2013-07-04 | BWBR0005682 | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
This commit is contained in:
parent
275aaa57bd
commit
d44fe73662
1 changed files with 33 additions and 46 deletions
|
|
@ -18,7 +18,7 @@ citeertitel: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
|
|||
|
||||
In deze wet wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
|
||||
a. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken;
|
||||
b. hoger onderwijs: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs;
|
||||
c. wetenschappelijk onderwijs: onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert;
|
||||
d. hoger beroepsonderwijs: onderwijs dat is gericht op de overdracht van theoretische kennis en op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk;
|
||||
|
|
@ -331,7 +331,7 @@ c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moe
|
|||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
|
||||
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
|
||||
|
||||
**2.** Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -357,13 +357,6 @@ c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanme
|
|||
|
||||
**1.** De rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze. In afwijking van de eerste volzin kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze, voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).
|
||||
|
||||
**1a.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan de rijksbijdrage worden berekend op de grondslag van een bijzondere berekeningswijze:
|
||||
|
||||
a. voor de universiteiten voorzover het betreft onderwijs gericht op het beroep van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad, of
|
||||
b. voorzover dit voortvloeit uit de artikelen 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg (Trb. 2001, 38).
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister kan aan de bekostiging van onderzoek aan universiteiten voorwaarden verbinden, verband houdend met de kwaliteitszorg.
|
||||
|
||||
**3.** De rijksbijdrage wordt jaarlijks door Onze minister vastgesteld in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor dat begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting.
|
||||
|
|
@ -420,7 +413,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.8
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur stelt jaarlijks, voorafgaand aan het desbetreffende begrotingsjaar, voor de instelling een begroting vast. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit, neemt bij de vaststelling van de begroting, onderscheidenlijk wijziging van de begroting de vastgestelde rijksbijdrage ten behoeve van het academisch ziekenhuis in acht. De besturen van de instellingen, genoemd in artikel 1.5, zenden de begroting, alsmede wijzigingen van de begroting, binnen veertien dagen na de vaststelling ter kennis aan Onze minister.
|
||||
|
||||
**2.** De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven alsmede van de baten en lasten van de instelling en dient in evenwicht te zijn. In de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en die van de Koninklijke Bibliotheek is een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a. De in de begroting voorziene inkomsten uit de rijksbijdrage sluiten aan op de voor het desbetreffende begrotingsjaar door Onze minister geraamde, onderscheidenlijk vastgestelde en in voorkomende gevallen nader vastgestelde rijksbijdrage.
|
||||
|
||||
|
|
@ -789,11 +782,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan legt haar oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de volgende onderdelen:
|
||||
Het accreditatieorgaan legt zijn oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de volgende onderdelen:
|
||||
|
||||
a. het besluit op de aanvraag om accreditatie,
|
||||
b. de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid,
|
||||
c. een eindoordeel onvoldoende, voldoende, goed of excellent voor de opleiding, of
|
||||
c. een eindoordeel onvoldoende, voldoende, goed of excellent voor de opleiding, en in voorkomende gevallen
|
||||
d. de bijzondere kenmerken van de opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Het accreditatierapport is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
|
@ -836,7 +829,7 @@ f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systemati
|
|||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan kan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden kan verlenen en welke voorwaarden hieraan gesteld kunnen worden. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen een jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding een jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de toets nieuwe opleiding onder voorwaarden is genomen deze toets nieuwe opleiding. Artikel 5a.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
|
||||
|
||||
**5.** Met een besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
**5.** Met een besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -845,7 +838,7 @@ Het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding vervalt:
|
|||
a. na zes jaar,
|
||||
b. in afwijking van onderdeel a, een jaar na de dag waarop het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding is genomen, indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, is voldaan,
|
||||
c. na tien maanden, indien het instellingsbestuur de bekostigde opleiding niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of
|
||||
d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registeren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
|
||||
**7.** De artikelen 5a.9, negende lid en 5a.10, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -894,7 +887,7 @@ b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de s
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.13a
|
||||
|
||||
Een instelling voor hoger onderwijs kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
|
||||
Het bestuur van een instelling voor hoger onderwijs kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13b
|
||||
|
||||
|
|
@ -958,25 +951,25 @@ d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten me
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en
|
||||
c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, alsmede de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5a.8, eerste lid, 5a.9, 5a.10, 5a.12 en 5a.12a zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
|
||||
**2.** De artikelen 5a.8, eerste lid, 5a.9, 5a.10, 5a.12 en 5a.12a zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria worden bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13g
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste wordt beoordeeld:
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het in te zetten personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en
|
||||
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5a.10a, eerste lid, 5a.11 en 5a.12, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria wordt bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
|
||||
**2.** De artikelen 5a.10a, eerste lid, 5a.11 en 5a.12, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria worden bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1141,9 +1134,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 6.12
|
||||
|
||||
**1.** Het besluit tot intrekking van de aanwijzing wordt door Onze minister genomen, indien de instelling geen opleiding die is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, meer verzorgt.
|
||||
|
||||
**2.** De aanwijzing kan door Onze minister worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de in artikel 1.12, tweede of derde lid, bedoelde voorwaarden. Artikel 6.10, vierde lid, is van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Titel 3. Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -1236,7 +1227,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
|
||||
|
||||
**2.** De titels 1 en 2 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 7.8b, 7.17, 7.17a, 7.18, 7.22, 7.25, 7.30a, en 7.30b, met uitzondering van het eerste lid, vierde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs.
|
||||
**2.** De titels 1 en 2 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 7.8b, 7.17, 7.17a, 7.18, 7.22, 7.25 en 7.30a, zijn van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs. Van artikel 7.30b is het eerste lid, vierde volzin, van toepassing met dien verstande dat de toelatingseisen naast kennis, inzicht en vaardigheden die kunnen zijn verworven bij beëindiging van een bacheloropleiding ook op andere zaken betrekking kunnen hebben.
|
||||
|
||||
### Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties
|
||||
|
||||
|
|
@ -1292,7 +1283,7 @@ b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
|
|||
|
||||
### Artikel 7.3c
|
||||
|
||||
**1.** Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse instellingen of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9, 7.10a, 7.11, 7.12, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.
|
||||
**1.** Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse instellingen of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of afstudeerrichting verzorgen. In dat geval is het instellingsbestuur van de betrokken Nederlandse instelling onderscheidenlijk zijn de instellingsbesturen van de betrokken Nederlandse instellingen gezamenlijk verantwoordelijk voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8b, 7.9, 7.10a, 7.11, 7.12a, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11.
|
||||
|
||||
**2.** Voor andere dan de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden die betrekking hebben op een opleiding of afstudeerrichting, leggen de instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de uitoefening daarvan. De Nederlandse instellingsbesturen blijven voor de uitoefening van deze taken en bevoegdheden gezamenlijk verantwoordelijk ten opzichte van belanghebbenden buiten de instelling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1668,7 +1659,7 @@ c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotier
|
|||
|
||||
**4.** Voor elke promotie wijst het college voor promoties een hoogleraar van een universiteit, een levensbeschouwelijke universiteit of de Open Universiteit aan als promotor. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door het college samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het vierde lid worden en de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het vierde lid worden de bijzondere hoogleraren bij een openbare universiteit gerekend tot de hoogleraren van die universiteit.
|
||||
|
||||
**6.** Een instelling kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen de graad Doctor verlenen op grond van een promotie. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. De instellingen kunnen nadere afspraken maken omtrent de uitvoering binnen het bepaalde in het promotiereglement.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1783,18 +1774,20 @@ In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een bacheloropleiding.
|
|||
Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als opleidingseis het bezit van:
|
||||
|
||||
a. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
|
||||
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van:
|
||||
|
||||
a. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
|
||||
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
|
||||
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES,
|
||||
c. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
|
||||
d. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
|
||||
e. het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of
|
||||
f. het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
d. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 14 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
|
||||
e. het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
|
||||
f. het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES,
|
||||
g. het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of
|
||||
h. het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen. Deze inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid behorend tot een opleiding, staat open voor ieder die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1805,9 +1798,9 @@ f. het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedo
|
|||
Bij ministeriële regeling wordt het profiel of worden de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 38 van de Wet voortgezet onderwijs BES aangewezen waarop de hierna te noemen diploma’s betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of een groep van opleidingen:
|
||||
|
||||
a. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
|
||||
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
|
||||
b. het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 13 van de Wet voortgezet onderwijs BES,
|
||||
c. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
|
||||
d. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
d. het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 14 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2378,7 +2371,7 @@ De klassen b tot en met e worden aangeduid als lotingsklassen.
|
|||
|
||||
**4.** Onze Minister deelt degenen die op grond van de artikelen 7.28 of 7.29 zijn vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste of tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen in de lotingsklasse, bedoeld in het tweede lid onder c, in.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister deelt de door haar aangewezen aanstaande studenten uit Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen BES in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
|
||||
**5.** Onze Minister deelt de door hem aangewezen aanstaande studenten uit Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen BES in de klasse, bedoeld in het tweede lid onder a, in. De wijze waarop die aanwijzing geschiedt, en het aantal aanstaande studenten dat ten hoogste kan worden aangewezen, wordt bepaald in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.57a, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.57c
|
||||
|
||||
|
|
@ -2653,11 +2646,11 @@ Het griffierecht bedraagt € 44. Dat bedrag wordt jaarlijks met ingang van 1 j
|
|||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 7a.2, en
|
||||
b. bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 176f van de Wet op het primair onderwijs, artikel 148 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 162i van de Wet op de expertisecentra, artikel 118o van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 203 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
b. bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 176f van de Wet op het primair onderwijs, artikel 141 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 162i van de Wet op de expertisecentra, artikel 118o van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 201 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a.2
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde en ingevolge artikel 6.9 aangewezen instellingen voor hoger onderwijs die voldoen aan artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 149 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 162j van de Wet op de expertisecentra, artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 204 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde en ingevolge artikel 6.9 aangewezen instellingen voor hoger onderwijs die voldoen aan artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 142 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 162j van de Wet op de expertisecentra, artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 202 van de Wet voortgezet onderwijs BES.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -3545,7 +3538,7 @@ i. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en
|
|||
|
||||
**3.** Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van een functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad.
|
||||
|
||||
**4.** De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de hogeschool. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de medezeggenschapsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht.
|
||||
**4.** De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de hogeschool. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de medezeggenschapsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen.
|
||||
|
||||
**5.** De medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de hogeschool dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3722,7 +3715,7 @@ d. het bestuursreglement, alsmede indien artikel 10.8a van toepassing is, het de
|
|||
e. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g,
|
||||
f. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
|
||||
g. de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 10.16a, eerste lid,
|
||||
h. het beleid van het college van bestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, en
|
||||
h. het beleid van het college van bestuur bij de toepassing van artikel 7.51, en de regels, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en
|
||||
i. een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.
|
||||
|
||||
**2.** Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming met een besluit tot fusie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage bedoeld in artikel 16.16a, vierde lid.
|
||||
|
|
@ -4389,7 +4382,7 @@ Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling meewerkt aan h
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het is verboden graden, genoemd in de artikelen 7.10a, 7.18 en 7.19, te verlenen, tenzij:
|
||||
Het is verboden graden, genoemd in de artikelen 7.10a, 7.10b, 7.18 en 7.19a, te verlenen, tenzij:
|
||||
|
||||
a. op grond van artikel 5a.9 een accreditatiebesluit voor de opleiding van kracht is,
|
||||
b. op grond van artikel 5a.11 het besluit van kracht is dat de opleiding een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, of
|
||||
|
|
@ -4718,13 +4711,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 18.14
|
||||
|
||||
**1.** Indien het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 18.7 of artikel 18.9 toepassing heeft gegeven aan het tweede lid van die artikelen, houdt hij de opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in stand tot een zodanig tijdstip dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
|
||||
|
||||
**2.** Met ingang van het in artikel 18.7, tweede lid, bedoelde studiejaar worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs ingeschreven.
|
||||
|
||||
**3.** Op een in dit artikel bedoelde opleiding en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid zijn met betrekking tot het toezicht op een in dat lid bedoelde opleiding de voorschriften van de Wet op het onderwijstoezicht van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Ongedeelde opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -4850,7 +4837,7 @@ In afwijking van artikel 5a.9, zesde lid en 5a.13f kan Onze minister eenmalig be
|
|||
|
||||
**2.** Aan het besluit tot deelname aan het invoeringsregime is de verplichting voor het instellingsbestuur verbonden op een door het accreditatieorgaan te bepalen tijdstip een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg in te dienen. Het tijdstip is niet gelegen na drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293).
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 5a.13f en 5a.13g is de duur van het besluit om accreditatie of toets nieuwe opleiding 3 jaar.
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 5a.13f en 5a.13g vervallen de besluiten tot het verlenen van accreditatie en tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding na 3 jaar.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het accreditatieorgaan besluit een instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, dan wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding, bedoeld in het derde lid, verlengd tot zes jaar.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue