2006-04-01 | BWBR0006923 | Rijnvaartpolitiereglement 1995
This commit is contained in:
parent
3abe9bd399
commit
fbcebb1bf5
1 changed files with 56 additions and 76 deletions
|
|
@ -99,7 +99,7 @@ Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,5 promille of meer,
|
|||
|
||||
Een lid van de dienstdoende minimum bemanning in de zin van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, en ieder andere persoon die zich aan boord bevindt, die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalt, mogen in hun functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, van medicijnen of van drugs, dan wel door enige andere oorzaak.
|
||||
|
||||
Indien zij een alcoholconcentratie in het bloed hebben van 0,8 promille of meer, dan wel zij een hoeveelheid alcohol in het lichaam hebben die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed oplevert, is het de in de eerste alinea genoemde personen verboden de koers en de snelheid van het schip te bepalen.
|
||||
Indien zij een alcoholconcentratie in het bloed hebben van 0,5 promille of meer, dan wel zij een hoeveelheid alcohol in het lichaam hebben die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed oplevert, is het de in de eerste alinea genoemde personen verboden de koers en de snelheid van het schip te bepalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.04
|
||||
|
||||
|
|
@ -1017,7 +1017,7 @@ Indien in dit reglement andere geluidsseinen zijn voorzien dan klokslagen of ree
|
|||
a. aan boord van een motorschip, met uitzondering van een klein schip, door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar achteren;
|
||||
b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door middel van een geschikte geluidsinstallatie, scheepstoeter of hoorn.
|
||||
|
||||
**2.** Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor het drietonig sein bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder *a*, gegeven door met behulp van radar afvarende schepen, of voor klokslagen of reeksen klokslagen.
|
||||
**2.** Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor klokslagen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een varend duwstel of gekoppeld samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of het gekoppeld samenstel bevindt en, in het geval van een sleep, slechts door het motorschip aan de kop van de sleep.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1074,10 +1074,9 @@ Het moet de kanalen voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische inform
|
|||
Een schip mag slechts gebruik maken van radar indien:
|
||||
|
||||
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip, die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de Rijn is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van één van de Oeverstaten of van België. Dit is ook van toepassing op Inland ECDIS apparaten die gebruik kunnen maken van Inland ECDIS met geïntegreerd radarbeeld voor het voeren van het schip (navigatiemodus). Een niet vrij-varende veerpont behoeft echter niet te zijn uitgerust met een aanwijzer van de snelheid van draaiing;
|
||||
b. het is uitgerust met een geluidsinstallatie die geschikt is voor het geven van een driemaal herhaalde reeks van drie tonen van verschillende toonhoogte die zonder onderbreking op elkaar volgen en in totaal ongeveer twee seconden duren. Elke reeks van drie tonen moet beginnen met de laagste en eindigen met de hoogste toon (drietonig sein). De frequenties van de drie tonen moeten liggen tussen 165 Hz en 297 Hz. Tussen de hoogste en de laagste toon moet een interval liggen van ten minste twee hele tonen. Deze bepaling geldt niet voor kleine schepen en veerponten;
|
||||
c. zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn. Onverminderd artikel 1.09, derde lid, mag des daags bij goed zicht van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
|
||||
b. zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van het radarpatent dan wel van een ander overeenkomstig het Reglement radarpatenten erkend diploma. Bij goed zicht mag echter van radar gebruik worden gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
|
||||
|
||||
Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip - - schip verkeer, die goed functioneert.
|
||||
Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip--schipverkeer, die goed functioneert.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of van het gekoppeld samenstel bevindt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1381,7 +1380,7 @@ e. in een vak van de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 ( bijlage 7).
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 1.04 geldt het eerste lid, onder *b* en *c*, niet ten opzichte van een klein schip.
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 1.04 geldt het eerste lid, tweede volzin, onder b en c, niet ten opzichte van een klein schip.
|
||||
|
||||
**3.** Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, dat de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.25, eerste lid onder c, voert en bij het voorbijvaren van schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, die de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.29, eerste lid, voeren, zijn snelheid verminderen, zoals bij het eerste lid is voorgeschreven. Het moet bovendien zo ver mogelijk daarvan verwijderd blijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1401,7 +1400,12 @@ Het motorschip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen van een gekoppeld samenst
|
|||
|
||||
**1.** Indien de bevoegde autoriteit door een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) te kennen geeft dat de scheepvaart is gestremd, moet een schip vóór dit teken stilhouden.
|
||||
|
||||
**2.** Een schip en een drijvend voorwerp, met uitzondering van een klein schip niet zijnde een motorschip, mogen niet varen op gedeelten van de vaarweg aangeduid door het teken A.1*a* ( bijlage 7).
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Op gedeelten van de vaarweg waar het teken:
|
||||
|
||||
a. A.1a (bijlage 7) is geplaatst, mag een schip met uitzondering van een klein schip zonder motor niet varen;
|
||||
b. A.12 (bijlage 7) is geplaatst, mag een motorschip niet varen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.22a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1563,79 +1567,63 @@ b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dat recht uitdrukkelijk heeft verleend
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
#### Paragraaf VI. Slecht zicht; varen op radar
|
||||
#### Paragraaf VI. Slecht zicht; gebruik van radar
|
||||
|
||||
### Artikel 6.30
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Bij slecht zicht moeten alle schepen gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
Een varend schip moet bij slecht zicht een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.
|
||||
**2.** Elk schip moet bij slecht zicht een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden. Het moet aan de andere schepen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.
|
||||
|
||||
Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich òf binnen gezichts- of gehoorafstand van de schipper van het schip of van het samenstel bevindt, òf een spreekverbinding met hem heeft. Op een samenstel behoeft alleen het schip aan de kop van het samenstel de uitkijk te hebben.
|
||||
**3.** Een schip moet bij het gaan stilliggen bij slecht zicht de vaargeul zoveel mogelijk vrij maken.
|
||||
|
||||
**2.** Bij slecht zicht mag een schip slechts de vaart voortzetten indien het met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip–schipverkeer is uitgerust en het op kanaal 10 of op het daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert. Het moet aan de andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart geven.
|
||||
**4.** Een klein schip mag bij slecht zicht slechts varen indien het op kanaal 10 of op het daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert.
|
||||
|
||||
**3.** Een schip moet gaan stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden voortgezet. Bovendien moet, indien in een sleep geen visueel kontakt tussen de gesleepte lengten en het motorschip aan de kop van de sleep meer mogelijk is, de sleep op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen.
|
||||
|
||||
**4.** Teneinde te beoordelen of de vaart al dan niet zodner gevaar kan worden voortgezet en teneinde de aan te houden snelheid te bepalen mag een schip dat gebruik maakt van radar de waarneming met radar in aanmerking nemen. Het moet hierbij rekening houden met de vermindering van het zicht die andere schepen ondervinden.
|
||||
|
||||
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing op een afvarende sleep.
|
||||
|
||||
**6.** Een schip moet bij het stilliggen het vaarwater zoveel mogelijk vrij maken.
|
||||
**5.** Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken, moeten bij slecht zicht onverwijld een ligplaats opzoeken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.31
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Een schip dat in de vaargeul of in de nabijheid daarvan buiten havens of in het bijzonder daartoe door de bevoegde autoriteit bestemde plaatsen stilligt, moet bij slecht zicht op de marifoon uitluisteren. Zodra het via de marifoon hoort dat andere schepen naderen dan wel zodra en zolang het van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, moet het via de marifoon zijn positie opgeven.
|
||||
|
||||
Een schip of een drijvend voorwerp dat bij slecht zicht in het vaarwater of in de nabijheid daarvan buiten havens en in het bijzonder daartoe door de bevoegde autoriteit bestemde plaatsen stilligt moet des daags, zodra en zolang het van een n aderend schip één der seinen, voorgeschreven bij de artikelen 6.32, derde lid onder *a*, 6.32, vierde lid, of 6.33, eerste lid, hoort, geven:
|
||||
**2.** Een schip als bedoeld in het eerste lid, dat geen gebruik van marifoon kan maken moet, zodra en zolang het van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, als mistsein «één reeks klokslagen» geven. Het schip moet dit sein herhalen met tussenpozen van ten hoogste een minuut.
|
||||
|
||||
a. indien het zich (stroomafwaarts gezien) aan de linkerzijde van het vaarwater bevindt: "één reeks klokslagen";
|
||||
b. indien het zich (stroomafwaarts gezien) aan de rechterzijde van het vaarwater bevindt: "twee reeksen klokslagen";
|
||||
c. indien het niet zeker is, of het zich aan de linker- dan wel aan de rechterzijde van het vaarwater bevindt: "drie reeksen klokslagen". Dit sein moet eveneens des nachts worden gegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Het schip moet deze seinen herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel zijn zij slechts op één schip van het samenstel van toepassing.
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel zijn zij slechts op een schip van het samenstel van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.32
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Een schip mag slechts op radar varen indien zowel een persoon die houder is van het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor het te bevaren riviergedeelte, alsmede van het radarpatent, bedoeld in het Reglement radarpatenten, als een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden. Indien in het certificaat van onderzoek is aangetekend dat het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar, behoeft de tweede persoon zich niet voortdurend in de stuurhut te bevinden.
|
||||
|
||||
Een schip mag slechts op radar varen indien zowel een persoon die houder is van het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor het te bevaren riviergedeelte alsmede van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma's voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn, als een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien in het certificaat van onderzoek is aangetekend dat het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, behoeft de tweede persoon zich niet voortdurend in de stuurhut te bevinden.
|
||||
Bij het ontmoeten en het voorbijvaren moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:
|
||||
|
||||
**2.** Een op radar varend schip, duwstel en gekoppeld samenstel behoeven voorop geen uitkijk zoals voorgeschreven in artikel 6.30, eerste lid, te hebben, indien de schipper in staat is de vaart veilig voort te zetten.
|
||||
a. een in opvaart op radar varend schip moet, zodra het op het scherm tegemoet komende schepen bemerkt dan wel het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, per marifoon aan die schepen zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en met hen het voorbijvaren afspreken;
|
||||
b. een in afvaart op radar varend schip echter dat op het scherm een schip bemerkt, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden en dat zich via de marifoon niet heeft gemeld, moet via de marifoon dit schip op de gevaarlijke situatie wijzen en het voorbijvaren afspreken;
|
||||
c. elk op radar varend schip dat via de marifoon wordt opgeroepen moet per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven. Het moet dan met de tegemoet komende schepen het voorbijvaren afspreken; een klein schip mag evenwel slechts aangeven naar welke zijde het uitwijkt;
|
||||
d. wanneer met de van de andere kant komende schepen geen marifooncontact tot stand komt, moet het opvarende schip:
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
– «één lange stoot» geven en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen, en
|
||||
– de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden.
|
||||
|
||||
Een in afvaart op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een schip waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn:
|
||||
Dit geldt eveneens voor elk op radar varend schip dat met een schip, dat in of in de nabijheid van de vaargeul stilligt, geen marifooncontact tot stand kan brengen.
|
||||
|
||||
a. het in artikel 4.06, eerste lid onder *b*, bedoelde drietonige sein geven en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen. Deze bepaling is niet van toepassing op kleine schepen;
|
||||
b. de snelheid verminderen en zo nodig kop vóór stilhouden of opdraaien.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een in opvaart op radar varend schip moet, zodra het het sein bedoeld in het derde lid, onder *a*, hoort, of op het scherm een schip waarneemt, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden, of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, "één lange stoot" geven en per marifoon aan de van de andere kant komende schepen zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven, en of het al dan niet het blauwe bord en het witte flikkerlicht bedoeld in artikel 6.04 toont. Een klein schip mag evenwel slechts zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en naar welke zijde het uitwijkt.
|
||||
|
||||
Een in afvaart op radar varend schip moet per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en de hem aangewezen weg bevestigen of aangeven naar welke zijde het uitwijkt.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste, derde en vierde lid gelden ingeval van een sleep, een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
|
||||
**3.** Het eerste en het tweede lid gelden ingeval van een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.33
|
||||
|
||||
**1.** Een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt, die bij slecht zicht varen zonder gebruik te maken van radar, moeten als mistsein geven: "één lange stoot". Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
|
||||
Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken en die een ligplaats moeten opzoeken, moeten tijdens de vaart naar deze ligplaats de volgende bepalingen in acht nemen:
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een klein schip.
|
||||
a. zij moeten zoveel mogelijk de zijde van de vaargeul aanhouden;
|
||||
b. een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt, moeten als mistsein «één lange stoot» geven. Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste een minuut. Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich of binnen gezichts- of gehoorsafstand van de schipper bevindt of een spreekverbinding met hem heeft. Bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip een uitkijk te hebben;
|
||||
c. zodra het schip via marifoon door een ander schip wordt aangeroepen, moet het per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en aangeven dat het niet op radar vaart en op weg is naar een ligplaats. Het moet daarna met het andere schip het voorbijvaren afspreken;
|
||||
d. zodra het schip het mistsein van een ander schip hoort, waarmee geen marifooncontact tot stand komt, moet het:
|
||||
|
||||
– indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt, deze oever aanhouden en daar, zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
|
||||
– indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, de vaargeul zoveel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.34
|
||||
|
||||
Een niet op radar varend schip moet, zodra het het drietonige sein bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder *a*, hoort:
|
||||
|
||||
a. indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt: deze oever aanhouden en, zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
|
||||
b. indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, in het bijzonder wanneer het zich van de ene naar de andere oever begeeft: het vaarwater zoveel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1730,11 +1718,13 @@ b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar
|
|||
|
||||
### Artikel 7.08
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van een stilliggend schip dat is geladen met gevaarlijke stoffen, bedoeld in het ADNR, en dat een teken of tekens voert, bedoeld in artikel 3.14, of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
|
||||
**1.** Aan boord van een stilliggend schip dat een teken of tekens moet voeren, bedoeld in artikel 3.14, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
|
||||
|
||||
**2.** Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
**2.** Aan boord van een stilliggend passagiersschip waarop passagiers aanwezig zijn, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden.
|
||||
|
||||
**3.** Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
**3.** Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
|
||||
**4.** Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -2050,15 +2040,11 @@ c. Een afvarend schip moet bij het voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), v
|
|||
|
||||
### Artikel 9.09
|
||||
|
||||
**1.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, per marifoon op kanaal 10 hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.
|
||||
**1.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.
|
||||
|
||||
**2.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten de in het eerste lid bedoelde duwstellen zowel op kanaal 10 als op een per riviervak door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal uitluisteren.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) is het samenstellen of ontkoppelen van de in het eerste lid bedoelde duwstellen niet toegestaan, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een afvarend duwstel, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, mag een opvarend duwstel of een schip, waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m, niet ontmoeten in de riviervakken tussen:
|
||||
Afvarende duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m mogen opvarende duwstellen, gekoppelde samenstellen of schepen met een lengte van meer dan 110 m niet ontmoeten in de riviervakken tussen:
|
||||
|
||||
km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),
|
||||
|
||||
|
|
@ -2070,13 +2056,15 @@ km 720,50 en km 723,00 (Benrath),
|
|||
|
||||
km 740,00 en km 744,00 (Düsseldorf) en
|
||||
|
||||
km 784,50 en km 786,50 (Baerl).
|
||||
km 784,50 en km 786,50 (Baerl)
|
||||
|
||||
In verband daarmede zijn op deze duwstellen de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
In verband daarmede zijn op deze duwstellen en gekoppelde samenstellen de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
|
||||
a. bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen zich regelmatig melden op kanaal 10;
|
||||
b. een opvarend duwstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat het afvarende duwstel het vak is doorgevaren;
|
||||
c. wanneer een opvarend duwstel of een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet het afvarende duwstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart het vak is doorgevaren.
|
||||
a. bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen en gekoppelde samenstellen zich regelmatig melden op marifoonkanaal 10;
|
||||
b. een opvarend duwstel, gekoppeld samenstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel of gekoppeld samenstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat de afvaart het vak is doorgevaren;
|
||||
c. wanneer een opvarend duwstel, een opvarend gekoppeld samenstel of een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet een afvarende duwstel en een afvarend gekoppeld samenstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart het vak is doorgevaren.
|
||||
|
||||
**3.** Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) mogen de in het eerste lid bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -2090,13 +2078,7 @@ een geel gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.
|
|||
|
||||
### Artikel 9.11
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) vaart moet zijn stuurboordswal houden.
|
||||
|
||||
Artikel 4.06, eerste lid onder *b*, is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Een op radar varend schip in afvaart moet in plaats van het drietonige sein, bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder *a*, "één lange stoot" geven.
|
||||
Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40) vaart, moet zoveel mogelijk zijn stuurboordswal houden. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 10. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater en laagwater
|
||||
|
||||
|
|
@ -3236,8 +3218,6 @@ Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan kunnen
|
|||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 7. Verkeerstekens van de vaarweg
|
||||
|
||||
*Opmerking vooraf:*
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue