2010-01-01 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer

This commit is contained in:
Coornhert 2010-01-01 12:00:00 +00:00
parent 2039f5496e
commit 967ea94b01

View file

@ -22,7 +22,7 @@ citeertitel: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*aangewezen oppervlaktewaterlichaam:*oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, is aangewezen;
*aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, is aangewezen;
*ADR*: de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
@ -36,9 +36,9 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*bedrijventerrein*: cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein;
*beheerder*: beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;
*beheerder:* beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;
*beperkt kwetsbaar object*: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
*beperkt kwetsbaar object*: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
*bijkomend gevaar*: een gevaar naast de grootste gevaarseigenschap als bedoeld in het ADR;
@ -46,6 +46,8 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*bodembedreigende activiteit*: bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB;
*bodembedreigende stof*: stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB;
*bodembeschermende maatregel*: op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd;
*bodembeschermende voorziening*: een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;
@ -62,15 +64,17 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
*CMR-stof*: stof of preparaat die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd is als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2 of als «Voor de voortplanting giftig» categorie 1 of 2;
*dierlijke bijproducten*: bijproducten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van Verordening nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten;
*doelmatig beheer van afvalwater*: zodanig beheer van afvalwater dat daarbij rekening wordt gehouden met de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.29a van de wet;
*equivalent geluidsniveau*: equivalent geluidsniveau als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
*etmaalwaarde*: de hoogste van de volgende drie waarden:
a. de waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_AR, LT) tussen 07.00 en 19.00 uur (dag);
b. de met 5 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_AR, LT) tussen 19.00 en 23.00 uur (avond);
c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_AR, LT) tussen 23.00 en 07.00 uur (nacht);
a. de waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar, LT) tussen 07.00 en 19.00 uur (dag);
b. de met 5 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar, LT) tussen 19.00 en 23.00 uur (avond);
c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar, LT) tussen 23.00 en 07.00 uur (nacht);
*gasdrukmeet- en regelstation categorie A*: gasdrukmeet- en regelstation met:
@ -99,14 +103,20 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*gezoneerd industrieterrein*: industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
*ISO*: door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie uitgegeven norm;
*koelinstallatie*: een combinatie van met koudemiddel gevulde onderdelen die met elkaar zijn verbonden en die tezamen een gesloten koudemiddelcircuit vormen waarin het koudemiddel circuleert met het doel warmte op te nemen of af te staan;
*kwetsbaar object*: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
*kunststeen*: blokken van korrels of brokken van natuursteen met bindmiddel;
*kwetsbaar object*: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
*landbouwinrichting*: inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer;
*langtijdgemiddeld beoordelingsniveau*: (L_Ar,LT) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai;
*lassen van textiel*: het door middel van warmteopwekking of warmtetoevoer aaneenhechten van textiel;
*lekbak*: een voorziening waarvan de bodembeschermende werking door de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen is gewaarborgd, en die zich rondom of onder een bodembedreigende activiteit bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen;
*lozen*: het brengen van:
@ -127,11 +137,15 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*meststoffengroep*: aanduiding van de gevaarscategorie van vaste minerale anorganische meststoffen overeenkomstig de indeling van PGS 7;
*natte koeltoren*: installatie gebruikt voor het afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en gebouwen door middel van het vernevelen van water;
*natuursteen*: uit de natuur gewonnen blokken en platen van steen;
*NEN*: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
*NeR*: door InfoMil uitgegeven Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;
*niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam*: oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen oppervlaktewaterlichaam is;
*niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen oppervlaktewaterlichaam is;
*noodsignalen*: noodsignalen die onder de klasse 1.3 of klasse 1.4 van het ADR vallen;
@ -147,8 +161,12 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*pleziervaartuig*: schip bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding;
*praktijkruimte*: ruimte voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
*propaan*: product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voor zover de dampspanning bij 343 Kelvin (70 graden Celsius) ten hoogste 3100 kilopascal (31 bar) bedraagt;
*propeen*: zeer licht ontvlambaar tot vloeistof verdicht gas met UN-nummer 1077;
*richtlijn 2003/30/EG*: richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer;
*rookzwak kruit*: kruit dat onder de klasse 1.3 van het ADR valt;
@ -159,6 +177,10 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*theatervuurwerk*: theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
*totaal stikstof*: de som van nitraat-, nitriet-, organisch en ammonium stikstof waarvan de emissiemetingen worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 2.3;
*traditioneel schieten*: door schutterijen of schuttersgilden schieten met buksen ofwel geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht;
*verblijfsruimten*: verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder;
*verbruik van vluchtige organische stoffen*: verbruik van vluchtige organische stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
@ -173,7 +195,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
*verwaarloosbaar bodemrisico*: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;
*vloeibare brandstof*: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns;
*vloeibare brandstof*: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns;
*vloeistofdichte vloer of verharding*: vloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of verharding kan komen;
@ -244,19 +266,23 @@ c. waarbij mede op basis van de aard van de inrichting, niet aannemelijk is dat
1°. 70 dB(A), indien dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met gevoelige gebouwen;
2°. 80 dB(A), indien onderdeel 1° niet van toepassing is;
d. waar in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting geen muziek ten gehore wordt gebracht;
e. waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram koudemiddel; en
f. waarbinnen geen van de in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer genoemde activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht:
e. waar in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
f. waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram koudemiddel; en
g. waarbinnen geen van de in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer genoemde activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht:
1°. het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de inrichting;
2°. het in werking hebben van stookinstallaties voor de verwarming van gebouwen;
2°. het in werking hebben van stookinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de verwarming van tapwater;
3°. het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voor maximaal 30 personenautos;
4°. het aanwezig hebben van een noodstroomaggregaat dat niet meer dan 50 uren per jaar in werking is;
5°. het lozen van huishoudelijk afvalwater in een vuilwaterriool;
6°. het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
7°. het lozen van koelwater anders dan in een vuilwaterriool;
8°. het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, op of in de bodem;
9°. het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen of minerale olie;
10°. het opslaan in verpakking van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen; en
9° het opslaan in opslagtanks van maximaal 1.000 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
10° het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen, minerale olie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
11°. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 2.1.8, tweede lid en het derde lid, onder a tot en met d van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;
12°. het opslaan in verpakking van maximaal 50 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
13°. het opslaan in verpakking van stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen; en
*inrichting type B*: een inrichting waarvoor op grond van artikel 8.1 van de wet geen vergunning is vereist en die geen inrichting type A of C is;
@ -311,7 +337,7 @@ b. paragraaf 4.1.5 voor zover dit betrekking heeft op het brengen van afvalwater
c. artikel 4.18 ten aanzien van een warmtekrachtinstallatie waarop paragraaf 3.2.1, van toepassing is;
d. artikel 4.6 voor zover het het opslaan van ten hoogste 3.000 liter gasolie, smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in artikel 3.17, betreft;
e. paragraaf 4.8.2, voor zover het gaat om een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen;
f. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6, voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, bedoeld in onderdelen a tot en met e.
f. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 en hoofdstuk 6 voor zover deze betrekking hebben op activiteiten binnen de inrichting waarop de regels, bedoeld in de onderdelen a tot en met e van toepassing zijn.
**4.** Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type A of B voor het lozen waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.
@ -327,7 +353,7 @@ De in artikel 8.1, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van inrichtingen
Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet, voor lozingen vanuit:
a. inrichtingen type A of inrichtingen type B, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109; of
a. inrichtingen type A of inrichtingen type B, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.74c, 4.104, 4.109, 4.113a; of
b. inrichtingen type C, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10 en 4.11.
**2.**
@ -338,10 +364,9 @@ a. het in een oppervlaktewaterlichaam:
1°. in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;
2°. aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie alsmede het houden van die aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie;
3°. lozen ten gevolge van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;
b. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten;
c. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel activiteiten die daarmee verband houden;
d. het lozen op of in de bodem ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, dan wel van activiteiten die daarmee verband houden;
e. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit landbouw milieubeheer.
c. het lozen ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel activiteiten die daarmee verband houden;
### Artikel 1.7
@ -394,7 +419,7 @@ f. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de ligging
### Artikel 1.11
**1.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien tussen 19.00 en 7.00 uur naar verwachting gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kilogram en binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn. Het gemiddelde als bedoeld in de eerste volzin betreft een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. De eerste volzin is niet van toepassing op inrichtingen voor de openbare verkoop aan derden van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas voor het wegverkeer en inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden.
**1.** Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien tussen 19.00 en 7.00 uur naar verwachting gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kilogram en binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn. Het gemiddelde als bedoeld in de eerste volzin betreft een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. De eerste volzin is niet van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare verkoop aan derden van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas voor het wegverkeer en inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden.
**2.**
@ -414,13 +439,13 @@ a. 100 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 20 meter en tot 3
b. 200 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 30 meter en tot 50 meter; en
c. 300 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 50 meter.
**4.** Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste, tweede, of derde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en de maximale geluidsniveaus (L_Amax) veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20.
**4.** Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste, tweede, of derde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en de maximale geluidsniveaus (L_Amax) veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de milieuvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw.
**5.** Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) of het maximaal geluidsniveau (L_Amax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd.
**5.** Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) of het maximaal geluidsniveau (L_Amax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de milieuvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd.
**6.** Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 1.10, besluiten dat een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en een rapport van een akoestisch onderzoek noodzakelijk is voor zonebeheer.
**7.** Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19 dan wel de op grond van artikel 2.20 door het bevoegd gezag vastgestelde waarde kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.
**7.** Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de milieuvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.
**8.** Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
@ -447,7 +472,14 @@ b. de wijze van behandeling van het afvalwater.
### Artikel 1.14a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.**
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden:
a. indien sprake is van het gericht werken met een biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep 2 in een laboratorium of praktijkruimte als bedoeld in artikel 4.122, de ligging van de ruimten gemeld waar gewerkt wordt met een biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep 2,
b. indien sprake is van het gericht werken met een biologisch agens, anders dan dat bedoeld onder a, en dat behoort tot een soort die bij ministeriële regeling is aangewezen, gemeld tot welke soort het biologisch agens behoort.
**2.** Voor de groepsindeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt aangesloten bij de indeling in risico-groepen van richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risicos van blootstelling aan biologische agentia op het werk.
### Artikel 1.15
@ -489,7 +521,7 @@ q. het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door het bevoegd
### Artikel 2.2
**1.** Het lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109, is toegestaan.
**1.** Het lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.74c, 4.104, 4.109, 4.113a, is toegestaan.
**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
@ -510,7 +542,7 @@ d. de plaats van het lozingspunt.
### Artikel 2.2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Indien er sprake is van een zodanige combinatie van meerdere activiteiten, dat een scheiding van het afvalwater, afkomstig van die activiteiten, niet doelmatig is, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op verzoek van de aanvrager bij maatwerkvoorschrift aan het lozen voorwaarden stellen, die afwijken van de voorwaarden die aan het lozen als gevolg van een afzonderlijke activiteit bij of krachtens hoofdstuk 3 of 4 zijn gesteld.
### Artikel 2.3
@ -518,28 +550,26 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen voor het lozen worden uitgevoerd volgens:
a. NEN 6966 en NEN 6966/C1 ten aanzien van arseen, cadmium, chroom, ijzer, koper, nikkel, lood, tin, zilver en zink, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1 en NEN 6961;
a. NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 ten aanzien van arseen, barium, berylium, boor, cadmium, chroom, cobalt, ijzer, koper, molybdeen, nikkel, lood, seleen, tin, titaan, uranium, vanadium, zilver en zink, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1 en NEN 6961;
b. NEN-EN-1483 ten aanzien van kwik;
c. NEN-EN-ISO 14403 ten aanzien van vrij cyanide in afvalwater;
d. NEN-EN-ISO 15680 ten aanzien van benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen en naftaleen;
e. NEN 6401 ten aanzien van vluchtige organohalogeenverbindingen;
f. NEN-EN-ISO 6468 ten aanzien van aromatische organohalogeenverbindingen;
g. NEN-EN-ISO 10301 ten aanzien van PER, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride;
g. NEN-EN-ISO 10301 ten aanzien van chlooretheen (vinylchloride), dichloormethaan, tetrachlooretheen (PER), tetrachloormethaan, trichlooretheen, trichloormethaan, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, trans-1,2-dichlooretheen 1,1,1-trichloorethaan en 1,1,2-trichloorethaan;
h. NEN 6676 ten aanzien van extraheerbare organohalogeenverbindingen;
i. NEN-EN-ISO 9377-2 ten aanzien van olie;
j. NEN-EN-ISO 17993 ten aanzien van polyaromatische koolwaterstoffen;
k. ISO 5815-1/2:2003 of NEN-EN 1899-1/2 ten aanzien van het biochemisch zuurstof verbruik;
l. NEN-ISO 15705 ten aanzien van het chemisch zuurstof verbruik;
m. NEN 6499 ten aanzien van onopgeloste bestanddelen;
n. NEN-EN-ISO 15682 ten aanzien van chloride;
o. NEN-EN-ISO 10304-2 ten aanzien van sulfaat;
p. NEN-EN-ISO 15681-1/2 ten aanzien van fosfaat;
q. NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN 6604 ten aanzien van ammoniumstikstof;
r. NEN-ISO 5813 of NEN-ISO 5814 ten aanzien van het zuurstofgehalte;
s. NEN-EN 872 ten aanzien van zwevend stof;
t. NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal;
u. NEN 6414 ten aanzien van temperatuur; en
v. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
k. ISO 5815-1/2 of NEN-EN 1899-1/2 ten aanzien van het biochemisch zuurstof verbruik;
l. NEN 6633 ten aanzien van het chemisch zuurstof verbruik;
m. NEN-EN-ISO 13395 ten aanzien van nitrietstikstof en nitraatstikstof;
n. NEN-ISO 5663 of NEN 6646 ten aanzien van organisch stikstof (Kjeldahlstikstof);
o. NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN 6604 ten aanzien van ammoniumstikstof;
p. NEN-ISO 5813 of NEN-ISO 5814 ten aanzien van het zuurstofgehalte;
q. NEN-EN 872 ten aanzien van onopgeloste stoffen;
r. NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal;
s. NEN 6414 ten aanzien van temperatuur; en
t. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
**2.** De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN-6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.
@ -549,7 +579,7 @@ v. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
### Artikel 2.4
De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65 en 4.68, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld.
De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld.
### Artikel 2.5
@ -615,7 +645,7 @@ b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde s
c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven;
d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.
**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65 en 4.68 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
### Artikel 2.8
@ -624,7 +654,7 @@ d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperke
Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast en degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten aanzien van de emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld:
a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag éénmalig aangetoond of de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4, vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden; of
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien één of meer grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, éénmalig aangetoond of voldaan wordt aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65 en 4.68, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien één of meer grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, éénmalig aangetoond of voldaan wordt aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
**2.** Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.
@ -652,6 +682,8 @@ g. NEN 2826, ten aanzien van ammoniak.
**2.** De bodembeschermde voorzieningen en bodembeschermende maatregelen voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen in verband met de goede werking van die voorzieningen en maatregelen, en omtrent de controle van die eisen alsmede aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen in verband met de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren.
**3.** In de bij ministeriële regeling te bepalen gevallen zendt degene die de inrichting drijft de resultaten van het onderzoek in verband met de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren, bedoeld in het tweede lid, aan het bij die regeling aangegeven bestuursorgaan.
### Artikel 2.10
**1.**
@ -688,13 +720,13 @@ Indien uit het rapport, bedoeld in het derde lid, blijkt dat de bodem als gevolg
a. de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport;
b. de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen rapport als bedoeld in onderdeel a beschikbaar is.
Herstel vindt plaats voor zover dat met de best beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is.
Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is.
**6.** Het herstel van de bodemkwaliteit als bedoeld in het vijfde lid geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
**7.** Degene die de inrichting drijft meldt de aanvang en de afronding van de werkzaamheden, bedoeld in het vijfde lid, direct aan het bevoegd gezag.
**8.** De onderzoeken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, richten zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden.
**8.** De onderzoeken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, voldoen aan NEN 5740 en richten zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden.
**9.** Een aanwezige vloeistofdichte vloer of verharding wordt ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid of tweede lid, niet doorboord of anderszins aangetast.
@ -718,7 +750,7 @@ Indien binnen een inrichting een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of tex
### Artikel 2.15
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt alle bekende energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of alle energiebesparende maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.
**2.** Indien aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft waarvan het energieverbruik in enig kalenderjaar groter is dan 200.000 kilowatt uur aan elektriciteit of groter is dan 75.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen, verplichten om binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn, onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan.
@ -738,18 +770,18 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.**
Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau L_Amax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus (L_Amax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus L_Amax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
c. de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
d. de in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; en
e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; en
f. de in tabel 2.17a aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
**2.**
Ten aanzien van een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, waarbij binnen een afstand van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan gevoelige objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein, zijn gelegen, bedraagt in afwijking van het eerste lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten niet meer dan de in tabel 2.17b bij het betreffende tijdstip aangegeven waarde.
Ten aanzien van een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, waarbij binnen een afstand van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan gevoelige objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein, zijn gelegen, bedraagt in afwijking van het eerste lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten niet meer dan de in tabel 2.17b bij het betreffende tijdstip aangegeven waarde. De eerste volzin is niet van toepassing op windturbines.
| | 07.0019.00 uur | 19.0023.00 uur | 23.0007.00 uur |
| --- | --- | --- | --- |
@ -757,21 +789,30 @@ Ten aanzien van een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein,
**3.**
Ten aanzien van een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein, bedragen in afwijking van het eerste lid, het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_AR,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax) op de in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer dan de in die tabel aangegeven waarden. De in artikel 2.17c aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen zijn niet van toepassing indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen. De in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel zijn ook van toepassing bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. De waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten.
In afwijking van het eerste lid geldt voor een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein, dat:
a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax) op de in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
b. de in de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur in tabel 2.17c opgenomen maximale geluidsniveaus (L_Amax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
c. de in tabel 2.17c aangeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van toepassing zijn, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
d. de in tabel 2.17c aangegeven waarden op de gevel ook van toepassing zijn bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, en
f. de in tabel 2.17c aangegeven waarden gelden niet op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
| | 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur |
| --- | --- | --- | --- |
| L_Ar,LT op de gevel van gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
| L_Ar,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
| L_A max op de gevel van gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein | 75 dB(A) | 70 dB(A) | 65 dB(A) |
| L_A max in in- en aanpandige gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
| L_Amax op de gevel van gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein | 75 dB(A) | 70 dB(A) | 65 dB(A) |
| L_Amax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
**4.**
In afwijking van het eerste en het tweede lid, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax), bij een inrichting voor openbare verkoop van vloeibare brandstoffen, mengsmering of aardgas aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer, dat:
In afwijking van het eerste en het tweede lid, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax, bij een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor openbare verkoop van vloeibare brandstoffen, mengsmering of aardgas aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer, dat:
a. de geluidsniveaus op de in tabel 2.17d genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
b. de in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur in tabel 2.17d opgenomen maximale geluidsniveaus (L_Amax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
b. de in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur in tabel 2.17d opgenomen maximale geluidsniveaus L_Amax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
c. de in tabel 2.17d aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
d. indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en binnen een afstand van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan gevoelige objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen, de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT) uit tabel 2.17d gelden op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting; en
e. de in tabel 2.17d aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
@ -780,14 +821,17 @@ e. de in tabel 2.17d aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zi
**1.**
Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20, blijft buiten beschouwing:
Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12, blijft buiten beschouwing:
a. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
b. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten;
c. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
d. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen;
e. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen;
f. het ten gehore brengen van onversterkte muziek tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
f. het ten gehore brengen van onversterkte muziek tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;
g. het traditioneel schieten, tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;
h. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.
**2.** Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in artikel 2.17 wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.
@ -805,7 +849,12 @@ De maximale geluidsniveaus (L_Amax), bedoeld in artikel 2.17 zijn tussen 23.00 e
a. degene die de inrichting drijft aantoont dat het maximaal geluidsniveau (L_Amax), genoemd in tabel 2.17a, niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en
b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 meter van het motorvoertuig niet hoger is van 65dB(A).
**5.** Bij gemeentelijke verordening kunnen ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels worden gesteld met betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek.
**5.**
Bij gemeentelijke verordening kunnen ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, en
b. het traditioneel schieten.
### Artikel 2.19
@ -813,26 +862,26 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 2.20
**1.** In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax) vaststellen.
**1.** In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau L_Amax vaststellen.
**2.** Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, indien geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.
**2.** Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.
**3.** De in het tweede lid bedoelde hogere etmaalwaarden zijn niet van toepassing indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.
**3.** De in het tweede lid bedoelde etmaalwaarde is niet van toepassing indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.
**4.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de plaats waar de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, voor een inrichting gelden.
**4.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de plaats waar de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12, voor een inrichting gelden.
**5.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.
**6.** In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (L_Amax) vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.
**6.** In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L_Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau L_Amax vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt.
### Artikel 2.21
**1.**
De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12 zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
a. festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
b. andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar.
b. andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van inrichtingen kan verschillen en niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar.
**2.** Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen voorwaarden worden verbonden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
@ -840,7 +889,7 @@ b. andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bi
### Artikel 2.22
**1.** Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (L_Amax), bedoeld in artikel 2.17, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van het uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding en brandbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval.
**1.** Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau L_Amax, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van het uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding en brandbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval.
**2.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het treffen van technische en organisatorische maatregelen ten aanzien van het uitrukken van motorvoertuigen bij ongevallenbestrijding en brandbestrijding, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van het milieu.
@ -887,11 +936,11 @@ Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam
### Afdeling 3.1. Afvalwaterbeheer
#### Paragraaf 3.1.1. Lozen van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering
#### Paragraaf 3.1.1. Bodemsanering en proefbronnering
### Artikel 3.1
**1.** Bij het lozen van grondwater vanuit een proefbronnering, die plaatsvindt in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming, of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op een saneringsonderzoek en een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming. Bij het lozen van grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek of vanuit een bodemsanering wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.
**2.**
@ -909,7 +958,7 @@ a. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt;
b. geen visuele verontreiniging plaatsvindt; en
c. in enig steekmonster de emissiegrenswaarden van tabel 3.1b niet worden overschreden.
**4.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in de circulaire Streefwaarden- en interventiewaarden bodemsanering en geen wateroverlast plaatsvindt.
**4.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in Circulaire bodemsanering 2009 en geen wateroverlast plaatsvindt.
**5.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is verboden.
@ -917,7 +966,7 @@ c. in enig steekmonster de emissiegrenswaarden van tabel 3.1b niet worden oversc
Indien lozen als bedoeld in het eerste lid in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is:
a. is, in afwijking van het vijfde lid, het lozen vanuit een proefbronnering in het vuilwaterriool toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter;
a. is, in afwijking van het vijfde lid, het lozen vanuit een proefbronnering in het vuilwaterriool toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter;
b. kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren en het lozen vanuit een bodemsanering in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**7.**
@ -940,7 +989,7 @@ b. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de
### Artikel 3.2
**1.** Bij het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het twaalfde lid.
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het twaalfde lid.
**2.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, op of in de bodem is toegestaan indien als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.
@ -948,7 +997,7 @@ b. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:
a. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
a. het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
b. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt; en
c. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
@ -957,7 +1006,7 @@ c. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:
a. het lozen ten hoogste 4 weken duurt en de geloosde hoeveelheid ten hoogste 5 kubieke meter per uur bedraagt;
b. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
b. het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
c. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt; en
d. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
@ -965,12 +1014,12 @@ d. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het derde en vierde lid, bij maatwerkvoorschrift:
a. de gehalten, genoemd in die leden, niet van toepassing verklaren en een hoger gehalte aan onopgeloste bestanddelen vaststellen dan de gehalten, genoemd in die leden, en een lager zuurstofgehalte vaststellen dan het zuurstofgehalte, genoemd in die leden, indien laatstgenoemde gehalten niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen met een hoger respectievelijk lager gehalte verzet; en
a. de gehalten, genoemd in die leden, niet van toepassing verklaren en een hoger gehalte aan onopgeloste stoffen vaststellen dan de gehalten, genoemd in die leden, en een lager zuurstofgehalte vaststellen dan het zuurstofgehalte, genoemd in die leden, indien laatstgenoemde gehalten niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen met een hoger respectievelijk lager gehalte verzet; en
b. bepalen dat visuele verontreiniging mag optreden, indien visuele verontreiniging niet door toepassing van beste beschikbare technieken kan worden voorkomen en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen waarbij visuele verontreiniging optreedt verzet.
**6.** Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de tijdsduur en de hoeveelheid, bedoeld in het vierde lid, bij maatwerkvoorschrift andere waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in dat lid, indien dat nodig is in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater.
**7.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel is toegestaan indien het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt en het ijzergehalte ten hoogste 5 milligram per liter bedraagt.
**7.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel is toegestaan indien het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt en het ijzergehalte ten hoogste 5 milligram per liter bedraagt.
**8.**
@ -985,7 +1034,7 @@ Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is verboden, tenzij:
a. het lozen ten hoogste 4 weken duurt;
b. de geloosde hoeveelheid ten hoogste 5 kubieke meter per uur bedraagt; en
c. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt.
c. het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt.
**10.** Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de tijdsduur en de hoeveelheid, bedoeld in het negende lid bij maatwerkvoorschrift of bij verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de wet andere waarden vaststellen indien dit nodig is in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater.
@ -997,17 +1046,24 @@ c. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 300 milligram per liter bedr
### Artikel 3.3
**1.** Onverminderd het bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 ten aanzien van het lozen van hemelwater bepaalde is het lozen anders dan in een vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, als bedoeld in artikel 2.9 en hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd toegestaan.
**1.**
**2.** Het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, die met het oog op artikel 2.9, eerste lid is aangelegd en van hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam lozen van dat hemelwater redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
#### Paragraaf 3.1.4. Lozen van huishoudelijk afvalwater
a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in artikel 2.9;
b. geen hemelwater is waarop artikel 4.11 van toepassing is.
**2.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan.
**3.** Het lozen, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
#### Paragraaf 3.1.4. Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie
### Artikel 3.4
**1.**
Het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater en het behandelen van dit afvalwater voorafgaand daaraan. Het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
a. 40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
b. 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten;
@ -1042,7 +1098,7 @@ Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlak
| Chemisch zuurstof verbruik | 150 milligram per liter | 300 milligram per liter | 100 milligram per liter | 200 milligram per liter |
| Totaal stikstof | | | 30 milligram per liter | 60 milligram per liter |
| Ammoniumstikstof | | | 2 milligram per liter | 4 milligram per liter |
| Zwevend stof | 30 milligram per liter | 60 milligram per liter | 30 milligram per liter | 60 milligram per liter |
| Onopgeloste stoffen | 30 milligram per liter | 60 milligram per liter | 30 milligram per liter | 60 milligram per liter |
| Fosfor totaal | | | 3 milligram per liter | 6 milligram per liter |
**2.** Bij lozen op of in de bodem wordt het huishoudelijk afvalwater op een zodanige wijze geloosd, dat de nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk worden beperkt.
@ -1064,7 +1120,7 @@ b. bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorzi
### Artikel 3.6
**1.** Bij het lozen van koelwater wordt ten minste voldaan aan het eerste tot en met zevende lid.
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het zevende lid.
**2.**
@ -1097,9 +1153,10 @@ c. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4190 Kilojoule pe
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, indien:
a. de installatie een nominaal elektrisch vermogen heeft van maximaal 10 megawatt;
b. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt; en
c. zich in de inrichting geen broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.1 van de wet.
a. de installatie een totaal motorisch vermogen heeft van maximaal 15 megawatt;
b. de installatie een nominaal vermogen heeft van meer dan 100 kilowatt;
c. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt; en
d. zich in de inrichting geen broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.1 van de wet.
### Artikel 3.8
@ -1130,7 +1187,7 @@ aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
### Artikel 3.11
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit indien:
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A, indien:
a. de maximale inlaatzijdige werkdruk maximaal 10.000 kilo Pascal bedraagt;
b. geen expansieturbine aanwezig is;
@ -1196,7 +1253,7 @@ a. windturbines met een rotordiameter groter dan twee meter;
b. windturbines die elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of de waterbodem in de vorm van een mast;
c. windturbines die zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor;
d. windturbines met een gezamenlijk vermogen kleiner dan 15 megawatt;
e. inrichtingen met maximaal negen windturbines; en
e. windturbines die deel uitmaken van inrichtingen met maximaal negen windturbines; en
f. windturbines waarbij de afstand tussen de afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere gevoelige objecten, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt.
### Artikel 3.14
@ -1233,17 +1290,21 @@ Bij het in werking hebben van een installatie voor het doorvoeren, bufferen of k
#### Paragraaf 3.2.5. In werking hebben van een natte koeltoren
### Artikel 3.16a
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een natte koeltoren die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen.
### Artikel 3.16b
Bij het in werking hebben van een natte koeltoren wordt ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen.
### Afdeling 3.3. Voorzieningen
#### Paragraaf 3.3.1. Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer
### Artikel 3.17
Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting waarbij sprake is van het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voorzover:
a. geen aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau van de tank bevindt;
b. het afleveren van lichte olie door een afleverzuil geschiedt tenzij aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2500 liter waterinhoud bedraagt van derden;
c. een ondergrondse tank van staal of kunststof aanwezig is met een inhoud van minder dan 150 kubieke meter waarin vloeibare brandstof, afgewerkte olie of huishoudelijk afvalwater wordt opgeslagen.
Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting waarbij sprake is van het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voorzover geen aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau van de tank bevindt.
### Artikel 3.18
@ -1281,7 +1342,7 @@ b. het afleveren van lichte olie met mengsmering met een maximale afleversnelhei
Een systeem voor dampretour Stage-II:
a. is goedgekeurd overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-ENISO/IEC 17025; en
a. is goedgekeurd overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN-ISO/IEC 17020; en
b. voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
**4.** Een systeem voor dampretour Stage-II wordt voor ingebruikname en daarna eenmaal per drie jaar gecontroleerd op de goede werking. Deze controle moet overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut plaatsvinden door een onafhankelijke inspectie-instelling.
@ -1319,28 +1380,30 @@ b. alle bewijzen van gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en inspectie die
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
#### Paragraaf 3.3.2. Het wassen van motorvoertuigen of onderdelen van motorvoertuigen
#### Paragraaf 3.3.2. Het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan
### Artikel 3.23a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Deze paragraaf is van toepassing op het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan.
**2.** Deze paragraaf is niet van toepassing op landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en op inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van landbouwhuisdieren.
**3.** Deze paragraaf is niet van toepassing op het inwendig reinigen van tanks en tankwagens en het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen.
### Artikel 3.24
**1.** Bij het wassen van motorvoertuigen of onderdelen van motorvoertuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en op inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van landbouwhuisdieren.
Bij het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
### Artikel 3.25
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen worden gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan worden gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
**2.**
Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste bestanddelen per liter.
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
**3.** In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
@ -1373,7 +1436,7 @@ Met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt v
| Opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter | 10 meter | 20 meter |
| Opslagtank met propaan groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter | 15 meter | 25 meter |
**2.** Een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden, genoemd in tabel 3.28, indien het objecten betreft waar ook een opslagtank met propaan aanwezig is.
**2.** Een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden, genoemd in tabel 3.28, indien het objecten betreft waar ook een opslagtank met propaan of propeen aanwezig is.
**3.**
@ -1404,7 +1467,7 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
### Afdeling 4.1. Op- en overslaan van gevaarlijke en andere stoffen en gassen en het vullen van gasflessen
#### Paragraaf 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen
#### Paragraaf 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen
### Artikel 4.1
@ -1412,7 +1475,7 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**2.** Indien in een opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking meer dan 2.500 kilogram gevaarlijke stoffen, niet zijnde gasflessen behorende tot de ADR klasse 2, aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20 meter.
**3.** Indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking is uitgevoerd als brandcompartiment of indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, bedraagt de afstand, bedoeld in het derde lid, ten minste 8 meter.
**3.** Indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking is uitgevoerd als brandcompartiment of indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, bedraagt de afstand, bedoeld in het tweede lid, ten minste 8 meter.
**4.** Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien in de opslagvoorziening geen brandbare gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.
@ -1420,7 +1483,7 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**6.** Het voorhanden hebben en het gebruik van gasflessen die gevuld zijn met autogas is verboden, met uitzondering van wisselreservoirs ten behoeve van interne transportmiddelen.
**7.** De verpakking en de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking voldoen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**7.** De verpakking en de opslag van vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en afvalstoffen waaruit vloeibaar bodembedreigende stoffen kunnen lekken voldoen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**8.** Dit artikel is niet van toepassing op de opslag van vuurwerk, andere ontplofbare stoffen en vaste kunstmeststoffen in verpakking.
@ -1450,15 +1513,33 @@ voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**1.** Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
**2.** Indien in een inrichting ten minste twee bovengrondse opslagtanks bestemd voor de opslag van zuurstof, elk met een inhoud van ten minste 25 kubieke meter aanwezig zijn, is elke tank gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
**2.** Indien in een inrichting een bovengrondse opslagtank, bestemd voor de opslag van zuurstof, op een afstand van minder dan 10 meter is gelegen van een andere opslagtank, bestemd voor de opslag van propaan, propeen of een gas als bedoeld in het eerste lid, is de opslagtank bestemd voor de opslag van zuurstof gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
### Artikel 4.5a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.**
Met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de tankwagen worden ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de in tabel 4.5a opgenomen afstanden in acht genomen, waarbij de afstanden gelden van het vulpunt en de bovengrondse opslagtank, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij de opslagtank:
| | Bevoorrading tot en met 5 keer per jaar | Bevoorrading meer dan 5 keer per jaar |
| --- | --- | --- |
| Opslagtank met propeen tot en met 5 kubieke meter | 10 meter | 20 meter |
| Opslagtank met propeen groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter | 15 meter | 25 meter |
**2.** Een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden, genoemd in tabel 4.5a, indien het objecten betreft waar ook een opslagtank met propeen of propaan aanwezig is.
**3.**
In afwijking van het eerste lid worden met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, dan wel gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, de volgende afstanden in acht genomen:
a. bij een opslagtank met propeen tot en met 5 kubieke meter: 25 meter;
b. bij een opslagtank met propeen van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter: 50 meter.
**4.** Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een opslagtank met propeen alsmede de bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
### Artikel 4.6
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van ADR klasse 5.1 of andere bodembedreigende vloeistoffen wordt ten behoeve van:
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van ADR klasse 5.1 of andere vloeibare bodembedreigende stoffen wordt ten behoeve van:
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
b. het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
@ -1509,9 +1590,9 @@ d. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in een voorziening voor het
**2.** Indien de opgeslagen bulkgoederen worden bevochtigd wordt afvalwater dat met opgeslagen bulkgoederen in contact is geweest zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
**3.** Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**3.** Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**4.** Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien lozen als bedoeld in het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**4.** Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien lozen als bedoeld in het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
**5.**
@ -1520,19 +1601,21 @@ Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorz
| Parameter | Emissiegrenswaarde |
| --- | --- |
| Chemisch zuurstof verbruik | 200 milligram per liter |
| Onopgeloste bestanddelen | 50 milligram per liter |
| Onopgeloste stoffen | 300 milligram per liter |
| Som zware metalen | 1 milligram per liter |
| Minerale olie | 10 milligram per liter |
| Minerale olie | 20 milligram per liter |
| PAKs (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) | 50 microgram per liter |
| Extraheerbaar organisch chloor | 5 microgram per liter |
| Totaal stikstof | 10 milligram per liter |
| Fosfor | 2 milligram per liter |
**6.** Lozen van afvalwater als bedoeld in het vijfde lid in een vuilwaterriool is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
**6.** Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het vijfde lid, bij maatwerkvoorschrift ruimere emissiegrenswaarden vaststellen, voor zover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
**7.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde tot en met zesde lid kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
**7.** Lozen van afvalwater als bedoeld in het vijfde lid in een vuilwaterriool is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder zware metalen verstaan: arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink.
**8.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde, vierde, vijfde en zevende lid kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
**9.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder zware metalen verstaan: arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink.
### Artikel 4.12
@ -1563,11 +1646,11 @@ Bij het opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen wordt ten behoeve
Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.1.7. Opslaan van nitraathoudende kunstmeststoffen
#### Paragraaf 4.1.7. Opslaan van vaste kunstmeststoffen
### Artikel 4.17
Onverminderd paragraaf 4.15 wordt bij het opslaan van kunstmeststoffen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen en ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Onverminderd paragraaf 4.15 wordt bij het opslaan van vaste kunstmeststoffen ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
### Afdeling 4.2. Installaties
@ -1616,6 +1699,8 @@ b. meer dan 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veili
**7.** In een kunstijsbaan waar een ammoniakkoelinstallatie wordt toegepast wordt een indirect ammoniakkoelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.
**8.** In deze paragraaf wordt verstaan onder «natuurlijk koudemiddel»: de toepassing als koudemiddel van koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gereguleerde stof of een preparaat dat een zodanige stof bevat als bedoeld in het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer dan wel een gefluoreerd broeikasgas of een preparaat dat een zodanig gas bevat als bedoeld in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer.
### Afdeling 4.3. Activiteiten met betrekking tot hout en kurk
#### Paragraaf 4.3.1. Mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
@ -1915,7 +2000,7 @@ Bij het stralen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaar
### Artikel 4.52
In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of onderdelen van motorvoertuigen als bedoeld in paragraaf 3.3.2 en het afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.6.
In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 3.23a en het afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.6.
### Artikel 4.53
@ -2042,7 +2127,7 @@ Bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen wordt ten behoev
**1.**
Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van conversielagen de emissieconcentratie van:
Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het chroomzuuranodiseren en het zwavelzuuranodiseren de emissieconcentratie van:
a. chroom VI-verbindingen berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht berekend als chroom, groter is dan 0,5 gram per uur;
b. zwavelzuur niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van zwavelzuur naar de lucht groter is dan 15 gram per uur.
@ -2137,6 +2222,82 @@ b. aannemelijk is dat de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikke
### Afdeling 4.5a. Activiteiten met betrekking tot natuursteen of kunststeen
#### Paragraaf 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen
### Artikel 4.74a
Het is verboden om in de buitenlucht mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen uit te voeren.
### Artikel 4.74b
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
### Artikel 4.74c
**1.** Indien bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen water als koel- of smeermiddel wordt toegepast, wordt gebruik gemaakt van een gesloten watercircuit, waarbij water wordt gereinigd en hergebruikt voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.
**2.** Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.
**3.**
Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater afkomstig van:
het mechanisch bewerken van natuursteen,
een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen, of
het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen,
is toegestaan indien geen flocculanten zijn toegevoegd.
**4.** Bij het lozen als bedoeld in het derde lid bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 50 milligram per liter.
**5.**
Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van:
het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen,
een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen, of
het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen,
vindt slechts plaats indien: het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter en de korreldiameter van onopgeloste stoffen niet meer dan 0,75 millimeter bedragen.
**6.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
### Artikel 4.74d
Bij de mechanische verwerking van natuursteen of kunststeen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen
### Artikel 4.74e
Het is verboden in de buitenlucht met behulp van een nevelspuit lijmen, harsen en coatings aan te brengen op natuursteen of kunststeen.
### Artikel 4.74f
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
### Artikel 4.74g
Bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
#### Paragraaf 4.5a.3. Chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen
### Artikel 4.74h
Bij het chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
### Afdeling 4.6. Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten
#### Paragraaf 4.6.1. Lozen van afvalwater (algemeen)
@ -2154,7 +2315,7 @@ In het afvalwater afkomstig van het reviseren van motoren worden de emissiegrens
| BTEX-som | 15 milligram per liter |
| Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor | 100 microgram per liter |
| Olie | 20 milligram per liter |
| PAKs (som van fluorantheen, benzo(g, h, i)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, en indeno (1, 2, 3-cd)pyreen) | 5 microgram per liter |
| PAKs (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) | 5 microgram per liter |
| Koper | 1 milligram per liter |
| Nikkel | 3 milligram per liter |
| Lood | 3 milligram per liter |
@ -2166,7 +2327,7 @@ In het afvalwater afkomstig van het reviseren van motoren worden de emissiegrens
Ander afvalwater dan het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, dat afkomstig is uit een ruimte waar een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd of van een vloeistofdichte vloer of verharding waarop die activiteit wordt uitgevoerd wordt niet geloosd, indien het in enig steekmonster meer bevat dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste bestanddelen per liter.
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
**4.** In afwijking van het derde lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster indien het afvalwater, voor vermenging met ander afvalwater, wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
@ -2216,13 +2377,13 @@ b. het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.6.4. Afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer
#### Paragraaf 4.6.4. Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas anders dan voor openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en voor vaartuigen
### Artikel 4.80
**1.**
Het afleveren van lichte olie voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II. De eerste zin is niet van toepassing:
Het afleveren van lichte olie, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79, geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II. De eerste zin is niet van toepassing:
a. op het afleveren van lichte olie met een maximale afleversnelheid van 10 liter per minuut of minder;
b. op het afleveren van lichte olie met mengsmering met een maximale afleversnelheid van 45 liter per minuut of minder; en
@ -2230,7 +2391,7 @@ c. indien de doorzet aan lichte olie minder bedraagt dan 500 kubieke meter per j
**2.** Het gebruikte systeem voor dampretour Stage-II voert ten minste 75% van de uit de brandstofreservoirs van de motorvoertuigen verdreven dampen naar de ondergrondse opslagtank terug.
**3.** Een systeem voor dampretour Stage-II is goedgekeurd overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN-ISO/IEC 17025.
**3.** Een systeem voor dampretour Stage-II is goedgekeurd overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN-ISO/IEC 17020.
**4.** Een systeem voor dampretour Stage-II wordt voor ingebruikname en daarna eenmaal per drie jaar overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut, gecontroleerd op de goede werking door een onafhankelijke inspectie-instelling.
@ -2261,7 +2422,7 @@ De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimee
### Artikel 4.82
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of verharding waarboven het afleveren van motorbrandstof voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor voertuigen voor het wegverkeer plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of verharding waarboven het afleveren van motorbrandstof, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79 plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
**2.** Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2.
@ -2271,14 +2432,14 @@ De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimee
### Artikel 4.83
Bij het afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer wordt:
Bij het afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79 wordt:
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en
b. ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.6.5. Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van motoren
#### Paragraaf 4.6.5. Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van verbrandingsmotoren
### Artikel 4.84
@ -2291,14 +2452,14 @@ Het is niet toegestaan een autowrak en de daarin aanwezige materialen of onderde
1°. het de opslag betreft, of
2°. het accessoires betreft die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak hierom anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan hij eigenaar of houder is.
**3.** Het proefdraaien vindt niet in de buitenlucht plaats.
**3.** Het proefdraaien van verbrandingsmotoren vindt niet in de buitenlucht plaats.
**4.**
Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van motoren wordt ten behoeve van het voorkomen of beperken van:
Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van verbrandingsmotoren wordt ten behoeve van:
a. risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
b. geurhinder;
a. het voorkomen of beperken van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
b. het voorkomen of beperken van geurhinder;
c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
d. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
@ -2360,9 +2521,7 @@ Bij het onderhouden, repareren en afspuiten van pleziervaartuigen wordt ten beho
### Artikel 4.92
**1.** Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer blijkt dat de stof niet loosbaar is wordt deze niet geloosd.
**2.** Van de in gebruik zijnde grondstoffen en hulpstoffen die in het afvalwater, dat wordt geloosd, kunnen geraken is de beschikbare milieu-informatie te allen tijde voor het bevoegd gezag ter inzage bij het bedrijf.
Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
### Artikel 4.93
@ -2373,36 +2532,96 @@ b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.7.3. Overige druktechnieken
#### Paragraaf 4.7.3. Vellenoffset druktechniek
### Artikel 4.94
**1.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bedrukken van papier door middel van offsettechnieken wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
**2.** Afvalwater dat chroomhoudende of zinkhoudende correctiemiddelen bevat, afkomstig van het bijwerken van offsetplaten wordt niet geloosd.
**3.** Het afvalwater afkomstig van het reinigen van rubberdoeken en drukvormen van offsetpersen bevat voor vermenging met ander afvalwater, niet meer dan 200 milligram olie per liter in enig steekmonster.
**4.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
### Artikel 4.94a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Degene die de inrichting drijft, neemt bij het bedrukken met vellenoffset met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen, tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
**3.** Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram wordt geregistreerd.
**4.**
Indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten meer bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, geeft de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid:
a. per kwartaal informatie over het verbruik aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen welke als toevoegmiddel in het vochtwater worden gebruikt,
b. per kwartaal informatie over het gewicht van het bedrukte substraat dan wel informatie over het aantal druks en het aantal gebruikte torens,
c. per jaar een berekening van het verbruik aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen welke als toevoegmiddel in het vochtwater worden gebruikt, per ton substraat of per 1.000 toren-druks,
d. per kwartaal informatie over de ingekochte reinigingsmiddelen, onderscheiden naar vluchtigheid, en
e. per jaar informatie over het verbruik aan vluchtige organische stoffen als gevolg van de toepassing van inkten.
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
**6.** Indien het bedrukken met vellenoffset plaatsvindt in samenhang met het coaten van het substraat en daarbij de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vijfde lid niet van toepassing op het bedrukken met vellenoffset en het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 4.94b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.**
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van:
a. het toepassen van vellenoffsettechnieken;
b. het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur, en
c. de vormvervaardiging exclusief fotografische processen,
wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
**2.** Het afvalwater afkomstig van het reinigen van rubberdoeken en drukvormen van vellenoffsetpersen bevat, voor vermenging met ander afvalwater, niet meer dan 200 milligram olie per liter in enig steekmonster.
**3.** Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
**4.** Bij het lozen, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer, blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
### Artikel 4.94c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Bij de vervaardiging van drukvormen voor het bedrukken met vellenoffset worden geen chroomzouthoudende ets- en correctiemiddelen toegepast.
**2.** Bij het ontwikkelen en naharden van kopieerlagen voor het bedrukken met vellenoffset worden geen chroomhoudende oplossingen gebruikt.
### Artikel 4.94d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bij het bedrukken met vellenoffset worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
c. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en
d. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
#### Paragraaf 4.7.3a. Lijmen, coaten en lamineren van papier of karton
### Artikel 4.94e
**1.** Degene die de inrichting drijft neemt bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
**3.** Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
**4.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
**5.** Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 4.94f
Bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
#### Paragraaf 4.7.4. Reinigen en wassen van textiel
### Artikel 4.95
@ -2411,6 +2630,20 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen andere stoffen dan genoemd in het eerste lid, worden aangewezen.
**3.** Degene die een inrichting drijft waarin activiteiten worden uitgeoefend als bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
**4.**
De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, bevat ten minste de volgende gegevens:
a. het totaal aan inkoop van VOS-houdende producten in het betreffende kalenderjaar;
b. de voorraad aan VOS-houdende producten en afvalstoffen op 1 januari van elk jaar;
c. de totale hoeveelheid vluchtige organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die in het betreffende kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd;
d. het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de afgevoerde hoeveelheden, de aan de leverancier geretourneerde hoeveelheden en het voorraadverschil, en
e. de totale hoeveelheid textiel, uitgedrukt in kilogram gereinigd textiel, die is gereinigd.
**5.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste gedurende drie jaren bewaard en ter inzage gehouden.
### Artikel 4.96
**1.** Bij het reinigen en wassen van textiel is de immissieconcentratie van PER in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting, per week gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter.
@ -2479,7 +2712,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 4.99
**1.** Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met absorptiemateriaal zijn het tweede tot en met eenentwintigste lid van toepassing.
**1.** Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de buitenlucht, bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met absorptiemateriaal zijn het tweede tot en met negentiende lid van toepassing.
**2.** Er wordt gebruik gemaakt van monsterneming door middel van absorptiemateriaal in buisjes of badges.
@ -2533,17 +2766,13 @@ d. vanaf 25 meter.
**17.** Het meetinstrumentarium wordt ter plaatse van een meetplaats bevestigd.
**18.** De gemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren gedurende de meetperiode. Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
**18.** De jaargemiddelde immissieconcentratie is gelijk aan de gemiddelde concentratie die gedurende twee weken wordt gemeten.
**19.** Zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de berekende jaargemiddelde immissie wordt in een verslag vermeld.
**20.** De jaargemiddelde immissieconcentratie is gelijk aan de gemiddelde concentratie die gedurende twee weken wordt gemeten.
**21.** Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt bewaard.
**19.** Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt bewaard.
### Artikel 4.100
**1.** Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de buitenlucht, bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met continu registrerende meetapparatuur zijn het tweede tot en met eenentwintigste lid van toepassing.
**1.** Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de buitenlucht, bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met continu registrerende meetapparatuur zijn het tweede tot en met twintigste lid van toepassing.
**2.** Er wordt gebruik gemaakt van continu registrerende meetapparatuur dat een detectielimiet heeft van 0,1 milligram per normaal kubieke meter of lager.
@ -2597,19 +2826,19 @@ d. vanaf 25 meter.
**17.** Het meetinstrumentarium wordt ter plaatse van een meetplaats bevestigd.
**18.** De gemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren gedurende de meetperiode. Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
**18.** De gemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op jaarbasis en het totaal aantal uren per jaar. Het totaal aantal uren per jaar bedraagt 8760. Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd.
**19.** Zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de berekende jaargemiddelde immissie wordt in een verslag vermeld.
**20.** De jaargemiddelde immissieconcentratie is gelijk aan de gemiddelde concentratie die gedurende twee weken wordt gemeten.
**21.** Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt bewaard.
**20.** Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt bewaard.
### Artikel 4.101
**1.** Een machine bestemd voor het reinigen met een koolwaterstof wordt zo ingesteld, gebruikt en onderhouden dat de hoeveelheid van die koolwaterstof in het gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht niet meer bedraagt dan 20 gram per kilogram gereinigd textiel. Binnen de inrichting worden behalve PER, uitsluitend niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen toegepast.
**1.** Een machine bestemd voor het reinigen met een koolwaterstof wordt zo ingesteld, gebruikt en onderhouden dat de hoeveelheid van die koolwaterstof in het gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht niet meer bedraagt dan 20 gram per kilogram gereinigd textiel.
**2.** De drijver van de inrichting bewaart het laatste keurings- en onderhoudsrapport, waaruit mede blijkt wie en wanneer de keuring of het onderhoud heeft onderscheidenlijk is verricht.
**2.** Indien bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4.95, tweede lid, een andere stof wordt aangewezen dan die genoemd in het eerste lid, kan bij die regeling tevens de ten hoogste toelaatbare hoeveelheid van die stof in het gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht worden aangegeven.
**3.** De drijver van de inrichting bewaart het laatste keurings- en onderhoudsrapport, waaruit mede blijkt wie en wanneer de keuring of het onderhoud heeft onderscheidenlijk is verricht.
### Artikel 4.102
@ -2625,13 +2854,57 @@ Bij het reinigen en wassen van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van
#### Paragraaf 4.7.4a. Mechanische verwerking van textiel
### Artikel 4.103a
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
### Artikel 4.103b
Bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van textiel, worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
#### Paragraaf 4.7.4b. Lassen van textiel
### Artikel 4.103c
Bij het lassen van textiel wordt ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.7.4c. Lijmen en coaten van textiel
### Artikel 4.103d
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur.
### Artikel 4.103e
**1.** Degene die de inrichting drijft, neemt bij het lijmen en coaten van textiel de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
**3.** Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
**4.** De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaren in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
**5.** Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 4.103f
Bij het reinigen, lijmen en coaten van textiel worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
### Afdeling 4.8. Overige activiteiten
#### Paragraaf 4.8.1. Inwendig reinigen van tanks en tankwagens
#### Paragraaf 4.8.1. Inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen
### Artikel 4.104
@ -2641,11 +2914,15 @@ Bij het reinigen en wassen van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van
### Artikel 4.104a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, voldoet ten minste aan het tweede en derde lid.
**2.** Het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
**3.** Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag het tweede lid niet van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien, gelet op het gehalte vet en onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 4.104b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bij het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.8.2. Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen
@ -2660,7 +2937,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste bestanddelen per liter.
b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
**4.** In afwijking van het derde lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen indien het afvalwater, voorafgaand aan de vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
@ -2706,7 +2983,7 @@ Ten aanzien van een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande ple
**3.** Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
**4.** Het vethoudende afvalwater afkomstig uit de ruimte waar de activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht wordt voorafgaand aan de vermenging met een ander afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van de NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft met het oog op het doelmatig functioneren van de afscheider.
**4.** Het vethoudende afvalwater wordt voorafgaand aan de vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft met het oog op het doelmatig functioneren van de afscheider.
**5.** Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag het vierde lid niet van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
@ -2714,17 +2991,35 @@ Ten aanzien van een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande ple
Bij het bereiden van voedingsmiddelen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
#### Paragraaf 4.8.4. Slachten van dieren
#### Paragraaf 4.8.4. Slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten
### Artikel 4.111
**1.** Het slachten van dieren vindt inpandig plaats.
**1.** Het slachten van dieren en het bewerken van dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.
**2.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het slachten van dieren wordt het vethoudende afvalwater afkomstig uit de ruimte waar de activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht voor vermenging met ander afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput, die voldoen aan en worden toegepast volgens NEN-EN 1825-1 en 2.
**2.** Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bewerken van dierlijke bijproducten of het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar dieren zijn geslacht, karkassen zijn bewerkt, vlees is uitgesneden van karkassen of karkasdelen, vis is uitgesneden, organen worden verwerkt of dierlijke bijproducten worden bewerkt, wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het zesde lid.
**3.** Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
**4.** Bij de plaatsing van een vetafscheider die wordt ingezet voor het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt een rapport opgesteld waarin staat beschreven hoe invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Dit rapport wordt binnen de inrichting bewaard.
**5.** Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voorafgaand aan het lozen op een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling.
**6.** Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu en in het bijzonder het belang van de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater zich hiertegen niet verzetten, bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren.
### Artikel 4.111a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Bij het broeien of koken van dierlijke bijproducten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
**2.**
Bij het pekelen wordt:
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast,
b. ter bescherming van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater, en
c. ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
ten minste de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
### Artikel 4.112
@ -2756,11 +3051,17 @@ c. door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten in een inrichting, anders dan
#### Paragraaf 4.8.5a. Recreatieve visvijvers
### Artikel 4.113a
**1.** Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan.
**2.** Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een vuilwaterriool is verboden.
#### Paragraaf 4.8.6. In werking hebben acculader
### Artikel 4.114
Bij het in werking hebben van een acculader wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Bij het opladen van accus die vloeibare bodembedreigende stoffen bevatten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.8.7. In werking hebben van een noodstroomaggregaat
@ -2770,10 +3071,91 @@ Bij het in werking hebben van een noodstroomaggregaat wordt ten behoeve van het
#### Paragraaf 4.8.8. Traditioneel schieten
### Artikel 4.116
Bij het traditioneel schieten wordt:
a. in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, en
b. ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
#### Paragraaf 4.8.9. In werking hebben van een crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld
### Artikel 4.117
Het is verboden in een crematieoven kisten te verbranden die met lood of zink bekleed zijn. Metalen en kunststof handvatten en andere versierselen van kunststof of metaal worden voor invoer van de kist verwijderd.
### Artikel 4.118
Bij het in werking hebben van een crematieoven worden ten behoeve van:
a. het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen, en
b. het zo veel mogelijk beperken van het ontstaan van stikstofoxiden,
de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
### Artikel 4.119
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven de emissieconcentratie van kwik en kwikverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van kwik naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 0,25 gram per uur.
### Artikel 4.120
In afwijking van artikel 2.9, eerste lid, worden bij het verstrooien van crematie-as op een strooiveld ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
#### Paragraaf 4.8.10. In werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte
### Artikel 4.122
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van een laboratorium of een praktijkruimte, met uitzondering van praktijkruimten voor het middelbaar onderwijs en laboratoria ten behoeve van huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.
### Artikel 4.123
Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte op het vuilwaterriool wordt ten behoeve van de bescherming van het milieu ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
### Artikel 4.124
**1.**
Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte in een vuilwaterriool worden de emissiegrenswaarden, vermeld in tabel 4.124, niet overschreden.
| Stof | Emissiegrenswaarde in milligram per liter |
| --- | --- |
| Kwik | 0,01 |
| Cadmium | 0,02 |
| Overige metalen, som van 5 metalen^1) | 2 |
| Chloorkoolwaterstoffen CKW^2) | 0,1 |
| BTEX | 0,1 |
^1) Als som van 5 willekeurige metalen uit de volgende reeks: Ni, Cr, Pb, Se, As, Mo, Ti, Sn, Ba, Be, B, U, V, Co, Ag.
^2) De 11 CKW die standaard bepaald worden in afvalwater betreffen: Dichloormethaan, Trichloormethaan, Tetrachloormethaan, Trichlooretheen, Tetrachlooretheen, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, cis-1,2-dichlooretheen, trans-1,2-dichlooretheen. De chloorkoolwaterstoffen worden als som bepaald.
De in tabel 4.124 genoemde emissiewaarden gelden voor steekmonsters. Indien sprake is van representatieve etmaalbemonstering geldt voor de «overige metalen, som van 5 metalen» een factor 2 lagere waarde (1 mg/l).
**2.**
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift:
a. de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing verklaren en lagere emissiegrenswaarden vaststellen dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in dat lid, indien het te lozen afvalwater meer dan 10.000 kubieke meter per jaar bedraagt en met toepassing van de beste beschikbare technieken aan deze lagere emissiegrenswaarden kan worden voldaan;
b. de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing verklaren en hogere emissiegrenswaarden bepalen dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in dat lid, indien aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid met toepassing van de beste beschikbare technieken niet kan worden voldaan en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen met hogere emissiegrenswaarden verzet.
**3.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
### Artikel 4.125
**1.** Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij activiteiten die leiden tot stofvormige emissies afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen S, sO, sA1, sA2 en sA3 naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
**2.** Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij activiteiten die leiden tot gasvormige emissies afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.
**3.** Indien bij activiteiten emissies van Extreem risicovolle stoffen of MVP, afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte, kunnen vrijkomen, kan het bevoegd gezag in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de minimalisatie van die emissies.
### Artikel 4.126
Bij activiteiten in een laboratorium of een praktijkruimte worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van die emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
### Artikel 4.127
Bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of een praktijkruimte wordt ten behoeve van het voorkomen van risicos voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risicos voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
## Hoofdstuk 5. Wijziging van besluiten
### Artikel 5.1
@ -2814,59 +3196,59 @@ Wijzigt het Vuurwerkbesluit.
### Artikel 6.1
**1.** Voor een inrichting waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 een vergunning in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.1 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichtingen, een vergunning in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
**2.** De nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, in werking en onherroepelijk waren, worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**2.** De nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43 in werking en onherroepelijk waren, worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
**3.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gaan gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is niet van toepassing.
**3.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften, worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
**4.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
**4.** Voor de toepassing van dit artikel worden de gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
### Artikel 6.2
**1.** Voor het lozen vanuit een inrichting type A of B waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Voor het lozen vanuit een inrichting type A of B, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, op die inrichting een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, op die inrichting aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
**2.**
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in:
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het van toepassing worden van artikel 1.4, derde lid, met betrekking tot het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in:
a. hoofdstuk 3; of
b. indien het lozen in het oppervlaktewater plaatsvindt: paragraaf 4.1.5.
b. indien het lozen in een oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt: paragraaf 4.1.5.
**3.** De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, blijven na het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 2.1 gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**3.** De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, voor een inrichting golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, blijven na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op die inrichting gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift.
**4.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gaan gelden gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is niet van toepassing.
**4.** De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
### Artikel 6.3
**1.** Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.
**2.** In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**2.** In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.
**3.** In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
**3.** In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.
**4.** Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid, toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b.
**4.** Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op een inrichting was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid, toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.
**5.** Indien op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.
**5.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op een inrichting het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.
**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de ontheffing of de vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.
**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de ontheffing of vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.
### Artikel 6.4
**1.** Degene die een inrichting type B of type C drijft die is opgericht voor de inwerkingtreding van artikel 1.10 en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel geen vergunning in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
**1.** Degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting geen vergunning in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
**2.** Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip waarop artikel 1.10 in werking is getreden. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.10 ten aanzien van een inrichting type B nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet zoals deze luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 22 november 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen, Stb. 606) zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10.
**3.** Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede lid, op een inrichting type B ten aanzien van die inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 8.1 van de wet, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om een vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10.
### Artikel 6.5
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en dit besluit op het betreffende lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als:
Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op een inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet en dit besluit op het betreffende lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als:
a. een melding overeenkomstig artikel 1.10, voor zover het lozen bij of krachtens de in hoofdstuk 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan;
b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, voor zover de aanvraag het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk betreft, en dat brengen niet bij of krachtens de in de hoofdstukken 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan; of
b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, voor zover de aanvraag het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk betreft, en dat brengen niet bij of krachtens de in de hoofdstukken 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan; of
c. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b, voor zover de aanvraag lozen betreft als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid.
### Artikel 6.6
@ -2901,7 +3283,12 @@ Indien artikel 2.16 in werking treedt na het tijdstip van inwerkingtreding van a
### Artikel 6.10
**1.** Indien een bodembedreigende activiteit reeds werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag in afwijking van dat artikel op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een aanvaardbaar bodemrisico kan worden gerealiseerd.
**1.**
In afwijking van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een aanvaardbaar bodemrisico kan worden gerealiseerd, indien:
a. voor de inwerkingtreding van artikel 2.9 binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd, of
b. onmiddellijk voorafgaand aan het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd en voor die inrichting een vergunning in werking en onherroepelijk was.
**2.** Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gesteld indien het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico redelijkerwijs niet kan worden gevergd en is voldaan aan het derde lid.
@ -2928,7 +3315,7 @@ Wijzigt deze wet.
### Artikel 6.12
**1.** De waarden genoemd in tabel 2.17a worden met 5 dB(A) verhoogd indien onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17 op grond van een in het derde lid genoemd voorschrift hogere waarden golden.
**1.** De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a worden met 5 dB(A) verhoogd indien onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17 op grond van een in het derde lid genoemd voorschrift hogere waarden golden.
**2.** Indien in een milieuvergunning die inwerking en onherroepelijk was op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest zijnde voorschrift, genoemd in het derde lid, lagere waarden dan de waarden, bedoeld in het eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.
@ -2986,12 +3373,12 @@ b. het optredende equivalente geluidsniveau (L_Aeq), veroorzaakt door wegverkeer
De artikelen 3.23, tweede lid, en 4.82, tweede lid, zijn niet van toepassing indien:
a. voor de inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en gebruikt worden conform NEN 7089; of
a. voor het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op de inrichting een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en gebruikt worden conform NEN 7089; of
b. voor 1 maart 1997 een slibvangput of een olieafscheider zijn geplaatst, die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.
**2.**
In afwijking van de artikelen 3.25, derde lid, 4.71, tweede lid, 4.75, vierde lid, en 4.105, vierde lid zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing indien voor de inwerkingtreding van het respectievelijke artikellid:
In afwijking van de artikelen 3.25, derde lid, 4.71, tweede lid, 4.75, vierde lid, en 4.105, vierde lid zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing indien het afvalwater niet wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2, maar door:
a. een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7089;
b. voor 1 maart 1997 een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst, die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.
@ -3000,9 +3387,9 @@ b. voor 1 maart 1997 een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst, die o
### Artikel 6.18
**1.** Artikel 3.3, tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van lozingen die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van dat artikel.
**1.** Artikel 3.3, derde lid, is niet van toepassing op het lozen vanuit een inrichting dat is aangevangen voor het van toepassing worden van dat artikel op die inrichting.
**2.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het lozen in het vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, die met het oog op artikel 2.9, eerste lid, is aangelegd en hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd, dat reeds plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.3, binnen een in dat maatwerkvoorschrift gestelde termijn wordt gestaakt.
**2.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het lozen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, in het vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, dat reeds plaatsvond voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, binnen een in dat maatwerkvoorschrift gestelde termijn wordt gestaakt.
### Paragraaf 6.8. Overgangsrecht met betrekking tot het lozen van huishoudelijk afvalwater
@ -3074,6 +3461,12 @@ Artikel 3.26 is tot 1 januari 2011 niet van toepassing indien het afvalwater afk
### Paragraaf 6.14a. Opslaan van stoffen in opslagtanks
### Artikel 6.25a
**1.** Artikel 4.5, tweede lid, is gedurende twaalf maanden met ingang van de datum waarop op grond van dat lid geen inhoudsgrens geldt, niet van toepassing op inrichtingen met bovengrondse opslagtanks voor de opslag van zuurstof met een inhoud van minder dan 25 kubieke meter waarop artikel 4.5, tweede lid, zoals dat luidde op 1 januari 2008, niet van toepassing was.
**2.** Indien in een inrichting ten minste twee bovengrondse opslagtanks bestemd voor de opslag van zuurstof, elk met een inhoud van ten minste 25 kubieke meter aanwezig zijn, geldt gedurende twaalf maanden met ingang van de datum, waarop op grond van artikel 4.5, tweede lid, geen inhoudsgrens geldt, dat elke tank is gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
### Paragraaf 6.15. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen
### Artikel 6.26
@ -3092,7 +3485,7 @@ In afwijking van artikel 4.18, vierde lid, kan de keuring als bedoeld in het eer
### Artikel 6.28
Artikel 4.20, zevende lid, is niet van toepassing op kunstijsbanen die zijn opgericht voor de inwerkingtreding van dat artikel.
Artikel 4.20, zevende lid, is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor de inwerkingtreding van artikel 4.20, achtste lid.
### Paragraaf 6.18. Overgangsrecht met betrekking tot de mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
@ -3132,22 +3525,34 @@ Artikel 4.20, zevende lid, is niet van toepassing op kunstijsbanen die zijn opge
In afwijking van artikel 6.2, vierde lid, kan het bevoegd gezag het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in de paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11 bij maatwerkvoorschrift voor een daarbij aangegeven termijn bepalen dat het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 is toegestaan, indien:
a. het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 was toegestaan op grond van een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.74 in werking en onherroepelijk was;
a. het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 was toegestaan op grond van een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting in werking en onherroepelijk was;
b. degene die de inrichting drijft aantoont dat bij het lozen niet aan de emissiegrenswaarden genoemd in kolom B van artikel 4.73 kan worden voldaan; en
c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes maanden na de inwerkingtreding van artikel 4.74 bij het bevoegd gezag is gedaan.
c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes maanden na het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting bij het bevoegd gezag is gedaan.
### Paragraaf 6.23. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer
### Paragraaf 6.23. Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas, anders dan bedoeld in de
### Artikel 6.34
Artikel 4.80, eerste lid, is tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op afleverinstallaties van benzine voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat lid aanwezig waren.
Artikel 4.80, eerste lid, is tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op afleverinstallaties van benzine, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79, voor motorvoertuigen voor het wegverkeer die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat lid aanwezig waren.
### Paragraaf 6.23a. Overgangsrecht met betrekking tot vellenoffset druktechniek
### Artikel 6.34a
Voor inrichtingen waar vellenoffset wordt toegepast en waarop reeds vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 4.94aparagraaf 4.7.3 van toepassing was, is dat artikel van toepassing met ingang van de dag waarop twaalf maanden zijn verstreken na die inwerkingtreding.
### Paragraaf 6.23b. Overgangsrecht met betrekking tot het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton
### Artikel 6.34b
Voor inrichtingen waar het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton plaatsvindt en die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 4.94e reeds onder de werkingssfeer van dit besluit vielen, is artikel 4.94e van toepassing met ingang van de dag waarop twaalf maanden zijn verstreken na die inwerkingtreding.
### Paragraaf 6.23c. Overgangsrecht met betrekking tot het inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen
### Artikel 6.34c
Artikel 4.104a, tweede lid, is niet van toepassing indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087.
### Paragraaf 6.24. Overgangsrecht met betrekking tot het bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen
### Artikel 6.35
@ -3164,15 +3569,17 @@ Artikel 4.80, eerste lid, is tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat artike
**2.** Indien op een inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.109 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel NEN 7087, wordt voor dat lozen een maatwerkvoorschrift als bedoeld artikel 4.109, vijfde lid, geacht te zijn verleend.
### Paragraaf 6.26. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren
### Paragraaf 6.26. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren en het uitsnijden van vlees en vis
### Artikel 6.37
Artikel 4.111, tweede lid, is niet van toepassing indien voor de inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087.
**1.** Artikel 4.111, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
**2.** Artikel 4.111, derde en vierde lid, zijn eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.
### Artikel 6.37a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 4.124, derde lid, is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in artikel 4.124, eerste lid.
### Paragraaf 6.27. Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van brandbare stoffen