2022-01-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000
This commit is contained in:
parent
a7a2b422e0
commit
8d19c9e7db
1 changed files with 15 additions and 15 deletions
|
|
@ -519,7 +519,7 @@ In afwijking van de eerste volzin kan een student als bedoeld in de eerste volzi
|
|||
|
||||
**1.** Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar.
|
||||
|
||||
**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2021: € 18.791,67. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2021: € 23.808,06.
|
||||
**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2022: € 19.295,29. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2022: € 24.446,12.
|
||||
|
||||
**3.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
|
||||
|
||||
|
|
@ -540,8 +540,8 @@ b. € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voora
|
|||
|
||||
Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2021: € 16.841,79; en
|
||||
b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2021: € 21.337,45.
|
||||
a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2022: € 17.293,15; en
|
||||
b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2022: € 21.909,29.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -645,7 +645,7 @@ Voor een goede uitvoering van de artikelen 3.16b tot en met 3.16d worden bij min
|
|||
|
||||
### Artikel 3.17
|
||||
|
||||
**1.** Indien een mbo-student in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de mbo-student. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2021: € 15.415,63.
|
||||
**1.** Indien een mbo-student in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de mbo-student. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13 215,83 per 1 januari 2022: € 15.828,77.
|
||||
|
||||
**2.** Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -657,7 +657,7 @@ a. een uitkering op grond van de Participatiewet, de Toeslagenwet of de Wet inko
|
|||
b. de studiefinanciering verstrekt op grond van deze wet en voor zover in deze inkomsten begrepen, en
|
||||
c. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in het kalenderjaar waarin de mbo-student zijn afsluitend examen behaalt, is verworven, met dien verstande dat een mbo-student hier slechts eenmaal voor in aanmerking komt.
|
||||
|
||||
**4.** Voor iedere maand dat een mbo-student een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2021: € 358,07 buiten beschouwing.
|
||||
**4.** Voor iedere maand dat een mbo-student een uitkering ontvangt in de zin van de Algemene nabestaandenwet, blijft daarvan naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag ter grootte van € 324,10 per 1 januari 2022: € 362,50 buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -779,8 +779,8 @@ b. zijn reisproduct op grond van artikel 3.7, tweede of vierde lid, is vervangen
|
|||
|
||||
Indien het reisproduct niet is stopgezet na de termijn, genoemd in het eerste lid, aanhef, en er gebruik van is gemaakt, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019:
|
||||
|
||||
a. € 75,00 per 1 januari 2021: € 78,29 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en
|
||||
b. € 150,00 per 1 januari 2021: € 156,58 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft.
|
||||
a. € 75,00 per 1 januari 2022: € 79,28 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en
|
||||
b. € 150,00 per 1 januari 2022: € 158,57 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft.
|
||||
|
||||
**3.** De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand.
|
||||
|
||||
|
|
@ -888,7 +888,7 @@ Onverminderd artikel 4.7, eerste en tweede lid, komt een mbo-student die jonger
|
|||
|
||||
**2.** Indien een mbo-student een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2021: € € 988,93. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
|
||||
**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2022: € 1.001,49. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden.
|
||||
|
||||
**4.** Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
|
||||
|
||||
|
|
@ -960,7 +960,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschre
|
|||
|
||||
**1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
|
||||
|
||||
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2021: € 988,93. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
|
||||
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2022: € 1.001,49. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift.
|
||||
|
||||
**3.** Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1019,7 +1019,7 @@ b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten,
|
|||
|
||||
**3.** De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2021: € 988,93. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
|
||||
**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2022: € 1.001,49. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
|
||||
|
||||
**5.** Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1211,7 +1211,7 @@ b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afg
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2021: € 1.326,66.
|
||||
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 per 1 januari 2022: € 1.343,51.
|
||||
|
||||
.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2022,10 +2022,10 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw
|
|||
|
||||
| | thuiswonende | uitwonende |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2021: € € 700,29 | € 833,22 per 1 januari 2021: € 921,17 |
|
||||
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2021: € 110,84 | € 279,14 per 1 januari 2021: € 308,60 |
|
||||
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2021: € 272,41 | € 258,35 per 1 januari 2021: € 295,53 |
|
||||
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2021: € 317,04 | € 295,73 per 1 januari 2021: € 317,04 |
|
||||
| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2022: € 709,18 | € 833,22 per 1 januari 2022: € 932,87 |
|
||||
| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2022: € 112,25 | € 279,14 per 1 januari 2022: € 312,52 |
|
||||
| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2022: € 275,86 | € 258,35 per 1 januari 2022: € 299,28 |
|
||||
| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2022: € 321,07 | € 295,73 per 1 januari 2022: € 321,07 |
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue