2007-10-01 | BWBR0007858 | Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
This commit is contained in:
parent
f76c5e2b3a
commit
8a14813d7a
1 changed files with 216 additions and 38 deletions
|
|
@ -40,6 +40,7 @@ In dit reglement wordt verstaan onder:
|
|||
18. *passagiersschip*: een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
|
||||
19. *schip voor dagtochten*: een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
|
||||
20. *hotelschip*: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
|
||||
20a. *snel schip*: een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;
|
||||
21. *drijvend werktuig*: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
|
||||
22. *schip bestemd voor bouwwerkzaamheden*: een schip dat vanwege zijn bouwwijze en uitrusting geschikt en bestemd is om voor werkzaamheden op bouwlokaties te worden gebruikt, zoals spoelbakken, onderlossers, dekschuiten, pontons of steenstorters;
|
||||
23. *pleziervaartuig*: een schip, niet zijnde een passagiersschip, dat is bestemd voor sportieve en recreatieve doeleinden;
|
||||
|
|
@ -138,12 +139,10 @@ In dit reglement wordt verstaan onder:
|
|||
- **Overige begrippen**
|
||||
|
||||
87. *erkend classificatiebureau*: een classificatiebureau dat is erkend door alle Oeverstaten en België, te weten: Germanischer Lloyd, Bureau Veritas en Lloyd's Register of Shipping.
|
||||
88. *hoogste klasse*:
|
||||
88. *hoogste klasse*: een schip heeft de hoogste klasse, indien:
|
||||
|
||||
een schip heeft de hoogste klasse, indien:
|
||||
|
||||
- de scheepsromp met inbegrip van de roerinstallatie en het manoeuvreersysteem alsmede de uitrusting met ankers en kettingen beantwoordt aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau en is gebouwd en getest onder toezicht daarvan;
|
||||
- de aandrijfinrichting alsmede de voor het gebruik aan boord noodzakelijke hulpmotoren en inrichtingen op het gebied van machinebouw en elektriciteit zijn aangelegd en getest volgens de voorschriften van dit classificatiebureau, de inbouw daarvan onder toezicht van het classificatiebureau is uitgevoerd en de installatie als geheel na de inbouw door het bureau met succes is beproefd.
|
||||
– de scheepsromp met inbegrip van de roerinstallatie en het manoeuvreersysteem alsmede de uitrusting met ankers en kettingen beantwoordt aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau en is gebouwd en getest onder toezicht daarvan;
|
||||
– de drijfinrichting alsmede de voor het gebruik aan boord noodzakelijke hulpmotoren en inrichtingen op het gebied van machinebouw en elektriciteit zijn aangelegd en getest volgens de voorschriften van dit classificatiebureau, de inbouw daarvan onder toezicht van het classificatiebureau is uitgevoerd en de installatie als geheel na de inbouw door het bureau met succes is beproefd;
|
||||
89. *boordpersoneel*: alle aan boord van een passagiersschip aangestelde personen die niet tot de bemanning behoren;
|
||||
90. *personen met beperkte mobiliteit*: personen die specifieke moeilijkheden hebben bij het gebruik van openbare vervoermiddelen, zoals oudere mensen, gehandicapten, personen met een handicap op het gebied van de zintuigen, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen en personen die kleine kinderen begeleiden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -161,8 +160,9 @@ b. schepen waarvan het volume, berekend uit het produkt L * B * T, 100 m³ of me
|
|||
Ongeacht het in het eerste lid bepaalde is dit reglement van toepassing op alle:
|
||||
|
||||
a. sleep- en duwboten die zijn bestemd om de in het eerste lid bedoelde schepen of drijvende werktuigen te slepen, te duwen of langszijde gekoppeld mede te voeren;
|
||||
b. passagiersschepen;
|
||||
c. drijvende werktuigen.
|
||||
b. schepen die beschikken over een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADNR;
|
||||
c. passagiersschepen;
|
||||
d. drijvende werktuigen.
|
||||
|
||||
**3.** Dit reglement is niet van toepassing op veerponten als bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement.
|
||||
|
||||
|
|
@ -487,7 +487,13 @@ Deuren in het achterpiekschot en openingen voor de doorvoering van assen, leidin
|
|||
|
||||
**2.** Bunkers voor vloeibare brandstof of smeerolie mogen met ruimten bestemd voor passagiers en met verblijven geen begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische druk van de vloeistof staan.
|
||||
|
||||
**3.** Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander, met betrekking tot onbrandbaarheid, gelijkwaardig materiaal zijn gemaakt.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
Isolaties in machinekamers moeten zijn beschermd tegen het binnendringen van olie en oliedampen.
|
||||
|
||||
Alle openingen in wanden, dekken en deuren van machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van buitenaf kunnen worden gesloten. De afsluitinrichtingen moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**4.** Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten waarin zich brandbare of giftige gassen kunen ontwikkelen, moeten voldoende kunnen worden geventileerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -640,11 +646,12 @@ Schepen met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en samenstellen moeten
|
|||
|
||||
De vaar- en manoeuvreereigenschappen dienen door proefvaarten te worden aangetoond. Daarbij dient te worden vastgesteld:
|
||||
|
||||
– minimumsnelheid (vooruitvaren) (art. 5.06);
|
||||
– stopeigenschappen (art. 5.07);
|
||||
– achteruitvaareigenschappen (art. 5.08);
|
||||
– uitwijkeigenschappen (art. 5.09);
|
||||
– keereigenschappen (art. 5.10).
|
||||
| snelheid (vooruitvaren) | (art. 5.06); |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| stopeigenschappen | (art. 5.07); |
|
||||
| achteruitvaareigenschappen | (art. 5.08); |
|
||||
| uitwijkeigenschappen | (art. 5.09); |
|
||||
| keereigenschappen | (art. 5.10). |
|
||||
|
||||
**2.** De Commissie van Deskundigen kan geheel of gedeeltelijk afzien van proefvaarten, wanneer op andere wijze wordt aangetoond dat aan de eisen wat betreft vaar- en manoeuvreereigenschappen wordt voldaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -672,6 +679,8 @@ Schepen en samenstellen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen moeten vo
|
|||
|
||||
**2.** Voor schepen en samenstellen die slechts op de reden en in de havens varen kan de Commissie van Deskundigen afwijkingen toestaan.
|
||||
|
||||
**3.** De Commissie van Deskundigen gaat na of het vaartuig in onbeladen toestand een snelheid ten opzichte van het water van 40 km/u kan overschrijden. Is dit het geval dan moet in het certificaat van onderzoek onder nummer 52 worden vermeld: «Het vaartuig is in staat een snelheid van 40 km/u ten opzichte van het water te overschrijden.»
|
||||
|
||||
### Artikel 5.07
|
||||
|
||||
**1.** Schepen en samenstellen moeten tijdig kop vóór kunnen stilhouden en moeten tegelijkertijd voldoende bestuurbaar blijven.
|
||||
|
|
@ -1832,17 +1841,22 @@ f. een brandbestendig verzamelreservoir met deksel voor slops dat als zodanig is
|
|||
|
||||
Voorts moeten ten minste aanwezig zijn:
|
||||
|
||||
a. trossen voor het meren:
|
||||
a. stalen trossen voor het meren:
|
||||
|
||||
Ieder schip moet zijn uitgerust met 3 trossen voor het meren. De minimum lengte daarvan moet bedragen:
|
||||
- Ieder schip moet zijn uitgerust met 3 stalen trossen voor het meren. De minimum lengte daarvan moet bedragen:
|
||||
|
||||
Bij schepen met een lengte L van minder dan 20 m kan de kortste tros achterwege blijven. Deze trossen moeten berekend zijn op een minimum breeksterkte R_s die met behulp van de volgende formule wordt vastgesteld:
|
||||
- 1ste tros: L + 20 m, echter niet meer dan 100 m,
|
||||
- 2de tros: 2/3 van de eerste tros,
|
||||
- 3de tros: 1/3 van de eerste tros.
|
||||
|
||||
voor L * B * T tot 1000 m:
|
||||
Bij schepen met een lengte L van minder dan 20 m kan de kortste tros achterwege blijven. Deze trossen moeten berekend zijn op een minimum breeksterkte Rs die met behulp van de volgende formule wordt vastgesteld:
|
||||
|
||||
voor L * B * T groter dan 1000 m³:
|
||||
- voor L x B x T tot 1000 m^3:
|
||||
- voor L x B x T groter dan 1000 m^3:
|
||||
|
||||
Deze trossen mogen worden vervangen door andere kabels van dezelfde lengte en met dezelfde breeksterkte.
|
||||
Voor de voorgeschreven stalen trossen moet zich een keuringsbewijs volgens de Europese norm EN 10 204: 1991, model 3.1, aan boord bevinden.
|
||||
|
||||
Deze trossen mogen worden vervangen door andere kabels van dezelfde lengte en met dezelfde breeksterkte. De breeksterkte voor deze kabels moet in een keuringsbewijs worden aangetoond.
|
||||
b. trossen voor het slepen:
|
||||
|
||||
Sleepboten moeten zijn uitgerust met een bij hun functie passend aantal trossen.
|
||||
|
|
@ -1919,8 +1933,6 @@ c. controle van het systeem van druktanks en pompen.
|
|||
|
||||
**9.** Het aantal van de aanwezige installaties moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
|
||||
|
||||
**10.** Voor bescherming van objecten in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten zijn vast geïnstalleerde brandblusinstallaties slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 10.03b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1929,9 +1941,10 @@ Blusmiddelen
|
|||
|
||||
In machinekamers, ketelruimen en pompkamers mogen, ter bescherming van deze ruimten, in vast ingebouwde brandblusinstallaties de volgende blusmiddelen worden gebruikt:
|
||||
|
||||
a. CO_2 (koolstofdioxide),
|
||||
b. HFC-227ea (heptafluorpropaan),
|
||||
c. IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% koolstofdioxide).
|
||||
a. CO_2 (koolstofdioxide);
|
||||
b. HFC-227ea (heptafluorpropaan);
|
||||
c. IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% koolstofdioxide);
|
||||
d. FK-5-1-12 (Dodecafluoro-2-methylpentane-3-on).
|
||||
|
||||
Andere blusmiddelen zijn slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1957,7 +1970,7 @@ De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallat
|
|||
Pijpleidingensysteem
|
||||
|
||||
a. Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. In de te beschermen ruimte moeten de pijpleidingen en de daarbij behorende armaturen van staal zijn vervaardigd. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren indien de daarvoor gebruikte materialen met betrekking tot brand over gelijkwaardige eigenschappen beschikken. De pijpleidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn.
|
||||
b. De sproeikoppen moeten zodanig van afmeting zijn en zodanig zijn aangebracht dat het blusmiddel gelijkmatig wordt verdeeld.
|
||||
b. De sproeikoppen moeten zodanig van afmeting zijn en zodanig zijn aangebracht dat het blusmiddel gelijkmatig wordt verdeeld. In het bijzonder moet het blusmiddel ook onder de vloerplaten werkzaam zijn.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1981,7 +1994,7 @@ e. Bij iedere inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing
|
|||
|
||||
aa. het in werking stellen van de brandblusinstallatie;
|
||||
bb. de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten;
|
||||
cc. de handelwijze van de bemanning bij het in werking stellen;
|
||||
cc. de handelwijze van de bemanning bij het in werking stellen en bij het betreden van de te beschermen ruimte na het in werking stellen of blussen in het bijzonder uit oogpunt van mogelijk voorkomen van gevaarlijke substanties;
|
||||
dd. de handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie.
|
||||
f. De gebruiksaanwijzing moet er op wijzen dat vóór het inwerking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2092,9 +2105,21 @@ e. De hoeveelheid IG-541 voor de te beschermen ruimte moet tenminste 44% en niet
|
|||
|
||||
**13.**
|
||||
|
||||
Brandblusinstallaties voor de bescherming van objecten
|
||||
FK-5-1-12 - brandblusinstallaties
|
||||
|
||||
Voor bescherming van objecten in machinekamers, ketelruimen en pompkamers zijn vast geïnstalleerde brandblusinstallaties slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
|
||||
Brandblusinstallaties die werken met FK-5-1-12 moeten behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met het negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
|
||||
|
||||
a. Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
|
||||
b. Iedere houder die FK-5-1-12 en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van de brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
|
||||
c. Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
|
||||
d. De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,00 kg/l. Voor het specifieke volume van het uitgestroomde FK-5-1-12 moet 0,0719 m^3/kg genomen worden.
|
||||
e. Het volume FK-5-1-12 in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
|
||||
f. De houders FK-5-1-12 moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
|
||||
g. Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,0%.
|
||||
|
||||
### Artikel 10.03c
|
||||
|
||||
Voor de bescherming van objecten zijn vast geïnstalleerde brandblusinstallaties slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie van de Rijnvaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 10.04
|
||||
|
||||
|
|
@ -2137,6 +2162,8 @@ d. passagiersschepen.
|
|||
|
||||
**4.** Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling, een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst. Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de dennenboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.
|
||||
|
||||
**5.** Voor werkplekken, waar de valhoogte meer dan 1 meter bedraagt, kan de Commissie van Deskundigen geschikte inrichtingen en uitrustingen ten behoeve van het veilig werken eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.03
|
||||
|
||||
Werkplekken moeten zo groot zijn dat iedere persoon die er werkt voldoende bewegingsvrijheid heeft.
|
||||
|
|
@ -2165,7 +2192,11 @@ c. de vrije hoogte van de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten min
|
|||
|
||||
**4.** Wanneer het hoogteverschil bij permanent bezette werkplekken meer dan 1,00 m bedraagt, moeten er trappen zijn. Dit geldt niet voor nooduitgangen.
|
||||
|
||||
**5.** Bij schepen met laadruimen moeten ten minste twee draagbare ruimladders aanwezig zijn die een veilig in- en uitklimmen mogelijk maken. Dit geldt niet wanneer per laadruim een gelijkwaardige ladder vast is ingebouwd.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Bij schepen met laadruimen moet ten minste bij ieder uiteinde van ieder laadruim een vast ingebouwde klimvoorziening aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
In afwijking hiervan behoeft geen vast ingebouwde klimvoorziening aanwezig te zijn indien er tenminste twee draagbare ruimladders aanwezig zijn die bij een hellingshoek van 60° met tenminste drie treden tot boven de rand van het luik moeten reiken.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -2183,8 +2214,6 @@ c. de vrije hoogte van de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten min
|
|||
|
||||
**4.** Aanleunladders moeten ten minste 0,40 m en onderaan ten minste 0,50 m breed zijn; ze moeten kunnen worden beveiligd tegen kantelen en wegglijden; de sporten moeten vast in de boom zijn bevestigd.
|
||||
|
||||
**5.** Aanleunladders die als ruimladders dienen, moeten bij een hellingshoek van 60° tot boven de rand van het luik maar ten minste tot 1,00 m boven het dek reiken.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.08
|
||||
|
||||
**1.** Binnen in het schip gelegen werkplekken moeten naar grootte, inrichting en indeling zijn aangepast aan de daar te verrichten werkzaamheden en voldoen aan de eisen inzake hygiëne en veiligheid. Ze moeten voldoende en niet verblindend kunnen worden verlicht en voldoende kunnen worden geventileerd; zo nodig moeten zij zijn voorzien van verwarmingsapparaten die een redelijke temperatuur waarborgen.
|
||||
|
|
@ -4092,7 +4121,7 @@ In het geval van pleziervaartuigen, waarop richtlijn nr. 94/25/EG van het Europe
|
|||
a. artikel 6.08, in het geval dat een bochtaanwijzer aanwezig is;
|
||||
b. de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, en 7.03, eerste lid, alsmede artikel 7.13, in het geval dat er sprake is van een éénmansstuurstelling voor het varen op radar;
|
||||
c. de artikelen 8.01, tweede lid, 8.02, eerste lid, 8.03, derde lid, 8.05, vijfde lid, 8.06, tweede lid, en 8.08;
|
||||
d. de artikelen 10.01, tweede, derde, zesde en veertiende lid, 10.02, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid, onderdelen a en e tot en met h, 10.03, eerste lid, onderdelen b en d, en tweede tot en met vierde lid, en 10.05;
|
||||
d. artikel 10.01, tweede, derde, zesde en veertiende lid, artikel 10.02, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid, onderdelen a en e tot en met h, artikel 10.03, eerste lid, onderdelen b en d, en tweede tot en met zesde lid, en artikel 10.05;
|
||||
e. hoofdstuk 13;
|
||||
f. van hoofdstuk 14:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4310,6 +4339,156 @@ b. voor andere schepen:
|
|||
|
||||
De methode voor de stabiliteitsbeoordeling kan aan de in artikel 22.01, tweede lid, bedoelde bescheiden worden ontleend.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.01
|
||||
|
||||
**1.** Snelle schepen mogen niet gebouwd zijn als hotelschepen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De volgende inrichtingen zijn op snelle schepen verboden:
|
||||
|
||||
a. met pitbranders uitgeruste inrichtingen, bedoeld in artikel 13.02;
|
||||
b. oliekachels met verdampingsbranders, bedoeld in de artikelen 13.03 en 13.04;
|
||||
c. verwarmingsapparaten met vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 13.07;
|
||||
d. vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 14.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.02
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 2.03 moeten snelle schepen worden gebouwd onder toezicht en volgens de toepasselijke voorschriften van een erkend classificatiebureau, dat beschikt over bijzondere regels voor snelle schepen, en door dat bureau geclassificeerd zijn. De klasse moet worden gehandhaafd.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 2.06 bedraagt de geldigheidsduur van de certificaten van onderzoek, die volgens dit hoofdstuk zijn afgegeven ten hoogste vijf jaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.03
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het tweede lid en artikel 22b.02, tweede lid, gelden voor snelle schepen de hoofdstukken 3 tot en met 15 met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. artikel 3.04, zesde lid, tweede alinea;
|
||||
b. artikel 8.08, tweede lid, tweede zin;
|
||||
c. artikel 11.02, vierde lid, tweede en derde zin;
|
||||
d. artikel 12.02, vierde lid, tweede zin;
|
||||
e. artikel 15.06, derde lid, onderdeel a, tweede zin.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 15.02, negende lid, en artikel 15.15, zevende lid, moeten alle deuren in schotten op afstand kunnen worden bediend.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 6.02, eerste lid, moet bij uitvallen of storing van de aandrijving van de stuurmachine onverwijld een tweede onafhankelijke aandrijving van de stuurmachine dan wel een handaandrijving in werking worden gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Behalve de eisen van deel II gelden voor snelle schepen de artikelen 22b.04 tot en met 22b.12.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.04
|
||||
|
||||
Voor het ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers moeten zitplaatsen beschikbaar zijn. Zitplaatsen moeten van veiligheidsgordels voorzien zijn.
|
||||
|
||||
Veiligheidsgordels kunnen achterwege blijven indien een geschikte bescherming tegen stoten aanwezig is, dan wel wanneer zij volgens de HSC Code 2000, hoofdstuk 4, onderdeel 6, niet vereist zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.05
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 4.02 en 4.03 moet het vrijboord ten minste 500 mm bedragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.06
|
||||
|
||||
In het geval van snelle schepen moet de aanwezigheid van
|
||||
|
||||
a. eigenschappen wat betreft drijfvermogen en stabiliteit, de veiligheid van het schip tijdens het varen met waterverplaatsing zowel in onbeschadigde toestand als in lekke toestand waarborgen,
|
||||
b. stabiliteitseigenschappen en stabiliseringssystemen, de veiligheid van het schip tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase waarborgen,
|
||||
c. stabiliteitseigenschappen tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase, het voor het schip mogelijk maken op veilige wijze de overgang te maken naar het varen met waterverplaatsing bij een eventueel niet functioneren van het systeem in voldoende mate worden aangetoond.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.07
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Inrichting
|
||||
|
||||
a. In afwijking van artikel 7.01, eerste lid, moet het stuurhuis zo worden ingericht, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning tijdens de vaart steeds hun taken kunnen uitvoeren.
|
||||
b. De stuurstand moet zo worden ingericht, dat de onder a genoemde personen daar hun werkplek hebben. De inrichtingen voor de navigatie, het manoeuvreren, de controle, het uitwisselen van berichten en de overige apparaten die voor het bedrijf van belang zijn moeten zo dicht bij elkaar zijn opgesteld, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning over alle noodzakelijke informatie kan beschikken om indien nodig zittend alle uitrustings- en bedieningsinrichtingen te kunnen bedienen. In ieder geval moet:
|
||||
|
||||
aa. de stuurstand van de roerganger zijn uitgevoerd als éénmansstuurstelling voor het varen op radar,
|
||||
bb. het tweede lid van de bemanning op zijn werkplek beschikken over een eigen radarbeeld (slave) en vanaf zijn werkplek in staat zijn in te grijpen in de uitwisseling van berichten en in de aandrijving van het schip.
|
||||
c. De onder a vermelde personen moeten, ook indien de veiligheidsgordels normaal zijn gesloten, in staat zijn de inrichtingen, bedoeld onder b, zonder belemmering te bedienen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Vrij zicht
|
||||
|
||||
a. In afwijking van artikel 7.02, tweede lid, mag de dode hoek vanaf een zittende positie en bij elke beladingstoestand niet meer bedragen dan één scheepslengte voor de boeg.
|
||||
b. In afwijking van artikel 7.02, derde lid, mag de som van de sectoren zonder vrij gezichtsveld van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars aan iedere zijde niet meer dan 20° bedragen. Iedere afzonderlijke sector zonder vrij gezichtsveld mag niet meer bedragen dan 5°. De sector met vrij zicht tussen twee sectoren zonder vrij gezichtsveld mag niet minder bedragen dan 10°.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Instrumenten
|
||||
|
||||
De instrumentenpanelen voor de bediening en de controle van de in artikel 22b.11 genoemde installaties moeten gescheiden op een duidelijk herkenbare plaats binnen het stuurhuis zijn aangebracht. Dit geldt in voorkomend geval ook voor inrichtingen voor het te water laten van gemeenschappelijke reddingsmiddelen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Verlichting
|
||||
|
||||
In zones of bij onderdelen van de uitrusting, die tijdens het bedrijf verlicht moeten zijn, moet rood licht worden toegepast.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Vensters
|
||||
|
||||
Reflecties moeten vermeden worden. Er moeten inrichtingen ter vermijding van verblinding door zonlicht aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Oppervlaktematerialen
|
||||
|
||||
In het stuurhuis moeten reflecties door oppervlaktematerialen vermeden worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.08
|
||||
|
||||
Snelle schepen moeten zijn uitgerust met:
|
||||
|
||||
a. een radarinstallatie en een bochtaanwijzer, bedoeld in artikel 7.06, eerste lid, en
|
||||
b. individuele reddingsmiddelen, die direct kunnen worden bereikt, overeenkomstig de Europese norm EN 395: 1998, voor het ten hoogste toegelaten aantal personen aan boord.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.09
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Algemeen
|
||||
|
||||
Voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven en de uitrusting daarvan moeten zo zijn uitgevoerd dat personen bij normaal gebruik niet kunnen worden verwond bij een normale start of stop, dan wel bij een noodstart of noodstop, noch bij manoeuvreren onder normale vaaromstandigheden dan wel bij motoruitval of een stuurfout.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Communicatie
|
||||
|
||||
a. Passagiersschepen moeten, ten behoeve van informatieverstrekking over veiligheidsmaatregelen, zijn uitgerust met optische en akoestische inrichtingen, die door alle passagiers gezien en gehoord kunnen worden.
|
||||
b. De schipper moet in staat zijn om met behulp van de onder a bedoelde inrichtingen aanwijzingen aan de passagiers te geven.
|
||||
c. Voor iedere passagier moeten in de nabijheid van zijn zitplaats aanwijzingen voor noodsituaties voorhanden zijn, met inbegrip van een overzichtsschets van het schip waarop alle uitgangen, evacuatieroutes, nooduitrusting, reddingsmiddelen alsmede het gebruik van de zwemvesten duidelijk zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.10
|
||||
|
||||
Vluchtwegen en evacuatieroutes moeten voldoen aan de volgende eisen:
|
||||
|
||||
a. Een gemakkelijke, veilige en snelle toegang vanuit de stuurstand naar de voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven moet zijn gegarandeerd.
|
||||
b. De vluchtwegen naar de nooduitgangen moeten duidelijk en duurzaam zijn gemarkeerd.
|
||||
c. Alle uitgangen moeten voldoende gemarkeerd zijn. Het functioneren van het openingsmechanisme moet van buiten en van binnen duidelijk zijn te herkennen.
|
||||
d. De vluchtwegen en nooduitgangen moeten over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem beschikken.
|
||||
e. Naast de uitgangen moet voldoende ruimte voor een lid van de bemanning aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.11
|
||||
|
||||
**1.** Gangen, voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven, alsmede keukens en machinekamers moeten zijn aangesloten op een doelmatige brandmeldinstallatie. De aanwezigheid van een brand en de plaats daarvan moeten automatisch op een permanent door het scheepspersoneel bezette plaats worden aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Machinekamers moeten zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 10.03b.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven en de daarbij horende vluchtwegen moeten zijn uitgerust met een automatisch werkende vaste brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 10.03a. Bluswater moet snel en direct naar buiten kunnen worden afgevoerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b.12
|
||||
|
||||
Snelle schepen als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel 20a, die op 31 maart 2003 beschikken over een geldig certificaat van onderzoek, moeten voldoen aan de volgende voorschriften van dit hoofdstuk:
|
||||
|
||||
a. bij verlenging van het certificaat van onderzoek aan de artikelen 22b.01, 22b.04, 22b.08, 22b.09, 22b.10 en 22b.11, eerste lid;
|
||||
b. op 1 april 2013 aan de artikelen 22b.07, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid;
|
||||
c. op 1 januari 2023 aan de overige voorschriften.
|
||||
|
||||
## Titel Deel III. Bepalingen met betrekking tot de bemanning
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 23. Bemanning
|
||||
|
|
@ -4535,8 +4714,8 @@ c) De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te g
|
|||
d) De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
|
||||
e) De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
|
||||
f) Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
|
||||
g) De voorgeschreven bijboot moet door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water kunnen worden gelaten.
|
||||
h) Er dient een vanaf de stuurstelling te bedienen schijnwerper aan boord te zijn.
|
||||
g) (Vervallen).
|
||||
h) (Vervallen).
|
||||
i) De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen mag niet meer dan 160 N bedragen.
|
||||
j) De in het certificaat van onderzoek vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
|
||||
k) De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
|
||||
|
|
@ -5176,7 +5355,8 @@ HOOFDSTUK 22A
|
|||
|
||||
| Artikel | Inhoud | Termijn en voorwaarden | Van kracht |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| 22a.05, lid 2 | Aanvullende eisen voor vaartuigen met L van meer dan 110 m die bovenstrooms van Mannheim willen varen | Voor vaartuigen die een op 1.10.2001 nog geldige vergunning van een bevoegde autoriteit bezitten, gelden tot en met 31.12.2034 de voorschriften op het te bevaren riviergedeelte, waarvoor de vergunning was verleend, niet. | 1.10.2001 |
|
||||
| 22a.05, lid 2 | Aanvullende eisen voor vaartuigen met L van meer dan 110m die bovenstrooms van Mannheim willen varen | Voor vaartuigen die een op 30.9.2001 nog geldige vergunning van een bevoegde autoriteit bezitten, gelden de voorschriften op het te bevaren riviergedeelte, waarvoor de vergunning was verleend, niet. | 1-10-2001 |
|
||||
| 22b.03 lid 3 | In werking stellen van de tweede onafhankelijke aandrijving of van de handaandrijving | N.V.O. uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2025. | 1-04-2005 |
|
||||
|
||||
**6.** Bij nieuwbouw van schepen met een lengte van meer dan 110 m, waarvan de kiel is gelegd vóór 1 oktober 2001, kan het voldoen aan artikel 22a.05, tweede lid, onder d, achterwege blijven voor de vaart tussen Mannheim en Karlsruhe. Deze vaartbeperking moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend onder punt 10.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5184,8 +5364,6 @@ HOOFDSTUK 22A
|
|||
|
||||
## Bijlage B. Model van het certificaat van onderzoek
|
||||
|
||||
Raadpleeg voor de wijziging op nummer 47 van het certificaat van onderzoek Stb. 2002/291.
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
|
@ -5238,7 +5416,7 @@ Opmerkingen en bijzondere eisen:
|
|||
|
||||
* Doorhalen wat niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
^1) Indien niet van toepassing doorhalen of niet printen
|
||||
|
||||
[Model 2: tankschip]
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue