2021-12-23 | BWBR0042260 | Verzamelbesluit Lijfrenten
This commit is contained in:
parent
a8a101077d
commit
9d3a8eae57
1 changed files with 84 additions and 23 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Verzamelbesluit Lijfrenten
|
|||
bwb_id: BWBR0042260
|
||||
type: beleidsregel
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2019-06-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2021-12-23'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0042260
|
||||
citeertitel: Verzamelbesluit Lijfrenten
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -12,7 +12,7 @@ citeertitel: Verzamelbesluit Lijfrenten
|
|||
|
||||
**De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.**
|
||||
|
||||
*Dit besluit vervangt het besluit van 13 juni 2012, nr. BLKB 2012/283M, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 september 2015, nr. BLKB 2015/1080M en is geactualiseerd en aangevuld met beleidsstandpunten. Vooruitlopend op wetgeving is een goedkeuring opgenomen die het mogelijk maakt dat de faciliteiten van de artikelen 6.5 en 6.6 Wet IB 2001 ook van toepassing zijn als een alimentatielijfrente of een pensioenverrekeningslijfrente wordt afgesloten bij een bank, een beleggingsonderneming of een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten.*
|
||||
*Dit besluit bevat goedkeuringen en beleid met betrekking tot lijfrenteverzekeringen, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en andere periodieke uitkeringen. Dit besluit vervangt het besluit van 13 juni 2012, nr. BLKB 2012/283M (Stcrt. 2012, 12493), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 september 2015, nr. BLKB 2015/1080M (Stcrt. 2015, 29065).*
|
||||
|
||||
## 1. Inleiding
|
||||
|
||||
|
|
@ -22,17 +22,21 @@ Naast de aanpassingen van het besluit aan de gewijzigde wetgeving zijn in dit be
|
|||
|
||||
– nagekomen bedragen (2.2.5);
|
||||
– restsaldo lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht na de laatste uitkering (2.2.6);
|
||||
– liquidatie GFH Paraplufonds (2.2.7);
|
||||
– restsaldo lijfrente uitkerend in beleggingseenheden 2.2.7);
|
||||
– gevolgen van door toezichthouders getroffen maatregelen (2.2.8);
|
||||
– opzegmogelijkheden lijfrente op grond van de Wft en het BW (2.3.2);
|
||||
– geruisloze terugstorting te veel betaalde premie of te hoge inleg (2.6);
|
||||
– uiteenlopende polisomschrijvingen; standaardclausules (3.2.2);
|
||||
– tussentijdse beëindiging en declausulering van een zuivere nabestaandenlijfrente (4.2.7);
|
||||
– looptijd nabestaandenlijfrenterekening of nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht bij nabestaande die AOW-leeftijd al heeft bereikt (4.2.9);
|
||||
– voorwaarden buitenlandse aanbieders van voortgezette lijfrente of arbeidsongeschiktheidsverzekering (4.9);
|
||||
– Pre Brede Herwaarderingslijfrente; heffing na een overschrijding wettelijke termijn (5.6);
|
||||
– afkoop lijfrente of periodieke uitkeringen vóór 2016 (9.1.2);
|
||||
– onttrekken premie voor periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid aan lijfrentekapitaal (9.1.4);
|
||||
– afkoop lijfrente bij langdurige arbeidsongeschiktheid (9.1.8);
|
||||
– afkoop van alimentatieverplichting (9.3.4);
|
||||
– verrekening van pensioenrechten (9.3.5).
|
||||
– verrekening van pensioenrechten (9.3.5);
|
||||
– leefvervoer verstrekt vanuit het UWV (10).
|
||||
|
||||
Een aantal standpunten zijn vervallen omdat deze door tijdsverloop geen belang meer hebben.
|
||||
|
||||
|
|
@ -63,6 +67,10 @@ In dit besluit zijn beleidsstandpunten opgenomen met betrekking tot lijfrenten b
|
|||
| Financiële instelling | Verzekeraar, bank, beleggingsonderneming beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten |
|
||||
| Lijfrente, lijfrenteproduct | Lijfrenteverzekering, lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht |
|
||||
| Verzekering voor invaliditeit, ziekte of ongeval | Arbeidsongeschiktheids-verzekering |
|
||||
| Burgerlijk Wetboek: | BW |
|
||||
| Houder van een lijfrente: | de verzekeringnemer van een lijfrenteverzekering en de houder van een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht |
|
||||
| Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen: | UWV |
|
||||
| Wet maatschappelijke ondersteuning: | Wmo |
|
||||
|
||||
## 2. Voorwaarden voor lijfrenten (
|
||||
|
||||
|
|
@ -128,13 +136,34 @@ Als de financiële instelling dit restsaldo in een keer uitbetaalt, kan sprake z
|
|||
|
||||
Ik keur goed dat de financiële instelling een dergelijk restsaldo tot ten hoogste € 1.000 samen met de laatste lijfrente-uitkering of separaat kan uitbetalen alsof sprake is van de uitkering van een reguliere lijfrentetermijn. Hierbij wordt voor de hoogte van dit bedrag aangesloten bij het in paragraaf 2.2.5 genoemde bedrag. Als er een restsaldo van meer dan € 1.000 wordt uitbetaald, zijn de regels die gelden bij (gedeeltelijke) afkoop van toepassing en kan revisierente verschuldigd zijn.
|
||||
|
||||
#### 2.2.7. Liquidatie GFH Paraplufonds
|
||||
#### 2.2.7. Restsaldo lijfrente uitkerend in beleggingseenheden
|
||||
|
||||
In december 2016 heeft de AFM het GFH Paraplufonds dichtgezet. In dit fonds werd voor een groot deel geparticipeerd door houders van lijfrentebeleggingsrechten. Het betreft hier zowel lijfrentes in de opbouwfase als in de uitkeringsfase. Eind 2017 is het fonds gesplitst in een liquide deel (het Europees Vastrentend Transitiefonds en het Europees Aandelen Transitiefonds) en een illiquide deel (Europees Vastrentend Fonds en het Europees Aandelen Fonds). Hierna hebben er inhaaluitkeringen plaatsvonden uit het liquide deel. Vanwege het illiquide deel zijn deze uitkeringen weliswaar vast en gelijkmatig maar liggen deze lager dan oorspronkelijk is overeengekomen. Als het illiquide deel ten gelde kan worden gemaakt, wordt dit deel toegevoegd aan het product dat belegd is in het liquide fonds. Als gevolg daarvan kan de uitkering bij een al uitkerende lijfrente omhoog gaan. Dit leidt er toe dat de uitkerende lijfrente niet meer voldoet aan het criterium vast en gelijkmatig. Dit is een indirect gevolg van de beslissing van de AFM en de houders van lijfrentebeleggingsrechten hebben hierop geen invloed. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
Voor lijfrenten waarbij de uitkeringen worden gedaan in de vorm van beleggingseenheden, is in artikel 2a (lijfrenteverzekeringen) respectievelijk artikel 2b (lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten) URIB onder andere bepaald dat het fiscaal is toegestaan dat de hoogte van de termijnen gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden wordt gefixeerd op een bepaald bedrag in euro's per termijn. Als een financiële instelling deze regel uitvoert, kan een restsaldo ontstaan als gevolg van hogere beleggingsresultaten in het laatste uitkeringsjaar van de lijfrente.
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat deze uitkeringen uit de lijfrentebeleggingsrechten afkomstig uit het GFH Paraplufonds voldoen aan het criterium vast en gelijkmatig. Dit geldt zowel voor uitkeringen eind 2017 als voor eventuele latere toevoegingen uit het illiquide fonds.
|
||||
Wanneer de financiële instelling dit restsaldo uitbetaalt, kan fiscaal gezien sprake zijn van gedeeltelijke afkoop. Naast inhouding van loonheffing is over dit bedrag revisierente verschuldigd. Omdat het ontstaan van het restsaldo het gevolg is van de wettelijk toegestane fixatie van de hoogte van de termijnen, acht ik de berekening van revisierente bij het uitkeren van het restsaldo ongewenst. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
|
||||
Als de latere toevoeging aan het liquide fonds leidt tot hogere lijfrenteuitkeringen, moet dit worden uitgesmeerd over de resterende termijnen.
|
||||
Ik keur goed dat bij in beleggingseenheden uitkerende lijfrenten de financiële instelling een restsaldo, dat het directe gevolg is van hogere beleggingsresultaten doordat het feitelijk behaalde beleggingsrendement hoger uitkomt dan de toegepaste rekenrente in het laatste uitkeringsjaar, samen met de laatste lijfrente-uitkering of separaat mag uitbetalen alsof sprake is van de uitkering van een reguliere lijfrentetermijn.
|
||||
|
||||
#### 2.2.8. Gevolgen van door toezichthouders getroffen maatregelen
|
||||
|
||||
De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) hebben onder andere de taak om toezicht te houden op de financiële marktpartijen. Deze toezichthouders kunnen maatregelen treffen waardoor het kan voorkomen dat al lopende lijfrente-uitkeringen niet meer voldoen aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Het kan bijvoorbeeld gaan om maatregelen die worden getroffen voor lijfrente-aanbieders die geliquideerd worden of failliet worden verklaard. Houders van een lijfrente hebben geen invloed op deze maatregelen. Een voorbeeld betreft het door de AFM op slot zetten van een lijfrentebeleggingsfonds, waardoor het vanaf dat moment niet langer mogelijk is om (volledig) uit te laten keren uit het lijfrentebeleggingsfonds. Een ander voorbeeld betreft het op verzoek van DNB failliet verklaren van een levensverzekeraar, waardoor eveneens vanaf dat moment niet langer (volledig) kan worden uitgekeerd. In beide voorbeelden zal worden gezocht naar een overnemende partij van de lijfrenteportefeuille. Totdat een overnemende partij is gevonden, kan een curator de uitkeringen verrichten.
|
||||
|
||||
Als de curator en/of de overnemende partij tot uitkeringen overgaat, zullen deze in het algemeen op een lager niveau liggen dan oorspronkelijk is overeengekomen. Uit een liquidatie en/of faillissement nagekomen betalingen kunnen echter (weer) leiden tot hogere lijfrente-uitkeringen.
|
||||
|
||||
Als door de getroffen maatregelen niet meer wordt voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’, wordt de waarde van de lijfrente bij de houder van een lijfrente in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en is in beginsel revisierente verschuldigd. Aangezien de houders van een lijfrente geen invloed hebben op de door de toezichthouders genomen maatregelen, acht ik deze fiscale gevolgen niet gewenst. Daarom keur ik op grond van de hardheidsclausule (artikel 63 AWR) het volgende goed.
|
||||
|
||||
Voor situaties waarin als gevolg van door DNB of de AFM opgelegde maatregelen een financiële instelling niet of voor een lager bedrag de lijfrente-uitkeringen uitbetaalt aan de houders van de lijfrente, keur ik onder voorwaarden goed dat zowel bij het tijdelijk niet uitkeren als bij het tijdelijk uitkeren van een lager bedrag aan uitkeringen, maar ook bij het herstel van de uitkeringen naar de oorspronkelijke omvang, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Ook mag in die situatie op een later moment de gemiste of lagere uitkering worden ingehaald. Deze situaties zullen niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
|
||||
|
||||
– De lijfrente-uitkeringen worden zo spoedig mogelijk hervat conform de oorspronkelijke lijfrenteovereenkomsten;
|
||||
– De inhaal van gemiste en lagere uitkeringen vindt zo spoedig mogelijk plaats; en
|
||||
– De houders van de lijfrente hebben geen invloed gehad op de financiële situatie van de financiële instelling.
|
||||
|
||||
Voor situaties waarin een financiële instelling door ingrijpen van DNB of de AFM is geliquideerd of failliet is verklaard en de portefeuille is overgenomen door een andere financiële instelling, keur ik onder voorwaarden goed dat wanneer een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling aan de houder van de lijfrente toekomt, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Deze nabetaling zal dan ook niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
|
||||
|
||||
– Het nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling wordt toegevoegd aan een lijfrente-aanspraak als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, Wet IB 2001; en
|
||||
– Als het nagekomen bedrag bij een reeds ingegane lijfrente leidt tot lijfrente-uitkeringen, moet dit bedrag worden uitgesmeerd over de resterende uitkeringen.
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor een van de hiervóór opgenomen goedkeuringen meldt de uitkerende partij aan de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst1Emailadres kennisgroep: kg.verzekeringsproducten.assbel@belastingdienst.nl dat het hier een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van een liquidatie of faillissement betreft.
|
||||
|
||||
### 2.3. Afkoopverbod; verbod op prijsgeven van de lijfrente
|
||||
|
||||
|
|
@ -142,13 +171,23 @@ Als de latere toevoeging aan het liquide fonds leidt tot hogere lijfrenteuitkeri
|
|||
|
||||
Een van de voorwaarden die gesteld worden aan een lijfrente is dat de aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kan worden (artikel 1.7, eerste lid, Wet IB 2001). In de praktijk doen zich situaties voor waarin onduidelijk is of de opmaak van de polis strijdig is met het afkoopverbod of met het verbod op prijsgeven. Hierna neem ik standpunten in met betrekking tot die situaties.
|
||||
|
||||
#### 2.3.2. Opzegmogelijkheid lijfrenteverzekering op grond van de
|
||||
#### 2.3.2. Opzegmogelijkheden lijfrente op grond van de
|
||||
|
||||
Artikel 4:63 Wft legt verzekeraars van niet collectief gesloten overeenkomsten van levensverzekering de verplichting op een opzegmogelijkheid in de overeenkomsten van levensverzekering op te nemen. Deze opzegmogelijkheid biedt de verzekeringnemer de mogelijkheid om de overeenkomst binnen een periode van 30 kalenderdagen met onmiddellijke ingang op te zeggen (wettelijke bedenktijd). Deze periode wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de verzekeringnemer ervan in kennis wordt gesteld dat de overeenkomst is gesloten. De opzegging door de verzekeringnemer heeft tot gevolg dat partijen worden ontheven van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Dit gebeurt met ingang van het tijdstip waarop de verzekeraar de opzegging heeft ontvangen.
|
||||
Voor lijfrenteverzekeringen is in artikel 4:63 Wft een opzegmogelijkheid opgenomen die de verzekeringnemer de mogelijkheid biedt om de overeenkomst binnen een periode van 30 kalenderdagen met onmiddellijke ingang op te zeggen (wettelijke bedenktijd). Deze periode wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de verzekeringnemer ervan in kennis is gesteld dat de overeenkomst is gesloten. De opzegging door de verzekeringnemer heeft tot gevolg dat partijen worden ontheven van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Dit gebeurt met ingang van het tijdstip waarop de verzekeraar de opzegging heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
Het opnemen van de mogelijkheid tot beëindiging van de lijfrenteovereenkomst op grond van artikel 4:63 Wft is niet in strijd met het afkoopverbod. Deze mogelijkheid vloeit voort uit een wettelijke regeling. Maakt de belastingplichtige echter gebruik van deze opzegmogelijkheid, dan is fiscaal wel sprake van afkoop. Als de belastingplichtige de premiestorting heeft afgetrokken, worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen. Daarbij is in beginsel revisierente verschuldigd. Het berekenen van revisierente acht ik in de geschetste situatie niet gewenst, omdat er slechts een korte tijdspanne zit tussen het sluiten van de overeenkomst en de opzegging daarvan op grond van artikel 4:63 Wft. Na beëindiging van de overeenkomst wordt de storting geacht niet te hebben plaatsgevonden, wat van belang kan zijn voor de rendementsgrondslag van box 3.
|
||||
Artikel 4:63 Wft is niet van toepassing op lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Voor lijfrentebeleggingsrechten bestaat geen vergelijkbare opzegmogelijkheid. Voor lijfrenterekeningen die ‘op afstand worden afgesloten’ (via direct writer) is een met de hiervoor bedoelde vergelijkbare opzegmogelijkheid opgenomen in artikel 6:230x BW. Op grond van die bepaling kan een lijfrenterekening door een rekeninghouder worden ontbonden binnen 14 dagen.
|
||||
|
||||
Ik keur op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) goed dat in deze situatie geen revisierente wordt berekend.
|
||||
Het opnemen van de mogelijkheid tot opzegging van de lijfrenteovereenkomst op grond van artikel 4:63 Wft, dan wel tot ontbinding van de lijfrenterekening op grond van artikel 6:230x BW is niet in strijd met het afkoopverbod. Beide mogelijkheden vloeien voort uit een wettelijke regeling. Maakt de belastingplichtige echter gebruik van deze opzeg- of ontbindingsmogelijkheid, dan is fiscaal wel sprake van afkoop. Als de belastingplichtige de premiestorting of inleg heeft gedaan, moet hij negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking nemen. Daarbij is in beginsel revisierente verschuldigd. Het berekenen van revisierente acht ik in de geschetste situatie niet gewenst, omdat er slechts een korte tijdspanne zit tussen het sluiten van de overeenkomst en de opzegging daarvan op grond van een wettelijke regeling.
|
||||
|
||||
Voor lijfrentebeleggingsrechten en lijfrenterekeningen waarbij wordt belegd, zijn geen wettelijke regelingen opgenomen met betrekking tot een bedenktijd. In het kader van een ‘level-playing field’ tussen lijfrente-aanbieders, vind ik het niet gewenst om laatstgenoemde twee vormen van lijfrenten fiscaal anders te behandelen dan lijfrenteverzekeringen en lijfrenterekeningen waarbij niet wordt belegd. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
|
||||
Ik keur onder voorwaarden goed dat wanneer een opzegmogelijkheid dan wel ontbindingsclausule is opgenomen in de lijfrenteovereenkomst, die een periode van 30 dagen na totstandkoming van de lijfrenteovereenkomst niet overschrijdt, dit niet in strijd is met het afkoopverbod en geen revisierente wordt berekend als van deze clausule gebruik wordt gemaakt.
|
||||
|
||||
Ik stel daarbij de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
– de opzegmogelijkheid dan wel ontbindingsclausule geldt voor de gehele overeenkomst en premiestorting/inleg;
|
||||
– de betreffende lijfrenteovereenkomst is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst; en
|
||||
– de premiestorting of inleg wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden, wat van belang kan zijn voor de rendementsgrondslag van box 3.
|
||||
|
||||
#### 2.3.3. Bedenktijdclausule, gewenningsclausule
|
||||
|
||||
|
|
@ -178,7 +217,7 @@ In de praktijk blijkt dat belastingplichtigen een hoger bedrag aan premie of inl
|
|||
|
||||
Het regime waarin lijfrenten met de voor box 1 kwalificerende vorm verplicht worden belast in box 1, kan ruw uitwerken in de situatie dat een belastingplichtige geen aftrek heeft gehad. Het staat echter voorop dat het primair de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige zelf is dat hij zijn ruimte voor de lijfrentepremieaftrek juist berekent. Het blijkt echter dat zich in de praktijk toch situaties voordoen waarin ik de hiervoor geschetste fiscale gevolgen ongewenst acht. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat als de financiële instelling de te veel betaalde premie of de te hoge inleg op de lijfrente terugstort, de lijfrente in zoverre wordt geacht niet te zijn afgekocht of gedeblokkeerd. Onder een ‘te veel betaalde premie of te hoge inleg’ wordt in deze paragraaf verstaan het deel van het betaalde bedrag dat hoger is dan de aftrekruimte – jaarruimte en/of reserveringsruimte – in het betreffende jaar. Dit houdt in dat ook het bedrag bedoeld in artikel 3.107a, tweede lid, Wet IB 2001 (€ 2.269) moet worden teruggestort. De financiële instelling kan het te veel betaalde bedrag zonder fiscale gevolgen terugstorten naar de belastingplichtige. Hiervoor is een verklaring van de inspecteur van de Belastingdienst over het terug te storten bedrag nodig.
|
||||
Ik keur goed dat als de financiële instelling de te veel betaalde premie of de te hoge inleg op de lijfrente terugstort, de lijfrente in zoverre wordt geacht niet te zijn afgekocht of gedeblokkeerd. Onder een ‘te veel betaalde premie of te hoge inleg’ wordt in deze paragraaf verstaan het deel van het betaalde bedrag dat hoger is dan de aftrekruimte – jaarruimte en/of reserveringsruimte – in het betreffende jaar. Het gaat daarbij om elke te hoge betaling/inleg boven de geldende aftrekruimte, ongeacht de hoogte van het bedrag, dus ook om bedragen die lager zijn dan € 2.269. De financiële instelling kan het te veel betaalde bedrag zonder fiscale gevolgen terugstorten naar de belastingplichtige. Hiervoor is een verklaring van de inspecteur van de Belastingdienst over het terug te storten bedrag nodig.
|
||||
|
||||
Deze goedkeuring geldt alleen voor betalingen die zijn gedaan in het kalenderjaar van binnenkomst van het verzoek en de vijf daaraan voorafgaande jaren. Verzoeken die betrekking hebben op eerdere betalingen, wijs ik af.
|
||||
|
||||
|
|
@ -296,13 +335,15 @@ Het voorgaande geldt ook voor nabestaandenlijfrenten die zijn bedongen met toepa
|
|||
|
||||
#### 4.2.4. Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten; niet-natuurlijk persoon
|
||||
|
||||
Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten kunnen alleen natuurlijke personen zijn. In de praktijk doet zich de situatie voor dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld. Op het tijdstip van overlijden komt op grond van het testament vast te staan dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling.
|
||||
Gerechtigden tot een nabestaandenlijfrenteverzekering kunnen alleen natuurlijke personen zijn. Het kan voorkomen dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld en dat uit het testament blijkt dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling.
|
||||
|
||||
Op dat ondeelbare tijdstip voldoet deze nabestaandenlijfrente niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel *b*, Wet IB 2001. Bij de overledene worden daarom negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel *b*, Wet IB 2001). Dit geldt alleen voor het aandeel van de niet-natuurlijke persoon in de nabestaandenlijfrente. Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht waarvan de uitkeringen op het tijdstip van overlijden nog niet zijn ingegaan.
|
||||
Op het ondeelbare tijdstip van overlijden voldoet deze nabestaandenlijfrenteverzekering niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Bij de overledene worden daarom negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen voor het aandeel van de niet-natuurlijke persoon in de nabestaandenlijfrenteverzekering (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Bovendien is de overledene in zoverre revisierente verschuldigd.
|
||||
|
||||
Het is mogelijk dat deze niet-natuurlijk persoon ten gunste van de andere erfgenamen afstand doet van zijn begunstiging. Het afstand doen gebeurt echter na het tijdstip van overlijden. Formeel voldoet de nabestaandenlijfrente op dat tijdstip niet meer aan de voorwaarden. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
Dit is van overeenkomstige toepassing op een nabestaandenlijfrenterekening en een nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht waarvan de uitkeringen op het tijdstip van overlijden nog niet zijn ingegaan (opbouwfase). Gerechtigden tot een nabestaandenlijfrenterekening of nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht in de opbouwfase kunnen net als bij een nabestaandenverzekering alleen natuurlijke personen zijn. Het verschil met de nabestaandenverzekering is dat als de uitkeringen uit een nabestaandenlijfrenterekening en een nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht op het tijdstip van overlijden echter al waren ingegaan (uitkeringsfase), de gerechtigden tot dergelijke nabestaandenlijfrenten ook niet-natuurlijke personen kunnen zijn.
|
||||
|
||||
Als een niet-natuurlijk persoon afstand doet van de begunstiging te gunste van de andere erfgenamen, worden er geen negatieve uitgaven bij de overledene in aanmerking genomen.
|
||||
Het is mogelijk dat de niet-natuurlijk persoon bij een uitkerende nabestaandenlijfrenteverzekering of bij een nabestaandenlijfrenterekening en nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht in de opbouwfase ten gunste van de andere erfgenamen afstand doet van zijn begunstiging respectievelijk gerechtigdheid. Het afstand doen gebeurt dan na het tijdstip van overlijden. Formeel voldoet de nabestaandenlijfrente op dat tijdstip niet meer aan de voorwaarden. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat als een niet-natuurlijk persoon afstand doet van de begunstiging of gerechtigheid ten gunste van de andere erfgenamen, er geen negatieve uitgaven bij de overledene in aanmerking worden genomen.
|
||||
|
||||
#### 4.2.5. Uitleg begrip ‘jaren’
|
||||
|
||||
|
|
@ -324,6 +365,18 @@ In de praktijk komt de volgende situatie voor. Een verzekerd persoon moet na het
|
|||
|
||||
Voor een zuivere nabestaandenlijfrente is het in paragraaf 3.3 en 3.4 opgenomen beleid ten aanzien van tussentijdse beëindiging en declausulering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### 4.2.9. Looptijd nabestaandenlijfrenterekening of nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht bij nabestaande die AOW-leeftijd al heeft bereikt
|
||||
|
||||
Na het overlijden van de verzekerde persoon van wiens leven het ingaan van een nabestaandenlijfrente afhankelijk is, komt het lijfrentekapitaal bij een verzekering toe aan de begunstigden bij overlijden zoals die zijn genoemd in de polis. Bij een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht komt het tegoed bij overlijden van de rekeninghouder toe aan zijn erfgenamen.
|
||||
|
||||
In de praktijk doen zich situaties voor waarin iemand die de AOW-gerechtigde leeftijd al heeft bereikt, gerechtigd wordt tot een nabestaandenlijfrente. Het kan hierbij gaan om situaties waarin de overleden verzekerde persoon bijvoorbeeld een kind is en de gerechtigde een ouder is. Verzekeraars bieden in sommige gevallen geen lijfrenteverzekering meer aan als de gerechtigde tot de lijfrenteverzekering een dusdanig hoge leeftijd heeft bereikt dat dit door de hoge overlijdenskans niet meer verzekerbaar is. In dergelijke situaties bestaat er voor de gerechtigde tot de nabestaandenlijfrente bij de verzekeraar geen andere mogelijkheid dan de lijfrenteverzekering af te kopen met onder andere de verschuldigdheid van revisierente tot gevolg.
|
||||
|
||||
Om de fiscale gevolgen bij afkoop van de lijfrenteverzekering te voorkomen, kan de gerechtigde tot het nabestaandenlijfrentekapitaal met dit kapitaal een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht afsluiten. Wanneer het gaat om een bloed- of aanverwant, niet zijnde de (gewezen) partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, is deze gerechtigde dan echter gebonden aan een looptijd van minimaal 20 jaar.2Artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 2, Wet IB 2001 De achtergrond van deze minimale looptijd is om voor lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten een levenslange uitkering te benaderen, zodat sprake is van een reële oudedagsvoorziening.
|
||||
|
||||
In de geschetste situatie vind ik het ongewenst om voor een gerechtigde die ouder is dan de AOW-leeftijd, aan te sluiten bij de minimale looptijd van 20 jaar. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van de tussentijds afgesloten contracten.
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat als een gerechtigde tot een nabestaandenlijfrenterekening of nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht, zijnde een bloed- of aanverwant, niet (gewezen) partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, ouder is dan de AOW-leeftijd, de minimale looptijd van 20 jaar van een nabestaandenlijfrenterekening of nabestaandenlijfrentebeleggingsrecht wordt verminderd met ieder jaar dat deze gerechtigde ouder is dan zijn AOW-leeftijd, met dien verstande dat de looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. Het begrip ‘jaar’ wordt in dit verband opgevat als een aaneengesloten periode van 12 maanden. Voor de minimale looptijd van vijf jaar wordt aangesloten bij de minimumtermijn voor lijfrente-uitkeringen voor partners en niet-bloed- en aanverwanten.
|
||||
|
||||
### 4.3. Oudedagslijfrente op twee levens
|
||||
|
||||
Er zijn producten waarin in de eerste plaats een lijfrente op twee levens is verzekerd. Hierbij gaan de termijnen in bij het in leven zijn van de verzekeringnemer én van zijn partner (oudedagslijfrente) op de afgesproken datum. Bij eerder overlijden van de verzekeringnemer dan wel zijn partner gaat op grond van de overeenkomst een lijfrente in op het leven van de overblijvende partner (nabestaandenlijfrente). De rechten op de oudedagslijfrente vervallen bij het ingaan van de nabestaandenlijfrente. Een dergelijke lijfrentevorm is op grond van de Wet IB 2001 niet toegestaan omdat uitsluitend de verzekeringnemer de enige verzekerde persoon kan zijn voor de oudedagslijfrente. In deze verzekeringsvorm volgt bij vooroverlijden van de partner van de verzekeringnemer weliswaar geen oudedagslijfrente, maar op dat moment gaat wel een nabestaandenlijfrente in. Dergelijke verzekeringen vervullen een maatschappelijke functie. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
|
||||
|
|
@ -362,9 +415,7 @@ De vastgestelde waarde van de lijfrente op 31 december 2005 waarvoor nog overbr
|
|||
|
||||
### 4.6. Overschrijden wettelijke termijn voor bedingen lijfrente
|
||||
|
||||
Een belastingplichtige moet uiterlijk 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractuele berekeningsdatum (expiratie- of einddatum) van de lijfrente de uitkeringsfase van zijn lijfrente invullen dan wel een uitgestelde lijfrente bedingen. De expiratie- of einddatum van de opbouwfase moet echter wel liggen in het kalenderjaar waarin de belanghebbende de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
|
||||
|
||||
Voor een nabestaandenlijfrente is de uiterste datum 31 december van het tweede kalenderjaar na de datum van overlijden (artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001).
|
||||
De termijn waarbinnen een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen is vastgelegd in artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001. Deze wettelijke termijn brengt met zich mee dat een belastingplichtige uiterlijk 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractuele berekeningsdatum (expiratie- of einddatum) van de lijfrente de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen dan wel een uitgestelde lijfrente moet bedingen. De expiratie- of einddatum van de opbouwfase moet wel liggen uiterlijk in het kalenderjaar waarin de belanghebbende de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Voor een nabestaandenlijfrente is de uiterste datum 31 december van het tweede kalenderjaar na de datum van overlijden.
|
||||
|
||||
Voor lijfrenten waarop het regime van de Wet IB 1964, tekst tot en met 1991, nog van toepassing is, geldt een bepaling met gelijke strekking in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, Invoeringswet Wet IB 2001. Door deze bepaling is het mogelijk dat de uitkeringsfase van een levenslange oudedagslijfrente aanvangt op een hogere leeftijd dan de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -885,7 +936,17 @@ Een dergelijke lijfrenteverzekering mag op de overeengekomen ingangsdatum ook fi
|
|||
|
||||
Deze laatste voorwaarde geldt ook voor een Pre-Brede Herwaarderingsverzekering die wordt omgezet in een lijfrente waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is.
|
||||
|
||||
## 10. Ingetrokken regeling
|
||||
## 10. Leefvervoer verstrekt vanuit het UWV
|
||||
|
||||
Leefvervoer is een voorziening gericht op vervoer van personen met een aandoening die nodig is voor persoonlijke activiteiten en deelname aan de maatschappij, zoals op bezoek gaan, winkelen, uitgaan en sporten. Hierbij kan worden gedacht aan vervoer per regio- of rolstoeltaxi, een aanpassing van de auto, een scootmobiel of zelfs een auto in bruikleen. Leefvervoer vormt voor de gerechtigde tot leefvervoer3Artikel 3.101, eerste lid, sub 1, Wet IB 2001 een belastbare publiekrechtelijke periodieke uitkering en verstrekking. De Wet IB 2001 voorziet echter in een vrijstelling van deze publiekrechtelijke periodieke uitkering en verstrekking4Artikel 3.104, onderdeel l, Wet IB 2001 indien de aanvraag via de gemeente verloopt5Het leefvervoer wordt op grond van de Wmo 2015 onder voorwaarden toegekend door de gemeente.
|
||||
|
||||
Genoemde vrijstelling ziet niet op de situatie waarin het leefvervoer vanuit het UWV wordt verstrekt. Het UWV kan op grond van socialezekerheidswetgeving met door de gemeente verstrekt leefvervoer toekennen. Deze privé-vervoerbehoefte wordt doorgaans door het UWV meegenomen bij een aanvraag voor de vervoersvoorziening die ziet op verkeer van en naar werk of onderwijs. Hiermee wordt beoogd dat een gerechtigde niet alsnog naar het Wmo-loket van de gemeente hoeft voor een separate indiening van een aanvraag voor leefvervoer. In tegenstelling tot leefvervoer dat is toegekend door de gemeente, is in de Wet IB 2001 geen vrijstelling opgenomen voor leefvervoer dat is toegekend door het UWV.
|
||||
|
||||
Het geschetste verschil in behandeling acht ik ongewenst. Een gerechtigde tot de vervoersvoorziening vanuit het UWV, gericht op vervoer van en naar werk of opleiding, wordt op deze wijze alsnog verplicht om langs twee instanties te gaan. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van tussentijds toegepaste vrijstellingen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen inzake leefvervoer vanuit het UWV.
|
||||
|
||||
Ik keur goed dat een gerechtigde tot door het UWV toegekend leefvervoer aanspraak kan maken op een vrijstelling voor publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen van dat leefvervoer zoals is opgenomen in artikel 3.104 Wet IB 2001.
|
||||
|
||||
## 11. Ingetrokken regeling
|
||||
|
||||
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
|
||||
|
||||
|
|
@ -894,10 +955,10 @@ De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van di
|
|||
– Het besluit van 3 juni 2015, nr. BLKB2015/463M (opgenomen in dit besluit;
|
||||
– Het besluit van 3 september 2015, nr. BLKB2015/1080M (opgenomen in dit besluit).
|
||||
|
||||
## 11. Inwerkingtreding
|
||||
## 12. Inwerkingtreding
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de *Staatscourant* waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.
|
||||
|
||||
## 12. Citeertitel
|
||||
## 13. Citeertitel
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als Verzamelbesluit Lijfrenten.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue