40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
14 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit experiment onderwijszorgarrangementen | BWBR0047473 | AMvB | geldend | 2022-11-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0047473 | Besluit experiment onderwijszorgarrangementen |
Besluit experiment onderwijszorgarrangementen
Artikel 1
In dit besluit en in de op dit besluit berustende bepalingen wordt verstaan onder:
-
- bevoegd gezag: * bevoegd gezag van een school;
-
- complexe ondersteuningsbehoefte: * ondersteuningsbehoefte van een jongere op het gebied van onderwijs en zorg die zodanig complex is dat die niet kan worden ondervangen in het basis-, voortgezet, speciaal, en voortgezet speciaal onderwijs;
-
- experiment: * tijdelijke mogelijkheid om af te wijken van wetgeving op het gebied van onderwijstijd, inhoud van het onderwijs, locatie van het onderwijs en bekostiging in het onderwijs ten behoeve van jongeren met een complexe ondersteuningsbehoefte met het oog op de doelstelling, genoemd in artikel 2;
-
- jeugdhulpaanbieder: * jeugdhulpaanbieder als bedoeld in de Jeugdwet;
-
- onderwijszorgarrangement: * samengaan van het onderwijs en de zorg als maatwerk voor jongeren met een complexe ondersteuningsbehoefte;
-
- Onze Minister: * Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
-
- samenwerkingsverband: * samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs 2020;
-
- school: * school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin, van de Wet op de expertisecentra, voor zover uit ’s Rijks kas bekostigd;
-
- zorg: * zorg of jeugdhulp als bedoeld in de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de Jeugdwet;
-
- zorgaanbieder: * zorgaanbieder als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg of aanbieder als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Artikel 2
Het doel van het experiment is te onderzoeken:
a. a. of het experiment de toegankelijkheid van het onderwijs vergroot door een ruimer aanbod van maatwerk op het gebied van onderwijs en zorg te faciliteren; en b. b. welk effect het experiment heeft op leerlingen die dreigen gedurende een langere tijd te verzuimen, leerlingen die langdurig verzuimen naar school te gaan, leerplichtige jongeren die niet staan ingeschreven op een school en jongeren van wie de ouders op grond van artikel 5, onder a, van de Leerplichtwet 1969 zijn vrijgesteld van de inschrijfplicht.
Artikel 3
1.
Het bevoegd gezag kan voor leerlingen met een complexe ondersteuningsbehoefte met toestemming van Onze Minister, bedoeld in artikel 8, afwijken van:
a. a. de voorschriften omtrent de onderwijstijd en onderwijsdagen, bedoeld in de artikelen 12 en 25 van de Wet op de expertisecentra, artikel 8, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs of de artikelen 2.38 en 2.39 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; b. b. de voorschriften omtrent de inhoud van het onderwijs, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de expertisecentra, artikel 9 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 2.13 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of c. c. de voorschriften omtrent de locatie van het onderwijs, bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra.
2. Voor zover het betreft jongeren van wie de ouders op grond van artikel 5, onder a, van de Leerplichtwet 1969 zijn vrijgesteld van de inschrijfplicht, zijn de voorschriften omtrent de zorgplicht van scholen, bedoeld in artikel 40, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 40, vierde en elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 8.9, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 niet van toepassing.
Artikel 4
1.
Een samenwerkingsverband kan in overeenstemming met een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 3 voor leerlingen met een complexe ondersteuningsbehoefte afwijken van de bekostigingsvoorschriften, bedoeld in:
a. a. de artikelen 122, vijfde lid, en 124, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 115 van die wet; of b. b.
artikel 5.40 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
2. Een samenwerkingsverband kan ten hoogste twee en een half procent van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 122 en 124 van de Wet op het primair onderwijs of de artikelen 5.13 en 5.15 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, aanwenden voor de financiering van kosten in een onderwijszorgarrangement die direct of indirect nodig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of de bevordering van deelname aan het onderwijs voor leerlingen met een complexe ondersteuningsbehoefte.
Artikel 5
1. Voor het inrichten van een onderwijszorgarrangement sluit het bevoegd gezag onderscheidenlijk het samenwerkingsverband een samenwerkingsovereenkomst met het samenwerkingsverband onderscheidenlijk het bevoegd gezag, de gemeente, het zorgkantoor of de zorgverzekeraar en de jeugdhulp- of zorgaanbieder en stelt met hen een projectplan op.
2.
In de samenwerkingsovereenkomst worden in elk geval afspraken gemaakt over:
a. a. de financiering van het onderwijs, de zorg en de kosten die verband houden met zowel onderwijs als zorg; en b. b. de taken en verantwoordelijkheden van de betrokkenen bij het onderwijszorgarrangement.
Artikel 6
Het projectplan, bedoeld in artikel 5, eerste lid, bevat ten minste:
a. a. het doel en de visie van het onderwijszorgarrangement, waaronder in elk geval de doelgroep op wie het onderwijszorgarrangement betrekking heeft; b. b. de wettelijke knelpunten die worden ervaren bij het bieden van maatwerk op het gebied van onderwijs en zorg voor jongeren met een complexe ondersteuningsbehoefte; c. c. van welke wettelijke voorschriften, bedoeld in de artikelen 3 en 4, in het onderwijszorgarrangement wordt afgeweken; d. d. in hoeverre door afwijking van de desbetreffende wettelijke bepalingen het doel kan worden bereikt; e. e. een uitwerking van de wijze waarop het onderwijszorgarrangement wordt vormgegeven, waarbij in elk geval wordt ingegaan op:
1°.
de organisatorische en onderwijskundige inrichting van het onderwijszorgarrangement, waaronder de betrokken docenten en zorg- of jeugdhulpverleners;
2°.
de waarborgen voor de kwaliteit van het onderwijs en de zorg;
3°.
de locatie van het onderwijs;
4°.
de wijze van samenwerking met in ieder geval de ouders, het samenwerkingsverband, gemeenten, zorgaanbieders, jeugdhulpaanbieders, zorgverzekeraars of zorgkantoren;
5°.
de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in de artikelen 41a van de Wet op de expertisecentra, 40a van de Wet op het primair onderwijs of 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, het jeugdhulpverleningsplan of het zorgplan van de jongeren en hoe de samenhang tussen de twee plannen wordt geborgd.
1°. 1°. de organisatorische en onderwijskundige inrichting van het onderwijszorgarrangement, waaronder de betrokken docenten en zorg- of jeugdhulpverleners; 2°. 2°. de waarborgen voor de kwaliteit van het onderwijs en de zorg; 3°. 3°. de locatie van het onderwijs; 4°. 4°. de wijze van samenwerking met in ieder geval de ouders, het samenwerkingsverband, gemeenten, zorgaanbieders, jeugdhulpaanbieders, zorgverzekeraars of zorgkantoren; 5°. 5°. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in de artikelen 41a van de Wet op de expertisecentra, 40a van de Wet op het primair onderwijs of 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, het jeugdhulpverleningsplan of het zorgplan van de jongeren en hoe de samenhang tussen de twee plannen wordt geborgd.
Artikel 7
1.
Onverminderd de artikelen 41a van de Wet op de expertisecentra, 40a van de Wet op het primair onderwijs of 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 wordt in het ontwikkelingsperspectief opgenomen:
a. a. de verwachte duur van het onderwijszorgarrangement voor de leerling; b. b. indien van toepassing: hoe de overgang naar het basis-, voortgezet, speciaal, en voortgezet speciaal onderwijs wordt vormgegeven; c. c. indien afwijking van toepassing is: hoeveel uren onderwijs de leerling zal ontvangen.
2. Het in het eerste lid bedoelde deel van het ontwikkelingsperspectief wordt vastgesteld in overeenstemming met de ouders en de leerling.
3. Het ontwikkelingsperspectief wordt in ieder geval bij aanvang en na afloop van de deelname aan het onderwijszorgarrangement geëvalueerd met de ouders en de leerling.
Artikel 8
1. Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband toestemming verlenen om deel te nemen aan het experiment.
2.
Het bevoegd gezag van de school of het bestuur van het samenwerkingsverband overlegt bij de aanvraag:
a. a. de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 5; b. b. het projectplan, bedoeld in artikel 6; en c. c. de adviezen van de medezeggenschapsraad van de school en de medezeggenschapsraad van het samenwerkingsverband of het blijk van instemming van de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a van de Wet medezeggenschap op scholen, omtrent de deelname aan het experiment.
3. Ingeval het bevoegd gezag van een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede of derde volzin, van de Wet op de expertisecentra een aanvraag indient, is het bepaalde over het samenwerkingsverband in de artikelen 5, eerste lid, 6, onder e, subonderdeel 4, en 8, tweede lid, onder c, niet van toepassing.
Artikel 9
1. Onze Minister geeft ten hoogste 80 onderwijszorgarrangementen toestemming om deel te nemen aan het experiment.
2.
Onze Minister kan de aanvragen overigens toewijzen of afwijzen op basis van:
a. a. de verwachte bijdrage aan het doel van het experiment; b. b. een evenwichtige verdeling tussen de soorten onderwijszorgarrangementen, de onderwijssectoren en de doelgroepen; c. c. de regionale spreiding van deelnemende onderwijszorgarrangementen; d. d. de spreiding over de samenwerkingsverbanden.
3. Onze Minister wijst de aanvraag in elk geval af, indien bij het onderwijszorgarrangement een niet van rijkswege bekostigde school betrokken is.
4. Onze Minister kan in aanvulling op het tweede lid loting toepassen.
5. Dit artikel is slechts van toepassing bij de aanvang van het experiment.
Artikel 10
1. Het experiment vangt aan met ingang van 1 januari 2023 en eindigt met ingang van 1 januari 2028.
2. Uiterlijk een jaar voor het eind van het experiment informeert het bevoegd gezag de leerling en de ouders over de afloop van het experiment.
3. Het bevoegd gezag overlegt met de leerling en de ouders over het vervolg op het experiment.
Artikel 11
1. Onze Minister monitort de onderwijszorgarrangementen van 1 januari 2023 tot 1 januari 2026.
2.
Onze Minister onderzoekt voor het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk in elk geval of het experiment leidt tot een:
a. a. toename van het aantal jongeren met een complexe ondersteuningsbehoefte die onderwijs volgen; b. b. afname van het aantal leerlingen met een complexe ondersteuningsbehoefte die uitvallen van school; c. c. verbetering van de mate waarin onderwijs en zorg aansluiten bij de behoeften van leerlingen met een complexe ondersteuningsbehoefte.
3. Het bevoegd gezag, het samenwerkingsverband en de jeugdhulp- of zorgaanbieder werken mee aan de monitoring van het experiment door Onze Minister en aan de totstandbrenging van het verslag, bedoeld in het tweede lid.
4. Onze Minister kan de resultaten van de monitoring van het experiment in het belang van informatie-uitwisseling tussen en lering door onderwijszorgarrangementen delen met onderwijszorgarrangementen. De resultaten bevatten geen gegevens die direct of indirect tot natuurlijke personen herleidbaar zijn.
5. Indien Onze Minister besluit het experiment niet om te zetten in een structurele wettelijke regeling, worden geen nieuwe leerlingen toegelaten tot het experiment.
Artikel 12
1. Voor zover noodzakelijk kunnen ten behoeve van de monitoring en evaluatie van het experiment persoonsgegevens worden verwerkt, waaronder persoonsgegevens over de gezondheid als bedoeld in artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
2. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in de artikelen 172, derde lid, van de Wet op de expertisecentra, 180, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs en 9.1, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, worden regels gesteld over de verwerking van persoonsgegevens. Daarbij wordt geregeld onder welke voorwaarden de persoonsgegevens kunnen worden verwerkt.
Artikel 13
Onze Minister kan de toestemming voor deelname aan het experiment geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. a. het bevoegd gezag van de school de voorschriften, gesteld bij of krachtens dit besluit niet naar behoren naleeft; of b. b. het onderwijszorgarrangement naar het oordeel van Onze Minister te weinig bijdrage levert aan de kwaliteit, de toegankelijkheid of de doeltreffendheid van het onderwijs.
Artikel 14
Wijzigt het Besluit register onderwijsdeelnemers.
Artikel 15
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 november 2022, met uitzondering van artikel 14, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2023.
2. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 15 november, treedt het besluit, met uitzondering van artikel 14, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 15 november.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit experiment onderwijszorgarrangementen.