2015-01-01 | BWBR0004447 | Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

This commit is contained in:
Coornhert 2015-01-01 12:00:00 +00:00
parent 4a4b54944d
commit b5bcdd173e

View file

@ -145,21 +145,21 @@ c. de adoptie in overeenstemming met deze wet is afgerond.
### Artikel 9b
**1.** De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van interlandelijke adoptie als bedoeld in artikel 9a bedraagt € 3 700.
**1.** De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van interlandelijke adoptie als bedoeld in artikel 9a bedraagt € 3 700.
**2.** Bij ministeriële regeling wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan de hand van de consumentenprijsindex.
**2.** Bij ministeriële regeling wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan de hand van de consumentenprijsindex.
### Artikel 9c
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op kinderen die tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2013 zijn geadopteerd.
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op kinderen die tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2013 zijn geadopteerd.
### Artikel 10
**1.** Indien is gehandeld in strijd met artikel 2 kan de kinderrechter een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige, tenzij dit niet verenigbaar is met het belang van de minderjarige. In geval van voorlopige voogdij wendt de raad voor de kinderbescherming zich binnen zes weken tot de rechter ten einde een voorziening in het gezag over de minderjarige te verkrijgen. Artikel 241, vierde, vijfde en zesde lid alsmede artikel 306*a* van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 813, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Indien is gehandeld in strijd met artikel 2 kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige, tenzij dit niet verenigbaar is met het belang van de minderjarige. In geval van voorlopige voogdij wendt de raad voor de kinderbescherming zich binnen zes weken tot de rechter ten einde een voorziening in het gezag over de minderjarige te verkrijgen. Artikel 241, vierde en vijfde lid alsmede artikel 306*a* van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 813, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
**2.** De voorlopige voogdij eindigt, behoudens eerdere intrekking, op het tijdstip waarop hetzij de voogdij over de minderjarige, dan wel diens verblijf bij aspirant-adoptiefouders aan wie een beginseltoestemming is verleend, een aanvang neemt, hetzij de minderjarige in het land van herkomst wordt teruggeplaatst.
**3.** De kosten die de stichting ten behoeve van de minderjarige moet maken, komen ten laste van degene die de minderjarige in strijd met artikel 2 heeft opgenomen. De artikelen 69 en 71 tot en met 76 van de Wet op de jeugdzorg zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.** De kosten die de stichting ten behoeve van de minderjarige moet maken, komen ten laste van degene die de minderjarige in strijd met artikel 2 heeft opgenomen. De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.7 van de Jeugdwet zijn van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 4. Het gezinsonderzoek na binnenkomst in Nederland van een tijdens gewoon verblijf in het buitenland opgenomen buitenlands kind