2008-07-13 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
This commit is contained in:
parent
f757db24dd
commit
acd8522baa
1 changed files with 407 additions and 512 deletions
|
|
@ -3,22 +3,20 @@ titel: Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
|
|||
bwb_id: BWBW33099
|
||||
type: circulaire
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2006-02-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2008-07-13'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBW33099
|
||||
citeertitel: Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 1
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
### 1-1-a. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -28,13 +26,13 @@ Geen.
|
|||
|
||||
20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)04-02-200501-01-2005
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
### 1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat in de overgelegde documenten alsook in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) de geboortedatum niet volledig is vermeld (de geboortemaand of de geboortedag ontbreekt). Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het in een aantal gevallen echter noodzakelijk dat een volledige geboortedatum wordt vastgesteld. Zo dient bijvoorbeeld te worden bepaald of een kind twaalf jaar is (artikel 2, vierde lid, RWN), zestien jaar is (artikel 6, zevende lid, RWN en artikel 11, tweede tot en met vierde lid, RWN), nog minderjarig is, of dat een meerderjarig persoon een bepaalde leeftijd heeft bereikt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN). Voor de toepassing van de RWN dient in dergelijke gevallen de geboortedatum van een persoon op de volgende wijze te worden bepaald. De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie dient in eerste instantie te worden bepaald uitsluitend aan de hand van zijn geboorteakte (of een uittreksel van een geboorteakte), zulks ongeacht wat er in andere documenten (bijvoorbeeld huwelijksakte, paspoort, identiteitskaart en dergelijke) is vermeld. Indien in een geboorteakte uitsluitend het geboortejaar is vermeld, dan wordt bij de beoordeling 1 juli als geboortedatum gehanteerd. Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand vermeld, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand1Vergelijk hoofdstuk B2/6.5.3 Vc 2000.. Pas indien geen geboorteakte kan worden overgelegd en een dergelijk document ook in het verleden niet is overgelegd, kunnen bij de bepaling van de geboortedatum andere documenten worden gebruikt op de wijze zoals hierboven vermeld.
|
||||
|
||||
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de GBA leidend is. Dit betekent dat indien in de GBA alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
### 1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vreemdeling: hij die de Nederlandse nationaliteit niet bezit.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -44,7 +42,7 @@ Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f
|
||||
### 1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder staatloze: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -57,18 +55,18 @@ Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
|
||||
### 1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. **
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Ingevolge dit artikellid betekent ‘toelating’ dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 is de Minister van Justitie het bevoegde bestuursorgaan om een verblijfsvergunning te verlenen (zie de artikelen 9, 14, 20, 28 en 33 Vw 2000) dan wel te verlengen. In het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) is bepaald in welke gevallen die bevoegdheid door de Minister is gemandateerd aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.10, 3.15, 3.35 en 3.36 VV 2000).
|
||||
|
||||
##### 2. Toelating
|
||||
#### 2. Toelating
|
||||
|
||||
Van ‘toelating’ in Nederland in de zin van deze Rijkswet is sprake indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000. De vreemdeling dient dit rechtmatige verblijf aan te tonen aan de hand van een verblijfsdocument. De Minister van Justitie verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000 een verblijfsdocument waaruit dit rechtmatig verblijf blijkt (artikel 9, eerste lid, Vw 2000).
|
||||
|
||||
|
|
@ -81,7 +79,7 @@ d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in arti
|
|||
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (dit kan blijken uit een verklaring van inschrijving van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), een duurzaam verblijfsdocument, verblijfsdocument EU/EER, verblijfsdocument I of een sticker in geldig document voor grensoverschrijding of op inlegvel)6In de GBA wordt deze verblijfstitel aangegeven met de GBA-codes 28, 29 of 30.;
|
||||
f. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (verblijfsdocument I7In de GBA wordt deze verblijfstitel aangegeven met de GBA-code 35., voor vreemdelingen die tevens rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder b, c dan wel d, Vw 2000 het verblijfsdocument II, III respectievelijk IV).
|
||||
|
||||
##### 3. Toelating voor onbepaalde tijd
|
||||
#### 3. Toelating voor onbepaalde tijd
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN dient de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Nederland te hebben. Dit betekent dat hij in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter.
|
||||
|
||||
|
|
@ -89,11 +87,11 @@ Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor on
|
|||
|
||||
Bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (wordt verleend onder een beperking), dient nader te worden onderzocht of sprake is van toelating voor onbepaalde tijd (dit hangt af van de beperking waaronder de vergunning is verleend dan wel de geldigheidsduur van de vergunning).
|
||||
|
||||
##### 4. Toelating minderjarigen
|
||||
#### 4. Toelating minderjarigen
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie dient een kind op grond van artikel 11 RWN te voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN). Echter, ingevolge artikel 4.21, tweede lid Vb 2000 wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een uittreksel GBA waarop de verblijfstitel-gegevens van het kind vermeld staan.
|
||||
|
||||
##### 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’
|
||||
#### 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’
|
||||
|
||||
Sedert 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, tweede lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), veertien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in het Koninkrijk moet zijn toegelaten.8De onafgebroken periode van toelating van vóór 1 april 2003 kan worden meegeteld.Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de hierboven genoemde termijnen. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -102,7 +100,7 @@ Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. T
|
|||
– Indien de vreemdeling *tijdig*, dat wil zeggen vóór de afloop van zijn verblijfsvergunning, om verlenging heeft verzocht en hij op dat moment voldoet aan de voorwaarden, is de vergunning in aansluiting op de eerdere vergunning verleend. Er is geen verblijfsgat.
|
||||
– Indien de vreemdeling *niet tijdig* om verlenging heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van zijn verblijfsvergunning, is de vergunning op zijn vroegst pas vanaf de datum van de aanvraag verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning (zie artikel 26, tweede en derde lid, Vw 2000, artikel 44, vijfde lid, Vw 2000 en artikel 3.80 tot en met 3.82 Vb 2000). Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan. Door het bestuursorgaan dat beslist op de aanvraag om verlenging wordt hierop een uitzondering gemaakt indien de aanvraag niet tijdig is ingediend wegens omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen.9Er zal niet snel sprake zijn van een situatie waarin een niet-tijdige indiening is te wijten aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Hierbij is van belang dat er algemene voorlichtingsfolders zijn die de vreemdeling wijzen op het belang van een tijdige indiening. Ook is er een rappelsysteem dat wordt gebruikt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om de vreemdeling er schriftelijk op te wijzen dat hij zijn verblijfsvergunning op tijd moet verlengen.In dat geval is in de toelatingsprocedure de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en in aansluiting op de eerdere vergunning verleend.
|
||||
|
||||
##### 6.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
|
||||
#### 6.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
|
||||
|
||||
– een vreemdeling meldt zich bij de burgemeester van zijn woonplaats met als doel het Nederlanderschap aan te vragen;
|
||||
– de burgemeester adviseert betrokkene over de wijze waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen (optie of naturalisatie). Aan de hand van deze informatie bepaalt betrokkene op welke wijze hij de Nederlandse nationaliteit wenst te verkrijgen. Welke periode van onafgebroken toelating voor betrokkene geldt, is afhankelijk van de vraag op grond van welke wettelijke bepaling deze het Nederlanderschap kan en wenst te verkrijgen;
|
||||
|
|
@ -116,15 +114,15 @@ Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. T
|
|||
– bij naturalisatie: de burgemeester stuurt het bericht omtrent toelating met het advies naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Bij het bericht omtrent toelating worden, indien dit bij de aanvraag om het bericht omtrent toelating niet is gedaan, een kopie van het verblijfsdocument en de actuele en historische verblijfstitelgegevens uit de GBA gevoegd;
|
||||
– de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beslist op het verzoek met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken).
|
||||
|
||||
##### 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating
|
||||
#### 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating
|
||||
|
||||
Gemeenschapsonderdanen ontlenen hun rechtmatig verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van een gemeenschapsonderdaan ontstaat van rechtswege maar eindigt als regel niet van rechtswege. Indien het verblijfsrecht niet van rechtswege is vervallen, is voor de beëindiging van het verblijfsrecht een beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) nodig.
|
||||
|
||||
##### 7. Voordeel van de twijfel
|
||||
#### 7. Voordeel van de twijfel
|
||||
|
||||
Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een optant of naturalisandus voor een bepaalde periode (onafgebroken) toelating heeft (gehad). De oorzaak hiervan is gelegen in het niet altijd compleet zijn van zowel de elektronische als de fysieke vreemdelingenadministraties. In deze gevallen wordt de bewijslast aangepast en wordt in het BOT voor die bewuste periode vermeld, dat, hoewel de toelating niet (meer) kan worden vastgesteld wegens de onvolledigheid van de ter beschikking staande gegevens, betrokkene geacht wordt te zijn toegelaten geweest. Voorwaarde is wel dat duidelijkheid wordt verschaft omtrent de datum van eerste toelating en dat in de periode waarover de twijfel zich uitstrekt, geen sprake is van enige aanwijzing waaruit een vermoeden van illegaal verblijf kan worden afgeleid. Indien hieraan wordt voldaan en er overigens geen andere gegevens zijn waaruit blijkt dat de vreemdeling gedurende een bepaalde periode geen verblijfsrecht zou hebben gehad, dan krijgt de vreemdeling het voordeel van de twijfel.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
|
||||
### 1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -234,7 +232,7 @@ Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een optant of naturalisandus voo
|
|||
|
||||
200410101-06-200419-05-2004HKUIT04-2651AUB200410101-06-200419-05-2004HKUIT04-2651AUB01-08-2004
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 1, tweede lid
|
||||
### 1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid
|
||||
|
||||
**Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze rijkswet wordt mede verstaan onder:**
|
||||
|
||||
|
|
@ -266,7 +264,7 @@ Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een optant of naturalisandus voo
|
|||
|
||||
20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)04-02-200501-01-2005
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 2
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 4; 6.1b t/m d; 6.2; 6.7; 7; 10; 11.3; 11.4; 11.6; 14.1; 16.1b; 26.3; 28.1 en 28.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -280,15 +278,13 @@ HKV 1961: artikel 3
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 2, eerste lid
|
||||
### 2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
|
||||
|
||||
Een kind wordt op 15 januari 2001 buiten huwelijk geboren uit een niet-Nederlandse vrouw. Bij uitspraak van 30 juni 2003 wordt door de Nederlandse rechter vastgesteld dat een Nederlandse man de vader is. Het rechtsgevolg van de gerechtelijke vaststelling is dat het kind en de man vanaf de geboorte van het kind in familierechtelijke betrekkingen tot elkaar komen te staan. De vaststelling werkt immers terug tot aan de geboorte van het kind. Het kind wordt echter pas Nederlander op het in artikel 4 RWN vermelde tijdstip.
|
||||
|
||||
Een kind wordt op 15 januari 2001 buiten huwelijk geboren uit een niet-Nederlandse vrouw. Op 30 januari 2004 wordt het kind erkend door een Nederlandse man. De moeder legt op 1 mei 2007 voor het kind een schriftelijke verklaring af ter verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Aan alle voorwaarden wordt voldaan en de verkrijging van het Nederlanderschap wordt op 10 mei 2007 bevestigd. Tussen het kind en de man zijn op 30 januari 2004 familierechtelijke betrekkingen ontstaan (een erkenning heeft rechtsgevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan). Het kind verkrijgt echter pas het Nederlanderschap op 10 mei 2007, de datum waarop de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 2, tweede lid
|
||||
### 2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid
|
||||
|
||||
**Behoudens in de bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen worden verklaringen en verzoeken in persoon afgelegd en ingediend.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -317,36 +313,9 @@ Een kind wordt op 15 januari 2001 buiten huwelijk geboren uit een niet-Nederland
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 2, derde lid
|
||||
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
|
||||
|
||||
**Verklaringen en verzoeken van minderjarigen worden door hun wettelijke vertegenwoordiger afgelegd of ingediend.**
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
In dit artikellid is het beginsel neergelegd dat minderjarigen bij het afleggen van optieverklaringen, verklaringen van afstand van het Nederlanderschap en het indienen van verzoeken om naturalisatie moeten zijn vertegenwoordigd door hun wettelijk vertegenwoordiger (zie ook artikel 3, derde lid, BVVN). Ook de wettelijk vertegenwoordiger zal in beginsel in persoon dienen te verschijnen teneinde zoveel mogelijk zekerheid te verschaffen over zijn identiteit (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, tweede lid, BVVN).
|
||||
|
||||
|
||||
Wie de wettelijk vertegenwoordiger is, wordt bepaald door het Nederlands recht inclusief de regels van internationaal privaatrecht. Het ligt op de weg van de persoon die de verklaring aflegt of het verzoek indient om aan te tonen dat hij of zij de wettelijk vertegenwoordiger is.
|
||||
|
||||
|
||||
In het Nederlands recht moet bij de vraag wie de wettelijk vertegenwoordiger is in beginsel worden gedacht aan degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. Ingevolge artikel 245 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek staan minderjarigen onder gezag. Onder ‘gezag’ wordt verstaan het ouderlijk gezag en de voogdij. Het ouderlijk gezag en de voogdij kunnen zowel door één persoon als door meerdere personen tegelijk (gezamenlijk ouderlijk gezag of gezamenlijke voogdij) worden uitgeoefend. Verwezen wordt naar Boek 1, titel 14, BW. Ook de adoptiefouders hebben gezag en kunnen worden aangemerkt als wettelijk vertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
|
||||
N.B. Door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ontstaan familierechtelijke betrekkingen met het kind. Dit is echter niet hetzelfde als het uitoefenen van het gezag over het kind. Een erkenner of degene van wie gerechtelijk is vastgesteld dat hij de vader is, heeft (nog) geen gezag over het kind en kan derhalve niet worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger. Los van de erkenning of de gerechtelijke vaststelling kan hij dit gezag met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen wel verkrijgen.
|
||||
|
||||
|
||||
Bij gezagsvoorzieningen die niet voortvloeien uit het Nederlands recht geldt in beginsel dat het nationale recht van de minderjarige bepaalt wie het gezag uitoefent. Volgens het Marokkaanse recht bijvoorbeeld berust het gezag over minderjarigen uitsluitend bij de vader. Ingevolge artikel 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 (HKV 1961, *Trb. *1963, 29 en 1968, 101; inwerkingtreding voor Nederland 18 september 1971) wordt een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de staat waarvan de minderjarige onderdaan is in Nederland erkend. Het HKV 1961 heeft weliswaar geen onbeperkte werking (het verdrag is bijvoorbeeld niet van toepassing indien de minderjarige niet in een verdragsland woont), maar de jurisprudentie pleegt de verdragsregels wel als richtsnoer te gebruiken.
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel 3 HKV 1961 wordt in de praktijk ook toegepast ten aanzien van minderjarigen die geen onderdaan zijn van een verdragsland. Artikel 3 HKV 1961 verplicht de rechter van het land waar de minderjarige zijn gewone verblijf heeft niet om de uit de nationale wet voortvloeiende gezagsverhouding altijd te eerbiedigen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de reikwijdte van artikel 3 HKV 1961 beperkt is in die zin dat ook de autoriteiten van een land waar het kind zijn gewone verblijf heeft, bevoegd kunnen zijn om –in het belang van het kind –een gezagsvoorziening naar Nederlands recht te treffen (zie voorbeeld 2 bij het vierde lid hierna18HR 1 juli 1982, NJ 1983, 201: de Hoge Raad overwoog in deze zaak van een van huis weggelopen Marokkaans meisje dat op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming door de Kinderrechter te ’s-Gravenhage onder toezicht was gesteld: “Dit leidt ertoe aan artikel 3 de betekenis toe te kennen van een erkenningsregel, die gericht is op de continuïteit van de gezagsverhouding, doch die er niet aan in de weg staat dat de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de staat waar een minderjarige zijn ‘résidence habituelle’ heeft, de in hun interne wet voorkomende maatregelen nemen die ter bescherming van de minderjarige noodzakelijk zijn.” Het cassatiemiddel van de Marokkaanse vader waarin gesteld werd dat een ondertoezichtstelling naar Nederlands recht onjuist is, omdat ingevolge artikel 3 HKV 1961 het Marokkaanse recht had moeten worden toegepast, faalde. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bleef hierdoor in stand waardoor het uit het Marokkaanse recht voortvloeiende gezag van de vader werd ingeperkt. HR 18 november 1983, NJ 1984, 343: de Rechtbank ’s-Gravenhage had de Marokkaanse moeder benoemd tot voogdes en de Marokkaanse vader tot toeziend voogd over de uit het – door verstoting ontbonden – huwelijk geboren minderjarige dochter. De Hoge Raad nam wederom het standpunt in dat artikel 3 HKV 1961 er niet aan in de weg staat dat een gezagsvoorziening naar Nederlands recht wordt getroffen. Ook hier faalde het middel van de vader dat ingevolge artikel 3 HKV 1961 het Marokkaans recht van toepassing zou zijn..
|
||||
Hieruit volgt dat ingevolge artikel 3 HKV 1961 in beginsel de nationale wet van de minderjarige bepaalt wie het gezag uitoefent, maar dat de uit die wet voortvloeiende gezagsverhouding niet in alle gevallen door de administratieve en rechterlijke instanties als onaantastbaar moet worden beschouwd19Voor een uitgebreide omschrijving van deze problematiek wordt verwezen naar de Kluwerbundel Personen- en familierecht, deel 3, titel 14 internationaal privaatrecht..
|
||||
|
||||
|
||||
Ingevolge het onderhavige artikellid moet een minderjarige bij het afleggen van verklaringen en het indienen van verzoeken betreffende de nationaliteit zijn vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger.20Een ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is, kan ingevolge artikel 2, derde lid, RWN geen optieverklaring afleggen of een verzoek om naturalisatie indienen voor een kind. Een ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is, kan wél in zijn optieverklaring of zijn verzoek om naturalisatie aangeven dat een kind moet delen in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is immers niet een verklaring of verzoek van de minderjarige als bedoeld in artikel 2, derde lid, RWN. Het kind kan dan delen in de verkrijging van of de verlening aan deze ouder van het Nederlanderschap. . Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar die op grond van het vierde lid in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening van het Nederlanderschap. Hetzelfde geldt voor minderjarigen vanaf zestien jaar die uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de (mede)verkrijging of (mede)verlening. Het gaat er in die situatie immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt.
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 2, vierde lid
|
||||
### 2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid
|
||||
|
||||
Uit de wetstekst vloeit voort dat bij de toepassing van dit artikellid een onderscheid dient te worden gemaakt naar leeftijd. Kinderen jonger dan 12 jaar krijgen geen gelegenheid om te verzoeken om een zienswijze te geven. Kinderen tussen de 12 en 16 jaar kunnen desgevraagd wel een zienswijze geven. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met artikel 6, zevende lid, RWN, artikel 11, derde lid, RWN, artikel 26, derde lid, RWN en artikel 28, derde lid, RWN waaruit volgt dat kinderen van zestien jaar of ouder uitdrukkelijk moeten instemmen met de (mede)verkrijging of (mede)verlening (zie ook toelichting bij het tweede lid hiervoor). De (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (als bedoeld in de tweede volzin van dit artikellid) kunnen in alle gevallen (ongeacht de leeftijd van het betreffende kind) vragen om een zienswijze naar voren te brengen. Het artikellid is van toepassing zowel bij zelfstandige verkrijging/verlening als bij medeverkrijging/medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind.
|
||||
|
||||
|
|
@ -372,7 +341,7 @@ C is een jaar oud en heeft de Duitse nationaliteit. Bij de geboorte van C is haa
|
|||
|
||||
De moeder van C wil de Nederlandse nationaliteit verkrijgen en gaat naar de gemeente van haar woonplaats om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Bij het indienen van het verzoek geeft zij aan dat zij C wil laten meedelen in de verlening van het Nederlanderschap. Aan alle voorwaarden voor naturalisatie en medeverlening wordt voldaan. De man die C heeft erkend, behoeft niet te worden gevraagd om een zienswijze omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap door C. Weliswaar is hij de juridische vader van C, maar hij wordt niet aangemerkt als ‘andere ouder’ als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN. De rechter heeft immers bepaald dat het niet in het belang van het kind is dat hij zeggenschap over C heeft.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 3
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 1.1h; 4 en 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -380,19 +349,17 @@ BW: artikel 1:199
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 3-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikel is alleen van toepassing op ná 31 december 1984 geboren kinderen. Vóór 1 januari 1985 geboren kinderen van een Nederlandse moeder waren meestal geen Nederlander. Voor een aantal van deze kinderen was van 1 januari 1985 tot 1 januari 1988 een overgangsregeling van toepassing (vergelijk artikel 27, tweede lid, RWN (oud)).
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 3, eerste lid
|
||||
### 3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid
|
||||
|
||||
A is in 2004 in Duitsland geboren als kind van een Nederlandse moeder en een Turkse vader. Hij ontleent weliswaar de Turkse nationaliteit aan zijn vader, maar verkrijgt bij geboorte tevens het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN. Dat A niet in Nederland geboren is, speelt geen rol.
|
||||
|
||||
B wordt in 2004 geboren uit een ongehuwde Duitse vrouw. Twee maanden voor zijn geboorte is hij (als ongeboren vrucht) erkend door een Nederlander, die een maand voor de geboorte van B is overleden. B ontleent weliswaar de Duitse nationaliteit aan zijn moeder, maar verkrijgt bij zijn geboorte tevens het Nederlanderschap op grond van artikel 3, eerste lid, RWN, omdat zijn vader vóór zijn geboorte als Nederlander is overleden.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 3, tweede lid
|
||||
### 3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
|
||||
|
||||
Op een Nederlands (in Nederland te boek gesteld) zeeschip is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Drie jaren later blijkt dat het kind is geboren uit een ongehuwde Franse vrouw en dat het derhalve door geboorte de Franse nationaliteit bezit. Het kind moet hierdoor geacht worden nimmer Nederlander te zijn geweest.
|
||||
|
||||
|
|
@ -400,7 +367,7 @@ In Rotterdam is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden
|
|||
|
||||
In Amsterdam is in 2004 een kind gevonden, waarvan de afstamming niet kan worden vastgesteld. Het kind wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, RWN aangemerkt als Nederlander. Vier jaren later blijkt het kind bij geboorte staatloze ouders te hebben gehad. Weliswaar is binnen vijf jaren na het vinden de afstamming van het kind bekend geworden, doch dat heeft voor het kind niet tot gevolg gehad dat het door geboorte een vreemde nationaliteit bezit. Het kan immers aan de ouders geen nationaliteit ontlenen, omdat die staatloos zijn. In dit geval blijft het kind het Nederlanderschap ontlenen aan artikel 3, tweede lid, RWN.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 3, derde lid
|
||||
### 3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid
|
||||
|
||||
Tijdens de vakantie in Nederland van een in Duitsland wonend Duits echtpaar wordt in Haarlem hun zoon A geboren. A trouwt in 2000 met een Française, die geboren is in Frankrijk uit aldaar wonende ouders. Tijdens de vakantie van A en zijn echtgenote, die beiden in Frankrijk wonen, wordt in 2004 in Vlissingen zoon B geboren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -424,7 +391,7 @@ Conclusie is dan ook, dat D noch via de moederlijke, noch via de vaderlijke lijn
|
|||
|
||||
Van een Turks echtpaar is zowel de man als de vrouw in Nederland geboren uit in Nederland wonende ouders. De vrouw heeft zich in Turkije gevestigd en de man is in Nederland blijven wonen. In 2004 wordt in Turkije uit de vrouw kind G geboren. Het kind blijft in Turkije bij de moeder, door wie het vanaf de geboorte wordt verzorgd. Kind G verkrijgt bij zijn geboorte niet het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, RWN. De vader heeft weliswaar ten tijde van de geboorte van het kind zijn hoofdverblijf in Nederland en hij is zelf geboren uit in Nederland wonende ouders, doch kind G heeft ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf in Nederland, maar in Turkije (bij zijn moeder, door wie hij wordt verzorgd).
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 4
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 3.1; 3.3 (oud); 4 (oud) en 14.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -434,7 +401,9 @@ WCN: artikelen 5b.f en 5c
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### 1. Algemeen
|
||||
### 4-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Tot 1 april 2003 verkreeg een minderjarige vreemdeling de Nederlandse nationaliteit door erkenning en/of wettiging door een Nederlander (artikel 4 RWN (oud)). Thans kan een erkende en/of gewettigde minderjarige na drie jaar opvoeding en verzorging door de Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. Zie artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
|
||||
|
||||
|
|
@ -452,11 +421,11 @@ Om aan te tonen dat de erkenner ook de biologische vader van het kind is, is nie
|
|||
|
||||
Ook een buitenlandse erkenning waarbij de biologische afstamming als voorwaarde geldt of een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische vaderschap na de erkenning is vastgesteld, kan nationaliteitsrechtelijk gevolg hebben(verkrijging Nederlanderschap). Ten aanzien van een dergelijke rechterlijke uitspraak zijn de zorgvuldigheidseisen van artikel 9 en 10 Wet conflictenrecht afstamming (Wca) van overeenkomstige toepassing. Het Nederlanderschap wordt van rechtswege verkregen op de datum van de erkenning, mits de rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan.
|
||||
|
||||
### 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
|
||||
#### 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
|
||||
|
||||
Indien het kind is geboren vóór 1 januari 1985 en de vaststelling van het vaderschap in beginsel25 Met (in beginsel) onherroepelijk wordt de situatie bedoeld dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn verstreken. Dit neemt niet weg dat een onbekend gebleven belanghebbende alsnog de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door middel van een rechterlijke procedure kan aantasten. onherroepelijk is geworden vóór 1 april 2003, heeft het kind het Nederlanderschap niet verkregen. Weliswaar vestigt de vaststelling van het vaderschap een familierechtelijke betrekking tussen vader en kind vanaf de geboorte, maar dit leidt dit niet tot verkrijging van het Nederlanderschap. Immers, artikel 1, aanhef en onder a, WNI (die gold tot 1 januari 1985) kent een limitatieve opsomming voor verkrijging van het Nederlanderschap, namelijk: “het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind”. In de opsomming wordt niet genoemd de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind, ontstaan door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het ligt daarom niet in de rede om deze rechtsfiguur, die pas in 1998 werd ingevoerd in het Nederlands familierecht, met terugwerkende kracht ‘in te lezen’ in een wet die stamt uit 1892 en die bovendien niet meer van kracht is. De rechtszekerheid, die in het nationaliteitsrecht zware eisen stelt, staat hier geen ruimere dan een grammaticale interpretatie toe. Een andere opvatting zou in strijd zijn met artikel 25 RWN. Uit het voorgaande volgt tevens dat geen beroep mogelijk is op artikel 1, aanhef en onder b, WNI noch op artikel 2, aanhef en onder a, WNI.
|
||||
|
||||
### 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
|
||||
#### 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
|
||||
|
||||
Door een Nederlandse vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 1:207 BW verwerft het kind het Nederlanderschap indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
|
|
@ -464,15 +433,15 @@ Door een Nederlandse vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 1:207
|
|||
– de Nederlandse gerechtelijke vaststelling is vóór 1 april 2003 (in beginsel) onherroepelijk geworden; én
|
||||
– de man, van wie het vaderschap is vastgesteld, bezit het Nederlanderschap op het moment van de geboorte van het kind (of is voor de geboorte als Nederlander overleden). Zie voor de uitzondering indien de man geen Nederlander is paragraaf 5.
|
||||
|
||||
### 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
|
||||
#### 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
|
||||
|
||||
Indien naar Nederlands internationaal privaatrecht vóór 1 april 2003 in het buitenland het vaderschap rechtsgeldig is vastgesteld, is van belang of die buitenlandse vaststelling –net als een vaststelling ex artikel 1:207 BW –terugwerkende kracht heeft tot de geboorte van het kind. Als dat het geval is, is het hierboven in paragraaf 3 vermelde van overeenkomstige toepassing. Heeft de buitenlandse vaststelling van het vaderschap geen terugwerkende kracht, dan heeft de vaststelling geen verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg.
|
||||
|
||||
### 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
|
||||
#### 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
|
||||
|
||||
Ook als de vader niet de Nederlandse nationaliteit bezit, kan het Nederlanderschap zijn verkregen op grond van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als bedoeld in de paragrafen 3 en 4. Er kan namelijk sprake kan zijn van verkrijging op grond van het zogenaamde grootouder artikel 3, derde lid, RWN (oud). Als de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap terugwerkt tot geboorte, wordt het kind geacht Nederlander te zijn vanaf geboorte indien bij de geboorte van het kind de niet-Nederlandse man, van wie het vaderschap is vastgesteld, in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba woonde en hij zelf is geboren uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte in één van die landen woonde.
|
||||
|
||||
### . Ad artikel 4, eerste lid
|
||||
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
|
||||
|
||||
De onderhavige bepaling geldt voor vaststellingen van het vaderschap die, in hun algemeenheid, onherroepelijk worden op of ná 1 april 2003. Deze bepaling gaat uit van verkrijging van het Nederlanderschap door de minderjarige op het moment dat de rechterlijke uitspraak waarbij het vaderschap is vastgesteld, in het algemeen, niet meer openstaat voor beroep. Een kind van vreemde nationaliteit wordt Nederlander, indien het op de dag van de uitspraak in eerste aanleg van een Nederlandse rechter minderjarig was én de vader Nederlander is:
|
||||
|
||||
|
|
@ -501,7 +470,7 @@ Op 9 januari 2004 heeft de Rechtbank Den Haag ten aanzien van B (geboren 11 augu
|
|||
|
||||
Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren kind C, van vreemde nationaliteit, rechtsgeldig vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. De rechterlijke uitspraak heeft op 12 mei 2004 kracht van gewijsde gekregen.
|
||||
|
||||
### . Ad artikel 4, tweede lid
|
||||
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
|
||||
|
||||
**De kinderen van een minderjarige die op grond van het eerste lid het Nederlanderschap heeft verkregen, delen in die verkrijging.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -515,7 +484,7 @@ Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 5
|
||||
|
||||
RWN: artikel 14.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -523,9 +492,7 @@ WBRv: artikelen 358 en 426
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 5-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Per 1 april 2003 zijn in het toenmalige artikel 5 RWN de woorden “de adoptief-vader of adoptief-moeder” gewijzigd in: “ten minste één der adoptiefouders”, zulks in verband met de mogelijkheid van adoptie door personen van hetzelfde geslacht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -541,7 +508,7 @@ Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 9 januari 2004 is A (geboren 15 m
|
|||
|
||||
B, van vreemde nationaliteit, geboren in 2001 en wonende in verdragsstaat X, is in verdragsstaat X geadopteerd door twee in Nederland wonende Nederlanders. Nadat de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is B bij de adoptiefouders in Nederland komen wonen. Overgelegd wordt een verklaring, afgegeven door de daartoe door verdragsstaat X aangewezen bevoegde instantie, waaruit blijkt dat de adoptie door voormelde Nederlanders bij rechterlijke uitspraak en in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag tot stand is gekomen, alsmede dat de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie verbroken zijn en dat de uitspraak betreffende de adoptie van 19 maart 2004 op 19 mei 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
|
||||
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
|
||||
|
||||
Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 27 van voornoemd verdrag wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands, Nederlands-Antilliaans of Arubaans recht, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
|
|
@ -553,11 +520,11 @@ Ook een verdragsadoptie, waarbij de familierechtelijke betrekkingen met de ouder
|
|||
|
||||
C, van vreemde nationaliteit, geboren in 2001 en wonende in verdragsstaat Y, is in verdragsstaat Y geadopteerd door twee in Nederland wonende Nederlanders. Nadat de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is C bij de adoptiefouders in Nederland komen wonen. Overgelegd wordt een verklaring, afgegeven door de daartoe door verdragsstaat Y aangewezen bevoegde instantie, waaruit blijkt dat de adoptie door voormelde Nederlanders bij rechterlijke uitspraak en in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag totstandgekomen is, alsmede dat de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie niet verbroken zijn en dat de uitspraak betreffende de adoptie van 5 januari 2004 op 5 maart 2004 in kracht van gewijsde is gegaan. De adoptie is in Nederland bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004 (in overeenstemming met artikel 27 Haags adoptieverdrag) omgezet in een adoptie naar Nederlands recht. Er wordt geen hoger beroep ingesteld.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 5, vierde lid
|
||||
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
|
||||
|
||||
Het kind van degene die door adoptie het Nederlanderschap verkrijgt deelt in die verkrijging.
|
||||
|
||||
##### 1
|
||||
#### 1
|
||||
|
||||
*Overzicht van de landen aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag*
|
||||
|
||||
|
|
@ -618,7 +585,7 @@ Het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage totstandgekomen Verdrag inzake de bescherm
|
|||
|
||||
Zie voor recente informatie de website van de ‘Hague conference on private international law’, www.hcch.net. Het Haags adoptieverdrag is op de website gerubriceerd onder Convention nr. 33.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 5a
|
||||
|
||||
RWN: artikel 14.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -626,13 +593,11 @@ WBRv: artikelen 358 en 426
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 5a-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Artikel 5a RWN vormde van 1 oktober 1998 tot 1 januari 2004 de leden twee en drie van het toenmalige artikel 5 RWN. Op 1 januari 2004 zijn deze artikelleden vernummerd tot artikel 5a RWN (Stb. 2003, 284).
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
|
||||
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
|
||||
|
||||
B, van vreemde nationaliteit, geboren in 2001 en wonende in verdragsstaat X, is in verdragsstaat X geadopteerd door twee in Nederland wonende Nederlanders. Nadat de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, is B bij de adoptiefouders in Nederland komen wonen. Overgelegd wordt een verklaring, afgegeven door de daartoe door verdragsstaat X aangewezen bevoegde instantie, waaruit blijkt dat de adoptie door voormelde Nederlanders bij rechterlijke uitspraak en in overeenstemming met het Haags adoptieverdrag totstandgekomen is, alsmede dat de familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouders door de adoptie verbroken zijn en dat de uitspraak betreffende de adoptie van 19 maart 2004 op 19 mei 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -644,7 +609,7 @@ Ingevolge artikel 5a, eerste lid, RWN, heeft B het Nederlanderschap verkregen me
|
|||
– op 19 mei 2004 (de dag waarop de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan) is ten minste één van de adoptiefouders Nederlander (overigens zijn in casu beide adoptiefouders Nederlander);
|
||||
– B is minderjarig op 19 maart 2004 (de dag van de uitspraak in eerste aanleg).
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)
|
||||
### 5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)
|
||||
|
||||
Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 27 van voornoemd verdrag wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands, Nederlands-Antilliaans of Arubaans recht, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
|
|
@ -662,7 +627,7 @@ Ingevolge artikel 5a, tweede lid, RWN, heeft C het Nederlanderschap verkregen op
|
|||
– op 9 september 2004 (de dag nadat drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak met betrekking tot de omzetting zijn verstreken, zonder dat hoger beroep is ingesteld) is ten minste één van de adoptiefouders Nederlander (overigens zijn in casu beide adoptiefouders Nederlander);
|
||||
– C is minderjarig op 8 juni 2004 (de dag van de uitspraak met betrekking tot de omzetting in eerste aanleg).
|
||||
|
||||
#### . bij artikel 5a RWN
|
||||
### . bij artikel 5a RWN
|
||||
|
||||
*Overzicht van de landen aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag*
|
||||
|
||||
|
|
@ -731,7 +696,7 @@ Het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de besche
|
|||
|
||||
Zie voor recente informatie de internetsite van de ‘Hague conference on private international law’: www.hcch.net. Het Haags adoptieverdrag is op de website gerubriceerd onder Convention nr. 33.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 5b
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
5b
|
||||
|
|
@ -781,7 +746,7 @@ Artikel
|
|||
|
||||
200323403-12-200321-11-2003HKUIT03-5117AUB200323403-12-200321-11-2003HKUIT03-5117AUB01-01-2004
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 5b-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
1. Op 1 januari 2004 is artikel 5b RWN in de wet ingevoegd (Stb. 2003, 284 en 456). Dit is gebeurd in verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283). Artikel 5b RWN bepaalt de gevolgen die de Wet conflictenrecht adoptie (kort: Wcad) meebrengt voor zover het betreft de erkenning van een buitenlandse niet-verdragsadoptie en de verkrijging van het Nederlanderschap door de geadopteerde minderjarige.
|
||||
2. *Verhouding met Haags adoptieverdrag 1993*
|
||||
|
|
@ -828,7 +793,7 @@ Overleggen betrokkenen aldus bij de gemeente de van een Nederlandse rechter afko
|
|||
|
||||
Hier wordt benadrukt dat **geen** van de bovenstaande bepalingen uit de Wet conflictenrecht adoptie bepalend is voor de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door het geadopteerde kind. Bepalend daarentegen is artikel 5b RWN.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 5b, eerste lid
|
||||
### 5b-1. Toelichting ad artikel 5b, eerste lid
|
||||
|
||||
5.1 *Kern artikel 5b, eerste lid RWN: ‘sterke adoptie’*
|
||||
|
||||
|
|
@ -904,7 +869,7 @@ Nogmaals: bij artikel 7 Wcad geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s) die,
|
|||
|
||||
Het kind verkrijgt het Nederlandschap met ingang van de datum waarop de Nederlandse rechter een verklaring op grond van artikel 1:26 BW heeft afgegeven. Deze verklaring is een constitutief vereiste voor de erkenning van de buitenlandse adoptie.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 5b, tweede lid
|
||||
### 5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid
|
||||
|
||||
6.1 *Kern artikel 5b, tweede lid RWN: ‘zwakke adoptie’*
|
||||
|
||||
|
|
@ -923,9 +888,9 @@ Het kind wordt Nederlander op de dag als bepaald onder b van artikel 5b, tweede
|
|||
– als, na hoger beroep, geen cassatie wordt ingesteld: na drie maanden en één dag na de uitspraak in hoger beroep;
|
||||
– als cassatie is ingesteld: op de dag van de uitspraak in cassatie.
|
||||
|
||||
#### . bij artikel 5b RWN
|
||||
### . bij artikel 5b RWN
|
||||
|
||||
##### 3. Wet conflictenrecht adoptie
|
||||
#### 3. Wet conflictenrecht adoptie
|
||||
|
||||
De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1051,7 +1016,7 @@ De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar rechtsgevolgen
|
|||
|
||||
200323403-12-200321-11-2003HKUIT03-5117AUB200323403-12-200321-11-2003HKUIT03-5117AUB01-01-2004
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 5c
|
||||
|
||||
Artikel
|
||||
5c
|
||||
|
|
@ -1061,11 +1026,11 @@ Artikel
|
|||
|
||||
200323403-12-200321-11-2003HKUIT03-5117AUB200323403-12-200321-11-2003HKUIT03-5117AUB01-01-2004
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 5c-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Sinds 1 januari 1985 staat de bepaling uit artikel 5c RWN in ongewijzigde redactie in de Rijkswet. De tekst van artikel 5c RWN vormde van 1 januari 1985 tot 1 oktober 1998 het tweede lid van het toenmalige artikel 5 RWN. Vanaf 1 oktober 1998 tot 1 januari 2004 is de bepaling het vierde lid van het toenmalige artikel 5 RWN geweest.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 6
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1; 2; 8; 9; 12; 13; 14.1; 21; 22; 23; 26 en 28
|
||||
|
||||
|
|
@ -1089,72 +1054,30 @@ artikelen 6.1a en 6.2b Europees Verdrag inzake nationaliteit.
|
|||
|
||||
Zie artikel 26 RWN voor tijdelijk soepelere voorwaarden voor optie door bepaalde categorieën oud-Nederlanders. Zie voor de gevolgen van een erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man vóór 1 april 2003, de toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, onder ‘Erkenning van minderjarigen vóór 1 april 2003’.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 6-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
De optieprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 april 2003 was het uitbrengen van een optie voor de Nederlandse nationaliteit een eenzijdige vormvrije rechtshandeling. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie was niet afhankelijk van een beslissing van een bestuursorgaan. De vreemdeling die bij een in de RWN aangewezen bestuursorgaan mondeling of schriftelijk verklaarde dat hij Nederlander wilde worden én die op dat moment voldeed aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap, verkreeg daarmee onmiddellijk de Nederlandse nationaliteit. Indien achteraf bleek dat hij op het moment van het uitbrengen van de optieverklaring toch niet voldeed aan alle voorwaarden, werd aan de betreffende optieverklaring het rechtsgevolg onthouden en werd de vreemdeling geacht de Nederlandse nationaliteit nooit te hebben verkregen. Daarbij maakte het geen verschil of de vreemdeling al geruime tijd was aangemerkt als Nederlander door een fout van het bestuursorgaan dan wel door het verstrekken van onjuiste gegevens door de vreemdeling zélf. Eventuele gewekte verwachtingen hadden niet tot gevolg dat het Nederlanderschap alsnog werd verkregen. Dit kon leiden tot minder gewenste situaties zoals het na geruime tijd nog moeten intrekken van een Nederlands paspoort en het wijzigen van de basisadministratie.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
### 6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
A is in Nederland geboren en is 27 jaar oud. Zij is uitsluitend in het bezit van de Duitse nationaliteit. Van haar zestiende tot haar zeventiende jaar bezocht zij de *high school *in de Verenigde Staten van Amerika. Ze was dat jaar niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De rest van haar leven heeft zij altijd in Amsterdam bij haar Duitse ouders gewoond. Zij is van onbesproken gedrag en in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER. A kan niet opteren voor de Nederlandse nationaliteit, omdat zij niet sedert haar geboorte hoofdverblijf in Nederland heeft gehad. Van haar zestiende tot haar zeventiende jaar had zij immers hoofdverblijf in de Verenigde Staten.
|
||||
|
||||
B is in Nederland geboren en twintig jaar oud. Hij is uitsluitend in het bezit van de Belgische nationaliteit. Hij woont sinds zijn geboorte in Heerlen. Hij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II). Op zijn veertiende jaar heeft B een gewapende overval gepleegd op een benzinestation in Aken. Hij heeft hiervoor een jaar jeugddetentie opgelegd gekregen in Duitsland. De straf heeft hij uitgezeten in Duitsland. Kort voor zijn zestiende jaar is hij vrijgekomen en onmiddellijk teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien heeft hij geen strafbare feiten meer gepleegd. B kan opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Weliswaar heeft hij niet zijn gehele leven in Nederland verbleven, maar de detentie in Duitsland geldt niet als onderbreking van zijn hoofdverblijf in Nederland aangezien hij onmiddellijk na zijn detentie naar Nederland is teruggekeerd. Dat B in het verleden buiten Nederland een strafbaar feit heeft gepleegd is voor de beoordeling of hij op grond van dit gedrag een gevaar oplevert voor de openbare orde op zichzelf wel relevant. B heeft echter gedurende vier jaar na beëindiging van zijn detentie geen nieuw strafbaar feit gepleegd. Hij heeft daarmee voldaan aan de rehabilitatietermijn (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
### 6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
A is in Nederland geboren uit een Palestijnse ongehuwde vrouw. De vader van A is onbekend. A en zijn moeder staan in de GBA ingeschreven als zijnde ‘staatloos’. A is vijf jaar oud en is sinds zijn geboorte in Nederland. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (verblijfsdocument III) van de moeder van A is niet ingewilligd. Thans is zij daarover in een beroepsprocedure verwikkeld bij de rechtbank. Zowel de moeder van A als A zelf mogen de uitkomst van deze procedure in Nederland afwachten. Een ten behoeve van A afgelegde optieverklaring dient te worden geweigerd. Hij heeft weliswaar gedurende langer dan drie jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij is niet in Nederland toegelaten. De moeder van A wordt vervolgens door de rechter gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Aan de moeder van A wordt daarop, mede ten behoeve van A, alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De verblijfsvergunning wordt echter niet met terugwerkende kracht verleend. Als A en zijn moeder in Nederland hun hoofdverblijf houden en zij verkrijgen –aansluitend op de eerdere vergunning –na drie jaar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument IV) kan wel met succes een optieverklaring ten behoeve van A worden afgelegd. A heeft dan drie jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Uiteraard moet A op het moment van die optie en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap nog wel in het bezit zijn van een *geldige *verblijfsvergunning.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het tweede lid het Nederlanderschap: de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander is erkend of zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander is geworden, indien hij na de erkenning of wettiging zonder erkenning gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging is geworden.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, tweede lid, RWN als cumulatief:
|
||||
|
||||
– hij minderjarig is. Hij moet dus jonger dan achttien zijn en nimmer gehuwd (geweest) zijn noch in Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN;
|
||||
– hij door een Nederlandse man is erkend en als gevolg daarvan naar Nederlands (internationaal privaat)recht in een familierechtelijke betrekking tot deze Nederlander is komen te staan of zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander is geworden;
|
||||
– hij na de erkenning of wettiging gedurende ten minste drie jaar ononderbroken is verzorgd en opgevoed door deze Nederlander;
|
||||
– hij niet eerder de Nederlandse nationaliteit door optie heeft verkregen (zie het achtste lid); en
|
||||
– de bepalingen van artikel 2 RWN in acht zijn genomen (zie de toelichting bij artikel 2 RWN);
|
||||
– het minderjarige kind dat op het moment van het afleggen van de verklaring zestien jaar of ouder is daarmee uitdrukkelijk instemt. Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van instemming. Als het kind in de loop van de procedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het niet opnieuw in te stemmen om het Nederlanderschap te kunnen verkrijgen. Als het kind zich voor zijn zestiende jaar schriftelijk heeft uitgesproken tegen de verkrijging, dan geldt dit nadat het zestien jaar is geworden als het ontbreken van instemming. De bevestiging van het Nederlanderschap wordt in dat geval geweigerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
|
||||
|
||||
##### 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
|
||||
|
||||
Vóór 1 april 2003 kreeg een minderjarige vreemdeling die tijdens zijn minderjarigheid door een Nederlander werd erkend en door deze erkenning in een familierechtelijke betrekking tot die Nederlander kwam te staan, van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 4, eerste lid, RWN zoals dat tot die datum luidde. Op grond van artikel 4, tweede lid, RWN zoals dit luidde tot 1 april 2003, kreeg ook het kind dat zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander werd, daardoor van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Met dit laatste wordt gedoeld op gevallen waarin Nederland een wettiging zonder voorafgaande erkenning aanvaardt op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake de wettiging door huwelijk (*Trb. *1972, 61).
|
||||
|
||||
##### 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
|
||||
|
||||
Een minderjarige vreemdeling die na 1 april 2003 wordt erkend door een Nederlander of die zonder erkenning door wettiging het kind wordt van een Nederlander, kan onder de hierboven genoemde voorwaarden de Nederlandse nationaliteit verkrijgen door optie. Het kind moet dan wel na de erkenning of wettiging en tijdens zijn minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaar verzorging en opvoeding hebben genoten van de Nederlandse man door wie het is erkend of wiens kind het door wettiging is geworden. Van verzorging en opvoeding zal sprake zijn indien wordt samengeleefd in gezinsverband. Hierdoor zal over het algemeen een nauwe persoonlijke betrekking zijn ontstaan tussen de vader en het kind. De opvoeding en verzorging impliceert immers dat sprake is van veelvuldig en nauw contact tussen vader en kind (en de eventuele andere opvoeder en verzorger). Indien de vader en het kind (met de andere opvoeder en verzorger) in gezinsverband hebben samengeleefd, mag ervan worden uitgegaan dat het kind (mede) door de vader is verzorgd en opgevoed.
|
||||
|
||||
###### 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
|
||||
|
||||
Het ligt op de weg van de optant c.q. zijn wettelijk vertegenwoordiger om aannemelijk te maken dat sprake is geweest van opvoeding en verzorging gedurende een onafgebroken periode van drie jaar na erkenning of wettiging. Niet iedere optant zal daartoe op gelijke wijze in staat zijn. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de optant dit aannemelijk heeft gemaakt.
|
||||
|
||||
###### 3.2. Bewijsmiddelen
|
||||
|
||||
Als volgens de optant sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in Nederland, zal dit over het algemeen aannemelijk kunnen worden gemaakt door het overleggen van een uittreksel uit de GBA. Als sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in het buitenland dan dient dit –voorzover mogelijk –aan de hand van een officieel document van een overheidsinstantie, of anderszins genoegzaam, te worden aangetoond. Uit dit/deze document(en) moet blijken dat de vader en het minderjarige kind op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan gedurende een periode van tenminste drie jaar na de erkenning of wettiging van het kind. Behoudens in het geval van contra-indicaties (bijvoorbeeld als uit andere bronnen blijkt dat vader en kind in die periode niet (constant) hebben samengeleefd op hetzelfde adres), kan met het overleggen van (een) dergelijk document worden volstaan.
|
||||
|
||||
##### 4. Naamskeuze voor/door de optant
|
||||
|
||||
De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft op zich geen invloed op de geslachtsnaam of op de voornamen van de optant. Dat vloeit voort uit artikel 4, tweede lid, WCN. Omdat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN rechtstreeks verband houdt met de erkenning of de wettiging (het betreft in feite een uitgestelde verkrijging van de Nederlandse nationaliteit), heeft de wetgever het redelijk geacht de hier bedoelde optanten in de gelegenheid te stellen op het tijdstip van de optie een naamskeuze te doen. In dit verband wordt de aandacht gevestigd op artikel 5b WCN, waarvan de tekst luidt:
|
||||
|
||||
Uit een relatie tussen de ongehuwde vrouw A van Turkse nationaliteit en de Nederlander B wordt in Turkije kind C geboren. A en B treden kort na de geboorte van C in het huwelijk. Het huwelijk wordt op 2 januari 2004 in Turkije voltrokken. Naar Turks recht wordt C hierdoor het wettig kind van B. Hierdoor komt B op grond van artikel 1 van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake de wettiging door huwelijk, ook naar Nederlands recht in een familierechtelijke betrekking tot C te staan. C verkrijgt daardoor echter niet de Nederlandse nationaliteit. Gedurende de eerste tweeëneenhalf jaar na de wettiging wordt C in het gezin van A en B opgevoed. Daarna strandt het huwelijk tussen A en B. C wordt vervolgens opgevoed in het gezin van A. B ziet C nog eens in de drie weken op zondagmiddag. Deze situatie duurt voort totdat C zestien jaar oud is. Ten behoeve van C kan niet worden geopteerd. Hij is niet tijdens zijn minderjarigheid gedurende drie jaar ononderbroken verzorgd en opgevoed door zijn vader B.
|
||||
|
||||
De ongehuwde vrouw D van Surinaamse nationaliteit heeft uit een relatie met de Nederlander E kind F gekregen. Dit kind is op 30 september 2005 geboren te Amsterdam. F is uitsluitend in het bezit van de Surinaamse nationaliteit. D en E wonen niet samen en zijn dat ook niet van plan. E is bereid om kind F als het zijne te erkennen en financieel bij te dragen aan zijn onderhoud. De dagelijkse verzorging en opvoeding laat hij liever over aan D. D en E spreken af dat E zijn kind wel af en toe mag meenemen voor bezoekjes aan oma. Zowel D als E vinden het belangrijk dat F in het bezit komt van de Nederlandse nationaliteit. Zij vragen daarover advies aan een ambtenaar Burgerzaken van de Gemeente Amsterdam. Deze adviseert E het kind niet te erkennen, maar moeder D bij de Rechtbank Amsterdam een verzoek in te laten dienen tot vaststelling van het vaderschap van F. Dit is een goed advies. Immers, E zal vermoedelijk nooit in gezinsverband met F gaan samenwonen en het is twijfelachtig of hij ooit intensief bij de opvoeding en verzorging van F zal zijn betrokken. Een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zal vermoedelijk nooit met succes ten behoeve van F kunnen worden afgelegd. Door vaststelling van het vaderschap van E krijgt F op grond van artikel 4, eerste lid, RWN van rechtswege de Nederlandse nationaliteit.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
### 6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
|
||||
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het tweede lid het Nederlanderschap: de minderjarige vreemdeling die krachtens Nederlandse rechterlijke beslissing of bij zijn geboorte van rechtswege onder het gezamenlijk gezag is komen te staan van een niet-Nederlandse vader of moeder en een ander die Nederlander is, indien hij na het instellen van dat gezag gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren verzorging en opvoeding heeft genoten van deze Nederlander, en hij zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is. Op de minderjarige die ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is het derde lid van dit artikel niet van toepassing.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging bedoeld in artikel 6, tweede lid, RWN als cumulatief:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1168,11 +1091,11 @@ Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap d
|
|||
– de bepalingen van artikel 2 RWN in acht zijn genomen (zie de toelichting bij artikel 2 RWN); én
|
||||
– er –indien hij op het moment van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt –op grond van zijn gedrag geen ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk en hij uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verkrijging (dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van instemming). Als het kind in de loop van de procedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het niet opnieuw in te stemmen voordat het Nederlanderschap kan worden verkregen. Als blijkt dat het kind zich voor zijn zestiende jaar schriftelijk heeft uitgesproken tegen de verkrijging, dan geldt dit nadat het zestien jaar is geworden als het ontbreken van instemming. De bevestiging van het Nederlanderschap wordt in dat geval geweigerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief een andere zienswijze geeft).
|
||||
|
||||
##### 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
|
||||
#### 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
|
||||
|
||||
Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, bijvoorbeeld als gevolg van een gezagsregeling na echtscheiding of omdat het kind alleen een moeder heeft, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten (artikel 1:253t BW). De niet-ouder moet in zo’n geval in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. Als het kind nog een andere ouder heeft, geldt daarnaast nog een aantal andere voorwaarden.
|
||||
|
||||
###### 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
|
||||
##### 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
|
||||
|
||||
Geregistreerde partners krijgen van rechtswege –dus zonder dat daar nog een procedure voor nodig is –gezamenlijk gezag over hun tijdens het geregistreerde partnerschap geboren kinderen, als er geen andere juridische ouder is. Van gezamenlijk gezag is sprake als een kind wordt geboren tijdens huwelijk of partnerschap van een man en een vrouw en tijdens het huwelijk of partnerschap van twee vrouwen, mits er geen man is die het kind tijdens de zwangerschap heeft erkend. Ook het gezamenlijk gezag dat van rechtswege bij de geboorte ontstaat, geeft onder de hierboven genoemde voorwaarden het optierecht van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1180,18 +1103,18 @@ A is het in Nederland geboren kind van een Marokkaanse vader B en Marokkaanse mo
|
|||
|
||||
E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van artikel 6, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
### 6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
|
||||
De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken hoofdverblijf en toelating in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f
|
||||
### 6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f
|
||||
|
||||
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het tweede lid het Nederlanderschap: de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder d.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, tweede lid, RWN, als cumulatief:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1202,11 +1125,11 @@ Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap do
|
|||
– hij het Nederlanderschap niet heeft verloren door intrekking door de Minister omdat hij dit Nederlanderschap vóór 1 april 2003 heeft verkregen door naturalisatie die berust op een door hem gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de naturalisatie relevant feit (artikel 14, eerste lid, RWN). De intrekking van het Nederlanderschap van een persoon op grond van artikel 14, eerste lid, RWN werkt niet verder terug dan tot 1 april 2003 (artikel II, eerste lid, RRWN). Op grond van artikel II, tweede lid, RRWN wordt deze persoon voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN geacht niet het Nederlanderschap te hebben bezeten en kan dus op grond van dat artikellid niet opteren. Een persoon wiens Nederlanderschap op grond van artikel 14, eerste lid, RWN ná 1 april 2003 is ingetrokken, wordt –de intrekking heeft terugwerkende kracht tot het moment van verkrijging –eveneens geacht niet het Nederlanderschap te hebben bezeten. Ook die persoon kan niet opteren op grond van het onderhavige artikellid; en
|
||||
– er op grond van zijn gedrag geen ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.
|
||||
|
||||
##### 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
|
||||
#### 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
|
||||
|
||||
In een aantal gevallen zal uit de GBA blijken of een optant ooit in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit of de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander. Indien dit niet blijkt uit de GBA of indien er twijfels bestaan over de juistheid van de vermelding in de GBA, dient de optant het oud-Nederlanderschap zelf aannemelijk te maken. Dit kan door het overleggen van bijvoorbeeld een in het verleden afgegeven Nederlands paspoort, Nederlandse Europese identiteitskaart, verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, kennisgeving van naturalisatie, een Staatsblad waarin de naturalisatie is vermeld, een optieverklaring (waaruit blijkt dat daaraan rechtsgevolg is verbonden) of een uittreksel of verklaring gebaseerd op het persoonsregister waaruit het (oud)Nederlanderschap van de optant blijkt.
|
||||
|
||||
##### 3. Overgangsregeling
|
||||
#### 3. Overgangsregeling
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 26 RWN geldt voor een aantal categorieën oud-Nederlanders niet het vereiste dat zij gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland moeten hebben om het Nederlanderschap door optie te kunnen herkrijgen. Deze overgangsregeling geldt van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2013 (artikel 26, tweede lid, RWN).
|
||||
|
||||
|
|
@ -1216,40 +1139,40 @@ De in 1973 geboren A is van Surinaamse nationaliteit. A heeft op 25 november 197
|
|||
|
||||
B, van geboorte Nederlander, is in de jaren vijftig met zijn ouders naar Zuid-Afrika geëmigreerd. Hij is in 1983 in dienst getreden van het ministerie van Onderwijs van Zuid-Afrika. Hij heeft hierdoor de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, onder 4, WNI. Op zijn zestigste keert B terug naar Nederland. Hier wordt hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard (verblijfsdocument I). In strijd met de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten neemt B van een vakantie in Kenia een horlogebandje van luipaardleer mee. Hij krijgt hiervoor een transactievoorstel van 100 euro. Dit betaalt hij onmiddellijk. B vergeet na een jaar zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vraagt hij alsnog verlenging van de vergunning aan. B wordt daarop opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard. Deze vergunning heeft echter geen terugwerkende kracht. Een maand later meldt B zich bij de burgemeester om een optieverklaring af te leggen. De bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap van B dient te worden geweigerd. Weliswaar is B oud-Nederlander, heeft hij langer dan een jaar hoofdverblijf in Nederland en heeft hij toelating voor onbepaalde tijd en is het transactiebedrag te laag om te concluderen dat B op grond van zijn gedrag een gevaar vormt voor de openbare orde, maar B is op het moment van de bevestiging van de optie nog niet voor ten minste één jaar toegelaten. Hij heeft immers niet tijdig om verlenging van zijn verblijfsvergunning gevraagd en hij heeft daardoor een zogenaamd ‘verblijfsgat’ opgelopen. B, die de Nederlandse taal uitstekend beheerst, komt overigens, als oud-Nederlander, wel voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie in aanmerking (zie artikel 8, tweede lid, RWN), omdat hiervoor geen voorafgaande verblijfstermijn wordt gesteld.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g
|
||||
### 6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g
|
||||
|
||||
De heer A en mevrouw B, beiden van Marokkaanse nationaliteit zijn in 1978 met elkaar gehuwd. De heer A is in 1980 naar Nederland gekomen. In 1985 heeft mevrouw B zich bij hem gevoegd. De heer A en mevrouw B zijn altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Ze gaan om het jaar, drie maanden voor vakantie/ familiebezoek naar Marokko. Zij zijn van onbesproken gedrag. In december 2002 verkrijgt de heer A de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Het verzoek van mevrouw B wordt niet ingewilligd omdat zij de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. In 2004 verstaat en spreekt mevrouw B inmiddels wel eenvoudig Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan ze echter niet. Een verzoek om naturalisatie van mevrouw B zou opnieuw worden afgewezen als zij daarom zou vragen. Zij kan echter wel opteren voor het Nederlanderschap, omdat daarvoor geen taaleisen gelden. Zij is immers (veel) langer dan drie jaar gehuwd met een Nederlander. Dat haar echtgenoot nog geen drie jaar Nederlander is, doet niet ter zake. Voorts heeft mevrouw B al langer dan vijftien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Verblijf voor drie maanden buiten Nederland voor vakantie/familiebezoek geldt niet als onderbreking van het hoofdverblijf. Ook vormt zij op grond van haar gedrag geen gevaar voor de openbare orde.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
|
||||
### 6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
|
||||
|
||||
A heeft de Chinese nationaliteit en verblijft sinds zijn veertigste jaar onafgebroken in Nederland. Hij is altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Inmiddels is hij vijfenzestig jaar. Hij is van onbesproken gedrag, maar spreekt in het geheel geen Nederlands. De optieverklaring van A ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit dient te worden bevestigd nu hij aan de terzake geldende voorwaarden voldoet.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, tweede lid
|
||||
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
|
||||
|
||||
**De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder a, BVVN is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de artikelen 3 tot en met 12 en 60a BVVN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.
|
||||
|
||||
##### 2. Procedure
|
||||
#### 2. Procedure
|
||||
|
||||
###### 2.1. Informatieverstrekking
|
||||
##### 2.1. Informatieverstrekking
|
||||
|
||||
Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde burgemeester. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.
|
||||
|
||||
###### 2.2. Afleggen van de optieverklaring
|
||||
##### 2.2. Afleggen van de optieverklaring
|
||||
|
||||
####### 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
|
||||
###### 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
|
||||
|
||||
######## 2.2.1.1. Meerderjarige optant
|
||||
####### 2.2.1.1. Meerderjarige optant
|
||||
|
||||
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij paragraaf 2.2.5.1. te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder paragrafen 2.2.3 en 2.2.5 bij onderhavig artikellid).
|
||||
|
||||
######## 2.2.1.2. Minderjarige optant
|
||||
####### 2.2.1.2. Minderjarige optant
|
||||
|
||||
Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede lid, RWN en artikel 3, tweede lid, BVVN). De minderjarige optant die jonger dan twaalf jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
|
||||
|
||||
|
|
@ -1257,7 +1180,7 @@ Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op
|
|||
|
||||
Naar analogie van artikel 6, derde lid, BVVN dient de minderjarige optant vanaf zestien jaar in persoon te verschijnen om een verklaring van instemming met de verkrijging van het Nederlanderschap af te leggen. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
|
||||
|
||||
######## 2.2.1.3. Kinderen van de optant
|
||||
####### 2.2.1.3. Kinderen van de optant
|
||||
|
||||
De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
|
||||
|
||||
|
|
@ -1265,19 +1188,19 @@ Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op
|
|||
|
||||
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (artikel 6, derde lid, BVVN). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie paragraaf 2.2.5.1. te legitimeren (zie ook hierna paragraaf 2.2.1.5.). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
|
||||
|
||||
######## 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
|
||||
####### 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
|
||||
|
||||
De wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder van het kind kan op verzoek een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap naar voren brengen. Verschijning in persoon is niet voorgeschreven, maar verdient wel de voorkeur. De wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder wordt mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of schriftelijk gewezen op de mogelijkheid een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging te geven (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
|
||||
|
||||
######## 2.2.1.5. Gemachtigde
|
||||
####### 2.2.1.5. Gemachtigde
|
||||
|
||||
Indien in gevallen, waarin verschijning in persoon is voorgeschreven, dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan de optieverklaring of de verklaring van al dan niet instemming met de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de persoon wiens nationaliteit in het geding is (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een medische verklaring van een medisch specialist (zie de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN).
|
||||
|
||||
####### 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
|
||||
###### 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
|
||||
|
||||
De optieverklaring dient op schrift te worden gesteld (artikel 6, eerste lid, RWN) en door de betrokkene of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde te worden ondertekend (artikel 3, derde lid, BVVN). In de verklaring dienen de minderjarige kinderen en de kindskinderen, voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, te worden vermeld (artikel 6, zevende lid, RWN). Als beide ouders op hetzelfde moment een optieverklaring afleggen, worden in beide optieverklaringen alle kinderen opgenomen waarvoor medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt gewenst. Hierdoor wordt voorkomen dat een kind niet in de verkrijging van het Nederlanderschap deelt, omdat het bij toeval in de optieverklaring is vermeld van de ouder die niet aan de voorwaarden voldoet.
|
||||
|
||||
####### 2.2.3. Te verstrekken gegevens
|
||||
###### 2.2.3. Te verstrekken gegevens
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 6, eerste lid, BVVN dient de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1304,29 +1227,29 @@ In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken t
|
|||
– een bewijs van gezagsvoorziening, voorzover dit niet blijkt uit de GBA. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlands rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het hier bedoelde bewijs kan bijvoorbeeld nodig zijn om te kunnen beoordelen of een minderjarige al dan niet zal delen in de naamsvaststelling van zijn ouder; om te kunnen vaststellen wie voor een minderjarige een verzoek mag indienen of wie gehoord moet worden;
|
||||
– een bewijs van verzorging en opvoeding (in geval van een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c of d, RWN).
|
||||
|
||||
####### 2.2.4. Af te leggen verklaringen
|
||||
###### 2.2.4. Af te leggen verklaringen
|
||||
|
||||
######## 2.2.4.1. Waarheidsverklaring
|
||||
####### 2.2.4.1. Waarheidsverklaring
|
||||
|
||||
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 6, vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
|
||||
|
||||
######## 2.2.4.2. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
|
||||
####### 2.2.4.2. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
|
||||
|
||||
Bovendien dient de optant door middel van een zogenaamde verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (model 1.14) schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen (artikel 6, vierde lid, BVVN) en of hij of een van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat er op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. (Zie verder de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.)
|
||||
|
||||
Enkele optanten zijn niet verplicht een verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag af te leggen. Met betrekking tot de verklaring omtrent verblijfsstatus gaat het om opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel V, eerste lid, RRWN. Met betrekking tot de verklaring omtrent gedrag gaat het om opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (tenzij de optant meerderjarig is) en c, RWN en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN indien de optant op het moment van het afleggen van de optie de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Voorts hoeft geen verklaring omtrent gedrag te worden ondertekend indien een optie op grond van artikel V, eerste lid, RRWN wordt afgelegd.
|
||||
|
||||
####### 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
|
||||
###### 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
|
||||
|
||||
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van documenten. Zie ook artikel 6, vijfde lid, BVVN.
|
||||
|
||||
In de optieprocedure wordt zoveel mogelijk gestreefd naar inontvangstneming van optieverklaringen die worden ondersteund door alle benodigde (bewijs)stukken. Dit is ook in het belang van de optant, aangezien bij weigering van de bevestiging van de optie, de reeds betaalde optiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de optant een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met het afleggen van de optieverklaring tot het moment dat alle verlangde gegevens kunnen worden verstrekt. Mocht de optant er echter op staan zijn optieverklaring, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten af te leggen, dan dient de burgemeester de verklaring in ontvangst te nemen.
|
||||
|
||||
######## 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
|
||||
####### 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
|
||||
|
||||
In beginsel dient de optant een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. Dit niet alleen in verband met de identificatie maar ook om de nationaliteit van de optant te kunnen ‘vaststellen’ en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.
|
||||
|
||||
######## 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
|
||||
####### 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
|
||||
|
||||
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij paragraaf 2.2.5.3 en paragraaf 2.2.5.4):
|
||||
|
||||
|
|
@ -1336,23 +1259,23 @@ Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenla
|
|||
– bewijs van erkenning of wettiging (bijvoorbeeld erkenningsakte, geboorteakte met latere vermelding betreffende erkenning/wettiging of huwelijksakte ouders) in geval van een optieverklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN;
|
||||
– bewijs van gezamenlijk gezag (bijvoorbeeld akte van registratie van het partnerschap van de moeder van de optant en haar Nederlandse partner, of het vonnis van de Nederlandse rechter waarbij tot gezamenlijk gezag is besloten) in geval van een optieverklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
|
||||
|
||||
######## 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
|
||||
####### 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
|
||||
|
||||
Uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld in geval van op goede gronden gerezen twijfel), wordt van overlegging van documenten afgezien indien deze in eerdere instantie reeds zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland. Hierbij geldt dat de verwerking van gegevens in de GBA/burgerlijke stand moet hebben plaatsgevonden op basis van, indien nodig, gelegaliseerde documenten.
|
||||
|
||||
######## 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
|
||||
####### 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
|
||||
|
||||
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie en inhoudelijke verificatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient de optant zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing. Wanneer een houder van een verblijfsvergunning asiel, of een vreemdeling die in het kader van de verlening/verlenging van zijn verblijfsvergunning is vrijgesteld van het paspoortvereiste, bezwaar maakt tegen het aanvragen van documenten in het land van herkomst, wordt van overlegging van die documenten afgezien. Hiervan kan echter worden afgeweken indien zich een van de situaties voordoet op grond waarvan bezwaar tegen legalisatie niet zou hoeven worden gehonoreerd.
|
||||
|
||||
######## 2.2.5.5. Bewijsnood
|
||||
####### 2.2.5.5. Bewijsnood
|
||||
|
||||
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
|
||||
|
||||
Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
|
||||
|
||||
###### 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
|
||||
##### 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
|
||||
|
||||
####### 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
|
||||
###### 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 7, eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de burgemeester uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1362,21 +1285,21 @@ Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet in de GB
|
|||
|
||||
Deze personen zijn zogenaamde passanten. Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is en voor de meeste opties als voorwaarde geldt dat de optant (al geruime tijd) zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, zal niet vaak sprake zijn van een situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel V, eerste lid, RRWN.
|
||||
|
||||
####### 2.3.2. Ontvangstbevestiging
|
||||
###### 2.3.2. Ontvangstbevestiging
|
||||
|
||||
Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 7, zesde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 7, vierde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de inontvangstneming van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vierde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de burgemeester aan de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de burgemeester verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De burgemeester is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.
|
||||
|
||||
####### 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
|
||||
###### 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
|
||||
|
||||
Nadat de burgemeester de optieverklaring voor ontvangst heeft getekend en een kopie van de voor ontvangst getekende verklaring aan de optant heeft afgegeven, beoordeelt de burgemeester voorafgaand aan de verdere behandeling van de optieverklaring of de optant al dan niet dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de optant optiegelden is verschuldigd, wordt hem de hoogte van het bedrag meegedeeld en wordt hij terstond in de gelegenheid gesteld de betaling te verrichten (artikel 8, tweede lid, BVVN). Zie ook de toelichting onder artikel 13 RWN.
|
||||
|
||||
####### 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
|
||||
###### 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
|
||||
|
||||
Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling is verschuldigd; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, beoordeelt de burgemeester de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast waarbinnen deze gegevens alsnog moeten zijn aangeleverd (artikel 4:5, eerste lid, Awb, artikel 8, tweede lid, BVVN). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de door de burgemeester gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten niet worden overgelegd, kan de burgemeester besluiten de verklaring buiten behandeling te stellen met toepassing van artikel 4:5 Awb. Ingevolge artikel 4:15 Awb wordt door het in verzuim stellen de beslistermijn van dertien weken opgeschort tot de dag waarop de aanvulling van de verklaring is ontvangen of de verzuimtermijn is verstreken.
|
||||
|
||||
###### 2.4. Voorbereiding van de beslissing
|
||||
##### 2.4. Voorbereiding van de beslissing
|
||||
|
||||
####### 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
|
||||
###### 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
|
||||
|
||||
Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de GBA van zijn gemeente zijn opgenomen (artikel 9, eerste lid, BVVN). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het betreffende Nederlands-Antilliaanse eilandgebied, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba om binnen tien weken) de door optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering aangaande de Nederlandse Antillen en Aruba het hoofdstuk Voorlichting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1386,89 +1309,89 @@ Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de M
|
|||
|
||||
Voorzover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst (artikel 9, vijfde lid, BVVN).
|
||||
|
||||
####### 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
|
||||
###### 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
|
||||
|
||||
######## 2.4.2.1. Verblijfsrechtelijke status optant
|
||||
####### 2.4.2.1. Verblijfsrechtelijke status optant
|
||||
|
||||
Behoudens bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel V, eerste lid, RRWN, onderzoekt de burgemeester de verblijfsrechtelijke gegevens van de optant en van de kinderen die met het oog op medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd (artikel 10, eerste lid, BVVN). Aan de hand van het verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken in combinatie met de gegevens in de GBA kan worden beoordeeld of er sprake is van ‘toelating’ dan wel ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Indien optant dan wel een van de kinderen die in de optieverklaring wordt genoemd niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling in de GBA is ingeschreven dan wel hoofdverblijf heeft, om zijn verblijfsrechtelijke positie te regelen.
|
||||
|
||||
######## 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
|
||||
####### 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
|
||||
|
||||
Daarna onderzoekt de burgemeester of er op grond van het gedrag van de minderjarige optant van zestien jaar of ouder, de meerderjarige optant of dat van zijn minderjarige kinderen van zestien jaar of ouder voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (artikel 10, tweede lid, BVVN).
|
||||
|
||||
######## 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
|
||||
####### 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
|
||||
|
||||
Indien vaststelling van de naam van de optant is voorgeschreven (artikel 6, vijfde lid, RWN), overlegt de burgemeester met de optant over de vast te stellen geslachtsna(a)m(en) en/of voorna(a)m(en), alsmede over de vaststelling van de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht. Voorts overlegt en beslist de burgemeester over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de optant, en de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht, worden overgebracht (artikel 10, derde lid, BVVN). Het beleid inzake naamsvaststelling bij naturalisatie is van overeenkomstige toepassing (zie de toelichting bij artikel 12 RWN).
|
||||
|
||||
######## 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
|
||||
####### 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
|
||||
|
||||
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken (artikel 10, vierde lid, BVVN). Zie ook hiervoor bij 2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’ en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
|
||||
|
||||
###### 2.5. Bevestiging
|
||||
##### 2.5. Bevestiging
|
||||
|
||||
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert (artikel 11, eerste lid, BVVN). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop paragraaf 2.12.) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
|
||||
|
||||
###### 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
|
||||
##### 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
|
||||
|
||||
De burgemeester zendt de optieverklaring, de afgelegde verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag, de gegevens betreffende de toelating (kopie verblijfsdocument, verblijfstitelgegevens uit de GBA, en, in voorkomende gevallen, een bericht omtrent toelating) en de bevestiging in afschrift aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), locatie Rijswijk met het oog op de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister (artikel 12, eerste lid, BVVN). Indien van toepassing voegt hij bij deze verklaring een volledig ingevuld uitwisselingsformulier als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (Model 1.35). (Bij de verkrijging van het Nederlanderschap door een persoon met de nationaliteit van: België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Turkije).
|
||||
|
||||
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
|
||||
|
||||
###### 2.7. Archivering
|
||||
##### 2.7. Archivering
|
||||
|
||||
Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid, BVVN). Deze bewaarplicht in het BVVN is een uitvloeisel van artikel 14, eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de RWN weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BVVN laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.
|
||||
|
||||
###### 2.8. Weigering bevestiging
|
||||
##### 2.8. Weigering bevestiging
|
||||
|
||||
####### 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
|
||||
###### 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
|
||||
|
||||
Indien de burgemeester concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de Awb. Zonodig stelt de burgemeester met toepassing van artikel 4:7 Awb belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel –indien van toepassing –zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de burgemeester een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
|
||||
|
||||
####### 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
|
||||
###### 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
|
||||
|
||||
Indien de burgemeester concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind die in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder verkrijgen door bevestiging het Nederlanderschap. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de burgemeester worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de burgemeester is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
|
||||
|
||||
###### 2.9. Bezwaar
|
||||
##### 2.9. Bezwaar
|
||||
|
||||
####### 2.9.1. De burgemeester beslist
|
||||
###### 2.9.1. De burgemeester beslist
|
||||
|
||||
De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de burgemeester. De optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De hoofdstukken 6 en 7 Awb zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
####### 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
|
||||
###### 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
|
||||
|
||||
######## 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
|
||||
####### 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
|
||||
|
||||
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 2.7).
|
||||
|
||||
######## 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
|
||||
####### 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
|
||||
|
||||
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De bevestiging wordt onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 2.7).
|
||||
|
||||
######## 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
|
||||
####### 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
|
||||
|
||||
Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.
|
||||
|
||||
###### 2.10. (Hoger) beroep
|
||||
##### 2.10. (Hoger) beroep
|
||||
|
||||
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld ongegrond- of niet-ontvankelijkverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid, Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 van de Awb met betrekking tot de beroepsprocedure zijn van toepassing. (Zie voor de adressering het hoofdstuk Voorlichting.)
|
||||
|
||||
###### 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
|
||||
##### 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
|
||||
|
||||
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook paragraaf 2.12.2.)
|
||||
|
||||
###### 2.12. Naturalisatieceremonie
|
||||
##### 2.12. Naturalisatieceremonie
|
||||
|
||||
Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging pas in werking door uitreiking daarvan. Deze uitreiking vindt in de regel plaats op de naturalisatieceremonie. Dit betekent dat vanaf die datum de optant daadwerkelijk op de naturalisatieceremonie moet verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening.
|
||||
|
||||
De bevestiging die vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door bekendmaking per post daarvan aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig. Voor de bepaling of de betrokken persoon opgeroepen moet worden of niet, geldt de datum waarop de bevestiging is vastgesteld.
|
||||
|
||||
####### 2.12.1. De oproeping
|
||||
###### 2.12.1. De oproeping
|
||||
|
||||
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN (tabel: oproepen en uitreiken).
|
||||
|
||||
*De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).*
|
||||
|
||||
####### 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
|
||||
###### 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
|
||||
|
||||
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene. (Zie hiervoor paragraaf 2.12.3). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60a, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1478,7 +1401,7 @@ De burgemeester reikt het optiebesluit uit aan de optant die ten tijde van het i
|
|||
|
||||
De uitreiking van de optiebevestiging ligt in handen van de burgemeester die heeft bevestigd (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. artikel 2 BVVN). Heeft de optant na de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant van deze uitreiking in kennis stellen.
|
||||
|
||||
####### 2.12.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN)
|
||||
###### 2.12.3. Zwaarwegende redenen (
|
||||
|
||||
Het besluit tot bevestiging treedt als regel in werking door uitreiking ervan in persoon aan de opgeroepen optant/wettelijk vertegenwoordiger. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van de bevestiging. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1486,11 +1409,11 @@ Uitgangspunt van de regelgeving is dat de optant zoveel mogelijk op een naturali
|
|||
|
||||
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.
|
||||
|
||||
####### 2.12.4. Procedurele aspecten na uitreiking
|
||||
###### 2.12.4. Procedurele aspecten na uitreiking
|
||||
|
||||
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking (artikel 60a, negende lid BVVN). (Zie ook paragraaf 2.6). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister (artikel 12, eerste lid BVVN) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, derde lid
|
||||
### 6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
|
||||
|
||||
**Zij weigert de bevestiging indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1501,7 +1424,7 @@ Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, vierde lid
|
||||
### 6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid
|
||||
|
||||
**Zij beslist binnen dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring; deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1511,7 +1434,7 @@ Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, vijfde lid
|
||||
### 6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid
|
||||
|
||||
Van de kinderen die delen in de verkrijging van het Nederlanderschap en die ook geen geslachts- of voornaam hebben of waarvan de spelling van de namen niet vaststaat, moeten de geslachtsnaam en de voornaam eveneens door de burgemeester worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1521,7 +1444,7 @@ Zal het kind dat geen geslachtsnaam of voornaam heeft (maar slechts een naam of
|
|||
|
||||
Indien de optant het niet eens is met de wijze waarop zijn namen of die van zijn minderjarige kinderen zijn vastgesteld in de bevestiging van de optieverklaring, kan hij daartegen bezwaar maken bij de burgemeester. De Awb is op deze procedure van toepassing. De bezwaartermijn van zes weken vangt aan met ingang van de dag na die waarop de bevestiging is uitgereikt dan wel is toegezonden aan de betrokkene. Indien het bezwaar gegrond wordt verklaard, wordt de juiste naam in een separaat besluit vastgesteld. Een gewaarmerkte kopie van dit besluit wordt gestuurd naar de instanties die ook een gewaarmerkte kopie van de oorspronkelijke bevestiging hebben ontvangen.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, zesde lid
|
||||
### 6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a en b, wordt geboorte aan boord van een in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te boek gesteld zeeschip of luchtvaartuig gelijk gesteld met geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1531,7 +1454,7 @@ Indien de optant het niet eens is met de wijze waarop zijn namen of die van zijn
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, zevende lid
|
||||
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
|
||||
|
||||
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt in die verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld en het, behoudens in de gevallen waarin de verklaring wordt afgelegd op grond van het eerste lid, onder c of d, sedert het tijdstip van het afleggen van de verklaring toelating en hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt en jegens hem geen vermoedens bestaan als in het derde lid bedoeld.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1610,7 +1533,7 @@ Indien de optant het niet eens is met de wijze waarop zijn namen of die van zijn
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 6, achtste lid
|
||||
### 6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
|
||||
|
||||
**Aan de vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap door optie heeft verkregen, staat van de in het eerste lid genoemde mogelijkheden tot herkrijging van het Nederlanderschap door optie alleen die bedoeld onder f, open.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1620,7 +1543,7 @@ Indien de optant het niet eens is met de wijze waarop zijn namen of die van zijn
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 7
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 2; 8 t/m 13 en 21
|
||||
|
||||
|
|
@ -1648,7 +1571,7 @@ Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van d
|
|||
|
||||
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder artikel 60b BVVN en hieronder paragraaf 3.13.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 7-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1923,7 +1846,7 @@ De burgemeester wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig
|
|||
| Oproepen (artikelen 60a en 60b lid 2 BVVN) | Betrokkene | Wettelijk vertegenwoordiger | Mede-naturalisatie: wettelijk vertegenwoordiger (meestal de hoofd-naturalisandus) Mede-optie: hoofdoptant | Betrokkene (samen met de hoofdoptant of hoofd-naturalisandus) |
|
||||
| Uitreiken (artikelen 60a en 60b lid 5 BVVN) | Betrokkene | Wettelijk vertegenwoordiger | Mede-naturalisatie: wettelijk vertegenwoordiger (meestal de hoofd-naturalisandus) Mede-optie: hoofdoptant | Mede-naturalisatie: betrokkene Mede-optie: hoofdoptant |
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 8
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1b; 1.1f; 1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1
|
||||
|
||||
|
|
@ -1963,13 +1886,11 @@ EG-Verdrag: artikel 50
|
|||
|
||||
Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 8-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in artikel 9, eerste lid, RWN. Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in artikel 11 RWN.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
### 8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
** Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1982,20 +1903,20 @@ Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerkin
|
|||
|
||||
20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)04-02-200501-01-2005
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de Vw 2000 gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
|
||||
|
||||
##### 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
|
||||
#### 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
|
||||
|
||||
###### 2.1. Verblijfsvergunningen
|
||||
##### 2.1. Verblijfsvergunningen
|
||||
|
||||
Op grond van de Vw 2000 zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2004,7 +1925,7 @@ Op grond van de Vw 2000 zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
|
|||
– verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vw 2000);
|
||||
– verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vw 2000).
|
||||
|
||||
###### 2.2. Verblijfsdocumenten
|
||||
##### 2.2. Verblijfsdocumenten
|
||||
|
||||
In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met IV. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2012,23 +1933,23 @@ Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland vo
|
|||
|
||||
In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.
|
||||
|
||||
##### 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
|
||||
#### 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
|
||||
|
||||
###### 3.1. Beoordelingsmoment
|
||||
##### 3.1. Beoordelingsmoment
|
||||
|
||||
Hoewel de verzoeker *bij de indiening *van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er *op het moment van de beslissing *op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek *wel*, maar op het moment van de beslissing *geen *bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek *geen*, maar op het moment van de beslissing *wel *bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie37Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028 (zie deel G Jurisprudentie). . Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
|
||||
|
||||
###### 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
##### 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
|
||||
|
||||
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen (dit geldt zowel voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd). Voor de beeldvorming is in Bijlage 6 bij dit artikel een beknopt overzicht gegeven van de gronden tot intrekking dan wel van de gronden tot niet verlenging van de verschillende verblijfsvergunningen.
|
||||
|
||||
###### 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
|
||||
##### 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een andere verblijfsvergunning die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt –om bovengenoemde redenen –dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van Bijlagen 2 en 3 beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
|
||||
|
||||
###### 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
|
||||
##### 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
|
||||
|
||||
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2046,33 +1967,33 @@ I. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
|
|||
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland hebben verbleven, hebben aldaar (van rechtswege) een duurzaam verblijfsrecht. Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland of door middel van een daartoe strekkende beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wegens ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid. Op verzoek van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan en nadat de duur van het verblijf is geverifieerd, verstrekt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de persoon die duurzaam verblijfsrecht geniet een document ter staving hiervan. Na tien jaren in Nederland te hebben verbleven kan nog slechts tot verwijdering worden overgegaan om dwingende redenen van openbare orde of nationale veiligheid. Een minderjarige kan slechts worden verwijderd indien dat in zijn eigen belang is. Ten aanzien van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die duurzaam verblijfsrecht genieten bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Hoewel niet verplicht, kunnen betrokkenen hun duurzaam verblijfsrecht aantonen met het duurzame verblijfsdocument.
|
||||
II. Familieleden niet zelf EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat of de Zwitserse nationaliteit bezitten, en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan hebben verbleven, hebben (van rechtswege) duurzaam verblijfsrecht en kunnen eveneens in het bezit worden gesteld van het duurzaam verblijfsdocument. Ten aanzien van de familieleden die duurzaam verblijfsrecht genieten, bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. Hoewel niet verplicht, kunnen betrokkenen hun duurzaam verblijfsrecht aantonen met het duurzame verblijfsdocument.
|
||||
|
||||
###### 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
|
||||
##### 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
|
||||
|
||||
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.
|
||||
|
||||
####### 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
|
||||
###### 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
|
||||
|
||||
Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De Vw 2000 is niet op hen van toepassing (net zoals de Vw 1965 niet op hen van toepassing was). Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
|
||||
|
||||
De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Door de IND zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
|
||||
|
||||
####### 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
|
||||
###### 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
|
||||
|
||||
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel 2000) in Nederland. Zij dienen zich in te schrijven in de GBA en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Indien een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
|
||||
|
||||
###### 3.6. Molukkers
|
||||
##### 3.6. Molukkers
|
||||
|
||||
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd jegens verzoekers op wie de Wet van 9 september 1976 (*Stb. *1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen.
|
||||
|
||||
###### 3.7. Minderjarigen
|
||||
##### 3.7. Minderjarigen
|
||||
|
||||
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van artikel 10 RWN (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van artikel 11 RWN (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
|
||||
|
||||
###### 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
|
||||
##### 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
|
||||
|
||||
De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve –aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen –beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
|
||||
|
||||
###### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep
|
||||
##### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep
|
||||
|
||||
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Indien de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, indien de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben indien de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).
|
||||
|
||||
|
|
@ -2080,7 +2001,7 @@ De minderjarige A is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaald
|
|||
|
||||
De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van A afhankelijk is van zijn vader, komt A wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor A verzocht.
|
||||
|
||||
##### 1
|
||||
#### 1
|
||||
|
||||
| Vreemdelingenwet 2000 | |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
|
|
@ -2093,7 +2014,7 @@ De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondank
|
|||
| W | Verblijf in afwachting van een asielaanvraag, niet uitzetbaar op medische gronden, verstrekkingen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden niet beëindigd |
|
||||
| Sticker | Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, aanhef en onder e, f, g, h, i en j, Vw 2000 |
|
||||
|
||||
##### 2
|
||||
#### 2
|
||||
|
||||
| Verblijfsdocument | Verblijfstitel | Geen toelating voor onbepaalde tijd/ bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (**) |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
|
|
@ -2109,7 +2030,7 @@ De vader van A komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondank
|
|||
|
||||
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor paragraaf 3.3.
|
||||
|
||||
##### 3
|
||||
#### 3
|
||||
|
||||
N.B. Altijd dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld door de Vreemdelingendienst of IND te worden geraadpleegd op eventuele uitzonderingen op het schema. Let in het bijzonder op toepassingen van artikel 3.5, derde lid, Vb 2000!
|
||||
|
||||
|
|
@ -2154,7 +2075,7 @@ Verblijfgever = degene van wie het verblijfsrecht in Nederland afhankelijk is.
|
|||
|
||||
**** In deze gevallen dient de beschikking waarbij het verblijfsrecht is vastgesteld, te worden geraadpleegd om te bezien of het verblijfsrecht al dan niet-tijdelijk is.
|
||||
|
||||
##### 4
|
||||
#### 4
|
||||
|
||||
1. De in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2189,7 +2110,7 @@ aa. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene.
|
|||
3. Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.
|
||||
4. Een beroep op de publieke middelen kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, indien de verblijfsvergunning is verleend onder één van de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met r, en het derde lid. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over deze beperkingen.
|
||||
|
||||
##### 5
|
||||
#### 5
|
||||
|
||||
1. Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, is tijdelijk of niet tijdelijk.
|
||||
2. Het verblijfsrecht is tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband houdend met:
|
||||
|
|
@ -2214,7 +2135,7 @@ q. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling; of
|
|||
r. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
|
||||
3. Indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, is het verblijfsrecht niet-tijdelijk, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald.
|
||||
|
||||
##### 6
|
||||
#### 6
|
||||
|
||||
| Verblijfsvergunning | Reden voor intrekking/niet-verlenging (artikel 18/19 Vw 2000) |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
|
|
@ -2240,7 +2161,7 @@ Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aa
|
|||
| --- | --- |
|
||||
| Asiel voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument IV) | – Verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland. – Verstrekken onjuiste gegevens bij verlening van vergunning. – Gevaar voor openbare orde (veroordeling wegens misdrijf dat kan worden bestraft met gevangenisstraf van drie jaar of meer) of nationale veiligheid. |
|
||||
|
||||
##### 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
|
||||
#### 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
|
||||
|
||||
| Categorie vreemdelingen | Geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de volgende situatie(s) | Vereiste bescheiden |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
|
|
@ -2248,7 +2169,7 @@ Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aa
|
|||
| | Duurzaam verblijf na ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf in het gastland | Het duurzame verblijfsrecht wordt van rechtswege verkregen na vijf jaar legaal verblijf. Een duurzaam verblijfsdocument is niet vereist, maar wordt op verzoek en na verificatie van de duur van het verblijf verstrekt |
|
||||
| Familieleden van de EU/ EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten | Verblijf voor meer dan drie maanden en duurzaam verblijf na ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf in het gastland | Verblijfsdocument EU/EER, afgegeven voor de duur van vijf jaar of voor de duur van de periode van het voorgenomen verblijf, duurzaam verblijfsdocument of ieder ander bewijsmiddel |
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
### 8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating en hoofdverblijf heeft.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2279,14 +2200,14 @@ Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aa
|
|||
|
||||
20062130-01-200618-01-2006INDUIT05-827220062130-01-200618-01-2006INDUIT05-827201-02-2006
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
|
||||
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, dan wel –indien hij in de Nederlandse-Antillen of Aruba hoofdverblijf heeft –de taal die op het eiland van hoofdverblijf naast het Nederlands gangbaar is, alsmede van de Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse, Nederlandse-Antilliaanse of Arubaanse samenleving heeft doen opnemen.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
N.B. Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2296,9 +2217,9 @@ De naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003 in Nederland en voor ve
|
|||
|
||||
Vanaf 1 april 2007 is het niet meer mogelijk om de naturalisatietoets te doen welke gold vanaf 1 april 2003. Enkel de verzoeker die op 1 april 2007 het onderdeel kennis van staatsinrichting en maatschappij (deel I) heeft behaald, alsmede ten minste één onderdeel van de toets kennis van de Nederlandse taal (deel II) van de naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003, wordt tot 1 oktober 2007 éénmalig in de gelegenheid gesteld om bij een Regionaal Opleidings Centrum (ROC), genoemd in artikel 3, eerste lid, van de regeling naturalisatietoets zoals deze gold tot 1 april 2007, de resterende onderdelen van de toets kennis van de Nederlandse taal te behalen.
|
||||
|
||||
##### 2. Procedure
|
||||
#### 2. Procedure
|
||||
|
||||
###### 2.1.1. De Voorlichtingsfase
|
||||
##### 2.1.1. De Voorlichtingsfase
|
||||
|
||||
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal infomeren over het inburgeringsvereiste. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel geschiedt dit pas nadat betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2308,11 +2229,11 @@ Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens die met behulp van een
|
|||
|
||||
Voorts verwijst de burgemeester de aspirant-verzoeker naar de IB-Groep (de Informatie Beheer Groep). De examens van het centraal deel van het examen worden enkel afgenomen door de IB-Groep. Hiertoe heeft de IB-Groep verspreid door het land meerdere examenlocaties ingericht. Deze zijn te vinden op de site van de IB-Groep www.inburgeren.nl . Het praktijkgedeelte van het examen kan worden afgenomen door exameninstellingen die door de Minister daartoe zijn aangewezen (assessment, portfolio of combinatie van een assessment en portfolio) en door de IB-Groep (alleen portfolio). Meer informatie over het examen en naturalisatie is te vinden in de speciaal daarvoor ontwikkelde brochure, getiteld ‘inburgeringsexamen: voorwaarde voor naturalisatie’.
|
||||
|
||||
###### 2.1.2. Aanvraagfase
|
||||
##### 2.1.2. Aanvraagfase
|
||||
|
||||
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van artikel 5, BNT bedoelde inburgeringsdiploma over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (artikel 34, eerste lid, BVVN). Indien verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daaromtrent moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).
|
||||
|
||||
###### 2.2. Vrijstelling van het examen
|
||||
##### 2.2. Vrijstelling van het examen
|
||||
|
||||
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2349,7 +2270,7 @@ De verzoeker kan een beroep doen op de vrijstellingsgrond geformuleerd in artike
|
|||
|
||||
10. Degene die in het bezit is van het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende zes onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.
|
||||
|
||||
####### 2.2.1.. Gedeeltelijke vrijstelling
|
||||
###### 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
|
||||
|
||||
De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Indien verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen dient hij het volgende te overleggen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2360,17 +2281,17 @@ Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is v
|
|||
|
||||
Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief.
|
||||
|
||||
####### 2.2.2.. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
|
||||
###### 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
|
||||
|
||||
Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Ook controleert de burgemeester aan de hand van een door de IB-Groep te Groningen samengesteld modellenboek van diploma’s en getuigschriften. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de IB-Groep; ook bij niet Nederlandse diploma’s.
|
||||
|
||||
###### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
|
||||
##### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
|
||||
|
||||
####### 2.3.1. Inleiding
|
||||
###### 2.3.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van de Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen, is ingevolge artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets, van het examen ontheven.
|
||||
|
||||
####### 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
|
||||
###### 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
|
||||
|
||||
Indien verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. Verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2386,7 +2307,7 @@ Telefonisch overleg met de IND inzake overgelegde adviezen is voor gemeenten alt
|
|||
|
||||
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.
|
||||
|
||||
####### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
|
||||
###### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
|
||||
|
||||
Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking. Het gaat hier om een verzoeker die:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2401,7 +2322,7 @@ Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) me
|
|||
|
||||
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat kosten zijn verbonden aan het haalbaarheidsonderzoek. De gemeente adviseert betrokkene dan ook eerst de toets gesproken Nederlands (TGN) op het gewenste niveau te behalen alvorens betrokkene naar ROC Amsterdam gaat voor het haalbaarheidsonderzoek.
|
||||
|
||||
####### 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd
|
||||
###### 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd
|
||||
|
||||
Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het examen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Europese schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. In onderwijskringen wordt dit ‘anders’ gealfabetiseerd genoemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2411,23 +2332,23 @@ Betrokkene dient aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur
|
|||
|
||||
Anders dan in het voorafgaande, waar ‘beperkt leervermogen’ betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens bezit, gaat het hier om ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
|
||||
|
||||
####### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
|
||||
###### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
|
||||
|
||||
Voor het aanmelden voor het ‘haalbaarheidsonderzoek’ meldt betrokkene zich door middel van model 2.28 (Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam) aan bij dat ROC. De (aspirant-)verzoeker meldt zich zelf rechtstreeks aan bij het ROC van Amsterdam. In een aantal gevallen kan de hulp van de gemeente bij het invullen van model 2.28 noodzakelijk blijken. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het insturen van zijn aanmeldingsformulier. Op het aanmeldingsformulier wordt ingeval van een beroep op het niet gealfabetiseerd zijn door de gemeente ingevuld of betrokkene verplicht is geweest een traject in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers te volgen. Alsdan wordt het formulier voorzien van een gemeente- of dienststempel.
|
||||
|
||||
##### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
|
||||
#### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
|
||||
|
||||
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
|
||||
|
||||
###### 3.1. Polygamie
|
||||
##### 3.1. Polygamie
|
||||
|
||||
Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
|
||||
|
||||
###### 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
|
||||
##### 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
|
||||
|
||||
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.43Zie ABRvS, 18 november 1999, H01.98.2025. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
|
||||
|
||||
###### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
|
||||
##### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
|
||||
|
||||
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2443,7 +2364,7 @@ Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Ne
|
|||
|
||||
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN. Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
|
||||
|
||||
##### 7
|
||||
#### 7
|
||||
|
||||
*Islamitische landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is*
|
||||
|
||||
|
|
@ -2500,14 +2421,14 @@ Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging
|
|||
|
||||
? : onbekend
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, tweede lid
|
||||
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
|
||||
|
||||
**Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2515,7 +2436,7 @@ Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf
|
|||
2. ten minste drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek onafgebroken is gehuwd én gedurende die drie jaren onafgebroken heeft samengewoond met een en dezelfde Nederlander. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk en de samenwoning dienen voort te duren op het moment van de beslissing op het verzoek;
|
||||
3. als meerderjarige binnen het Koninkrijk is geadopteerd door ouders, van wie ten tijde van de adoptie in elk geval één Nederlander was.
|
||||
|
||||
###### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
|
||||
##### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
|
||||
|
||||
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2527,7 +2448,7 @@ of op grond van artikel 7 WNI;
|
|||
– personen die de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, omdat zij meer dan tien achtereenvolgende jaren buiten het Koninkrijk woonplaats hebben en voor het verstrijken van die termijn voor 1 januari 1985 hebben verzuimd aan de Nederlandse autoriteiten mee te delen dat zij Nederlander willen blijven (artikel 7, aanhef en onder 5°, WNI);
|
||||
– personen die op grond van de toescheidingsovereenkomst met Indonesië (TOI) respectievelijk Suriname (TOS) de nationaliteit van dat land hebben verkregen.
|
||||
|
||||
###### 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
|
||||
##### 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
|
||||
|
||||
Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar in Nederland geregistreerd partnerschap, vergelijk artikel 1, tweede lid, RWN) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2535,7 +2456,7 @@ A is geboren in 1953 in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november
|
|||
|
||||
B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, derde lid
|
||||
### 8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
|
||||
|
||||
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2543,17 +2464,17 @@ Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sind
|
|||
|
||||
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, vierde lid
|
||||
### 8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid
|
||||
|
||||
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongehuwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongehuwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongehuwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, vijfde lid
|
||||
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
|
||||
|
||||
G is de dochter van een Turkse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Turkse nationaliteit. Als G 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als G 40 jaar is, gaat zij in Nederland wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Als G daarna nog drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Nederland houdt en in het bezit blijft van een verblijfsvergunning kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van G wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
H is de zoon van een Franse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alledrie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 8, zesde lid
|
||||
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
|
||||
|
||||
**Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2563,7 +2484,7 @@ H is de zoon van een Franse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. H
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 9
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1f; 1.2; 6; 7; 8; 10; 11.6; 13; 15.1d en 16.1
|
||||
|
||||
|
|
@ -2587,20 +2508,18 @@ Ingevolge overgangsbepaling artikel VII, tweede lid, RRWN geldt overgangsrecht v
|
|||
|
||||
Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde lid juncto artikel 9, vierde lid, RWN (nieuw).
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 9-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Artikel 9, eerste lid, RWN stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in artikel 8 RWN gestelde voorwaarden.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
**Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
|
||||
#### 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
|
||||
|
||||
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, indien:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2619,17 +2538,17 @@ c. geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of meer;
|
|||
d. strafbeschikking of transactie van 453,78 (ƒ 1000) of meer;
|
||||
e. strafbeschikking, transactie of geldboete van 226,89 (ƒ 500) of meer, mits er in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop meerdere strafbeschikkingen, transacties of geldboeten van 226,89 (ƒ 500) of meer zijn uitgevaardigd, opgelegd of betaald, met een totaal van 680,67 (ƒ 1500) of meer.
|
||||
|
||||
##### 2. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken
|
||||
#### 2. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken
|
||||
|
||||
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een vergunning tot verblijf. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
##### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
|
||||
#### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
|
||||
|
||||
De woorden “ernstige vermoedens” in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de verzoeker al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
|
||||
|
||||
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
|
||||
|
||||
##### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
|
||||
#### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
|
||||
|
||||
De verzoeker mag in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2638,11 +2557,11 @@ b. iedere taakstraf (werk- of leerstraf) leidt, ongeacht de duur daarvan en onge
|
|||
c. iedere vermogenssanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van 453,78 (ƒ 1000) of meer leidt tot afwijzing van het verzoek;
|
||||
d. een serie vermogenssancties (geldboeten, transacties of strafbeschikkingen) onder de 453,78 (ƒ 1000) leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien binnen een periode van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop meerdere vermogenssancties (geldboeten, transacties of strafbeschikkingen) van ten minste 226,89 (ƒ 500) ter zake van misdrijf zijn opgelegd of tenuitvoergelegd, waarvan het totaalbedrag in die vier jaren ten minste 680,67 (ƒ 1500) bedraagt.
|
||||
|
||||
###### 4.1. Misdrijven
|
||||
##### 4.1. Misdrijven
|
||||
|
||||
Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven. Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (artikelen 92 tot en met 423 WvSr), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de Wet Economische Delicten (WED) en de Opiumwet. Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
|
||||
|
||||
###### 4.2. Transacties en strafbeschikkingen
|
||||
##### 4.2. Transacties en strafbeschikkingen
|
||||
|
||||
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de geldboete € 453,78 of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 226,89 leiden tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop ten minste € 680,67 bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
|
||||
|
||||
|
|
@ -2650,52 +2569,52 @@ Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechte
|
|||
|
||||
Vanaf 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden uitgevaardigd. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
###### 4.3. Cumulatie van sancties
|
||||
##### 4.3. Cumulatie van sancties
|
||||
|
||||
Het beleid dat een enkele financiële sanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van minder dan 453,78 (ƒ 1000) ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan 453,78 (ƒ 1000), wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van 453,78 (ƒ 1000) of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van 226,89 (ƒ 500) vastgesteld. Deze ondergrens van 226,89 (ƒ 500) is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van 680,67 (ƒ 1500) is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden.
|
||||
|
||||
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
|
||||
|
||||
###### 4.4. Voeging
|
||||
##### 4.4. Voeging
|
||||
|
||||
De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van 907,56 (ƒ 2000) wordt opgelegd. In dat geval wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een verzoek om naturalisatie af te wijzen.
|
||||
|
||||
###### 4.5. Taakstraffen
|
||||
##### 4.5. Taakstraffen
|
||||
|
||||
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
|
||||
|
||||
###### 4.6. Buitenlandse feiten
|
||||
##### 4.6. Buitenlandse feiten
|
||||
|
||||
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de verzoeker zelf.
|
||||
|
||||
###### 4.7. Jeugdigen
|
||||
##### 4.7. Jeugdigen
|
||||
|
||||
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket. Met de jeugdige leeftijd van de dader is reeds rekening gehouden, omdat het jeugdstrafrecht beduidend lichtere straffen kent.
|
||||
|
||||
###### 4.8. Vierjaartermijn
|
||||
##### 4.8. Vierjaartermijn
|
||||
|
||||
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie
|
||||
|
||||
###### 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
|
||||
##### 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
|
||||
|
||||
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
|
||||
|
||||
a. als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet wederom schuldig maakt aan een strafbaar feit, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf. Als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de bijzondere voorwaarde (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld;
|
||||
b. als de verzoeker gedurende de proeftijd niet heeft voldaan aan de (algemene of bijzondere) voorwaarden, en de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop de tenuitvoerlegging van de straf is voltooid.
|
||||
|
||||
###### 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
|
||||
##### 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
|
||||
|
||||
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Indien de verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt, indien de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar zijn, indien wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.
|
||||
|
||||
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
|
||||
|
||||
###### 4.11. Schadevergoeding
|
||||
##### 4.11. Schadevergoeding
|
||||
|
||||
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
|
||||
|
||||
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren. Bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling van dading voor de naturalisatiepraktijk wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of meer (ingeval van herhaalde misdrijven 226,89 (ƒ 500) of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen. Ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Indien de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Indien dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Indien alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen indien een geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de voorgestelde beoordeling van dading.
|
||||
|
||||
###### 4.12. Gratie
|
||||
##### 4.12. Gratie
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2703,17 +2622,17 @@ a. Indien de gehele straf door gratie is kwijtgescholden, is er immers geen spra
|
|||
b. Indien slechts een gedeelte van de straf door gratie is kwijtgescholden, zal het niet-kwijtgescholden gedeelte ten uitvoer worden gelegd. De termijn van vier jaar vangt aan op de datum waarop (het resterende gedeelte van) de sanctie ten uitvoer is gelegd (de datum van invrijheidstelling, van voltooiing van de taakstraf of betaling van het volledige bedrag).
|
||||
c. Indien de gehele straf voorwaardelijk door gratie is kwijtgescholden, vangt de rehabilitatietermijn aan op de datum waarop aan de (algemene en bijzondere) voorwaarden is voldaan. Indien de voorwaarde is dat de verzoeker zich gedurende een bepaalde periode niet wederom schuldig maakt aan een strafbaar feit, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de gratie is verleend. Dat is het moment waarop het betreffende koninklijk besluit, waarbij gratie is verleend, is betekend. Indien er sprake is van een bijzondere voorwaarde (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van een arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld. Van belang is dat een verzoeker nimmer tijdens een proeftijd mag worden genaturaliseerd.
|
||||
|
||||
##### 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
|
||||
#### 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
|
||||
|
||||
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium “ernstig gevaar voor openbare orde” (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). Zij dienen door iedereen op dezelfde wijze te worden uitgevoerd. Deze regels vervangen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
|
||||
|
||||
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de *Handleiding RWN 2003 *geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
|
||||
|
||||
##### 6. Procedure
|
||||
#### 6. Procedure
|
||||
|
||||
In de naturalisatieprocedure wordt het verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en daarover adviseert aan de Minister van Justitie. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
|
||||
|
||||
###### 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
|
||||
##### 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
|
||||
|
||||
Iedere verzoeker dient door middel van een verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (zie model 2.3) schriftelijk te verklaren of hij, of een van de in het verzoek genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. De verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag omvat meerdere verklaringen. Indien verzoeker aangeeft dat hij een of meer van deze verklaringen niet naar waarheid kan afleggen, moet de burgemeester:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2722,11 +2641,11 @@ b. de verzoeker in de gelegenheid stellen aan te geven waarom deze de doorgehaal
|
|||
c. de verzoeker zijn verklaringen laten onderbouwen met alle gegevens waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Indien verzoeker beschikt over stukken in een vreemde taal, dient de verzoeker zelf zorg te dragen voor een beëdigde vertaling;
|
||||
d. de verzoeker in de gelegenheid te stellen aan te geven of er naar zijn mening sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die in afwijking van het beleid tot inwilliging van het verzoek moeten leiden. De verzoeker moet dan zelf aangeven welke omstandigheden dat zijn en waarom die tot inwilliging van het verzoek zouden moeten leiden. Hij dient deze zo volledig mogelijk te onderbouwen. Indien hij beschikt over stukken in een vreemde taal, dient hij zelf zorg te dragen voor een beëdigde vertaling.
|
||||
|
||||
###### 6.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
|
||||
##### 6.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
|
||||
|
||||
De burgemeester moet, ongeacht hetgeen de verzoeker zelf verklaart, voor ieder verzoek om naturalisatie de Justitiële documentatiedienst (JDD) raadplegen (zie model 2.20). Indien uit de JDD gegevens met betrekking tot misdrijven naar voren komen die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen (artikel 4:7 Awb). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
|
||||
|
||||
###### 6.3. Bericht van de korpschef
|
||||
##### 6.3. Bericht van de korpschef
|
||||
|
||||
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2734,24 +2653,24 @@ Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifië
|
|||
– het Opsporingsregister (OPS);
|
||||
– het register Herkenningsdienst van de politie (HKD).
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
**Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, *Stcrt. *1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991-1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
|
||||
|
||||
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (*Trb. *1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in artikel 9, derde lid, RWN, zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
|
||||
|
||||
##### 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
|
||||
#### 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
|
||||
|
||||
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (artikel 9, derde lid, RWN).
|
||||
|
||||
##### 3. Uitzonderingscategorieën
|
||||
#### 3. Uitzonderingscategorieën
|
||||
|
||||
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In artikel 9, derde lid, RWN wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2770,29 +2689,29 @@ Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke n
|
|||
13. de verzoeker die is gehuwd met een Nederlander;
|
||||
14. de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.
|
||||
|
||||
###### 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
|
||||
##### 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
|
||||
|
||||
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
|
||||
|
||||
###### 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
|
||||
##### 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
|
||||
|
||||
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
|
||||
|
||||
###### 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
|
||||
##### 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
|
||||
|
||||
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
|
||||
|
||||
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
|
||||
|
||||
###### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
|
||||
##### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
|
||||
|
||||
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
|
||||
|
||||
####### 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
|
||||
###### 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
|
||||
|
||||
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
|
||||
|
||||
####### 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
|
||||
###### 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
|
||||
|
||||
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2808,7 +2727,7 @@ Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstand
|
|||
– bewijs van betaling inzake de kosten van vrijwillige ziektekostenverzekeringen of bewijs van betaling inzake de nominale premie Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ten behoeve van de Zorgverzekering;
|
||||
– beschikking verhaal krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) en bewijs van betaling. Indien er na het invullen van de viv wijzigingen zijn opgetreden in het inkomen of vermogen van de verzoeker, dient dit aan de hand van recente, hierboven vermelde bewijsstukken te worden aangetoond.
|
||||
|
||||
####### 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
|
||||
###### 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
|
||||
|
||||
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2816,7 +2735,7 @@ In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zij
|
|||
|
||||
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (vergelijk artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand).
|
||||
|
||||
####### 3.4.4. Zelfstandigen
|
||||
###### 3.4.4. Zelfstandigen
|
||||
|
||||
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2839,11 +2758,11 @@ B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substanti
|
|||
|
||||
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
|
||||
|
||||
###### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
|
||||
##### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
|
||||
|
||||
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
|
||||
|
||||
####### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
|
||||
###### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
|
||||
|
||||
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2853,11 +2772,11 @@ Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het
|
|||
|
||||
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
|
||||
|
||||
####### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
|
||||
###### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
|
||||
|
||||
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen 3.4.2, 3.4.3 en 3.4.4 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
####### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
|
||||
###### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
|
||||
|
||||
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2869,7 +2788,7 @@ Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren
|
|||
|
||||
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
|
||||
|
||||
###### 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
|
||||
##### 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
|
||||
|
||||
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2877,29 +2796,29 @@ Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude v
|
|||
|
||||
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
|
||||
|
||||
###### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
|
||||
##### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
|
||||
|
||||
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd).
|
||||
|
||||
###### 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
|
||||
##### 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
|
||||
|
||||
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
|
||||
|
||||
###### 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
|
||||
##### 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
|
||||
|
||||
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
|
||||
|
||||
##### 4. Bewijsstukken
|
||||
#### 4. Bewijsstukken
|
||||
|
||||
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
|
||||
|
||||
##### 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
|
||||
#### 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
|
||||
|
||||
###### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
|
||||
##### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
|
||||
|
||||
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
|
||||
|
||||
###### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
|
||||
##### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
|
||||
|
||||
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2907,13 +2826,13 @@ In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vo
|
|||
|
||||
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
|
||||
|
||||
###### 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
|
||||
##### 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
|
||||
|
||||
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, dient voor het doen van afstand te worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.
|
||||
|
||||
##### 1
|
||||
#### 1
|
||||
|
||||
###### . Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
|
||||
##### . Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
|
||||
|
||||
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij naturalisatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3138,7 +3057,7 @@ De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’,
|
|||
| Zweden | B (m.i.v. 01.07.2002) Met ingang van 01.03.2002 dient verzoeker (indien nodig) een ondertekende bereidheidsverklaring (model 2.4) bij het naturalisatieverzoek te voegen (zie TBN 2002/1). (Tot 01.07.2002: A, D). |
|
||||
| Zwitserland | B |
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
**Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien de verzoeker op wie een van de uitzonderingen van artikel 8, tweede lid, van toepassing is, zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3149,7 +3068,7 @@ De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’,
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, tweede lid
|
||||
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
|
||||
|
||||
**Indien de verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge artikel 16, eerste lid, kan het verzoek op de grond bedoeld in het eerste lid, onder a, alleen worden afgewezen, indien hij binnen een periode van tien jaren voorafgaande aan het verzoek veroordeeld is wegens een strafbaar feit tegen de veiligheid van het Koninkrijk of is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tenminste vijf jaren wegens een ander strafbaar feit.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3159,7 +3078,7 @@ De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’,
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, derde lid
|
||||
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
|
||||
|
||||
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
|
||||
|
||||
|
|
@ -3169,11 +3088,11 @@ c. de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende ee
|
|||
d. de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander;
|
||||
e. de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is als vluchteling.
|
||||
|
||||
##### . Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
|
||||
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265).**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3183,17 +3102,17 @@ Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
|
||||
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
|
||||
### 9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
Verzoekster is geboren in Brazilië en heeft bij geboorte de Braziliaanse nationaliteit. Als zij tien jaar is, verhuist zij naar Aruba. Na twee jaar op Aruba te hebben gewoond, verhuist zij naar Bonaire. Op zestienjarige leeftijd gaat zij terug naar Brazilië. Wanneer zij 31 jaar oud is, vestigt zij zich weer op Bonaire. Op 36-jarige leeftijd dient zij aldaar een verzoek om naturalisatie in.
|
||||
|
||||
Van verzoekster wordt niet verlangd dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit nu zij vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van vijf jaar haar hoofdverblijf in Aruba en de Nederlandse Antillen heeft gehad.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
|
||||
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
|
||||
|
||||
Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3232,7 +3151,7 @@ Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalis
|
|||
|
||||
20081217-01-200810-01-2008INDUIT07-6221(AUB)20081217-01-200810-01-2008INDUIT07-6221(AUB)19-01-2008
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
|
||||
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
|
||||
|
||||
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is als vluchteling.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3249,7 +3168,7 @@ Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalis
|
|||
|
||||
20081217-01-200810-01-2008INDUIT07-6221(AUB)20081217-01-200810-01-2008INDUIT07-6221(AUB)19-01-2008
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, vierde lid
|
||||
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
|
||||
|
||||
**Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van het verschuldigde recht, bedoeld in artikel 13 of na de beslissing tot algehele ontheffing van die betaling, dan wel na de ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan. De beslissing kan ten hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3281,7 +3200,7 @@ Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalis
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 9, vijfde lid
|
||||
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
|
||||
|
||||
**Beslissingen tot afwijzing of aanhouding van verzoeken tot verlening van het Nederlanderschap kunnen door Onze Minister worden genomen.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3294,13 +3213,13 @@ Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalis
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 10
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 6.1c; 6.1d; 6.7; 7; 8; 9; 11.2 t/m 11.5; 26.3 en 28.3
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 10-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3389,7 +3308,7 @@ In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing
|
|||
|
||||
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 11
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 1.1g; 1.1h; 2.2 t/m 4; 7; 8.1c; 8.2; 9.1a; 9.1c; 9.2;
|
||||
|
||||
|
|
@ -3405,13 +3324,11 @@ BW: artikelen 1:233 en 1:253ha
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 11-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen. Het artikel is sedert 1 april 2003 aangepast aan de ontwikkelingen op nationaliteitsrechtelijk terrein en heeft mede ten doel de rechtspositie van minderjarige kinderen bij medeverlening van de Nederlandse nationaliteit te verbeteren. Zo is in de wet tot uitdrukking gebracht dat naarmate een kind ouder wordt, hij meer inspraak heeft in het al dan niet verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, eerste lid
|
||||
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
|
||||
|
||||
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, deelt in deze verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening ingediend.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3424,7 +3341,7 @@ Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederla
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, tweede lid
|
||||
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
|
||||
|
||||
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind beneden de leeftijd van 16 jaar wordt ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3448,7 +3365,7 @@ Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederla
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, derde lid
|
||||
### 11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid
|
||||
|
||||
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, en sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het verkrijgt het Nederlanderschap slechts indien het daarmee uitdrukkelijk instemt.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3513,7 +3430,7 @@ Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederla
|
|||
|
||||
20062130-01-200618-01-2006INDUIT05-827220062130-01-200618-01-2006INDUIT05-827201-02-2006
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, vierde lid
|
||||
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
|
||||
|
||||
**Aan het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie dat is verleend, dat in deze verkrijging of verlening niet deelde, wordt op zijn verzoek het Nederlanderschap verleend, indien het een onafgebroken periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, en sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft. De termijn van toelating en hoofdverblijf is niet van toepassing op het kind dat geboren is nadat zijn ouder de verklaring bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het verzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft ingediend. Aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, wordt het Nederlanderschap slechts verleend, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3611,7 +3528,7 @@ Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederla
|
|||
|
||||
20062130-01-200618-01-2006INDUIT05-827220062130-01-200618-01-2006INDUIT05-827201-02-2006
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, vijfde lid
|
||||
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
|
||||
|
||||
– de verzoeker was minderjarig op het moment van indienen van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder(s);
|
||||
– de verzoeker heeft alleen niet gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap van de ouder(s) wegens het feit dat hij meerderjarig werd (aan alle overige toepasselijke voorwaarden voor medeverkrijging of medeverlening werd ten tijde van verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder(s) voldaan);
|
||||
|
|
@ -3624,7 +3541,7 @@ Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederla
|
|||
|
||||
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in artikel 11, derde lid, RWN met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op artikel 11, vijfde lid, RWN. De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, zesde lid
|
||||
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
|
||||
|
||||
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3638,7 +3555,7 @@ Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het
|
|||
– het kind heeft in een op schrift gestelde en ondertekende verklaring ingestemd met de medeverlening (geldt alleen voor een kind dat bij het indienen van het verzoek zestien jaar of ouder is);
|
||||
– deze instemmingsverklaring is in persoon door het kind afgelegd.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, zevende lid
|
||||
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
|
||||
|
||||
**Kinderen van een kind dat in de verlening deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verlening.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3649,7 +3566,7 @@ Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 11, achtste lid
|
||||
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3660,7 +3577,7 @@ Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 12
|
||||
|
||||
RWN: artikel 6.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -3674,7 +3591,7 @@ WCN: artikelen 4 en 5b
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 12-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3722,7 +3639,7 @@ Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet we
|
|||
|
||||
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 12, eerste lid
|
||||
### 12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
|
||||
|
||||
**Indien de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze in overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3732,7 +3649,7 @@ In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoe
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Namenreeks of naamsketen
|
||||
#### 1. Namenreeks of naamsketen
|
||||
|
||||
Indien er sprake is van een namenreeks of naamsketen kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks of naamsketen: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden. In dat geval dient een enkelvoudige geslachtsnaam te worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt betrokkene een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan dient één van zijn eigen namen te worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3740,17 +3657,17 @@ B is geboren in India en bezit de Indiase nationaliteit. Naar eigen zeggen heeft
|
|||
|
||||
Onder deze omstandigheden kan niet onmiddellijk naturalisatie plaatsvinden. Zowel de geboorteakte (identiteit) als de affidavit (later verkregen geslachtsnaam) dienen éérst te worden gelegaliseerd en geverifieerd door de Nederlandse vertegenwoordiging te India. Daarna dient de naamsvaststelling plaats te vinden, waarbij B wordt genaturaliseerd onder de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot.
|
||||
|
||||
##### 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
|
||||
#### 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
|
||||
|
||||
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
|
||||
|
||||
##### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
|
||||
#### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
|
||||
|
||||
Indien de namen van de verzoeker in documenten van gelijke rangorde (bijvoorbeeld twee uittreksels van de geboorteakte) op uiteenlopende wijze worden gespeld, dient naamsvaststelling plaats te vinden. Naamsvaststelling is dus niet vereist indien de namen van de verzoeker weliswaar in verschillende documenten op uiteenlopende wijze worden gespeld, maar deze documenten niet van gelijke rangorde zijn.
|
||||
|
||||
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, draagt volgens zijn gelegaliseerde geboorteakte (en volgens de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling) de geslachtsnaam ‘Fernandez’. Echter, hij gaat al sinds jaar en dag door het leven met de geslachtsnaam ‘Hernandez’. In zijn paspoort en huwelijksakte staat dan ook de naam ‘Hernandez’. Verzoeker heeft nooit pogingen ondernomen zijn naam te laten corrigeren in het Venezolaanse bevolkingsregister.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 12, tweede lid
|
||||
### 12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid
|
||||
|
||||
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker (artikel 36, derde lid, BVVN). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3760,7 +3677,7 @@ Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uits
|
|||
|
||||
Verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Hij staat (derhalve) ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) met het patronymicum. Verzoeker verklaart echter dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. Het Russisch patronymicum maakt geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 13
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 6; 7; 11.4 en 28
|
||||
|
||||
|
|
@ -3776,9 +3693,7 @@ TOS: artikel 7.2
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 13, eerste lid
|
||||
### 13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid
|
||||
|
||||
| Tariefgroep | Tarief(code) | Bedrag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
|
|
@ -3789,9 +3704,9 @@ Geen.
|
|||
| naturalisatie; enkelvoudig; hoog tarief | E | € 366 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; hoog tarief | F | € 464 |
|
||||
|
||||
##### 1. Optiegelden
|
||||
#### 1. Optiegelden
|
||||
|
||||
###### 1.1. Tarieven
|
||||
##### 1.1. Tarieven
|
||||
|
||||
Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond van artikel 6 RWN of artikel 28 RWN dan wel artikel V, eerste lid, RRWN.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3801,14 +3716,14 @@ Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgel
|
|||
– personen die een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan; of
|
||||
– ongehuwden die samenleven in een duurzame relatie.
|
||||
|
||||
###### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
|
||||
##### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
|
||||
|
||||
De volgende categorieën optanten zijn vrijgesteld van leges (artikel 4, eerste lid, BON):
|
||||
|
||||
– minderjarige (klein)kinderen die in de optieverklaring van een opterende (groot)ouder worden genoemd (artikel 6, zevende lid, RWN);
|
||||
– optanten die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld.
|
||||
|
||||
###### 1.3. Ontheffing van optiegelden
|
||||
##### 1.3. Ontheffing van optiegelden
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 4, derde lid, BON bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
|
||||
|
||||
|
|
@ -3819,13 +3734,13 @@ In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen
|
|||
|
||||
Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout in de beoordeling van het bezit van het Nederlanderschap heeft gemaakt, én betrokkene kan opteren, de fout moet kunnen worden hersteld zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf is te wijten, bijvoorbeeld indien sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de optiegelden verleend.
|
||||
|
||||
###### 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
|
||||
##### 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
|
||||
|
||||
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, *Stb. *1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, *Stb. *1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het BON en het BVVN niet van toepassing.
|
||||
|
||||
##### 2. Naturalisatiegelden
|
||||
#### 2. Naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
###### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
|
||||
##### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
|
||||
|
||||
|
|
@ -3834,21 +3749,21 @@ b. Tarief F: het hoog tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
|
|||
2. a. Tarief C: het laag tarief voor een enkelvoudig verzoek;
|
||||
b. Tarief D: het laag tarief voor een gemeenschappelijk verzoek.
|
||||
|
||||
###### 2.2. Tarieven E en F
|
||||
##### 2.2. Tarieven E en F
|
||||
|
||||
In beginsel zijn de tarieven E of F verschuldigd voor de behandeling van één dan wel de behandeling van twee gelijktijdig indiende verzoek(en) om naturalisatie.
|
||||
|
||||
a. In het geval dat de enkelvoudige verzoeker tot naturalisatie niet in aanmerking komt voor het lagere tarief C, is hij tarief E verschuldigd.
|
||||
b. Voor een gemeenschappelijk verzoek, dat wil zeggen een verzoek om naturalisatie van twee met elkaar gehuwden of van twee wederzijds geregistreerde partners dan wel van twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven, is tarief F verschuldigd, tenzij betrokkenen in aanmerking komen voor tarief D.
|
||||
|
||||
###### 2.3. Tarieven C en D
|
||||
##### 2.3. Tarieven C en D
|
||||
|
||||
In geval van min- en onvermogen van de verzoeker(s) is het laag tarief van toepassing.
|
||||
|
||||
a. In geval van min- en onvermogen van de verzoeker is voor een verzoek om naturalisatie tarief C verschuldigd.
|
||||
b. Voor een gemeenschappelijk verzoek, dat wil zeggen een verzoek om naturalisatie van twee met elkaar gehuwden of van twee geregistreerde partners dan wel van twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven, indien sprake is van min- en onvermogen van beiden, is tarief D verschuldigd.
|
||||
|
||||
###### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
|
||||
##### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
|
||||
|
||||
In geval van financieel min- en onvermogen van de verzoeker(s) is een laag tarief van toepassing. Elk van de drie Koninkrijksdelen heeft in de ingevolge artikel 3, tweede lid, BON 2000 totstandgekomen ministeriële regeling eigen criteria ontwikkeld om de status van min- en onvermogenden vast te stellen. Voor Nederland wordt die status vastgesteld aan de hand van een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand (een verklaring op grond van artikel 7, tweede lid, onder d, Wet op de rechtsbijstand inhoudende de vaststelling van de draagkracht overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de rechtsbijstand).
|
||||
|
||||
|
|
@ -3909,14 +3824,14 @@ Kan een verzoeker deze stukken niet overleggen, dan moet hem worden geadviseerd
|
|||
|
||||
Desalniettemin dient het naturalisatieverzoek in ontvangst te worden genomen indien de verzoeker erop staat zijn verzoek in te dienen in afwachting van het overleggen van genoemde stukken. Het verdient aanbeveling in voorkomende gevallen een woordelijk verslag op te maken en het verslag te laten ondertekenen door betrokkene. De te betalen naturalisatiegelden worden in dat geval op hoog tarief gesteld en de verzoeker(s) ingevolge artikel 4:5 Awb gedurende zes weken in de gelegenheid gesteld om de aanvraag te completeren.
|
||||
|
||||
###### 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
|
||||
##### 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
De volgende categorieën naturalisandi zijn vrijgesteld van naturalisatiegelden (artikel 4, eerste lid, BON):
|
||||
|
||||
a. minderjarige (klein)kinderen, mits begrepen in een verzoek tot medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
|
||||
b. een persoon die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld.
|
||||
|
||||
###### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
|
||||
##### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van denaturalisatiegelden:
|
||||
|
||||
|
|
@ -3929,7 +3844,7 @@ c. een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de sta
|
|||
|
||||
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
|
||||
|
||||
##### 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
|
||||
#### 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling heeft in Nederland plaats bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het BON). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).
|
||||
|
||||
|
|
@ -3937,11 +3852,11 @@ Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnforme
|
|||
|
||||
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25 en model 2.8 beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buitenbehandelinggesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.
|
||||
|
||||
##### 4. Afdracht naturalisatiegelden
|
||||
#### 4. Afdracht naturalisatiegelden
|
||||
|
||||
De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 13, tweede lid
|
||||
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
|
||||
|
||||
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het bewijs van toelating tot één van de landen van het Koninkrijk.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3951,7 +3866,7 @@ De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden,
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 14
|
||||
|
||||
RRWN: artikelen II en IIIBVVN: artikelen 65 t/m 70
|
||||
|
||||
|
|
@ -3965,42 +3880,40 @@ WvSr: titel XII
|
|||
|
||||
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 14, eerste lid
|
||||
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
|
||||
|
||||
**Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, danwel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing indien de betrokken persoon is veroordeeld voor misdrijven als bedoeld in de Wet Oorlogsstrafrecht, de Uitvoeringswet folteringsverdrag en de Uitvoeringswet genocideverdrag.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
|
||||
#### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
|
||||
|
||||
Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
A heeft in 1997 ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
|
||||
|
||||
##### 2. Algemeen
|
||||
#### 2. Algemeen
|
||||
|
||||
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij titel XII WvSr (valsheid in geschriften) en bij artikel 3:44 BW (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
|
||||
|
||||
###### 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
|
||||
##### 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
|
||||
|
||||
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
|
||||
|
||||
####### 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
|
||||
###### 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
|
||||
|
||||
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
|
||||
|
||||
####### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
|
||||
###### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
|
||||
|
||||
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat *‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.*Hiervan is sprake wanneer *‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’*.
|
||||
|
||||
####### 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
|
||||
###### 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
|
||||
|
||||
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “*In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken*.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform artikel 14, eerste lid, RWN worden ingetrokken.
|
||||
|
||||
###### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
|
||||
##### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
|
||||
|
||||
Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verkregen, rijst de vraag of deze situatie in stand moet blijven. Uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in het onderhavige artikellid is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien. Aan een eventuele intrekking wegens fraude gaat een zogenaamde ‘voornemenprocedure’ vooraf. Het betreft hier de procedure uit de artikelen 66 tot en met 69 BVVN. Zie paragraaf 4.1.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4010,7 +3923,7 @@ B is bigaam gehuwd. Dit verzwijgt hij bij de verlening van het Nederlanderschap.
|
|||
|
||||
A is in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander. In 2003 komt aan het licht dat A in het kader van de naturalisatieprocedure bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt (bijvoorbeeld strafrechtelijke veroordelingen verzwegen). Zou dat ten tijde van de beslissing op het verzoek om naturalisatie bekend zijn geweest, dan zou de naturalisatie van A niet tot stand zijn gekomen. Aangezien sedert de naturalisatie van A inmiddels een periode van meer dan twaalf jaar is verstreken, kan het destijds verleende Nederlanderschap niet worden ingetrokken.
|
||||
|
||||
###### 2.3. Belangenafweging
|
||||
##### 2.3. Belangenafweging
|
||||
|
||||
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4029,7 +3942,7 @@ Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar k
|
|||
|
||||
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
|
||||
|
||||
###### 2.4. Gevolgen voor kinderen
|
||||
##### 2.4. Gevolgen voor kinderen
|
||||
|
||||
Hebben de frauduleuze handelingen betrekking op de kinderen die destijds hebben gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, dan kan ook hun Nederlanderschap worden ingetrokken.70Vergelijk de toelichting op het BVVN, *Stb. *2002, 231. Met zorgvuldigheid zal moeten worden nagegaan of ook ten aanzien van deze kinderen tot intrekking moet worden overgegaan. Voor elk van de kinderen die door mede-optie of medeverlening Nederlander zijn geworden, moet worden afgewogen of de individuele belangen van het kind de handhaving van het Nederlanderschap vereisen. Een dergelijke afweging is, gelet op het Verdrag van de rechten van het kind en het Europese Nationaliteitsverdrag, in het bijzonder dan vereist, als het kind door de intrekking staatloos zou worden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4043,27 +3956,27 @@ B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge artikel II, tweede lid,
|
|||
|
||||
E blijft Nederlander. Ook na de intrekking van het Nederlanderschap van B geldt ten aanzien van E nog steeds dat hij het kind is van wie ten tijde van zijn geboorte de vader Nederlander was.
|
||||
|
||||
##### 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
|
||||
#### 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
|
||||
|
||||
*Meldplicht fraude*
|
||||
|
||||
Artikel 65 BVVN bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
|
||||
|
||||
##### 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
|
||||
#### 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
|
||||
|
||||
###### 4.1. Voornemenprocedure
|
||||
##### 4.1. Voornemenprocedure
|
||||
|
||||
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN. De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
|
||||
|
||||
###### 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
|
||||
##### 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
|
||||
|
||||
Volgens artikel 69 BVVN dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In artikel 68, eerste lid, BVVN is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, *Stb.* 2002, 231).
|
||||
|
||||
Artikel 68, tweede lid, BVVN bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
##### 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
|
||||
#### 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
|
||||
|
||||
###### 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
|
||||
##### 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 70, eerste lid, BVVN wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in artikel 14, eerste lid, RWN of in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN, gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de GBA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4071,7 +3984,7 @@ Ingevolge artikel 70, eerste lid, BVVN wordt een afschrift van een besluit tot i
|
|||
– indien de Minister van Justitie dat noodzakelijk acht, hij overgaat tot uitreiking van het afschrift van het besluit;
|
||||
– indien de Minister van Justitie dat nodig acht, hij het besluit tot intrekking publiceert in een of meer locale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de Staatscourant, de Curaçaose Courant of de Landscourant van Aruba, al naar gelang de vermoedelijke verblijfplaats.
|
||||
|
||||
###### 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
|
||||
##### 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
|
||||
|
||||
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4081,7 +3994,7 @@ Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis
|
|||
– betrokkenen er op worden gewezen hun verblijfsrechtelijke positie bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te regelen;
|
||||
– in voorkomende gevallen de akten van de burgerlijke stand worden bijgewerkt (vergelijk ook artikel 70, tweede lid, BVVN; zie ook hierna paragraaf 4.3).
|
||||
|
||||
###### 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
|
||||
##### 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
|
||||
|
||||
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4089,18 +4002,18 @@ Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastge
|
|||
- Betrokkene is na intrekking staatloos. Hij behoudt in dat geval de namen zoals die destijds zijn gewijzigd of vastgesteld.
|
||||
- Betrokkene herkrijgt als gevolg van de intrekking zijn oorspronkelijke nationaliteit (naar mag worden aangenomen, zal dat zelden het geval zijn). Op zijn namen is na de intrekking het recht van toepassing van het land van de nieuwe nationaliteit. Dat vloeit voort uit artikel 4, eerste lid, WCN (zie tekst hieronder). In de meeste gevallen zal dat betekenen dat betrokkene terugkeert naar de namen die hij onmiddellijk vóór zijn naturalisatie c.q. optie droeg.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 14, tweede lid
|
||||
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5 of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000, Stb. 618. Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb. 268).**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijziging van 2003. Ten gevolge van artikel III RRWN heeft de redactie van het huidige artikel 14, tweede lid, RWN terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
|
||||
|
||||
##### 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
|
||||
#### 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
|
||||
|
||||
Ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN heeft artikel 14, tweede lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4122,7 +4035,7 @@ C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 20
|
|||
|
||||
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 14, derde lid
|
||||
### 14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4132,7 +4045,7 @@ In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meeb
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 14, vierde lid
|
||||
### 14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid
|
||||
|
||||
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4142,7 +4055,7 @@ In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meeb
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 15
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1b; 1.2; 2.2 en 14.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -4154,9 +4067,7 @@ WCN: artikel 1
|
|||
|
||||
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 15-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4176,18 +4087,18 @@ Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerder
|
|||
|
||||
20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)04-02-200501-01-2005
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Vrijwillige verkrijging
|
||||
#### 1. Vrijwillige verkrijging
|
||||
|
||||
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
|
||||
|
||||
###### 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
|
||||
##### 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 15, tweede lid, RWN treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4195,44 +4106,44 @@ Ingevolge artikel 15, tweede lid, RWN treedt ondanks vrijwillige verkrijging van
|
|||
– vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; óf
|
||||
– is gehuwd met een persoon die die andere nationaliteit bezit.
|
||||
|
||||
###### 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging
|
||||
##### 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging
|
||||
|
||||
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
|
||||
|
||||
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van “vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit” als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens artikel 14, vierde lid, RWN niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk artikel 62, tweede lid, BVVN). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN delen in de afstand.
|
||||
|
||||
##### 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
|
||||
#### 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
|
||||
|
||||
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester (artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
|
||||
|
||||
##### 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
|
||||
#### 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
|
||||
|
||||
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en schriftelijk (artikel 62, eerste lid, BVVN) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon (artikel 63, tweede lid, BVVN). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
|
||||
|
||||
##### 4. Delen van kinderen in de afstand
|
||||
#### 4. Delen van kinderen in de afstand
|
||||
|
||||
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge artikel 16 RWN minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap (artikel 62, eerste lid, BVVN). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn (artikel 63, tweede lid, BVVN) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
|
||||
|
||||
##### 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
|
||||
#### 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
|
||||
|
||||
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend (artikel 3, derde lid, BVVN). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
|
||||
|
||||
##### 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
|
||||
#### 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
|
||||
|
||||
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in artikel 22 RWN, aan de IND, Regionale directie Zuid-West, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten (artikel 64, eerste lid, BVVN). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in de Nederlandse Antillen of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
|
||||
|
||||
##### 7. Verdere administratieve afhandeling
|
||||
#### 7. Verdere administratieve afhandeling
|
||||
|
||||
Indien de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester (artikel 64, derde lid, BVVN) dat:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4256,14 +4167,14 @@ Indien de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burg
|
|||
|
||||
20046807-04-200425-04-2004INDUIT04-1741AUB20046807-04-200425-04-2004INDUIT04-1741AUB13-04-2004
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### 1. Algemeen
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4272,11 +4183,11 @@ Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlander
|
|||
– was gedurende voormelde tien jaren in het bezit van beide nationaliteiten; én
|
||||
– was meerderjarig gedurende voormelde tien jaren.
|
||||
|
||||
###### 1.1. Stuiting van de verliestermijn
|
||||
##### 1.1. Stuiting van de verliestermijn
|
||||
|
||||
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen (artikel 15, vierde lid, RWN). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
|
||||
|
||||
###### 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
|
||||
##### 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
|
||||
|
||||
Uit artikel 61 BVVN volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 15, vierde lid, RWN en in artikel V, tweede lid, RRWN geldt:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4284,7 +4195,7 @@ a. de onherroepelijke rechterlijke beschikking waarbij het Nederlanderschap is v
|
|||
b. een uittreksel uit de GBA, waaruit blijkt dat de betrokkene als Nederlander is aangemerkt;
|
||||
c. een verklaring afgegeven door het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, waaruit blijkt dat de betrokkene Nederlander is.
|
||||
|
||||
###### 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
|
||||
##### 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
|
||||
|
||||
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, artikel 15, derde lid, RWN bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4292,7 +4203,7 @@ A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische n
|
|||
|
||||
Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge artikel 15, derde lid, RWN de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN wordt geacht niet te zijn onderbroken.
|
||||
|
||||
###### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
|
||||
##### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
|
||||
|
||||
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4306,7 +4217,7 @@ Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
|
|||
– het verblijf in het buitenland verband hield met een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk was vertegenwoordigd; of
|
||||
– het de echtgenoot betrof van een persoon met een zodanig dienstverband.
|
||||
|
||||
##### 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
#### 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het huidige artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN kent de RRWN twee overgangsbepalingen, namelijk artikel IV RRWN voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en artikel V RRWN voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van artikel V RRWN de toelichting onder dat artikel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4316,7 +4227,7 @@ Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten
|
|||
|
||||
A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, lid 4, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
### 15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4398,7 +4309,7 @@ A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen da
|
|||
|
||||
20046807-04-200425-04-2004INDUIT04-1741AUB20046807-04-200425-04-2004INDUIT04-1741AUB13-04-2004
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
### 15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
|
||||
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ moet worden verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4412,7 +4323,7 @@ Een belangrijke voorwaarde om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, is
|
|||
|
||||
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, tweede lid
|
||||
### 15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid
|
||||
|
||||
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4442,7 +4353,7 @@ Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Kon
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, derde lid
|
||||
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
|
||||
|
||||
**De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4452,7 +4363,7 @@ Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Kon
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 15, vierde lid
|
||||
### 15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid
|
||||
|
||||
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4462,19 +4373,19 @@ Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Kon
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 15a
|
||||
|
||||
RWN: artikel 1.2
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 15a-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
|
||||
|
||||
Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de RWN. Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
|
||||
|
||||
### . Ad artikel 15A, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
|
||||
### 15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
|
||||
|
||||
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4492,7 +4403,7 @@ De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Frankrijk ook partij bij het Twe
|
|||
|
||||
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
|
||||
|
||||
### . Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
|
||||
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
|
||||
|
||||
**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ingevolge de op 25 november 1975 te Paramaribo gesloten Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, nr. 132) de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4504,7 +4415,7 @@ B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van h
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 16
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1b; 2.2; 11.8; 14.4 en 16ARRWN: artikelen III en V
|
||||
|
||||
|
|
@ -4512,9 +4423,7 @@ BVVN: artikelen 3 en 62 t/m 64
|
|||
|
||||
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 16-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in artikel 14, tweede lid, RWN. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4527,7 +4436,7 @@ Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede b
|
|||
– de adoptiefouder aan wie de minderjarige het Nederlanderschap ontleent; alsmede:
|
||||
– de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
### 16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan artikel 3, eerste lid, RWN.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4539,7 +4448,7 @@ Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de
|
|||
|
||||
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4549,7 +4458,7 @@ In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C e
|
|||
|
||||
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van artikel 16, tweede lid, RWN verhindert het intreden van het verlies. Met name belet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4557,7 +4466,7 @@ Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Austra
|
|||
|
||||
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
|
||||
|
||||
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4585,7 +4494,7 @@ In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Maro
|
|||
|
||||
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd. Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
|
||||
|
||||
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4597,7 +4506,7 @@ Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artik
|
|||
|
||||
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid
|
||||
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4651,11 +4560,11 @@ Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A ni
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### . Algemeen
|
||||
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
|
||||
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien en zolang een ouder het Nederlanderschap bezit.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4668,7 +4577,7 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
|
||||
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4679,7 +4588,7 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
|
||||
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien een ouder als Nederlander is overleden vóór het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4692,7 +4601,7 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
|
||||
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid, of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb. 268), behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4705,7 +4614,7 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
|
||||
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige in het land van de door hem verkregen nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4716,7 +4625,7 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
|
||||
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4727,7 +4636,7 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
|
||||
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien in het geval in het eerste lid, onder e, bedoeld een ouder op het tijdstip van de verkrijging Nederlander is.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4738,57 +4647,57 @@ Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 16a
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 16a-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als artikel 15A, aanhef en onder a, RWN voor meerderjarigen. Het gestelde bij artikel 15A, aanhef en onder b, RWN hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Een eenvoudig rekensommetje leert, dat deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn. Het is dan ook uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 17
|
||||
|
||||
RWN: artikel 24.1
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 17-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 18
|
||||
|
||||
RWN: artikel 24.1
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 18-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 19
|
||||
|
||||
RWN: artikel 24.1
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 19-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 20
|
||||
|
||||
RWN: artikel 24.1
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 20-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
In hoofdstuk 6 RWN is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in de Nederlandse Antillen of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 21
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 6; 7.1 en 9.1b
|
||||
|
||||
|
|
@ -4796,11 +4705,11 @@ BVVN: artikelen 2; 7; 13; 19; 25; 33; 39; 45; 51 en 63
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 21-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
De in artikel 21 RWN bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN, van 15 april 2002, *Stb.* 2002, 231)
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 22
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 6.2; 8; 9.1b; 14.1; 15.1d en 28
|
||||
|
||||
|
|
@ -4808,9 +4717,7 @@ BVVN: artikelen 12.1; 18.1; 24.1; 30.1 en 64.1
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 22, eerste lid
|
||||
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
|
||||
|
||||
**Onze Minister houdt een openbaar register van:**
|
||||
|
||||
|
|
@ -4893,7 +4800,7 @@ Geen.
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 22, tweede lid
|
||||
### 22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
|
||||
|
||||
Onze Ministers van Justitie van de Nederlandse Antillen en van Aruba houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4964,7 +4871,7 @@ Onze Ministers van Justitie van de Nederlandse Antillen en van Aruba houden een
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 23
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 8.1d; 13.1; 13.2 en 21
|
||||
|
||||
|
|
@ -4974,7 +4881,7 @@ BVVN: artikel 72
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 23-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Het onderhavige artikel is een delegatiebepaling. Dit artikel geeft de rijksregering de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels te stellen voor de uitvoering van de RWN. Ter uitvoering van de RWN zijn de volgende algemene maatregelen van rijksbestuur van toepassing:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4983,7 +4890,7 @@ Het onderhavige artikel is een delegatiebepaling. Dit artikel geeft de rijksrege
|
|||
– Besluit bericht omtrent toelating, tot uitvoering van artikel 13, tweede lid, RWN (besluit van*Nog niet bekend. (*Stb.**Nog niet bekend.);
|
||||
– Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, tot uitvoering van de artikelen 21 en 23 RWN (besluit van 15 april 2002 (*Stb. *231).
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 24
|
||||
|
||||
RWN: hoofdstuk 6
|
||||
|
||||
|
|
@ -4991,7 +4898,7 @@ RRWN: artikel V.2
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 24-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892 (*Stb.* 268), die na haar totstandkoming vele malen is gewijzigd, is ingetrokken per 1 januari 1985.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5004,29 +4911,27 @@ De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892 (*Stb.
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 25
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### 25-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 26
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 6.1f; 6.3; 11.8; 15.1a en 15A WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 26-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de RRWN op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 26, eerste lid
|
||||
### 26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
|
||||
|
||||
**Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892, Stb. 268, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5091,11 +4996,11 @@ Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteits
|
|||
|
||||
20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)04-02-200501-01-2005
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 26, tweede lid
|
||||
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
|
||||
|
||||
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van artikel 26 RWN tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 26, derde lid
|
||||
### 26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
|
||||
|
||||
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in artikel 26, eerste lid, RWN bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5109,19 +5014,17 @@ De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlan
|
|||
|
||||
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 27
|
||||
|
||||
RWN: artikel 3
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### 27-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van artikel 27, tweede lid, RWN, viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 27, eerste lid
|
||||
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
|
||||
|
||||
**Artikel 3 van deze Rijkswet is alleen van toepassing op kinderen geboren na de inwerkingtreding van deze Rijkswet.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5131,7 +5034,7 @@ Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van artikel 27, tweede lid, RWN, vie
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 27, tweede lid
|
||||
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
|
||||
|
||||
**Artikel 3, derde lid, als gewijzigd bij de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Stb. 618), is alleen van toepassing op kinderen geboren na de datum van inwerkingtreding van die Rijkswet.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5157,7 +5060,7 @@ Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van artikel 27, tweede lid, RWN, vie
|
|||
|
||||
20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)20052302-02-200525-01-2005INDUIT05-164(AUB)04-02-200501-01-2005
|
||||
|
||||
##
|
||||
## 28
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 1.1c; 2; 3.1; 6.2 t/m 6.5; 11.5 en 11.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -5171,9 +5074,7 @@ WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
|
|||
|
||||
Geen.
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 28, eerste lid
|
||||
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
|
||||
|
||||
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in artikel 2, eerste lid, RWN geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed (artikel 1:149 BW). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1:163, eerste lid, BW en artikel 1:183, eerste lid, BW). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5187,7 +5088,7 @@ Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de B
|
|||
|
||||
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 28, tweede lid
|
||||
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
|
||||
|
||||
**Artikel 6, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5197,7 +5098,7 @@ Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoo
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel 28, derde lid
|
||||
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
|
||||
|
||||
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de in het eerste lid genoemde persoon die moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, van dit kind is deelt in die verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het derde lid van artikel 6.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5243,49 +5144,45 @@ Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoo
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##
|
||||
## II RRWN
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 6.1f; 8.2 en 14.1
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Indien vóór inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt artikel II RRWN. Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## III RRWN
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 3; 4; 5; 14.2 en 16
|
||||
|
||||
WNI: artikel 2.a
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Artikel 14, tweede lid, RWN
|
||||
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 14, tweede lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
|
||||
|
||||
#### . Artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
|
||||
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, RWN intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## IV RRWN
|
||||
|
||||
RWN: artikel 15.1c
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel IV, eerste lid, RRWN vangt de verliestermijn van tien jaren uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## V RRWN
|
||||
|
||||
RWN: artikelen 11.8; 15.1c en 24.1
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Algemeen
|
||||
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
|
||||
|
||||
Aangezien de verliestermijn van het oude artikel 15, onder c, RWN ingevolge artikel 26 RWN (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. Artikel V RRWN biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel V, eerste lid, RRWN
|
||||
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
|
||||
|
||||
A, geboren in 1951 in Australië uit Nederlandse ouders, verkrijgt bij geboorte de Nederlandse en Australische nationaliteit. A woont sedert 1 maart 1986 in Australië. Hij heeft nimmer een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap gehad. Op 1 maart 1996 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit). A kan tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap door optie herkrijgen, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5295,7 +5192,7 @@ De in voorbeeld 1 genoemde A heeft een zoon B, eveneens van Nederlandse en Austr
|
|||
|
||||
B heeft het Nederlanderschap op 1 maart 1996 verloren op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN aangezien zijn vader op die datum het Nederlanderschap verloor op grond van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. B kan niet delen in de herkrijging van het Nederlanderschap door optie van zijn vader, aangezien hij inmiddels meerderjarig is geworden. Hij kan echter wel zelfstandig tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996, door optie herkrijgen, aangezien hij als minderjarige het Nederlanderschap verloren heeft wegens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Nadat hij de optieverklaring heeft afgelegd, begint voor hem de verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd door de tot het in ontvangst nemen van de optieverklaring bevoegde autoriteit. Eventuele minderjarige kinderen van B hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel V, tweede lid, RRWN
|
||||
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
|
||||
|
||||
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5309,21 +5206,19 @@ Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G
|
|||
|
||||
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## VI RRWN
|
||||
|
||||
RWN: artikel 28
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
|
||||
|
||||
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
##
|
||||
## VII RRWN
|
||||
|
||||
RWN: artikel 8.1c en 8.1d; 8.3, 8.4 en 8.5BNT: artikel 7BVVN: artikelen 34.1; 36.1 en 73.1
|
||||
|
||||
### . Toelichting
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
|
||||
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
|
||||
|
||||
**De artikelen van deze Rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5336,14 +5231,14 @@ RWN: artikel 8.1c en 8.1d; 8.3, 8.4 en 8.5BNT: artikel 7BVVN: artikelen 34.1; 36
|
|||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
#### . Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
|
||||
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
|
||||
|
||||
**De onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J van deze rijkswet zijn niet van toepassing op verzoeken ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit onderdeel.**
|
||||
|
||||
|
||||
20034404-03-200320034404-03-200301-04-2003
|
||||
|
||||
##### . Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
|
||||
#### 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
|
||||
|
||||
Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5351,7 +5246,7 @@ Artikel VII RRWN voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te natur
|
|||
|
||||
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
|
||||
|
||||
##### . Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
|
||||
#### 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
|
||||
|
||||
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue