2017-06-01 | BWBR0005682 | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

This commit is contained in:
Coornhert 2017-06-01 12:00:00 +00:00
parent 022cb5472f
commit c73e337102

View file

@ -202,6 +202,10 @@ c. de vooropleidingseisen.
Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden. Artikel 1.12, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing.
### Artikel 1.12b
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### Paragraaf 3. Academische ziekenhuizen
### Artikel 1.13
@ -301,6 +305,57 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
### Artikel 1.22
**1.** Het voeren van de naam universiteit is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in de bijlage van deze wet onder a, b, h en i, de universiteiten, bedoeld in artikel 18.75, derde lid en de transnationale Universiteit Limburg. Onder het voeren van de naam universiteit wordt tevens verstaan het voeren van deze naam in samenstellingen, alsmede het voeren van de naam universiteit in vertalingen.
**2.**
In afwijking van het eerste lid, mag een instelling voor hoger onderwijs die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse universiteit, de naam universiteit voeren, indien de instelling:
a. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; en
b. in het land van hoofdvestiging als universiteit is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels, daar het recht heeft graden te verlenen, waaronder de graad Doctor of Doctor of Philosophy en ook in Nederland toegang tot promotie biedt; en
c. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en
d. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend.
**3.** De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling.
**4.** Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier universiteit mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 1.23
**1.** Het voeren van de naam hogeschool is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in de bijlage van deze wet onder g, en aan rechtspersonen voor hoger onderwijs. Onder het voeren van de naam hogeschool wordt tevens het voeren van deze naam in samenstellingen verstaan, alsmede het voeren van de naam hogeschool in vertalingen. In afwijking van artikel 1.22, eerste lid, wordt de naam hogeschool in het Engels aangeduid met «university of applied sciences» dan wel, bij hogescholen die opleiden tot een bepaald beroepsprofiel, «university» met daarachter het vakgebied.
**2.**
In afwijking van het eerste lid, mag een onderwijsinstelling die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse instelling, de naam hogeschool voeren indien de instelling:
a. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; en
b. in het land van hoofdvestiging als instelling voor hoger onderwijs is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels en daar het recht heeft graden te verlenen; en
c. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en
d. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend.
**3.** De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling.
**4.** Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier hogeschool mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 1.24
**1.**
In afwijking artikel 1.22, eerste lid, mag de naam universiteit worden gevoerd door:
a. de volksuniversiteiten;
b. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten.
**2.**
In afwijking van artikel 1.23, eerste lid, mag de naam hogeschool worden gevoerd door:
a. de volkshogescholen;
b. de Evangelische Hogeschool in Amersfoort en de Vrije Hogeschool in Zeist;
c. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten.
## Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
### Artikel 2.1
@ -815,19 +870,19 @@ f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systemati
**3.**
Indien de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag al feitelijk onderwijs wordt verzorgd, worden in plaats van de in het tweede lid onder a en c genoemde aspecten beoordeeld:
Indien door een instelling voor hoger onderwijs de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag al feitelijk onderwijs wordt verzorgd, worden in plaats van de in het tweede lid onder a en c genoemde aspecten beoordeeld:
a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en
b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
**4.**
Indien de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd en de opleiding wordt verzorgd door een instelling die niet beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg of een instellingstoets kwaliteitszorg onder voorwaarden, worden drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende aspecten van kwaliteit beoordeeld:
Indien door een instelling voor hoger onderwijs de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd en de opleiding wordt verzorgd door een instelling die niet beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg of een instellingstoets kwaliteitszorg onder voorwaarden, worden drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende aspecten van kwaliteit beoordeeld:
a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en
b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
**5.** Onverminderd het tweede lid, legt het accreditatieorgaan zijn werkwijze vast voor de toets nieuwe opleiding van de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen overeenkomstig de kaders, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid.
**5.** Onverminderd het eerste en tweede lid, legt het accreditatieorgaan overeenkomstig artikel 5a.8, eerste en tweede lid, zijn werkwijze vast voor de verzwaarde toets nieuwe opleiding, voor de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen. De werkwijze houdt ten minste in dat deze toets plaatsvindt op basis van het volledige curriculum van de opleiding, waarop de aanvraag betrekking heeft, welke opleiding ten tijde van de aanvraag ten minste één maal recent in Nederland is verzorgd en waaraan studenten zijn afgestudeerd.
### Artikel 5a.11
@ -1150,7 +1205,7 @@ Vervallen
### Artikel 6.9
**1.** Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen, dient daartoe een verzoek in bij Onze minister onder overlegging van een toets nieuwe opleiding.
**1.** Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in artikel 7.10a of 7.10b, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding.
**2.** Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a.
@ -1164,7 +1219,7 @@ Vervallen
**1.** Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, onderscheidenlijk een Ad-programma of alle Ad-programmas, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van artikel 1.12, tweede en derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd.
**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen onderscheidenlijk een Ad-programma of alle Ad-programmas geen graad als bedoeld in artikel 7.10a onderscheidenlijk artikel 7.10b is verbonden, en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen onderscheidenlijk een Ad-programma of alle Ad-programmas geen graad als bedoeld in artikel 7.10a onderscheidenlijk artikel 7.10b is verbonden, dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid.
**3.** Artikel 6.5, tweede en derde lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.
@ -3811,6 +3866,8 @@ c. stelt Onze Minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zi
**7.** Indien de hogeschool een functionele scheiding als bedoeld in artikel 10.3d, zesde lid, heeft aangebracht, zijn het eerste tot en met het zesde lid van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf 1a. Onderwijsbeoefening
#### Paragraaf 2. Geschillenregeling
### Artikel 10.4
@ -4702,6 +4759,14 @@ c. toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste, vierde, vijfde of zesde lid,
De in de artikelen 15.3, 15.4, 15.5 en 15.6 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
### Artikel 15.8
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in strijd met artikel 1.22, 1.23, 1.24 of 7.15.
### Artikel 15.9
De bestuurlijke boete die op grond van artikel 15.7 en artikel 15.8 kan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, respectievelijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
## Hoofdstuk 16. Overgangsvoorzieningen onder meer in verband met de invoering van de wet en voorschriften in verband met fusie, omzetting, splitsing, verplaatsing en bestuursoverdracht
### Artikel 16.1