2024-01-01 | BWBR0040068 | Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen
This commit is contained in:
parent
006469bcb5
commit
b9a313cb26
1 changed files with 66 additions and 68 deletions
|
|
@ -29,7 +29,7 @@ Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wor
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *ADR-klasse:* classificatie als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
|
||||
- *ADR-klasse:* classificatie als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
|
||||
- *bevoegd gezag:* het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de plaats geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen;
|
||||
- *bezwijken:* het overschrijden van een uiterste grenstoestand;
|
||||
- *bijeenkomsttent:* tent met een bijeenkomstfunctie;
|
||||
|
|
@ -46,7 +46,7 @@ Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wor
|
|||
- *kampeertent:* kampeermiddel dat overwegend bestaat uit textiel materiaal;
|
||||
- *kampeerterrein:* plaats of gedeelte van een plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht voor het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen;
|
||||
- *klimlijn:* denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt;
|
||||
- *loopafstand:* afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn;
|
||||
- *loopafstand:* afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn;
|
||||
- *meetniveau:* hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het bouwsel;
|
||||
- *milieugevaarlijke stoffen:* gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
|
||||
- *NEN:* door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
|
||||
|
|
@ -213,7 +213,7 @@ b. op verzoek van de melder.
|
|||
|
||||
**1.** Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een brandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt.
|
||||
|
||||
**2.** Een dragende constructie van een vloer, trap of hellingbaan hoger dan 5 m boven het meetniveau, bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de dragende constructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een constructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
|
||||
**2.** Een dragende constructie van een vloer, trap of hellingbaan hoger dan 5 m boven het meetniveau, bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de dragende constructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een constructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.2. Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
|
||||
|
||||
|
|
@ -225,11 +225,11 @@ b. op verzoek van de melder.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
**1.** Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
|
||||
**1.** Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
|
||||
|
||||
**2.** Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
|
||||
**2.** Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
|
||||
|
||||
**3.** Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
|
||||
**3.** Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -254,13 +254,13 @@ e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van
|
|||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, ter plaatse van een beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.
|
||||
|
||||
**4.** Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.4, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.4 is niet groter dan 0,1 m.
|
||||
De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.4 is niet groter dan 0,1 m.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.3. Veilig overbruggen van hoogteverschillen
|
||||
|
||||
|
|
@ -272,7 +272,7 @@ De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en
|
|||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
**1.** Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een trap of een hellingbaan.
|
||||
**1.** Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een trap of een hellingbaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor de vluchtroute van een vaartuig naar de wal.
|
||||
|
||||
|
|
@ -290,7 +290,7 @@ De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.
|
||||
Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.
|
||||
|
||||
| Afmetingen van een trap (in meters) | |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
|
|
@ -302,11 +302,11 @@ Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
Een trap als bedoeld in artikel 3.8 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.
|
||||
Een trap als bedoeld in artikel 3.8 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.12
|
||||
|
||||
Een trap als bedoeld in artikel 3.8 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3 heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.
|
||||
Een trap als bedoeld in artikel 3.8 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3 heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.5. Hellingbaan
|
||||
|
||||
|
|
@ -318,11 +318,11 @@ Een trap als bedoeld in artikel 3.8 waarvan de helling ter plaatse van de klimli
|
|||
|
||||
### Artikel 3.14
|
||||
|
||||
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.8 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.
|
||||
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.8 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.15
|
||||
|
||||
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.8 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.
|
||||
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.8 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.6. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
|
||||
|
||||
|
|
@ -343,7 +343,7 @@ Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.8 sluit aan de bovenzijde, over de bree
|
|||
Materiaal ter plaatse van of nabij toestellen en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, als bedoeld in NEN-EN 13501-1 of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, indien:
|
||||
|
||||
a. op het materiaal een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m^2, of
|
||||
b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
|
||||
b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.18
|
||||
|
||||
|
|
@ -351,11 +351,11 @@ In afwijking van artikel 3.17 geldt voor de bovenzijde van een voor personen bes
|
|||
|
||||
### Artikel 3.19
|
||||
|
||||
Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke besloten ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.17 en 3.18 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
|
||||
Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke besloten ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.17 en 3.18 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.20
|
||||
|
||||
De bovenzijde van een dak van een ruimte met een voor personen bestemde vloer die hoger ligt dan 5 m boven meetniveau, is niet brandgevaarlijk, bepaald volgens NEN 6063.
|
||||
De bovenzijde van een dak van een ruimte met een voor personen bestemde vloer die hoger ligt dan 5 m boven meetniveau, is niet brandgevaarlijk, bepaald volgens NEN 6063.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.7. Beperking van uitbreiding van brand
|
||||
|
||||
|
|
@ -376,7 +376,7 @@ De bovenzijde van een dak van een ruimte met een voor personen bestemde vloer di
|
|||
Onverminderd het eerste lid liggen in een brandcompartiment:
|
||||
|
||||
a. een besloten ruimte waarin een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW worden opgesteld, of
|
||||
b. een of meer gezamenlijk bovengronds opgestelde afvalcontainers met brandbare materialen met een totale inhoud van meer dan 10 m^3.
|
||||
b. een of meer gezamenlijk bovengronds opgestelde afvalcontainers met brandbare materialen met een totale inhoud van meer dan 10 m^3.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een verkeerstent, op een jachthaven of op een tentenkamp.
|
||||
|
||||
|
|
@ -386,11 +386,11 @@ b. een of meer gezamenlijk bovengronds opgestelde afvalcontainers met brandbare
|
|||
|
||||
Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan
|
||||
|
||||
a. 1.000 m^2 voor een logiesfunctie,
|
||||
b. 2.000 m^2 voor een bijeenkomstfunctie, een kantoorfunctie en een winkelfunctie, en
|
||||
c. 3.000 m^2 voor een industriefunctie, een sportfunctie en overige gebruiksfuncties.
|
||||
a. 1.000 m^2 voor een logiesfunctie,
|
||||
b. 2.000 m^2 voor een bijeenkomstfunctie, een kantoorfunctie en een winkelfunctie, en
|
||||
c. 3.000 m^2 voor een industriefunctie, een sportfunctie en overige gebruiksfuncties.
|
||||
|
||||
**2.** In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier standplaatsen voor kampeermiddelen en bijbehorende bouwsels met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m^2.
|
||||
**2.** In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier standplaatsen voor kampeermiddelen en bijbehorende bouwsels met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m^2.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de recreatieligplaatsen in een jachthaven of op een tentenkamp.
|
||||
|
||||
|
|
@ -401,7 +401,7 @@ c. 3.000 m^2 voor een industriefunctie, een sportfunctie en overige gebruiksfunc
|
|||
In afwijking van het eerste lid mag de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment groter zijn indien:
|
||||
|
||||
a. de gemiddelde overeenkomstig NEN 6090 bepaalde vuurbelasting niet meer bedraagt dan 8 kg vurenhout/m^2, of
|
||||
b. de gemiddelde overeenkomstig NEN 6090 bepaalde vuurbelasting niet meer bedraagt dan 30 kg vurenhout/m^2 en de afstand tussen een opstelplaats voor brandweervoertuigen en ieder punt in het brandcompartiment niet groter is dan 60 m.
|
||||
b. de gemiddelde overeenkomstig NEN 6090 bepaalde vuurbelasting niet meer bedraagt dan 30 kg vurenhout/m^2 en de afstand tussen een opstelplaats voor brandweervoertuigen en ieder punt in het brandcompartiment niet groter is dan 60 m.
|
||||
|
||||
**6.** Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een plaatsperceel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -409,19 +409,19 @@ b. de gemiddelde overeenkomstig NEN 6090 bepaalde vuurbelasting niet meer bedraa
|
|||
|
||||
### Artikel 3.24
|
||||
|
||||
**1.** Een aan een of meer andere pleziervaartuigen afgemeerd pleziervaartuig ligt niet meer dan 20 m van de walkant of steiger.
|
||||
**1.** Een aan een of meer andere pleziervaartuigen afgemeerd pleziervaartuig ligt niet meer dan 20 m van de walkant of steiger.
|
||||
|
||||
**2.** Een afgemeerd pleziervaartuig waarop personen verblijven kan in geval van brand zodanig worden vrijgegeven dat er ten minste 5 m afstand kan worden genomen van de brandhaard.
|
||||
**2.** Een afgemeerd pleziervaartuig waarop personen verblijven kan in geval van brand zodanig worden vrijgegeven dat er ten minste 5 m afstand kan worden genomen van de brandhaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.25
|
||||
|
||||
**1.** De overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de in het eerste lid vereiste weerstand wordt voldaan indien de afstand van een brandcompartiment tot een ander brandcompartiment ten minste 5 m is.
|
||||
**2.** Aan de in het eerste lid vereiste weerstand wordt voldaan indien de afstand van een brandcompartiment tot een ander brandcompartiment ten minste 5 m is.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid is de overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een cluster kampeermiddelen naar een ander cluster kampeermiddelen op een andere standplaats ten minste 20 minuten.
|
||||
|
||||
**4.** Aan de in het derde lid vereiste weerstand wordt voldaan indien de afstand van enig bouwsel tot een kampeermiddel op een andere standplaats ten minste 3 m is.
|
||||
**4.** Aan de in het derde lid vereiste weerstand wordt voldaan indien de afstand van enig bouwsel tot een kampeermiddel op een andere standplaats ten minste 3 m is.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een afstand als bedoeld in het tweede of vierde lid wordt gehanteerd, is de tussenliggende oppervlakte vrij van materialen, anders dan levende natuur of vervoermiddelen, die brandoverslag kunnen bevorderen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -471,19 +471,19 @@ Een besloten ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft voor
|
|||
|
||||
**1.** Op elk punt in een verblijfsruimte begint een vluchtroute die leidt naar een veilige plaats.
|
||||
|
||||
**2.** De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een punt buiten het brandcompartiment waarin die verblijfsruimte ligt, is niet groter dan 60 m.
|
||||
**2.** De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een punt buiten het brandcompartiment waarin die verblijfsruimte ligt, is niet groter dan 60 m.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De in het tweede lid genoemde loopafstand kan worden verlengd indien gedurende de tijd dat binnen het compartiment wordt gevlucht:
|
||||
|
||||
a. de stralingsflux niet groter is dan 1 kW/m^3;
|
||||
b. de temperatuur niet hoger is dan 45 °C, en
|
||||
c. de zichtlengte niet kleiner is dan 100 m.
|
||||
b. de temperatuur niet hoger is dan 45 °C, en
|
||||
c. de zichtlengte niet kleiner is dan 100 m.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.33
|
||||
|
||||
**1.** Een verblijfsruimte, bestemd voor meer dan 225 personen, of een gebied, bestemd voor meer dan 225 personen, heeft ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt, met een onderlinge afstand van ten minste 5 m.
|
||||
**1.** Een verblijfsruimte, bestemd voor meer dan 225 personen, of een gebied, bestemd voor meer dan 225 personen, heeft ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt, met een onderlinge afstand van ten minste 5 m.
|
||||
|
||||
**2.** Buiten het brandcompartiment waarin een in het eerste lid bedoelde andere vluchtroute begint, voeren twee vluchtroutes niet over dezelfde route.
|
||||
|
||||
|
|
@ -493,7 +493,7 @@ c. de zichtlengte niet kleiner is dan 100 m.
|
|||
|
||||
**1.** De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de twee vluchtroutes als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, is ten minste 30 minuten.
|
||||
|
||||
**2.** In een vluchtroute heeft elke vrije doorgang een breedte van ten minste 0,50 m, heeft minimaal één doorgang een breedte van ten minste 0,85 m en heeft elke doorgang een hoogte van ten minste 2 m.
|
||||
**2.** In een vluchtroute heeft elke vrije doorgang een breedte van ten minste 0,50 m, heeft minimaal één doorgang een breedte van ten minste 0,85 m en heeft elke doorgang een hoogte van ten minste 2 m.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.35
|
||||
|
||||
|
|
@ -501,7 +501,7 @@ c. de zichtlengte niet kleiner is dan 100 m.
|
|||
|
||||
De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:
|
||||
|
||||
a. 45 personen per minuut per meter breedte van een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 meter en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 meter, indien de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;
|
||||
a. 45 personen per minuut per meter breedte van een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 meter en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 meter, indien de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;
|
||||
b. 90 personen per minuut per meter vrije breedte van een ruimte,
|
||||
c. 90 personen per minuut per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;
|
||||
d. 110 personen per minuut per meter vrije breedte van een doorgang, indien zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden, en
|
||||
|
|
@ -557,7 +557,7 @@ Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan NEN 1010.
|
|||
|
||||
### Artikel 4.8
|
||||
|
||||
**1.** Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmiddel niet hoger wordt dan 200 °C.
|
||||
**1.** Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmiddel niet hoger wordt dan 200 °C.
|
||||
|
||||
**2.** Een bakinstallatie is zodanig geconstrueerd dat bij overbruisen, over de rand of door kieren om de rand, olie of vet niet in de verbrandingsruimte kan komen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -587,7 +587,7 @@ f. een gastank of gasfles en een gasverbruikstoestel staan niet in een vluchtrou
|
|||
Het toegepaste drukreduceersysteem is op een van de volgende wijzen gemonteerd:
|
||||
|
||||
a. direct op de kraan van de gastank of gasfles;
|
||||
b. door gebruik van een geschikte flexibele hogedrukslang tussen gasfles en drukreduceersysteem, die niet langer is dan 0,4 m, of dan 0,75 m indien een uitschuiflade wordt toegepast voor het plaatsen van de flessen.
|
||||
b. door gebruik van een geschikte flexibele hogedrukslang tussen gasfles en drukreduceersysteem, die niet langer is dan 0,4 m, of dan 0,75 m indien een uitschuiflade wordt toegepast voor het plaatsen van de flessen.
|
||||
|
||||
**3.** Het toegepaste drukreduceersysteem bezit voldoende doorlaatcapaciteit voor een ongestoorde en gelijktijdige nominale belasting van alle tot de installatie behorende verbruikstoestellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -652,7 +652,7 @@ b. door gebruik van een geschikte flexibele hogedrukslang tussen gasfles en druk
|
|||
Een beweegbaar deel in een doorgang in een vluchtroute waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, kan worden geopend door:
|
||||
|
||||
a. een lichte druk tegen de doorgang, of
|
||||
b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.
|
||||
b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.
|
||||
|
||||
**3.** Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur of nooduitgang is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.
|
||||
|
||||
|
|
@ -731,9 +731,9 @@ d. het alarmeren, opvangen en informeren van de hulpverleningsdiensten.
|
|||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m^2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m^2, bepaald volgens NEN 6090;
|
||||
b. op een of meer bouwsels met elk een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m^2;
|
||||
c. indien de toegang tot het bouwsel op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt, of
|
||||
a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m^2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m^2, bepaald volgens NEN 6090;
|
||||
b. op een of meer bouwsels met elk een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m^2;
|
||||
c. indien de toegang tot het bouwsel op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt, of
|
||||
d. indien het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt dat, gelet op de aard, de ligging of het gebruik van het bouwsel, geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid is vereist.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -757,15 +757,15 @@ d. een doeltreffende afwatering.
|
|||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m^2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m^2, bepaald volgens NEN 6090;
|
||||
b. op een bouwsel met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m^2, of
|
||||
a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m^2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m^2, bepaald volgens NEN 6090;
|
||||
b. op een bouwsel met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m^2, of
|
||||
c. indien het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt dat, gelet op de aard, de ligging of het gebruik van het bouwsel geen opstelplaatsen als bedoeld in het eerste lid zijn vereist.
|
||||
|
||||
**3.** Een opstelplaats voor brandweervoertuigen als bedoeld in het eerste lid is over de voorgeschreven hoogte en breedte als bedoeld in artikel 4.25, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
|
||||
|
||||
**4.** Hekwerken die een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpverleningsdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
|
||||
|
||||
**5.** Tenzij in overleg met de brandweer anders is bepaald, is de afstand tussen een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 4.24 ten hoogste 40 m.
|
||||
**5.** Tenzij in overleg met de brandweer anders is bepaald, is de afstand tussen een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 4.24 ten hoogste 40 m.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4.9. Zorgplicht installaties
|
||||
|
||||
|
|
@ -829,7 +829,7 @@ e. een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten h
|
|||
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder e, levert aankleding in een besloten ruimte voor het verblijven van meer dan 50 personen brandgevaar op indien:
|
||||
|
||||
a. de aankleding zich bevindt boven een gedeelte van de vloer waar personen aanwezig kunnen zijn;
|
||||
b. de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is, en
|
||||
b. de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is, en
|
||||
c. de aankleding niet direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
|
@ -879,8 +879,8 @@ a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;
|
|||
b. brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel;
|
||||
c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;
|
||||
d. gezamenlijk opgestelde gasflessen tot een totale waterinhoud van 125 liter;
|
||||
e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een gezamenlijk opgestelde totale hoeveelheid van 1.000 liter, en
|
||||
f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is toegestaan.
|
||||
e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een gezamenlijk opgestelde totale hoeveelheid van 1.000 liter, en
|
||||
f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het berekenen van een toegestane hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -888,18 +888,16 @@ f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens
|
|||
|
||||
In afwijking van het derde lid, onderdeel e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een in dat onderdeel bedoelde oliesoort toegestaan indien de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen.
|
||||
|
||||
| ADR-klasse | Omschrijving | Verpakkingsgroep | Toegestane maximum gezamenlijk opgestelde hoeveelheid^1 in kg of l |
|
||||
| ADR-klasse1 | Omschrijving | Verpakkingsgroep | Toegestane maximum hoeveelheid |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas | gassen zoals propaan, zuurstof, acyteleen, aerosolen (spuitbussen) | n.v.t. | 50 |
|
||||
| 3 | brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton | II | 25 |
|
||||
| 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61 °C en 100 °C | brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten | III | 50 |
|
||||
| 4.1 | brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders | II en III | 50 |
|
||||
| 4.2 | voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink | II en III | 50 |
|
||||
| 4.3 | stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide | II en III | 50 |
|
||||
| 5.1 | brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide | II en III | 50 |
|
||||
| 5.2 | organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en dipropionyl peroxide | n.v.t. | 1 |
|
||||
| 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas | Gassen zoals propaan, zuurstof, acyteleen, aerosolen (spuitbussen) | n.v.t | 50 kg |
|
||||
| 3 | Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton | II | 25 liter |
|
||||
| 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C | Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten | III | 50 liter |
|
||||
| 4.1, 4.2, 4.3 | 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide | II en III | 50 kg |
|
||||
| 5.1 | Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide | II en III | 50 liter |
|
||||
| 5.2 | Organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl peroxide | n.v.t. | 1 liter |
|
||||
|
||||
^1Eenheid bepaald overeenkomstig bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht
|
||||
^1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -919,7 +917,7 @@ Aan het eerste lid wordt bij opslag van hout voldaan indien:
|
|||
|
||||
a. de opslag bij brand gedurende een periode van ten minste 60 minuten, gerekend vanaf het ontstaan van de brand, geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan 15 kW/m^2;
|
||||
b. de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd, waarbij in een derde zijde ook een toegangsmogelijkheid aanwezig is indien die zijde langer is dan 40 m, en
|
||||
c. bij de opslag een bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit van ten minste 90 m^3 per uur aanwezig is.
|
||||
c. bij de opslag een bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit van ten minste 90 m^3 per uur aanwezig is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -980,7 +978,7 @@ c. brandgevaarlijke werkzaamheden aan, op of in het voer- of pleziervaartuig te
|
|||
|
||||
### Artikel 5.14
|
||||
|
||||
**1.** De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een gebouw bedraagt ten minste 2 m, of ten minste 5 m indien in die kraam of wagen wordt gefrituurd.
|
||||
**1.** De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een gebouw bedraagt ten minste 2 m, of ten minste 5 m indien in die kraam of wagen wordt gefrituurd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -989,9 +987,9 @@ Het eerste lid is niet van toepassing indien:
|
|||
a. het aangestraalde vlak van het bouwsel, gebouw of ander object een overeenkomstig NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag heeft van ten minste 60 minuten, of
|
||||
b. de bakkraam of bakwagen is uitgerust met een automatische brandblusinstallatie.
|
||||
|
||||
**3.** De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een andere bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.
|
||||
**3.** De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie en een andere bakkraam of bakwagen met een gasinstallatie of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.
|
||||
|
||||
**4.** De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een elektrische installatie waarin wordt gefrituurd, en een andere bakkraam of bakwagen of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.
|
||||
**4.** De afstand tussen een bakkraam of bakwagen met een elektrische installatie waarin wordt gefrituurd, en een andere bakkraam of bakwagen of een ander bouwsel bedraagt ten minste 2 m.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het bepalen van de afstand als bedoeld in dit artikel wordt de buitenzijde van de bakkraam of bakwagen als meetpunt bedoeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1021,9 +1019,9 @@ b. de bakkraam of bakwagen is uitgerust met een automatische brandblusinstallati
|
|||
|
||||
De inrichting van een besloten ruimte is zodanig dat:
|
||||
|
||||
a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m^2 vloeroppervlakte beschikbaar is;
|
||||
b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m^2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang;
|
||||
c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m^2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.
|
||||
a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m^2 vloeroppervlakte beschikbaar is;
|
||||
b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m^2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang;
|
||||
c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m^2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.
|
||||
|
||||
Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1039,21 +1037,21 @@ Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaa
|
|||
|
||||
Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:
|
||||
|
||||
a. 16 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
|
||||
b. 32 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
|
||||
c. 50 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.
|
||||
a. 16 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
|
||||
b. 32 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
|
||||
c. 50 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.18
|
||||
|
||||
**1.** Een gangpad tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een plaats is ten minste 1,1 m breed.
|
||||
**1.** Een gangpad tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een plaats is ten minste 1,1 m breed.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een uitgang in een plaats als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.19
|
||||
|
||||
**1.** Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.
|
||||
**1.** Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.
|
||||
|
||||
**2.** Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.
|
||||
**2.** Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.
|
||||
|
||||
**3.** Aankleding in een besloten ruimte geeft bij brand geen druppelvorming boven een gedeelte van een vloer, bestemd voor gebruik door personen.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue