rijk/amvb/besluit-diergezondheid/BWBR0045039/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

22 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit diergezondheid BWBR0045039 AMvB geldend 2021-04-21 https://wetten.overheid.nl/BWBR0045039 Besluit diergezondheid

Besluit diergezondheid

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • besmet dier: dier dat is aangewezen als besmet als bedoeld in artikel 2.2;
  • deskundige: deskundige als bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet;
  • verdacht dier: dier dat is aangewezen als verdacht als bedoeld in artikel 2.1;
  • verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84);
  • wet: Wet dieren.

Hoofdstuk 2. Besmette en van besmetting verdachte dieren

Artikel 2.1

1.

Onze Minister wijst een dier of groep dieren aan als verdacht van besmetting met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien:

a. a. uit klinisch, post-mortem- of laboratoriumonderzoeken blijkt dat een of meer klinische tekenen of post-mortemlaesies of histologische bevindingen op die ziekte wijzen; b. b. een of meer resultaten van een diagnostische methode op de waarschijnlijke aanwezigheid van de ziekte in een monster van een dier of een groep dieren wijzen; of c. c. er een epidemiologisch verband met een bevestigd geval is vastgesteld.

2.

Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid in, indien:

a. a. er geen agens, antigeen of indirecte immunologische reactie is aangetoond; of b. b. Onze Minister anderszins de overtuiging heeft gekregen dat het dier niet aan een ziekte als bedoeld in de aanhef van het eerste lid lijdt.

Artikel 2.2

Onze Minister wijst een dier of een groep dieren aan als besmet met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien:

a. a. de ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren; b. b. een antigeen of nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld; of c. c. een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

Artikel 2.3

Vervallen

Hoofdstuk 3. Uitvoering monitoringsprogrammas door aangewezen laboratoria

Artikel 3.1

Voor daartoe aangewezen monitoringsprogrammas wijst Onze Minister een instelling met een laboratorium aan die:

a. a. monsters neemt; b. b. laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses uitvoert; c. c. ander onderzoek verricht in het kader van de opsporing en bestrijding van dierziektes; of d. d. rapportages maakt over de verrichte werkzaamheden.

Artikel 3.2

Onze Minister kan aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 3.1 algemene en bijzondere instructies geven over de uitvoering en verantwoording van de aangewezen monitoringsprogrammas.

Artikel 3.3

Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening nr. (EU) 2016/429 verleent medewerking ten behoeve van het nemen van monsters van de door hem gehouden dieren, kadavers, delen van dieren of dierlijke producten en staat deze af aan het op grond van artikel 3.1 aangewezen instelling ter uitvoering van de aangewezen monitoringsprogrammas.

Hoofdstuk 4. Waardevaststelling bij ziektebestrijdingsmaatregelen

Artikel 4.1

Het moment waarop aan de houder is meegedeeld dat ten aanzien van een dier, product of voorwerp een bestrijdingsmaatregel als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, onderdelen h of i, of artikel 5.5, tweede lid, onderdelen c of d, van de wet wordt of is toegepast, geldt als ijkmoment voor de waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, zesde lid, onderdeel a, van de wet.

Artikel 4.2

1.

De waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, derde lid, van de wet geschiedt op basis van:

a. a. het in artikel 5.4, vijfde lid, van de wet bedoelde vastgestelde aantal dieren; en b. b. de waarde die het dier, product of voorwerp had op het moment waarop aan de desbetreffende houder is medegedeeld dat ten aanzien van zijn dier, product of voorwerp een bestrijdingsmaatregel wordt of is toegepast.

2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt rekening gehouden met de bij ministeriele regeling vast te stellen indeling van dieren, producten of voorwerpen in soorten, categorieën of andere onderverdelingen.

3. De deskundige, bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet, verstrekt de houder van het dier, product of voorwerp een afschrift van het formulier, bedoeld in artikel 9.8, zevende lid, van de wet.

Artikel 4.3

1. De waarde van een verdacht dier en de marktwaarde van een product, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, zijn het bedrag dat de eigenaar onder normale omstandigheden voor dat dier of product had kunnen ontvangen op de markt, al naar gelang de conditie, de kwaliteit, het gewicht, het ras of type, de leeftijd of ouderdom.

2. In afwijking van het eerste lid is de waarde van een dier of product dat zich bevindt in een levensfase of fase van het productieproces waarin het onder normale omstandigheden niet verhandelbaar is, de waarde, al naar gelang het gebruiksdoel, de aanwending, de leeftijd of ouderdom.

3. De vervangingswaarde van een voorwerp, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onderdeel d, van de wet, is het bedrag benodigd voor het verkrijgen van naar soort, kwaliteit, hoeveelheid, staat en ouderdom gelijkwaardige zaken.

4. De waarde van een ziek dier, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onderdeel b, van de wet, is 50% van het bedrag, bedoeld in het eerste of tweede lid.

5. De waarde van een dood dier, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onderdeel b, van de wet, is nihil.

Artikel 4.4

1.

De tegemoetkoming in de schade bedraagt voor alle dieren ten hoogste tienduizend euro per dier.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de tegemoetkoming in de schade voor pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429, honderd euro per dier.

Artikel 4.5

1. Een houder die zich niet met het advies van de deskundige, bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet, kan verenigen, kan Onze Minister gemotiveerd verzoeken om een herwaardering.

2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan binnen een week te rekenen vanaf de dag na de dagtekening van het advies.

3. Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aanleiding geeft tot het opstellen van een nieuw advies, wijst Onze Minister drie deskundigen aan, waaronder de deskundige die het oorspronkelijke advies uitbracht, die Onze Minister adviseren over de waarde van het dier, product of voorwerp.

4. Indien de drie deskundigen geen overeenstemming bereiken, wordt het advies over de waarde bepaald door de som van de door de drie deskundigen voorgestelde waarden te delen door drie.

5. De drie deskundigen verstrekken de houder van het dier, product of voorwerp afschriften van de formulieren, bedoeld in artikel 9.8, zevende lid, van de wet.

Artikel 4.6

1.

Een deskundige heeft in ieder geval theoretische kennis over:

a. a. marktontwikkelingen en marktprijzen; b. b. productiekengetallen; c. c. administratieve processen en bescheiden; d. d. dierenrassen, hun eigenschappen en productiekenmerken; e. e. bedrijfskolommen; en f. f. de aanwezige en gebruikte producten en voorwerpen van het bedrijf of bedrijfstype waar de waardevaststelling betrekking op heeft.

2.

Een deskundige kan in ieder geval:

a. a. fokvee, gebruiksvee en slachtvee beoordelen; b. b. het ras of de kruising, de leeftijd, de lichamelijke conditie, het gewicht van dieren bepalen; c. c. het exterieur, de productiviteit en het gebruiksdoel van dieren beoordelen; d. d. de waarde van dieren, producten en voorwerpen bepalen in gevallen als bedoeld in artikel 4.3; en e. e. mondeling, schriftelijk of digitaal rapporteren in de Nederlandse taal over uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden.

Artikel 4.7

Een deskundige adviseert onpartijdig en naar beste weten over de waardevaststelling.

Hoofdstuk 5. Diergezondheidsheffing

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • A-, B-, C-, D-, E- of F-bedrijf: bedrijf dat op grond van artikel 2.27a van het Besluit houders van dieren is geregistreerd als A-, B-, C-, D-, E- of F-bedrijf;
  • beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht; bestemd voor de fokkerij;
  • big: varken vanaf de geboorte tot aan het spenen;
  • diergezondheidsheffing: heffing als bedoeld in artikel 9.14 van de wet;
  • gebruikspluimvee: pluimvee dat bestemd is voor de productie van consumptie-eieren of direct bestemd is voor de productie van vlees;
  • gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, bestemd voor de fokkerij;
  • grootouderdier: kip die gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van ouderdieren;
  • legkip: kip die gehouden wordt voor de productie van consumptie-eieren of vaccinbroedeieren;
  • leghaan: haan van een legras die direct bestemd is voor de productie van vlees;
  • legras: pluimveeras dat bestemd is voor de productie van eieren;
  • ouderdier: kip die gehouden wordt voor de productie van broedeieren ter verkrijging van gebruikspluimvee;
  • traaggroeiend ras: ras waarvan de dieren minder dan 50 gram per dag groeien;
  • verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);
  • verordening (EU) 2023/2465: Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2465 van de Commissie van 17 augustus 2023 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft handelsnormen voor eieren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 589/2008 van de Commissie;
  • vleeskalkoen: kalkoen die direct bestemd is voor de productie van vlees;
  • vleeskuiken: kip die direct bestemd is voor de productie van vlees;
  • vleesras: pluimveeras dat bestemd is voor de productie van vlees;
  • vleesvarken: gespeend varken dat wordt gehouden voor de productie van vlees;
  • zeug: varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen.

Artikel 5.2

De aan te wijzen diersoorten en het voor die diersoorten te bepalen aantal, bedoeld in:

a. a.

    artikel 9.15, derde lid, van de wet, zijn:
  
    
      1.
      249 kippen;
    
    
      2.
      249 kalkoenen;
    
    
      3.
      249 eenden;
    
    
      4.
      25 schapen;
    
    
      5.
      25 geiten;
    
    
      6.
      5 runderen;
    
    
      7.
      5 varkens.
    1. 249 kippen;
      
    1. 249 kalkoenen;
      
    1. 249 eenden;
      
    1. 25 schapen;
      
    1. 25 geiten;
      
    1. 5 runderen;
      
    1. 5 varkens.
      

b. b.

    artikel 9.16, derde lid, van de wet, zijn:
  
    
      1.
      25 schapen;
    
    
      2.
      25 geiten.
    1. 25 schapen;
      
    1. 25 geiten.
      

Artikel 5.3

1. Het aantal in een kalenderjaar gehouden varkens wordt bepaald op basis van het aantal dieren dat in het kalenderjaar uit de stal is afgevoerd.

2. Het aantal in een kalenderjaar gehouden runderen, jonger dan een jaar, wordt bepaald op basis van het aantal dieren dat in het kalenderjaar uit de stal is afgevoerd om te worden geëxporteerd of om te worden vervoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum.

Artikel 5.4

De tarieven voor de diergezondheidsheffing worden voor de jaren 2025 tot en met 2029 zodanig vastgesteld dat de totale opbrengst in die periode niet meer bedraagt dan:

a. a. voor runderen: € 90.000.000; b. b. voor varkens: € 85.000.000; c. c. voor kippen, kalkoenen, eenden en broedeieren: € 130.000.000; d. d. voor geiten: € 9.700.000; e. e. voor schapen: € 8.900.000.

Artikel 5.5

De omvang van de in artikel 9.23, derde lid, van de wet bedoelde reserve bedraagt:

a. a. voor runderen: € 1.800.000; b. b. voor varkens: € 7.400.000; c. c. voor kippen, kalkoenen, eenden en broedeieren: € 7.423.000; d. d. voor geiten: € 49.000; e. e. voor schapen: € 49.000.

Paragraaf 2. Tarieven diergezondheidsheffing

Artikel 5.6

1.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van kippen die behoren tot een vleesras bedraagt:

a. a. € 0,754455 per kip die bestemd is om te worden opgefokt tot grootouderdier; b. b. € 0,067361 per kip die bestemd is om te worden opgefokt tot ouderdier.

2.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van kippen die behoren tot een vleesras bedraagt:

a. a. € 0,203214 per ouderdier; b. b. € 0,986291 per grootouderdier.

3.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van vleeskuikens bedraagt:

a. a. € 0,018404 per vleeskuiken van een traaggroeiend ras; b. b. € 0,007947 per vleeskuiken van andere rassen dan bedoeld in onderdeel a.

4.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van de inleg van broedeieren, afkomstig van kippen die behoren tot een vleesras, bedraagt:

a. a. nihil per broedei voor fok- en vermeerderingspluimvee; b. b. nihil per broedei voor gebruikspluimvee.

Artikel 5.7

1.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van kippen die behoren tot een legras bedraagt:

a. a. € 1,030925 per kip die bestemd is om te worden opgefokt tot grootouderdier; b. b. € 0,112193 per kip die bestemd is om te worden opgefokt tot ouderdier; c. c. € 0,034027 per kip die bestemd is om te worden opgefokt tot legkip.

2.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van kippen die behoren tot een legras bedraagt:

a. a. € 1,430447 per grootouderdier; b. b. € 0,194406 per ouderdier.

3.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van legkippen bedraagt:

a. a. € 0,561462 per legkip die wordt gehouden voor de productie van biologische eieren als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van verordening (EU) 2018/848; b. b. € 0,291961 per legkip die wordt gehouden voor de productie van eieren van hennen met vrije uitloop als bedoeld in bijlage II, onderdeel 1, van verordening (EU) 2023/2465; c. c. € 0,182475 per legkip die wordt gehouden voor de productie van scharreleieren als bedoeld in bijlage II, onderdeel 2, van verordening (EU) 2023/2465 of vaccinbroedeieren; d. d. € 0,118802 per legkip die wordt gehouden voor de productie van eieren uit aangepaste kooien als bedoeld in bijlage II, onderdeel 3, van verordening (EU) 2023/2465.

4.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing voor de inleg van broedeieren, afkomstig van kippen die behoren tot een legras, bedraagt:

a. a. nihil per broedei voor fok- en vermeerderingspluimvee; b. b. nihil per broedei voor gebruikspluimvee; c. c. nihil per vaccinbroedei.

5. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van leghanen bedraagt € 0,023217 per leghaan.

Artikel 5.8

1.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van vleeskalkoenen bedraagt:

a. a. € 0,073748 per vrouwelijke vleeskalkoen; b. b. € 0,136832 per mannelijke vleeskalkoen.

2. Het tarief voor de diergezondheidsheffing voor de inleg van broedeieren, afkomstig van kalkoenen, bedraagt nihil per broedei.

Artikel 5.9

1. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van eenden bedraagt € 0,020061 per eend.

2. Het tarief voor de diergezondheidsheffing voor de inleg van broedeieren, afkomstig van eenden, bedraagt nihil per broedei.

Artikel 5.10

1. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van runderen van 1 jaar of ouder bedraagt € 5,075 per rund.

2. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van runderen, jonger dan 1 jaar, bedraagt € 0,607 per rund.

Artikel 5.11

1. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van schapen bedraagt € 1,231 per schaap.

2. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van geiten bedraagt € 1,918 per geit.

Artikel 5.12

1.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een A-bedrijf bedraagt:

a. a. € 0,221 per vleesvarken dat is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum; b. b. € 0,111 per zeug, beer, gelt of big die is afgevoerd naar een A-, B-, C- of D-bedrijf, naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum; c. c. € 0,077 per big die is afgevoerd naar een E-bedrijf.

2.

Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een B-bedrijf bedraagt:

a. a. € 0,221 per vleesvarken dat is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum; b. b. € 0,111 per zeug, beer of gelt die is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum; c. c. € 0,111 per big die is afgevoerd naar een D-bedrijf, naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum; d. d. € 0,077 per big die is afgevoerd naar een F-bedrijf.

3. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een C-bedrijf bedraagt € 0,111 per varken dat is afgevoerd naar A-, B-, of D-bedrijf, naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum.

4. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een D-bedrijf bedraagt € 0,111 per varken dat is afgevoerd naar een slachthuis of naar een bestemming buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum.

5. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een E-bedrijf bedraagt € 0,033 per varken.

6. Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van varkens op een F-bedrijf bedraagt € 0,033 per varken.

7. Op geslachtsrijpe varkens die eerder bestemd waren voor de fokkerij en van een A-bedrijf of een B-bedrijf zijn afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum, is uitsluitend het eerste lid, onderdeel b, dan wel het tweede lid, onderdeel b, van toepassing.

Hoofdstuk 6. Wijziging andere besluiten

Artikel 6.1

Wijzigt het Besluit dierlijke producten.

Artikel 6.2

Wijzigt het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.

Artikel 6.3

Wijzigt het Besluit diergeneesmiddelen.

Artikel 6.4

Wijzigt het Besluit houders van dieren.

Artikel 6.5

Wijzigt het Besluit diergezondheidsheffing.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 7.1

Besluiten die op grond van artikel 13 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (Pb EU 2015, L 59) zijn genomen, worden geacht te zijn genomen op grond van artikel 60 van verordening (EU) 2019/2035 onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

Artikel 7.2

De volgende besluiten worden ingetrokken:

a. a. het Besluit aanwijzing diersoorten besmettelijke dierziekten; b. b. het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra; c. c. het Besluit gebruik sera en entstoffen; d. d. het Besluit niet gehouden dieren; e. e. het Besluit uitvoer dieren en produkten van dierlijke oorsprong; f. f. het Besluit uitvoering verordening officiële controles diergezondheid; g. g. het Besluit verdachte dieren; h. h. het Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten; i. i. het Besluit vervoer van en naar besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen; j. j. het Besluit waardevaststelling bij dierziektebestrijding; k. k. het Besluit zoönosen; l. l. het Embryobesluit.

Artikel 7.3

Wijzigt dit besluit.

Artikel 7.4

Wijzigt het Besluit identificatie en registratie van dieren.

Artikel 7.5

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 21 april 2021, met uitzondering van artikel 6.4, onderdeel B, ten aanzien van de artikelen 1.29, 1.30 en 1.31 van het Besluit houders van dieren, en van artikel 6.5.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 17 februari 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving (Kamerstukken 35 398) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt, treedt artikel 6.4, onderdeel B, ten aanzien van de artikelen 1.29, 1.30 en 1.31 van het Besluit houders van dieren, op hetzelfde tijdstip in werking.

3. Artikel 6.5 treedt in werking op het tijdstip dat artikel I, onderdeel A, onderdeel 3, van het besluit van 15 oktober 2020 tot wijziging van het Besluit diergezondheidsheffing in verband met de vaststelling van de tarieven voor 2021 (Stb. 399) in werking treedt.

Artikel 7.6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit diergezondheid.