke samenstelling, afkomstig van een andere activiteit, als het afvalwater dat ontstaat bij het inwendig reinigen of ontsmetten van tanks of tankwagens, is het toegestaan laatstgenoemd afvalwater te lozen op dezelfde wijze als het afvalwater van soortgelijke samenstelling mits het afvalwater van soortgelijke samenstelling door een zuiveringsvoorziening wordt geleid, die is gedimensioneerd op de totale afvalwaterstroom.
|
||||
|
||||
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.104a
|
||||
|
||||
**1.** Het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, voldoet ten minste aan het tweede en derde lid.
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
**2.** Het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater, geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan, indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
|
||||
**3.** Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag het tweede lid niet van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien, gelet op het gehalte vet en onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift het tweede lid niet van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien, gelet op het gehalte aan vet en onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.104b
|
||||
|
||||
Bij het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater, afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen waarin dieren zijn vervoerd, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwateriool bevat in enig steekmonster ten hoogste 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, op of in de bodem is toegestaan indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.104c
|
||||
|
||||
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van veegwagens en vuilniswagens bevat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
**1.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het lozen in een vuilwaterriool wordt het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van werktuigen waarin gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het lozen op of in de bodem is toegestaan, indien:
|
||||
|
||||
a. het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem waarop de gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast, of
|
||||
b. het lozen plaatsvindt door middel van een zuiveringsvoorziening als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.104d
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van veegwagens of vuilniswagens, geldt ten minste dat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter bevat.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.104e
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van een transportmiddel waarin betonmortel is vervoerd is uitsluitend toegestaan indien daarbij ten minste wordt voldaan aan de eisen, gesteld bij en krachtens het tweede tot en met vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, bedraagt:
|
||||
|
||||
a. het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 100 milligram per liter, of
|
||||
b. het gehalte aan chemisch zuurstofverbruik in enig steekmonster niet meer dan 200 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het lozen in een vuilwaterriool bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere gehaltes vaststellen.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.2. Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.105
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van ingenomen bilgewater van pleziervaartuigen wordt ten minste voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
|
||||
|
||||
a. 20 milligram olie per liter;
|
||||
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het derde lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen indien het afvalwater, voorafgaand aan de vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
|
||||
|
||||
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.106
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van gebruikers van de jachthaven in ieder geval de afvalstoffen genoemd onder a tot en met d, ingenomen.
|
||||
|
||||
a. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen plaatsvindt, neemt de jachthaven in:
|
||||
|
||||
1°. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
|
||||
2°. olie- en vethoudend afval van onderhoud aan pleziervaartuigen.
|
||||
b. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen door derden plaatsvindt, wordt in de jachthaven tevens ingenomen:
|
||||
|
||||
1°. afgewerkte olie en smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;
|
||||
2°. olie- en vethoudend afval van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
|
||||
3°. afvalstoffen van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen, die binnen de jachthaven door derden worden uitgevoerd.
|
||||
c. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen die geen binnenboordmotor hebben, wordt in de jachthaven tevens bilgewater ingenomen.
|
||||
d. Indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen zonder een vaste afsluitbare verblijfsruimte, wordt in de jachthaven tevens huishoudelijk afvalwater en de inhoud van chemische toiletten ingenomen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien twee of meer jachthavens in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen wordt voldaan aan het eerste lid indien de voorzieningen gemeenschappelijk worden aangebracht en beheerd en daartoe een overeenkomst is gesloten. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een jachthaven in de onmiddellijke nabijheid is gelegen van een inrichting waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet is voldaan aan het eerste lid indien de voorzieningen van de inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet voldoen aan het eerste lid en gemeenschappelijk worden gebruikt op grond van een overeenkomst tussen de jachthaven en de inrichting. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de inzameling, bedoeld in het eerste lid, wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de inrichting.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een jachthaven op grond van het eerste lid niet behoeft te beschikken over een voorziening voor de inzameling van een bepaalde categorie afvalstoffen, wordt binnen de jachthaven duidelijk aangegeven waar de gebruikers van de jachthaven hun afvalstoffen kunnen afgeven.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.107
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 4.106, eerste lid, worden de in dat lid genoemde afvalstoffen in een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen ingenomen ongeacht het aantal ligplaatsen in die inrichting.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een jachthaven drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, maakt bij de inning van het havengeld kenbaar welk aandeel daarvan bestemd is voor het instandhouden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een jachthaven drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, stelt, na overleg met betrokken partijen, eens in de drie jaar een passend plan vast voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen, en legt dit plan ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.108
|
||||
|
||||
Ten aanzien van een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en is aangewezen krachtens artikel 6 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, zijn de artikelen 4.106 en 4.107 niet van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.3. Bereiden van voedingsmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.109
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien niet in een vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozen anders dan in een vuilwaterriool toegestaan indien het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
|
||||
|
||||
**3.** Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
|
||||
|
||||
**4.** Het vethoudende afvalwater wordt voorafgaand aan de vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft met het oog op het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
|
||||
**5.** Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag het vierde lid niet van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.110
|
||||
|
||||
Bij het bereiden van voedingsmiddelen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.4. Slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.111
|
||||
|
||||
**1.** Het slachten van dieren en het bewerken van dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bewerken van dierlijke bijproducten of het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar dieren zijn geslacht, karkassen zijn bewerkt, vlees is uitgesneden van karkassen of karkasdelen, vis is uitgesneden, organen worden verwerkt of dierlijke bijproducten worden bewerkt, wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het zesde lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de plaatsing van een vetafscheider die wordt ingezet voor het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt een rapport opgesteld waarin staat beschreven hoe invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Dit rapport wordt binnen de inrichting bewaard.
|
||||
|
||||
**5.** Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voorafgaand aan het lozen op een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling.
|
||||
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu en in het bijzonder het belang van de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater zich hiertegen niet verzetten, bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.111a
|
||||
|
||||
**1.** Bij het broeien of koken van dierlijke bijproducten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij het pekelen wordt:
|
||||
|
||||
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast,
|
||||
b. ter bescherming van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater, en
|
||||
c. ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
|
||||
|
||||
ten minste de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.112
|
||||
|
||||
Bij het slachten van dieren wordt:
|
||||
|
||||
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen;
|
||||
b. ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.5. Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport
|
||||
|
||||
### Artikel 4.113
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht is uitgeschakeld:
|
||||
|
||||
a. tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en
|
||||
b. indien er geen sport beoefend wordt noch onderhoud plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:
|
||||
|
||||
a. de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
|
||||
b. de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar;
|
||||
c. door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in onderdeel b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel tezamen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.5a. Recreatieve visvijvers
|
||||
|
||||
### Artikel 4.113a
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.5b. Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op sport- en recreatieterreinen
|
||||
|
||||
### Artikel 4.113b
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een sport- of recreatieterrein in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen een afstand van een meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam:
|
||||
|
||||
a. worden gewasbeschermingsmiddelen slechts gebruikt met mechanisch voortbewogen apparatuur, indien deze uitsluitend is voorzien van driftarme doppen, en zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 50 cm boven de grond bevinden;
|
||||
b. wordt geen gebruik gemaakt van een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of hoger;
|
||||
c. worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt bij een windsnelheid van meer dan 5 meter per seconde gemeten op spuitdophoogte.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.6. In werking hebben acculader
|
||||
|
||||
### Artikel 4.113c
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een acculader.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.114
|
||||
|
||||
Bij het opladen van accu’s die vloeibare bodembedreigende stoffen bevatten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
|
@ -3538,18 +6061,15 @@ Bij het opladen van accu’s die vloeibare bodembedreigende stoffen bevatten wor
|
|||
|
||||
### Artikel 4.115
|
||||
|
||||
Bij het in werking hebben van een noodstroomaggregaat wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.8. Traditioneel schieten
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.9. In werking hebben van een crematorium of het in gebruik hebben van een strooiveld
|
||||
|
||||
### Artikel 4.116
|
||||
|
||||
Bij het traditioneel schieten wordt:
|
||||
|
||||
a. in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, en
|
||||
b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.8.9. In werking hebben van een crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een crematorium of het in gebruik hebben van een strooiveld.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.117
|
||||
|
||||
|
|
@ -3627,69 +6147,523 @@ Bij activiteiten in een laboratorium of een praktijkruimte worden ten behoeve va
|
|||
|
||||
Bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of een praktijkruimte wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Wijziging van besluiten
|
||||
## Hoofdstuk 5. Industriële emissies
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.0. Reikwijdte hoofdstuk 5
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type C drijft, waartoe een installatie behoort als bedoeld in hoofdstuk III, IV of VI, of bijlage I van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334).
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.1. Grote stookinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
Wijzigt het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een grote stookinstallatie, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. een stookinstallatie die bestemd is voor het drogen of behandelen van voorwerpen of materialen door middel van rechtstreeks contact met verbrandingsgas;
|
||||
b. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
|
||||
c. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
|
||||
d. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;
|
||||
e. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
|
||||
f. cokesovens;
|
||||
g. windverhitters van hoogovens;
|
||||
h. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
|
||||
i. gasturbines en gasmotoren die op offshoreplatforms worden gebruikt;
|
||||
j. stookinstallaties waarvoor emissie-eisen zijn gesteld in paragraaf 5.2.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 15 MW of meer als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld indien:
|
||||
|
||||
a. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd, of
|
||||
b. die stookinstallaties zodanig zijn gelegen dat de afgassen, naar het oordeel van het bevoegd gezag, op technisch en economisch aanvaardbare wijze via één schoorsteen kunnen worden afgevoerd.
|
||||
|
||||
**3.** Het begrip «vloeibare brandstof» is niet van toepassing op de installaties waarop deze paragraaf van toepassing is.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder bestaande grote stookinstallatie verstaan: grote stookinstallatie die op 30 oktober 1999, overeenkomstig de toen geldende regelgeving, in bedrijf was, of waarvoor een vergunning was verleend en die uiterlijk op 30 oktober 2000 in gebruik is genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit beheer autowrakken.
|
||||
Een grote stookinstallatie wordt op een zodanige wijze ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd, met inbegrip van een op berekeningen gebaseerde hoogte van de schoorsteen, dat afgassen op gecontroleerde wijze door de schoorsteen worden afgevoerd en wordt voorkomen dat de emissies in de lucht leiden tot overschrijding van:
|
||||
|
||||
a. de bij of krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden;
|
||||
b. de in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarden.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit financiële zekerheid milieubeheer.
|
||||
**1.** De emissiegrenswaarden, gesteld in deze paragraaf, zijn van toepassing op de emissies van alle gemeenschappelijke schoorstenen in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.** Bij uitbreiding van een bestaande grote stookinstallatie zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie waarop de wijziging betrekking heeft. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld op grond van het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**3.** In geval van een wijziging van een bestaande grote stookinstallatie die gevolgen kan hebben voor het milieu en die betrekking heeft op een gedeelte van een bestaande grote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, zijn de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van toepassing op het gedeelte van de bestaande grote stookinstallatie dat is gewijzigd in relatie tot het totale nominale thermische ingangsvermogen van de gehele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voor de berekening van de emissies van een grote stookinstallatie wordt de massaconcentratie aan zwaveldioxide, stikstofoxiden of totaal stof herleid op een volumegehalte aan zuurstof van:
|
||||
|
||||
a. ingeval het een grote stookinstallatie voor vaste brandstoffen betreft: 6 procent in afgas;
|
||||
b. ingeval het een gasturbine of een gasmotor betreft: 15 procent in afgas;
|
||||
c. ingeval het een andere grote stookinstallatie dan bedoeld onder a en b betreft: 3 procent in afgas.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit glastuinbouw.
|
||||
De emissies van zwaveldioxide overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.4 niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De emissies van stikstofoxiden overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.5 niet.
|
||||
|
||||
| Vaste brandstoffen | | 100 mg/Nm^3 |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| Vloeibare brandstoffen | Type installatie, totaal nominaal thermisch ingangsvermogen | |
|
||||
| – gasturbine, met inbegrip van een STEG | 50 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – bestaande grote stookinstallatie, indien wordt gestookt met vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof afkomstig uit de eigen installatie | 150 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – andere grote stookinstallatie, 50 – 300 MW | 120 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – andere grote stookinstallatie, > 300 MW | 100 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Gasvormige brandstoffen | Type installatie, type brandstof | |
|
||||
| – gasturbine, met inbegrip van een STEG | 50 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – gasmotor | 33 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – bestaande grote stookinstallatie indien het een gasturbine betreft, met inbegrip van een STEG, die met aardgas wordt gestookt: a. die in een systeem met warmtekrachtkoppeling wordt gebruikt met een rendement van meer dan 75%, b. die in een warmtekrachtcentrale wordt gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal elektrisch rendement van meer dan 55%, of c. die voor mechanische aandrijving wordt gebruikt, waarin het rendement van de gasturbine wordt vastgesteld in ISO-basisbelastingsomstandigheden | 75 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – bestaande grote stookinstallatie indien het een gasturbine betreft, met inbegrip van een STEG, die met andere gassen wordt gestookt | 75 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – bestaande grote stookinstallatie, indien wordt gestookt met hoogovengas, cokesovengas, gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinageresiduen, of andere gassen, uitgezonderd een gasturbine en gasmotor | 150 mg/Nm^3 | |
|
||||
| – andere grote stookinstallatie, indien wordt gestookt met hoogovengas, cokesovengas, gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinageresiduen, of andere gassen | 100 mg/Nm^3 | |
|
||||
| | – andere grote stookinstallatie, indien wordt gestookt met aardgas | 70 mg/Nm^3 |
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift voor een bestaande grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MW die wordt gestookt met vaste brandstoffen en die niet kan voldoen aan de op grond van het eerste lid toepasselijke emissiegrenswaarde, een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 180 mg/Nm^3 vast.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift voor een bestaande grote stookinstallatie die wordt gestookt met aardgas en die niet kan voldoen aan de op grond van het eerste lid toepasselijke emissiegrenswaarde, een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 100 mg/Nm^3 vast, tenzij het betreft een gasturbine of gasmotor.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.6
|
||||
|
||||
Wijzigt het Besluit omgevingslawaai.
|
||||
De emissies van koolmonoxide overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.6 niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7
|
||||
|
||||
Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
|
||||
De emissies van totaal stof overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.7 niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
Wijzigt het Vuurwerkbesluit.
|
||||
**1.** De emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 5.4 tot en met 5.7, gelden niet voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die blijkens de daarvoor geldende omgevingsvergunning bestemd zijn voor noodgevallen en minder dan 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn. Degene die de inrichting drijft, registreert de bedrijfsuren van dergelijke installaties.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder bedrijfsuren verstaan: de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk in werking is en emissies in de lucht veroorzaakt, met uitzondering van de voor de inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.9
|
||||
|
||||
**1.** Bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een grote stookinstallatie gelden als emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en totaal stof de gewogen gemiddelden van de emissiegrenswaarden die op grond van de artikelen 5.4 tot en met 5.8 voor elk van de brandstoffen afzonderlijk zouden gelden.
|
||||
|
||||
**2.** Een gewogen gemiddelde als bedoeld in het eerste lid wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid bedraagt de emissie van zwaveldioxide van een bestaande grote stookinstallatie gemiddeld niet meer dan 500 mg/Nm^3 indien:
|
||||
|
||||
a. die installatie deel uitmaakt van een raffinaderij, en
|
||||
b. die installatie destillatie- of omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, zelf verbruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.10
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 5.4 mag een grote stookinstallatie, waar gewoonlijk laagzwavelige brandstof wordt verstookt, gedurende 240 uur in werking blijven, indien degene die de inrichting drijft wegens een onderbreking van de voorziening met laagzwavelige brandstof ten gevolge van een ernstig tekort aan dergelijke brandstoffen niet in staat is de emissiegrenswaarden van dat artikel in acht te nemen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift de periode, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot ten hoogste zes maanden, voor zover de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, voortduurt en degene die de inrichting drijft daardoor redelijkerwijs niet in staat is de emissiegrenswaarden in acht te nemen.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die de inrichting drijft, meldt onmiddellijk aan het bevoegd gezag dat zich een situatie voordoet als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag stelt Onze Minister onmiddellijk in kennis van een afwijking als bedoeld in het eerste of tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.11
|
||||
|
||||
**1.** Indien een grote stookinstallatie die gewoonlijk met gasvormige brandstof wordt gestookt, met een andere brandstof wordt gestookt in het geval geen levering van gas kan plaatsvinden wegens weersomstandigheden of storingen in de gastoevoer, zijn de emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 5.4 tot en met 5.7, niet van toepassing gedurende ten hoogste 240 uur per incident.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die de inrichting drijft, meldt onmiddellijk aan het bevoegd gezag dat zich een situatie voordoet als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag stelt Onze Minister onmiddellijk in kennis van een afwijking als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.12
|
||||
|
||||
**1.** Indien bij een grote stookinstallatie de afgasreinigingsapparatuur is uitgevallen en deze apparatuur niet binnen 24 uur weer normaal functioneert, wordt de grote stookinstallatie geheel of gedeeltelijk buiten gebruik gesteld of met een weinig vervuilende brandstof in bedrijf gehouden.
|
||||
|
||||
**2.** Een grote stookinstallatie mag als gevolg van storingen als bedoeld in het eerste lid gedurende ten hoogste 120 uur gedurende een periode van 12 maanden in bedrijf zijn zonder dat de afgasreinigingsapparatuur functioneert.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, verlengen, indien:
|
||||
|
||||
a. het absoluut noodzakelijk is om de energievoorziening in stand te houden, of
|
||||
b. de betreffende grote stookinstallatie anders gedurende die periode vervangen zou worden door een stookinstallatie die over het geheel genomen hogere emissies zou veroorzaken.
|
||||
|
||||
**4.** Degene die de inrichting drijft, meldt een geval als bedoeld in het eerste lid binnen 48 uur aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.13
|
||||
|
||||
De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.14
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Tot 1 januari 2016 is deze paragraaf niet van toepassing op een grote stookinstallatie:
|
||||
|
||||
a. waarvoor vergunning is verleend vóór 1 januari 2013, of
|
||||
b. waarvoor vóór 1 januari 2013 een ontvankelijke aanvraag om vergunning is ingediend en die uiterlijk op 1 januari 2014 in gebruik is genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een grote stookinstallatie waarop onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van deze paragraaf op die grote stookinstallatie een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend, blijven de voorschriften van die vergunning van toepassing, tenzij de betreffende voorschriften gelijke of minder strenge emissiegrenswaarden bevatten dan die welke gelden op grond van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.2. Afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 5.15
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een afvalverbrandings- of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin uitsluitend de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of producten van thermische behandeling van uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verbrand:
|
||||
|
||||
1°. biomassa;
|
||||
2°. radioactieve afvalstoffen;
|
||||
3°. afvalstoffen ontstaan bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;
|
||||
b. een experimentele afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bestemd voor onderzoek, ontwikkeling en tests ter verbetering van het thermisch behandelingsproces, waarin per kalenderjaar minder dan 50.000 kilogram afvalstoffen wordt verwerkt;
|
||||
c. installaties voor vergassing of pyrolyse, voor zover de gassen die het resultaat zijn van deze thermische behandeling van afvalstoffen vóór de verbranding zodanig worden gereinigd dat bij de verbranding ervan niet meer emissies ontstaan dan bij de verbranding van aardgas.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van deze paragraaf omvat een afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallatie alle verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de voorzieningen voor de behandeling van afgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag van afvalverbrandingsresiduen en afvalwater, de schoorstenen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de verbrandings- of meeverbrandingsomstandigheden.
|
||||
|
||||
**4.** Indien voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere processen van oxidatie, omvat de afvalverbrandings- of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.16
|
||||
|
||||
Een afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt op een zodanige wijze ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd, met inbegrip van een op berekeningen gebaseerde hoogte van de schoorsteen, dat afgassen op gecontroleerde wijze door de schoorsteen worden afgevoerd en wordt voorkomen dat de emissies in de lucht leiden tot overschrijding van:
|
||||
|
||||
a. de bij of krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden;
|
||||
b. de in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarden.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie bevindt, draagt er zorg voor dat afvalstoffen niet in ontvangst worden genomen dan nadat:
|
||||
|
||||
a. ten minste de massa van de afvalstoffen, voor zover mogelijk per categorie, genoemd in de afvalstoffenlijst, is bepaald en geregistreerd;
|
||||
b. voor zover het gevaarlijke afvalstoffen betreft: ten minste van die afvalstoffen representatieve monsters zijn genomen, zo mogelijk voordat de lading wordt gelost, en die monsters zijn geanalyseerd, tenzij dit niet gepast is;
|
||||
c. voor zover het gevaarlijke afvalstoffen betreft: hij van de ontdoener van die afvalstoffen ten minste de volgende gegevens heeft ontvangen en daarvan de gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, heeft gecontroleerd:
|
||||
|
||||
1°. de begeleidingsbrieven, bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de wet en, voor zover van toepassing, op grond van bijlage IB bij de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
|
||||
2°. de gegevens die vereist zijn bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
|
||||
3°. gegevens over de gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
|
||||
4°. gegevens over de stoffen waarmee zij niet mogen worden gemengd;
|
||||
5°. gegevens over de bij de behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen;
|
||||
6°. de fysische, en voor zover mogelijk, chemische samenstelling van de afvalstoffen;
|
||||
7°. alle overige gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces.
|
||||
|
||||
**2.** De monsters, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden ten minste gedurende een maand na het thermisch behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen, bewaard. De omstandigheden waaronder de monsters worden bewaard, zijn zodanig dat de fysische en chemische samenstelling ongewijzigd blijft.
|
||||
|
||||
**3.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden ten minste gedurende vijf jaren na het thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking hebben, bewaard.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag kan bij vergunningvoorschrift afwijken van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, voor zover het een IPPC-installatie betreft waarin uitsluitend afvalstoffen thermisch worden behandeld die afkomstig zijn van diezelfde IPPC-installatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.18
|
||||
|
||||
**1.** De warmte die door het proces van thermische behandeling in een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt opgewekt wordt teruggewonnen, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is.
|
||||
|
||||
**2.** Het ontstaan van afvalverbrandingsresiduen bij de exploitatie van een verbrandingsinstallatie en de schadelijkheid daarvan worden tot een minimum beperkt. De afvalverbrandingsresiduen worden, indien passend, in de installatie zelf of daarbuiten hergebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.19
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De emissies in de lucht van:
|
||||
|
||||
a. een afvalverbrandingsinstallatie of
|
||||
b. een afvalmeeverbrandingsinstallatie wanneer daarin:
|
||||
|
||||
1°. meer dan 40 procent van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijk afval, of
|
||||
2°. onbehandelde of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling met zodanige afvalstoffen overeenkomen worden verbrand,
|
||||
|
||||
overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.19 niet.
|
||||
|
||||
| | halfuur- en daggemiddelde | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| Totaal stof | 5 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof | 10 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Zoutzuur | 8 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Waterstoffluoride | 1 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Zwaveldioxide | 40 mg/Nm^3 | |
|
||||
| | halfuur- en daggemiddelde | maandgemiddelde |
|
||||
| Stikstofoxiden | 180 mg/Nm^3 | 70 mg/Nm^3, uitgezonderd installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 20 MW |
|
||||
| | daggemiddelde | tienminutengemiddelde |
|
||||
| Koolmonoxide | 30 mg/Nm^3 | 150 mg/Nm^3 |
|
||||
| Kwik | 0,05 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Som van cadmium en thallium | 0,05 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium | 0,5 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde equivalentiefactoren | 0,1 ng/Nm^3 | |
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van de emissies van de in tabel 5.19 opgenomen stoffen wordt de massaconcentratie herleid tot een zuurstofgehalte van 11 procent in afgas.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt voor de berekening van de emissies van de verbranding van afgewerkte olie de massaconcentratie herleid tot een zuurstofgehalte van 3 procent in afgas.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.20
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De emissies in de lucht van een andere afvalmeeverbrandingsinstallatie dan die bedoeld in artikel 5.19 overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.20 niet.
|
||||
|
||||
| Totaal stof | Mengregel | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | | |
|
||||
| Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof | Mengregel | |
|
||||
| Zoutzuur | Mengregel, waarbij voor de C_proces-waarde de volgende emissiegrenswaarde geldt: 30 mg/Nm^3 | |
|
||||
| | | |
|
||||
| Waterstoffluoride | Mengregel, waarbij voor de C_proces-waarde de volgende emissiegrenswaarde geldt: 10 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Zwaveldioxide | Mengregel | |
|
||||
| Stikstofoxiden | Mengregel | |
|
||||
| Koolmonoxide | Mengregel | |
|
||||
| Kwik | 0,02 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Som van cadmium en thallium | 0,015 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium | 0,15 mg/Nm^3 | |
|
||||
| Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde equivalentiefactoren | 0,1 ng/Nm^3 | |
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van emissies van de in tabel 5.20 opgenomen stoffen wordt de massaconcentratie herleid tot een zuurstofgehalte van 6 procent in afgas.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt voor de berekening van de emissies in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of gasvormige brandstoffen de massaconcentratie herleid tot een zuurstofgehalte van 3 procent in afgas.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.21
|
||||
|
||||
Voor een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin vaste afvalstoffen worden verstookt gelden voor kwik, in plaats van de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 5.20, de volgende jaarlijkse gemiddelde inputeisen:
|
||||
|
||||
a. bij het meeverbranden van 10 massaprocent of minder afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen of biomassa: 0,4 milligram kwik per kilogram afvalstof berekend als droge stof;
|
||||
b. bij het meeverbranden van meer dan 10 massaprocent afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen of biomassa: (3,5/massaprocent + 0,05) milligram kwik per kilogram afvalstof berekend als droge stof.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.22
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De emissies in de lucht van een cementoven die is aan te merken als een afvalmeeverbrandingsinstallatie overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.22 niet.
|
||||
|
||||
| Totaal stof | 15 mg/Nm^3 |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| | |
|
||||
| Gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof | 10 mg/Nm^3 |
|
||||
| Zoutzuur | 10 mg/Nm^3 |
|
||||
| Waterstoffluoride | 1 mg/Nm^3 |
|
||||
| Zwaveldioxide | 50 mg/Nm^3 |
|
||||
| Stikstofoxiden | 500 mg/Nm^3 |
|
||||
| Kwik | 0,05 mg/Nm^3 |
|
||||
| Som van cadmium en thallium | 0,05 mg/Nm^3 |
|
||||
| Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium | 0,5 mg/Nm^3 |
|
||||
| Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde equivalentiefactoren | 0,1 ng/Nm^3 |
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van de emissie van de in tabel 5.22 opgenomen stoffen wordt de massaconcentratie herleid tot een zuurstofgehalte van 10 procent in afgas.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.23
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien in tabel 5.20 in plaats van een concrete emissiegrenswaarde de aanduiding «mengregel» is opgenomen, wordt voor de bepaling van de emissiegrenswaarde de volgende formule gebruikt:
|
||||
|
||||
(V_afval x C_afval + V_proces x C_proces)/(V_afval + V_proces) = C
|
||||
|
||||
V_afval: volume van het afgas ten gevolge van uitsluitend de verbranding van afvalstoffen, bepaald op basis van de in de omgevingsvergunning gespecificeerde afvalstof of categorie van afvalstoffen met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en herleid tot de emissieconcentratie bij een genormaliseerd zuurstofgehalte overeenkomstig de bij ministeriële regeling bepaalde formule, temperatuur druk en droog gas. Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10 procent bedraagt van de totale in de afvalmeeverbrandingsinstallatie vrijkomende warmte, wordt V_afval berekend op basis van een hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid vrijkomende warmte, 10 procent van de vrijkomende warmte zou opleveren.
|
||||
|
||||
C_afval: in tabel 5.19 aangegeven emissiegrenswaarde voor de desbetreffende stof. Indien er in tabel 5.19 voor een stof meerdere emissiegrenswaarden zijn opgenomen, heeft C_afval betrekking op de daggemiddelde emissiegrenswaarde. De C_afval-emissiegrenswaarde wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de meeverbrandingsinstallatie.
|
||||
|
||||
V_proces: volume van het afgas ten gevolge van het in de verbrandingsinstallatie plaatshebbende proces van de verbranding van niet als afvalstoffen aan te merken brandstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte dat bij ministeriële regeling is vastgesteld. Indien geen voorschriften gelden met betrekking tot het volume van het afgas van de afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht gebruikt.
|
||||
|
||||
C_proces: emissiegrenswaarde die voor de desbetreffende stof zou gelden op grond van paragraaf 5.1 voor grote stookinstallaties of op grond van paragraaf 3.2.1. of 6.9 voor het in werking hebben van andere dan grote stookinstallaties, wanneer in het desbetreffende type installatie andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Bij het ontbreken van zodanige regelgeving wordt de in de omgevingsvergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de omgevingsvergunning geen emissiegrenswaarde is gesteld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.
|
||||
|
||||
C: totale emissiegrenswaarde, bepaald bij een bij ministeriële regeling vastgesteld zuurstofgehalte.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gemiddelde netto calorische waarde verstaan: op de onderste verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid energie die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof vrijkomt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.24
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 5.19, eerste lid, stelt het bevoegd gezag voor een installatie die niet kan voldoen aan de op grond van dat artikellid toepasselijke emissiegrenswaarden, bij vergunningvoorschrift een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide vast van ten hoogste:
|
||||
|
||||
a. een daggemiddelde van 50 mg/Nm^3 naast het tienminutengemiddelde, of,
|
||||
b. met betrekking tot een afvalverbrandings- of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin de wervelbedtechnologie wordt gebruikt: een uurgemiddelde van 100 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.25
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 5.22 kan het bevoegd gezag met betrekking tot cementovens bij vergunningvoorschrift bepalen dat de in tabel 5.22 opgenomen emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen niet van toepassing zijn indien de emissies van zodanige stoffen in de lucht niet het gevolg zijn van de thermische behandeling van afvalstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.26
|
||||
|
||||
**1.** Een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie mag de bij of krachtens dit besluit gestelde emissiegrenswaarden voor emissies in de lucht slechts overschrijden indien deze overschrijdingen het gevolg zijn van technisch onvermijdelijke storingen of stilleggingen van de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur of meetapparatuur.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie mag ingeval er sprake is van overschrijding van de bij of krachtens dit besluit gestelde emissiegrenswaarden voor emissies in de lucht in geen geval langer dan vier uur ononderbroken met de thermische behandeling van afvalstoffen voortgaan. De totale duur dat ovens van een verbrandingsinstallatie welke verbonden zijn met dezelfde afgasreinigingsinstallatie per kalenderjaar in werking mogen zijn, bedraagt ingeval er sprake is van overschrijding van de bij of krachtens dit besluit gestelde emissiegrenswaarden en:
|
||||
|
||||
a. er sprake is van thermische behandeling van afvalstoffen: ten hoogste 60 uur;
|
||||
b. er geen sprake is van thermische behandeling van afvalstoffen: ten hoogste 120 uur verminderd met het aantal uren in het betreffende jaar dat de verbrandingsstraten onder de in de aanhef en onder a bedoelde omstandigheid in werking zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 5.19 tot en met 5.24 zijn, met uitzondering van de bij of krachtens deze artikelen gestelde emissiegrenswaarden voor koolmonoxide en gasvormige en vluchtige organische stoffen, gedurende de periode dat een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid zich voordoet, niet van toepassing, met dien verstande dat de emissies van totaal stof een halfuurgemiddelde van 150 mg/Nm^3 niet overschrijden.
|
||||
|
||||
**4.** In geval van een defect van de afgasreinigingsinstallatie vermindert degene die de inrichting drijft de activiteit van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie zo spoedig mogelijk of legt hij deze stil totdat normale werking opnieuw mogelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.27
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen ondergaat een zodanige behandeling dat de emissiegrenswaarden van tabel 5.27 niet worden overschreden.
|
||||
|
||||
| Totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen | 95% van de meetwaarden: 30 mg/l 100% van de meetwaarden: 45 mg/l |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Kwik | 0,03 mg/l |
|
||||
| Cadmium | 0,05 mg/l |
|
||||
| Thallium | 0,05 mg/l |
|
||||
| Arseen | 0,15 mg/l |
|
||||
| Lood | 0,1 mg/l |
|
||||
| Chroom | 0,5 mg/l |
|
||||
| Koper | 0,5 mg/l |
|
||||
| Nikkel | 0,5 mg/l |
|
||||
| Zink | 1,0 mg/l |
|
||||
| Antimoon | 0,85 mg/l |
|
||||
| Kobalt | 0,05 mg/l |
|
||||
| Mangaan | 0,2 mg/l |
|
||||
| Vanadium | 0,5 mg/l |
|
||||
| Tin | 0,5 mg/l |
|
||||
| Som van dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde equivalentiefactoren | 0,1 ng/l |
|
||||
|
||||
**2.** De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden uitgedrukt in massaconcentratie, voor niet-gefiltreerde monsters.
|
||||
|
||||
**3.** De pH-waarde van het in het eerste lid bedoelde afvalwater is kleiner dan of gelijk aan 11, doch niet kleiner dan 6,5.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.28
|
||||
|
||||
Afvalwater wordt niet verdund om aan de in artikel 5.27 bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.29
|
||||
|
||||
**1.** De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een afvalverbrandings- of een afvalmeeverbrandingsinstallatie voldoet ten behoeve van:a. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
|
||||
|
||||
b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
|
||||
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater, en
|
||||
d. een doelmatig beheer van afvalstoffen
|
||||
|
||||
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.30
|
||||
|
||||
**1.** Tot 1 januari 2016 kan het bevoegd gezag voor Lepolovens en lange draaiovens, in afwijking van artikel 5.22, voor de emissie van stikstofoxiden bij vergunningvoorschrift een emissiegrenswaarde van ten hoogste 800 mg/Nm^3 vaststellen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van deze paragraaf op die afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een vergunning op grond van hoofdstuk 6 van de Waterwet was verleend, blijven de voorschriften van die vergunning van toepassing, tenzij de betreffende voorschriften gelijke of minder strenge emissiegrenswaarden bevatten dan die welke gelden op grond van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.3. Installatie voor de productie van titaandioxide
|
||||
|
||||
### Artikel 5.31
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een IPPC-installatie voor de productie van titaandioxide.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.32
|
||||
|
||||
Het is verboden de volgende afvalstoffen te brengen in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater:
|
||||
|
||||
a. vaste afvalstoffen;
|
||||
b. moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waartoe in elk geval behoren:
|
||||
|
||||
1°. zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5 procent vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten;
|
||||
2°. die moederlogen welke zijn verdund tot ze 0,5 procent of minder vrij zwavelzuur bevatten;
|
||||
c. afvalstoffen afkomstig van een installatie die het chlorideproces toepast en die meer dan 0,5 procent vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waartoe in elk geval behoren: afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5 procent of minder vrij zoutzuur bevatten;
|
||||
d. filterzouten en slibvormige en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling, in de vorm van concentratie of neutralisatie, van de onder b en c genoemde afvalstoffen en die verschillende zware metalen bevatten, uitgezonderd geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die slechts sporen van zware metalen bevatten en die, vóór enigerlei verdunning, een pH-waarde van meer dan 5,5 hebben.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.33
|
||||
|
||||
De emissies in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater afkomstig van een installatie die het sulfaatproces toepast, overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.33 niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.34
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De emissies in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater van een installatie die het chlorideproces toepast, overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.34 niet.
|
||||
|
||||
| Chloride | |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| | |
|
||||
| Bij gebruik van natuurlijk rutiel | 130 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Bij gebruik van synthetisch rutiel | 228 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Bij gebruik van slakken voor emissies in zeewater | 450 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| Bij gebruik van slakken voor emissies in oppervlaktewater | 330 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| | |
|
||||
| Onopgeloste | 2,5 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| bestanddelen | 400 mg/l (daggemiddelde) |
|
||||
| | |
|
||||
| IJzerverbindingen | 0,6 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde) |
|
||||
| | 150 mg/l (daggemiddelde) |
|
||||
|
||||
**2.** Voor een installatie die het chlorideproces toepast en die meer dan één soort van de in de eerste kolom van tabel 5.34 genoemde grondstoffen gebruikt, gelden de voor die grondstoffen genoemde emissiegrenswaarden naar evenredigheid van de hoeveelheden waarin deze grondstoffen worden gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.35
|
||||
|
||||
Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de emissie van zuurdruppels in de lucht wordt voorkomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.36
|
||||
|
||||
De emissies in de lucht overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.36 niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.37
|
||||
|
||||
De emissies in de lucht van chloor en chloorverbindingen van een installatie die het chlorideproces toepast, overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.37 niet.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.38
|
||||
|
||||
De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.39
|
||||
|
||||
Voor een IPPC-installatie voor de productie van titaandioxide waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van deze paragraaf op die installatie een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een vergunning op grond van hoofdstuk 6 van de Waterwet was verleend, blijven de voorschriften van die vergunning van toepassing, tenzij de betreffende voorschriften gelijkwaardige of minder strenge emissiegrenswaarden bevatten dan die welke gelden op grond van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.0. Reikwijdte hoofdstuk 6
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B, of een inrichting type C drijft.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.1. Algemeen overgangsrecht
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1
|
||||
|
||||
**1.** Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
|
||||
**1.** Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.** De nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43 in werking en onherroepelijk waren, worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
|
||||
**2.** De nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43 in werking en onherroepelijk waren, worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
|
||||
|
||||
**3.** De voorschriften van een vergunning als bedoeld in het eerste lid dan wel de nadere eisen op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften, worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
**3.** De maatwerkvoorschriften die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43 in werking en onherroepelijk waren, blijven van kracht, mits ze vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op die inrichting van toepassing is.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van dit artikel worden de gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
|
||||
**4.** De voorschriften van een vergunning als bedoeld in het eerste lid dan wel de nadere eisen op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften, worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden de gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2
|
||||
|
||||
**1.** Voor het lozen vanuit een inrichting type A of B, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, op die inrichting een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, op die inrichting aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
|
||||
**1.** Voor het lozen vanuit een inrichting type A of B, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het van toepassing worden van artikel 1.4, derde lid, met betrekking tot het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in hoofdstuk 3.
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan, met betrekking tot het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in hoofdstuk 3.
|
||||
|
||||
**3.** De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, voor een inrichting golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, blijven na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op die inrichting gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift.
|
||||
**3.** De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in een inrichting golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering of het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij voor het lozen vanuit een inrichting, blijven na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op die inrichting gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift.
|
||||
|
||||
**4.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
**4.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering of het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij voor het lozen vanuit een inrichting, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Voor het lozen anders dan vanuit een inrichting, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4a op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4a op dat lozen aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
**2.** De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4a voor het lozen anders dan vanuit een inrichting in werking en onherroepelijk waren krachtens het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, blijven na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4a op dat lozen gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
**3.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij voor het lozen anders dan vanuit een inrichting, die voor dat lozen onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4a op dat lozen in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften, worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de vergunning, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -3697,30 +6671,30 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op een inrichting was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid, toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.
|
||||
**3.** Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een inrichting was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid, toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.
|
||||
|
||||
**4.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op een inrichting het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.
|
||||
**4.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een inrichting het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de ontheffing of vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.4
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting geen vergunning als gedoeld in artikel 6.1, eerste lid, in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
|
||||
**1.** Degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting geen vergunning als gedoeld in artikel 6.1, eerste lid, in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichting. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede lid, op een inrichting type B ten aanzien van die inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een inrichting, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om een vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10.
|
||||
**3.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in een inrichting type B ten aanzien van die inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een inrichting, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om een vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.5
|
||||
|
||||
Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op een inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet en dit besluit op het betreffende lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als:
|
||||
Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in een inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet en dit besluit op het betreffende lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als:
|
||||
|
||||
a. een melding overeenkomstig artikel 1.10, voor zover het lozen bij of krachtens de in hoofdstuk 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan;
|
||||
b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b, voor zover de aanvraag lozen betreft als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.5a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4a op het lozen anders dan vanuit een inrichting, nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet voor lozen als bedoeld in artikel 1.4a en dit besluit op het betreffende lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10a.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -3728,15 +6702,7 @@ Voor de toepassing van dit besluit wordt als eerste dag van de termijn waarbinne
|
|||
|
||||
### Artikel 6.7
|
||||
|
||||
**1.** Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.7 waartoe een gpbv-installatie behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was, zijn de artikelen 3.8, 3.9, 3.10 en 6.20 tot 1 januari 2013 van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.11 waartoe een gpbv-installatie behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel het Besluit voorzieningen en installatie milieubeheer van toepassing was, zijn de artikelen 3.12 en 6.21 tot 1 januari 2013 van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.13 waartoe een gpbv-installatie behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was, zijn de artikelen 3.14 en 3.15 tot 1 januari 2013 van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.27 waartoe een gpbv-installatie behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was, is artikel 3.28 tot 1 januari 2013 van toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.30 waartoe een gpbv-installatie behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing was, is dat artikel tot 1 januari 2013 van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.7a
|
||||
|
||||
|
|
@ -3746,7 +6712,7 @@ Maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, zoals dat luidde v
|
|||
|
||||
### Artikel 6.8
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6.1 worden de nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.15 op grond van voorschrift 4.2.1 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven golden tot 1 januari 2012 aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.3. Overgangsrecht verkeer en vervoer
|
||||
|
||||
|
|
@ -3763,7 +6729,7 @@ Indien artikel 2.16 in werking treedt na het tijdstip van inwerkingtreding van a
|
|||
In afwijking van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een aanvaardbaar bodemrisico kan worden gerealiseerd, indien:
|
||||
|
||||
a. voor de inwerkingtreding van artikel 2.9 binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd, of
|
||||
b. onmiddellijk voorafgaand aan het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd en voor die inrichting een vergunning in werking en onherroepelijk was.
|
||||
b. onmiddellijk voorafgaand aan het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan, binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd en voor die inrichting een vergunning in werking en onherroepelijk was.
|
||||
|
||||
**2.** Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gesteld indien het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico redelijkerwijs niet kan worden gevergd en is voldaan aan het derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3771,16 +6737,16 @@ b. onmiddellijk voorafgaand aan het van toepassing worden van artikel 1.4, tweed
|
|||
|
||||
Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt een plan van aanpak gevoegd, waarin ten minste is vastgelegd:
|
||||
|
||||
a. de wijze waarop het risicobeperkende bodemonderzoek wordt uitgevoerd;
|
||||
a. de wijze waarop het monitoringssysteem wordt uitgevoerd;
|
||||
b. de bodemkwaliteit op dat moment, zoals dat is onderzocht en vastgelegd door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit;
|
||||
c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem wordt hersteld door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit;
|
||||
d. de kosten die daarvoor worden geraamd en de wijze waarop hiervoor financiële zekerheid wordt gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Het plan van aanpak, bedoeld in het derde lid, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd maakt deel uit van het maatwerkvoorschrift.
|
||||
|
||||
**5.** Onder een aanvaardbaar bodemrisico als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een situatie als bedoeld in de NRB waarin een bodemrisico aanvaardbaar is gemaakt met risicobeperkend bodemonderzoek en door het anticiperen op het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem.
|
||||
**5.** Onder een aanvaardbaar bodemrisico als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een situatie als bedoeld in de NRB waarin een bodemrisico aanvaardbaar is gemaakt middels een monitoringssysteem en door het anticiperen op het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem.
|
||||
|
||||
**6.** Het risicobeperkend bodemonderzoek als bedoeld in het derde en vijfde lid, voldoet aan paragraaf 1.5 van onderdeel B1 van de NRB en wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
|
||||
**6.** Het monitoringssysteem als bedoeld in het derde en vijfde lid, voldoet aan bijlage 3 van deel 3 van de NRB en wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -3790,11 +6756,15 @@ Wijzigt deze wet.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.12
|
||||
|
||||
**1.** De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a worden met 5 dB(A) verhoogd indien onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17 op grond van een in het derde lid genoemd voorschrift hogere waarden golden.
|
||||
**1.** De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a onderscheidenlijk 2.17g worden met 5 dB(A) verhoogd indien onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 2.17 op een inrichting van toepassing wordt, op grond van een voorschrift als bedoeld in het derde lid, hogere waarden golden.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in een milieuvergunning die inwerking en onherroepelijk was op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest zijnde voorschrift, genoemd in het derde lid, lagere waarden dan de waarden, bedoeld in het eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** De voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid zijn: voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit tankstations milieubeheer en voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit tandartspraktijken milieubeheer.
|
||||
**3.** De voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid zijn: voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit tankstations milieubeheer, voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit tandartspraktijken milieubeheer en voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.
|
||||
|
||||
**4.** Voor inrichtingen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid, waarop onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikellid, bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw van toepassing was, gelden in afwijking van artikel 2.17, vijfde lid, gedurende drie jaar na dat tijdstip de geluidswaarden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.
|
||||
|
||||
**5.** Een gemeentelijke verordening als bedoeld in voorschrift 1.1.2 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, zoals dat luidde op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17, zevende lid, berust met ingang van dat tijdstip op dat lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -3802,8 +6772,8 @@ Wijzigt deze wet.
|
|||
|
||||
De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van artikel 2.20, eerste lid, is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting:
|
||||
|
||||
a. waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.20, het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, het Besluit jachthavens milieubeheer of het Besluit motorvoertuigen milieubeheer van toepassing was, en
|
||||
b. die voor de inwerkingtreding van het betreffende in onderdeel a genoemde besluit is opgericht.
|
||||
a. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 2.20 van toepassing wordt op die inrichting, het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, het Besluit jachthavens milieubeheer, het Besluit motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was, en
|
||||
b. die voor de inwerkingtreding van het in onderdeel a genoemde besluit dat van toepassing was, is opgericht.
|
||||
|
||||
**2.** De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van artikel 2.20, eerste lid, is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit het Besluit tankstations milieubeheer of het Besluit tandartspraktijken milieubeheer van toepassing was.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3848,14 +6818,14 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.23, tweede lid, en 4.82, tweede lid, zijn niet van toepassing indien:
|
||||
De artikelen 3.23, tweede lid, 3.23c, derde lid, en 4.82, tweede lid, zijn niet van toepassing indien:
|
||||
|
||||
a. voor het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op de inrichting een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en gebruikt worden conform NEN 7089; of
|
||||
a. voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en gebruikt worden conform NEN 7089; of
|
||||
b. voor 1 maart 1997 een slibvangput of een olieafscheider zijn geplaatst, die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 3.25, derde lid, 3.34, achtste lid, 3.44, derde lid, 4.71, tweede lid, 4.75, tweede lid en 4.105, derde lid, zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing indien het afvalwater niet wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2, maar door:
|
||||
In afwijking van de artikelen 3.26c, derde lid, 3.26h, derde lid, 3.34, achtste lid, 3.44, derde lid, 4.71, tweede lid, en 4.75, vierde lid, zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing indien het afvalwater niet wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2, maar door:
|
||||
|
||||
a. een slibvangput en een olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7089; of
|
||||
b. een slibvangput en een olieafscheider die zijn geplaatst voor 1 maart 1997 en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.
|
||||
|
|
@ -3896,11 +6866,59 @@ b. een slibvangput en een olieafscheider die zijn geplaatst voor 1 maart 1997 en
|
|||
|
||||
**5.** Bij de verandering van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in het eerste en vierde lid is de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten als gevolg van een zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de geurbelasting onmiddellijk voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, niet worden overschreden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.9. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een warmtekrachtinstallatie
|
||||
### Paragraaf 6.9. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 6.20
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.9, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor de inwerkingtreding van dat artikel, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule bedoeld in dat lid.
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.
|
||||
|
||||
**2.** Het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet met ingang van 1 januari 2017 aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid voldoet het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO_2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.20a
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.10a of 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in de artikelen 3.10a of 3.10b genoemde emissiegrenswaarden vanaf het tijdstip dat:
|
||||
|
||||
a. de branders zijn vervangen;
|
||||
b. wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, of
|
||||
c. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van de emissies van de stoffen, genoemd in de artikelen 3.10a of 3.10b, met meer dan 10 procent.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10a en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt waarin biomassa wordt of houtpellets voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, tot 1 januari 2015 aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 6.20a (1).
|
||||
|
||||
| Ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Brandstof | Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter) | Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter) | **Totaal stof** (mg per normaal kubieke meter) | onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft | – | – | 75 | – |
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10a en 3.10b en in onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 500 kilowatt waarin biomassa wordt of houtpellets voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, tot 1 januari 2015 aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 6.20a (2).
|
||||
|
||||
| Ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 500 kilowatt | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Brandstof | Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter) | Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter) | Totaal stof (mg per normaal kubieke meter) | onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft | – | – | 150 | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 6.20b
|
||||
|
||||
Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 6.20, eerste of derde lid, of artikel 6.20a, eerste lid, voor 1 januari 2017 onderscheidenlijk 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal vermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van de emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f, wordt voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.20c
|
||||
|
||||
Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 6.20, eerste of derde lid, of artikel 6.20a, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.20d
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10l, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in dat lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.10. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
|
||||
|
||||
|
|
@ -3931,6 +6949,12 @@ voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de afstanden, be
|
|||
|
||||
Artikel 3.15a is niet van toepassing op een windturbine of een combinatie daarvan waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.15a een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10 ten aanzien van een kwetsbaar respectievelijk beperkt kwetsbaar object, indien het plaatsgebonden risico ten gevolge van die windturbine of een combinatie van windturbines voor het betreffende kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare object op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.15a groter is dan 10^-6 respectievelijk 10^-5 per jaar.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.10b. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een koelinstallatie
|
||||
|
||||
### Artikel 6.21c
|
||||
|
||||
Artikel 3.16d, zevende lid, is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2010.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.11. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer
|
||||
|
||||
### Artikel 6.22
|
||||
|
|
@ -3957,11 +6981,21 @@ Artikel 3.15a is niet van toepassing op een windturbine of een combinatie daarva
|
|||
|
||||
### Paragraaf 6.11a. Overgangsrecht met betrekking tot het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.12. Overgangsrecht tandheelkunde
|
||||
### Artikel 6.22c
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.23b, eerste lid, is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een inrichting waar het wassen van motorvoertuigen of werktuigen plaatsvindt waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, indien op die inrichtingen onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikellid het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing was.
|
||||
|
||||
**2.** Het wassen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast in een inrichting als bedoeld in het eerste lid, vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in het tweede lid, vindt plaats in een vuilwaterriool, waarbij ten minste wordt voldaan aan artikel 3.23c.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.12. Overgangsrecht met betrekking tot het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten
|
||||
|
||||
### Artikel 6.23
|
||||
|
||||
Artikel 3.26 is tot 1 januari 2011 niet van toepassing indien het afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen wordt geleid door een amalgaamafscheider die voor de inwerkingtreding van dat artikel is geplaatst en de door de leverancier aangegeven maximale doorstroomsnelheid niet wordt overschreden.
|
||||
**1.** Voor een inrichting type C worden de voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.41 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.7.
|
||||
|
||||
**2.** De voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting type C die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.7 en onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.41 in werking waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van paragraaf 3.3.7 van het besluit strengere bepalingen gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13. Overgangsrecht met betrekking tot de opslag van propaan
|
||||
|
||||
|
|
@ -3975,49 +7009,213 @@ Artikel 3.26 is tot 1 januari 2011 niet van toepassing indien het afvalwater afk
|
|||
|
||||
### Artikel 6.24a
|
||||
|
||||
**1.** Voor een inrichting type C worden de voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.6.
|
||||
**1.** Voor een inrichting type C worden de voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.4.3.
|
||||
|
||||
**2.** De voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting type C die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.6 en onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 in werking waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van paragraaf 3.3.6 van het besluit strengere bepalingen gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
**2.** De voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting type C die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.4.3 en onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 in werking waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van paragraaf 3.4.3 van het besluit strengere bepalingen gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13b. Overgangsrecht voor het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24b
|
||||
|
||||
**1.** Voor een inrichting type C worden de voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.41 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.7.
|
||||
|
||||
**2.** De voorschriften van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting type C die betrekking hebben op de activiteiten, bedoeld in paragraaf 3.3.7 en onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.41 in werking waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van paragraaf 3.3.7 van het besluit strengere bepalingen gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13c. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24c
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.46, eerste lid, is niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, indien de plaats waar deze bedrijfsstoffen zijn opgeslagen, is gelegen binnen een van de afstanden, genoemd in dat lid, het opslaan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel plaatsvond en verplaatsing van de opslagen bedrijfsstoffen redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien het eerste lid van toepassing is:
|
||||
|
||||
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
|
||||
b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13d. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van drijfmest
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24d
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.51, eerste tot en met derde lid, is niet van toepassing op een mestbassin dat is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel en dat op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel op grond van het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit mestbassins milieubeheer op een kleinere afstand is gelegen dan de afstand die zou gelden op grond van 3.51, eerste tot en met derde lid, de afstand tot een geurgevoelig object niet is afgenomen en verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien het eerste lid van toepassing is:
|
||||
|
||||
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
|
||||
b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13e. Overgangsrecht met betrekking tot telen of kweken van gewassen in een kas
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24e
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 3.56 tot en met 3.58 zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.
|
||||
|
||||
**2.** Op een kas als bedoeld in het eerste lid zijn tot 1 januari 2021 de voorschriften uit paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidden onmiddellijk voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de artikelen 3.56 tot en met 3.58, van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24f
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.56, eerste lid, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat lid.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 3.58, eerste lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24g
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.56, eerste lid, is een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast tot 1 januari 2017 aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd, indien deze lichtscherminstallatie is aangebracht voor 1 januari 2014.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24h
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.58 is, indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, tot 1 januari 2017 gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 95% wordt gereduceerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24i
|
||||
|
||||
Artikel 6.24g is tot 1 januari 2013 niet van toepassing op een kas als bedoeld in dat artikel die aan de bovenzijde reeds voor 1 april 2009 is voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 85% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24j
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.58 is de bovenzijde van een kas als bedoeld in artikel 6.24i, tot 1 januari 2013 vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 85% wordt gereduceerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24k
|
||||
|
||||
De artikelen 3.56 tot en met 3.59 zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op het moment van inwerkingtreding van dit artikel minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24l
|
||||
|
||||
**1.** Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainagewater afkomstig van de teelt waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 3.64 op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.64, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainwater vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 3.64 op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.64, tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24m
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien op 1 april 2002 door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd, en:
|
||||
|
||||
a. recirculatie plaatsvindt door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt;
|
||||
b. een drainagekoker gelegen is op een diepte van niet meer dan 0,25 m boven de gemiddelde grondwaterstand en niet meer dan 1,25 m onder het maaiveld;
|
||||
c. ten hoogste 10% van de totale hoeveelheid drainwater naar de bodem sijpelt;
|
||||
d. door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige is beoordeeld of aan de in de onderdelen a tot en met c genoemde criteria wordt voldaan en een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, binnen de inrichting wordt bewaard:
|
||||
|
||||
wordt het lozen van drainwater in de bodem aangemerkt als het lozen van drainwater waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, is vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13f. Telen van gewassen in de open lucht
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24n
|
||||
|
||||
Artikel 3.83, derde tot en met vijfde lid, is gedurende vier jaar na de inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op veldspuitapparatuur die voor dat tijdstip niet was voorzien van een drukregistratievoorziening.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13g. Overgangsrecht met betrekking tot de waterbehandeling voor agrarische activiteiten
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24o
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6.3, eerste lid, wordt, bij een inrichting die per hectare waarop het telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt beschikt over een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter, een ontheffing die is verleend voor het in de bodem lozen van afvalwater als gevolg van het voor de gietwatervoorziening bij de teelt van gewassen zuiveren van water door omgekeerde osmose en die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.90 tot 1 juli 2022 aangemerkt als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13h. Overgangsrecht met betrekking tot het behandelen van gewassen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24p
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.103 wordt bij het spoelen van bloembollen vanaf het tijdstip van het van toepassing worden van dat artikel tot aan het tijdstip waarop de eisen, bedoeld in dat artikel in werking treden, voldaan aan paragraaf 2.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, zoals die gold op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.103.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13i. Overgangsrecht met betrekking tot composteren
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24q
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.108, eerste lid, is niet van toepassing indien het composteren plaatsvindt binnen een van de afstanden, bedoeld in dat lid, het composteren reeds plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel en verplaatsing redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien het eerste lid van toepassing is:
|
||||
|
||||
a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en
|
||||
b. geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13j. Overgangsrecht met betrekking tot het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24r
|
||||
|
||||
Totdat met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 3.111 waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied een wijziging waarop artikel 3.113 of artikel 3.114 van toepassing is, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden en is de ammoniakemissie niet groter dan:
|
||||
|
||||
a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of
|
||||
b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer was gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24s
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Totdat met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 3.111 een wijziging waarop de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van toepassing zijn, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden, is de geurbelasting niet groter en is de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner dan:
|
||||
|
||||
a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, mocht worden veroorzaakt onderscheidenlijk mocht bedragen onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of
|
||||
b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, mocht worden veroorzaakt onderscheidenlijk mocht bedragen, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer is gedaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de afstand tot een geurgevoelig object indien deze is afgenomen anders dan door wijziging van de inrichting.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24t
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.125, vierde lid, is gedurende drie jaar na inwerkingtreding niet van toepassing op een luchtwassysteem dat is geïnstalleerd voor de inwerkingtreding en niet is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem als bedoeld in dat artikel.
|
||||
|
||||
**2.** Een luchtwassysteem als bedoeld in het eerste lid, voldoet gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van artikel 3.125 aan de artikelen 6.24u en 6.24v.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24u
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De volgende gegevens van een luchtwassysteem worden ten minste eenmaal per week geregistreerd:
|
||||
|
||||
a. de zuurgraad van het waswater;
|
||||
b. de meterstand van de urenteller van de waswaterpomp;
|
||||
c. de meterstand van de watermeter van de spuiwaterproductie in kubieke meter.
|
||||
|
||||
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende ten minste drie jaar in de inrichting bewaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24v
|
||||
|
||||
**1.** Binnen 18 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel wordt een meting naar de emissiereductie van ammoniak uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**2.** Een meting als bedoeld in het eerste lid vindt plaats onder representatieve bedrijfscondities in de zomerperiode tussen 10.00 en 14.00 uur, waarbij de meting wordt uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR en volgens NEN 2826.
|
||||
|
||||
**3.** Een afschrift van de rapportage van de meting wordt in de inrichting bewaard tot ten minste het tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de eerstvolgende meting.
|
||||
|
||||
**4.** Indien uit de meting blijkt dat niet wordt voldaan aan de emissiereductie van ammoniak, genoemd in de systeembeschrijving, op grond waarvan krachtens artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij een emissiefactor voor dat huisvestingssysteem is vastgesteld, worden maatregelen getroffen om daar alsnog aan te voldoen en wordt binnen een jaar na het uitvoeren van de meting een herhalingsmeting uitgevoerd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13k. Overgangsrecht met betrekking het opslaan in ondergrondse opslagtanks van organische oplosmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24w
|
||||
|
||||
Artikel 3.30a is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor de datum inwerkingtreding van dat artikel.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13l. Overgangsrecht met betrekking tot het bereiden van voedingsmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24x
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.131, vierde lid, is niet van toepassing indien voor 1 januari 2008 een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087.
|
||||
|
||||
**2.** Indien op een inrichting voor 1 januari 2008 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel NEN 7087, geldt voor dat lozen een ontheffing die als maatwerkvoorschrift als bedoeld artikel 3.131, vijfde lid, wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13m. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke bijproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24y
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 3.134, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 3.134, derde en vierde lid, zijn eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.13n. Overgangsrecht tandheelkunde
|
||||
|
||||
### Artikel 6.24z
|
||||
|
||||
Artikel 3.153 is tot 1 januari 2011 niet van toepassing indien het afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen wordt geleid door een amalgaamafscheider die voor de inwerkingtreding van dat artikel is geplaatst en de door de leverancier aangegeven maximale doorstroomsnelheid niet wordt overschreden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.14. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.25
|
||||
|
||||
**1.** De in artikel 4.1, tweede en derde lid, opgenomen afstanden zijn gedurende drie jaar niet van toepassing op inrichtingen die zijn opgericht voor de inwerkingtreding van dat artikel en waarvan onmiddellijk voorafgaand aan die inwerkingtreding een vergunning in werking en onherroepelijk was.
|
||||
|
||||
**2.** Op de inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, blijven gedurende drie jaar de voorschriften uit de vergunning van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.14a. Opslaan van stoffen in opslagtanks
|
||||
|
||||
### Artikel 6.25a
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 4.5, tweede lid, is gedurende twaalf maanden met ingang van de datum waarop op grond van dat lid geen inhoudsgrens geldt, niet van toepassing op inrichtingen met bovengrondse opslagtanks voor de opslag van zuurstof met een inhoud van minder dan 25 kubieke meter waarop artikel 4.5, tweede lid, zoals dat luidde op 1 januari 2008, niet van toepassing was.
|
||||
|
||||
**2.** Indien in een inrichting ten minste twee bovengrondse opslagtanks bestemd voor de opslag van zuurstof, elk met een inhoud van ten minste 25 kubieke meter aanwezig zijn, geldt gedurende twaalf maanden met ingang van de datum, waarop op grond van artikel 4.5, tweede lid, geen inhoudsgrens geldt, dat elke tank is gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
|
||||
Artikel 4.5b is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor de datum inwerkingtreding van dat artikel.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.15. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4035,7 +7233,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 6.28
|
||||
|
||||
Artikel 4.20, zevende lid, is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor de inwerkingtreding van artikel 4.20, achtste lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.18. Overgangsrecht met betrekking tot de mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4071,15 +7269,21 @@ a. het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolo
|
|||
b. degene die de inrichting drijft aantoont dat bij het lozen niet aan de emissiegrenswaarden genoemd in kolom B van artikel 4.73 kan worden voldaan; en
|
||||
c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes maanden na het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting bij het bevoegd gezag is gedaan.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.22a. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
|
||||
### Paragraaf 6.22a. Overgangsrecht met betrekking tot vormgeven van betonproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 6.33a
|
||||
|
||||
Voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onder c, onder 2° en 3°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van paragraaf 4.5a.5, een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.22b. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.33b
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 4.77, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op bunkerstations en op de wal geplaatste vaste afleverinstallaties die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.
|
||||
|
||||
**2.** In het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de locatie van een bunkerstation of een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.23. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen
|
||||
### Paragraaf 6.23. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorwegvoertuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.34
|
||||
|
||||
|
|
@ -4093,72 +7297,47 @@ c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes maanden na
|
|||
|
||||
### Artikel 6.34a
|
||||
|
||||
Voor inrichtingen waar vellenoffset wordt toegepast en waarop reeds vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 4.94aparagraaf 4.7.3 van toepassing was, is dat artikel van toepassing met ingang van de dag waarop twaalf maanden zijn verstreken na die inwerkingtreding.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.23b. Overgangsrecht met betrekking tot het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton
|
||||
|
||||
### Artikel 6.34b
|
||||
|
||||
Voor inrichtingen waar het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton plaatsvindt en die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 4.94e reeds onder de werkingssfeer van dit besluit vielen, is artikel 4.94e van toepassing met ingang van de dag waarop twaalf maanden zijn verstreken na die inwerkingtreding.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.23c. Overgangsrecht met betrekking tot het inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.34c
|
||||
|
||||
Artikel 4.104a, tweede lid, is niet van toepassing indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087.
|
||||
Artikel 4.104a, tweede lid, is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.24. Overgangsrecht met betrekking tot het bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.35
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 4.106, eerste lid, onderdeel e, is met betrekking tot huishoudelijk afvalwater niet van toepassing tot 1 januari 2009, indien binnen de inrichting meer dan 50 doch niet meer dan 100 ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen, aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 4.106, eerste lid, onderdeel e, is met betrekking tot de inhoud van chemische toiletten niet van toepassing tot 1 januari 2009, indien binnen de inrichting meer dan 50 doch niet meer dan 250 ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen, aanwezig zijn.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.25. Overgangsrecht met betrekking tot het vervaardigen en bereiden van voedingsmiddelen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.36
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 4.109, vierde lid, is niet van toepassing indien voor de inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087.
|
||||
|
||||
**2.** Indien op een inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.109 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel NEN 7087, wordt voor dat lozen een maatwerkvoorschrift als bedoeld artikel 4.109, vijfde lid, geacht te zijn verleend.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.26. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren en het uitsnijden van vlees en vis
|
||||
|
||||
### Artikel 6.37
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 4.111, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 4.111, derde en vierde lid, zijn eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.37a
|
||||
|
||||
Artikel 4.124, derde lid, is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in artikel 4.124, eerste lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.27. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van brandbare stoffen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.38
|
||||
|
||||
**1.** Indien artikel 1.4 in werking treedt voor het tijdstip waarop de op grond van artikel 8, achtste lid, van de Woningwet te geven algemene maatregel van bestuur waarin voorschriften worden gegeven omtrent het brandveilig gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in werking treedt zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing op het opslaan van brandbare stoffen op open erven of terreinen tot de datum van inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de opslag van brandbare stoffen anders dan in een gebouw draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat er bij brand geen onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen of op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren gebouw dat op grond van het Bouwbesluit 2003 een brandcompartiment of gedeelte van een brandcompartiment is, speeltuin, kampeerterrein als bedoeld in de Wet op de openluchtrecreatie of opslag van gevaarlijke stoffen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Aan het tweede lid wordt bij opslag van hout voldaan indien:
|
||||
|
||||
a. de opslag bij brand geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan 15 kilowatt per vierkante meter gedurende ten minste 60 minuten, gerekend vanaf het ontstaan van de brand;
|
||||
b. de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd en de bereikbaarheid van ten minste één van de andere zijden indien die langer zijn dan 40 meter, en
|
||||
c. bij of in de directe omgeving van de opslag een bluswatervoorziening aanwezig is die gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit heeft van ten minste 90 kubieke meter.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De in het derde lid, onderdeel a, bedoelde stralingsbelasting wordt gemeten op:
|
||||
|
||||
a. de naar de houtopslag toegekeerde uitwendige scheidingsconstructie van het op het aangrenzend perceel gelegen gebouw, en
|
||||
b. de perceelsgrens, indien het aangrenzend perceel is ingericht als speeltuin of kampeerterrein of op dat aangrenzend perceel gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van dit artikel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6.28. Overgangsrecht betreffende gevaarlijke afvalstoffen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4182,20 +7361,28 @@ Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt i
|
|||
|
||||
### Artikel 6.43
|
||||
|
||||
De volgende besluiten worden ingetrokken:
|
||||
De volgende besluiten zijn vervallen:
|
||||
|
||||
- Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer
|
||||
- Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
|
||||
- Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer
|
||||
- Besluit glastuinbouw
|
||||
- Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
|
||||
- Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer
|
||||
- Besluit jachthavens
|
||||
- Besluit landbouw milieubeheer
|
||||
- Besluit mestbassins milieubeheer
|
||||
- Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998
|
||||
- Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer
|
||||
- Besluit tandartspraktijken milieubeheer
|
||||
- Besluit tankstations milieubeheer
|
||||
- Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer
|
||||
- Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden
|
||||
- Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
|
||||
- Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.
|
||||
- Lozingenbesluit bodembescherming
|
||||
- Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
|
||||
- Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater
|
||||
|
||||
### Artikel 6.44
|
||||
|
||||
|
|
@ -4207,8 +7394,8 @@ Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervalt artikel 1.2a.
|
|||
|
||||
### Artikel 6.45
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Activiteitenbesluit milieubeheer.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1. Lijst van vergunningplichtige inrichtingen
|
||||
## Bijlage 1
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Als gebied als bedoeld in artikel 3.80, eerste en tweede lid, zijn aangewezen:
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue