40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
19 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit operationalisering RDBZ | BWBR0004053 | AMvB | geldend | 1986-12-25 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0004053 | Besluit operationalisering RDBZ |
Besluit operationalisering RDBZ
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op het tijdvak van zes maanden aansluitend aan de dag van plaatsing daarvan in het Staatsblad, met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gegeven regelen van overgangsrecht.
Artikel 2
Het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb. 1970, 74) is ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.
Artikel 3
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken; b. b. DBZ: Dienst Buitenlandse Zaken; c. c. RDBZ: Reglement Dienst Buitenlandse Zaken; d. d. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248); e. e. AOB: Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354); f. f. RBD: Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb. 1970, 74); g. g. BBRA 1984: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Stb. 1983, 571); h. h. integratieclausule: toezegging van Onze Minister tot onvoorwaardelijke overgang naar de DBZ; i. i. overplaatsbaar ambtenaar: overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van het RDBZ; j. j. niet-overplaatsbaar ambtenaar: niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van het RDBZ.
Paragraaf 2. Overgang naar de DBZ
Artikel 4
1. Op degenen die op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van het RDBZ bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken waren aangesteld, in dienst genomen of benoemd op de voet van het ARAR, het AOB of het RBD, is het RDBZ van toepassing vanaf de dag van inwerkingtreding daarvan.
2. Aanstellingen en indienstnemingen voor een bepaalde tijd, worden beëindigd op het tijdstip, de wijze en onder de voorwaarden, als bepaald of overeengekomen bij die aanstelling dan wel indienstneming.
Artikel 5
1. De ambtenaren, bedoeld in de artikelen 6 en 7, kunnen, tenzij het tweede lid op hen van toepassing is, kenbaar maken of zij bij hun overgang naar de DBZ overplaatsbaar dan wel niet-overplaatsbaar ambtenaar willen worden, met inachtneming van artikel 11.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt de aldaar bedoelde keuzemogelijkheid niet voor degenen
a. a. ten aanzien van wie bij hun aanstelling werd bepaald dat zij slechts kunnen overgaan naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar, b. b. die op basis van de Interimregeling Gemeenschappelijke Werving, Selectie en Opleiding (vastgesteld bij ministeriële regeling van 11 juli 1983) zijn aangeworven, en op grond van het in die regeling bepaalde overgaan naar de DBZ als overplaatsbaar ambtenaar, of c. c. op wie artikel 4, tweede lid, van toepassing is.
Artikel 6
1. Ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, b of f van het RBD, dan wel artikel 92, eerste lid, van dat reglement, worden overeenkomstig hun keuze overplaatsbare dan wel niet-overplaatsbare ambtenaren, met inachtneming van de artikelen 5, tweede lid en 12 van dit besluit.
2. De in het eerste lid bedoelden worden, indien zij geen keuze kenbaar hebben gemaakt, overplaatsbare ambtenaren.
Artikel 7
1. Ambtenaren die op basis van het ARAR zijn aangesteld, worden overeenkomstig hun keuze overplaatsbare dan wel niet-overplaatsbare ambtenaren, met inachtneming van de artikelen 5, tweede lid en 13 van dit besluit.
2. De in het eerste lid bedoelden worden, indien zij geen keuze kenbaar hebben gemaakt, niet-overplaatsbare ambtenaren. De ambtenaren op wie artikel 5, tweede lid, onder a en c, van toepassing is, worden eveneens niet-overplaatsbare ambtenaren.
Artikel 8
Degenen die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen op basis van het AOB of het RBD worden werknemers van de DBZ als bedoeld in:
a. a.
artikel 8, eerste lid onder *c*, van het RDBZ, wanneer zij in dienst zijn genomen voor werkzaamheden hier te lande,
b. b.
artikel 8, eerste lid onder *d*, van het RDBZ, wanneer zij in dienst zijn genomen om na uitzending uit Nederland werkzaamheden te verrichten bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, of
c. c.
artikel 8, tweede lid onder *b*, van het RDBZ, wanneer zij plaatselijk in dienst zijn genomen voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland.
Artikel 9
1. Degenen die als honorair consulair ambtenaar op basis van artikel 2, eerste lid onder e, van het RBD zijn aangesteld, worden honoraire consulaire ambtenaren als bedoeld in artikel 132 van het RDBZ.
2. Degenen die op basis van artikel 22, eerste lid, van het RBD bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn aangesteld in een honoraire hoedanigheid, worden honoraire adviseurs van de DBZ als bedoeld in artikel 140 van het RDBZ.
Artikel 10
1. Degenen die niet in dienst zijn bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, doch vóór de inwerkingtreding van het RDBZ aan een diplomatieke of consulaire post of een vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie zijn tewerkgesteld op basis van artikel 12, vierde lid, van het RBD, worden vanaf de dag van inwerkingtreding van het RDBZ gedetacheerden op de voet van artikel 5, derde lid en artikel 8, derde lid, van het RDBZ.
2. Degenen die niet in dienst zijn bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, doch vóór de inwerkingtreding van het RDBZ tijdelijk ambtenaar van de buitenlandse dienst dan wel tijdelijk administratief ambtenaar van de buitenlandse dienst waren in de zin van artikel 58 onderscheidenlijk artikel 88a van het RBD, worden vanaf de dag van inwerkingtreding van het RDBZ toegevoegden op de voet van artikel 5, derde lid en artikel 8, vierde lid, van het RDBZ.
Paragraaf 3. Nadere bepalingen betreffende de keuzemogelijkheid voor overgang naar overplaatsbaar of niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ
Artikel 11
1. Alle in de artikelen 6 en 7 bedoelde ambtenaren worden in de gelegenheid gesteld hun in artikel 5, eerste lid, bedoelde keuze kenbaar te maken.
2. De keuze, bedoeld in artikel 5, eerste lid, kan kenbaar gemaakt worden op een door Onze Minister te bepalen wijze, en binnen het tijdvak van zes maanden, bedoeld in artikel 1.
Artikel 12
1. De in artikel 6 bedoelde ambtenaar die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als overplaatsbaar ambtenaar, wordt op de dag van inwerkingtreding van het RDBZ overplaatsbaar ambtenaar.
2. De in artikel 6 bedoelde ambtenaar die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar, wordt niet-overplaatsbaar ambtenaar met ingang van de dag waarop betrokkene in een functie op het departement wordt geplaatst. Tot deze dag is betrokkene overplaatsbaar ambtenaar.
Artikel 13
1. De in artikel 7 bedoelde ambtenaar op wie de integratieclausule van toepassing is en die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als overplaatsbaar ambtenaar, wordt op de dag van inwerkingtreding van het RDBZ overplaatsbaar ambtenaar.
2. a. a. De in artikel 7 bedoelde ambtenaar op wie de integratieclausule niet van toepassing is en die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als overplaatsbaar ambtenaar, wordt eerst overplaatsbaar ambtenaar indien:
1°.
betrokkene medisch geschikt is bevonden voor dienstverrichting waar ook ter wereld, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 25 en 51, vijfde lid, van het RDBZ, en
2°.
er op grond van de uitslag van het antecedentenonderzoek en veiligheidsonderzoek, bedoeld in artikel 26 van het RDBZ, tegen dienstvervulling als overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ naar het oordeel van Onze Minister geen bezwaar bestaat.
1°. 1°. betrokkene medisch geschikt is bevonden voor dienstverrichting waar ook ter wereld, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 25 en 51, vijfde lid, van het RDBZ, en 2°. 2°. er op grond van de uitslag van het antecedentenonderzoek en veiligheidsonderzoek, bedoeld in artikel 26 van het RDBZ, tegen dienstvervulling als overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ naar het oordeel van Onze Minister geen bezwaar bestaat. b. b. Onze Minister draagt zorg voor een zo spoedig mogelijke instelling van de onder a bedoelde onderzoeken.
3. a. a. Voor zolang de in het tweede lid bedoelde ambtenaar niet heeft voldaan aan de aldaar gestelde voorwaarden, is hij niet-overplaatsbaar ambtenaar. b. b. Zodra de in het tweede lid bedoelde ambtenaar aan de aldaar gestelde voorwaarden voldoet, wordt hij, zonodig met terugwerkende kracht, met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van het RDBZ overplaatsbaar ambtenaar.
4. De in artikel 7 bedoelde ambtenaar die heeft gekozen voor overgang naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar, wordt op de dag van inwerkingtreding van het RDBZ niet-overplaatsbaar ambtenaar.
Paragraaf 4. Inpassing van voormalige ARAR- en RBD-ambtenaren in het rangenstelsel voor overplaatsbare ambtenaren van de DBZ
Artikel 14
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. a. nieuwe salarisschaal: de salarisschaal bedoeld in artikel 35 van het RDBZ, die behoort bij de DBZ-rang van de overplaatsbare ambtenaar; b. b. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld; c. c. maximumsalarisbedrag: het hoogste bedrag van een salarisschaal, waarvan het salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat; d. d. oude salarisschaal: de salarisschaal welke gold vóór overgang naar de DBZ.
Artikel 15
Degenen die als overplaatsbaar ambtenaar zijn overgegaan naar de DBZ, worden op de dag van effectuering van hun keuze, bedoeld in de artikelen 12 en 13, ingepast in het rangenstelsel, bedoeld in artikel 35 van het RDBZ, volgens het volgende schema.
^1 Inclusief degenen in bijzondere dienst.
Artikel 16
1. Het salaris van de overplaatsbare ambtenaar wordt in diens nieuwe salarisschaal vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan het salaris dat voor betrokkene in diens oude salarisschaal gold. Wanneer het salaris dat voor betrokkene in diens oude salarisschaal gold niet voorkomt in diens nieuwe salarisschaal, geldt het tweede lid.
2. a. a. Indien het volgens de oude salarisschaal geldende salarisbedrag lager is dan het bedrag dat behoort bij salarisnummer 0 van de bij diens DBZ-rang behorende salarisschaal, wordt het salaris bepaald op het laatstbedoelde bedrag. b. b. Indien het volgens de oude salarisschaal geldende salarisbedrag niet voorkomt in de bij diens DBZ-rang behorende salarisschaal, doch hoger is dan het minimumsalarisbedrag en tevens lager is dan het maximumsalarisbedrag van laatstbedoelde salarisschaal, behoudt betrokkene het oude salarisbedrag tot het moment waarop deze de eerstvolgende periodieke verhoging krijgt; daarna is het naasthogere bedrag van de salarisschaal van toepassing. c. c. Indien het volgens de oude salarisschaal geldende salaris hoger is dan het maximumsalarisbedrag van de nieuwe salarisschaal, behoudt betrokkene het oude salaris, met inachtneming van artikel 18, tweede lid.
Artikel 17
1. Het tijdstip waarop het salaris van de overplaatsbare ambtenaar periodiek wordt verhoogd, blijft als gevolg van de inpassing in de nieuwe salarisschaal onverlet, behoudens in het geval bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder a.
2. In het geval bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder a, wordt het salaris één jaar na de dag van inpassing voor de eerste maal periodiek verhoogd.
Artikel 18
1. Het salarisverloop dat voor de overplaatsbare ambtenaar gold in de oude salarisschaal, wordt door de overgang naar de DBZ niet gewijzigd.
2. Wanneer voor een overplaatsbaar ambtenaar vóór de overgang naar de DBZ een salarisschaal gold, welke een hogere salarisuitloop bood dan de nieuwe salarisschaal, wordt ten aanzien van betrokkene de nieuwe salarisschaal geacht zodanig te zijn verlengd, dat betrokkene het salarisverloop van de oude salarisschaal behoudt.
Artikel 19
Tijdelijke bezoldigingselementen, zoals waarnemingstoelage en tijdelijke bevordering, behouden hun tijdelijke karakter.
Paragraaf 5. Inpassing van voormalige ARAR- en RBD-ambtenaren in het salarisstelsel voor niet-overplaatsbare ambtenaren van de DBZ
Artikel 20
Voor ambtenaren op wie voorheen het RBD van toepassing was, zijn bij effectuering van de overgang naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar de salarisschalen van het BBRA 1984 van toepassing; de inpassing geschiedt alsdan op analoge wijze als geregeld in de artikelen 14 tot en met 19.
Paragraaf 6. Inpassing van werknemers
Artikel 21
1. Degenen, bedoeld in artikel 8, aanhef, behouden na hun overgang naar de DBZ het salaris of loon dat zij voordien hadden, dan wel op die datum zouden hebben gehad.
2. Voor zover nodig kan Onze Minister paragraaf 4 of onderdelen daarvan van overeenkomstige toepassing verklaren op werknemers.
Paragraaf 7. Plaatsingen en bevorderingen na overgang naar de DBZ
Artikel 22
1. Degenen op wie voorheen het ARAR dan wel het RBD van toepassing was en die zijn overgegaan naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar, behouden in afwijking van artikel 17, vierde lid eerste volzin, van het RDBZ, toegang tot alle functies op het departement.
2. Op de in het eerste lid bedoelden zijn de artikelen 43 tot en met 45 van het RDBZ van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23
1. Bevorderingsvooruitzichten waarop een ambtenaar vóór zijn overgang naar de DBZ in redelijkheid aanspraak kon maken worden geëerbiedigd, met inachtneming van de mogelijkheden die de formatie biedt.
2. Onze Minister zal regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.
Paragraaf 8. Overige bepalingen
Artikel 24
Degene aan wie reeds vóór de inwerkingtreding van het RDBZ een titel was verleend op de voet van het RBD, behoudt deze titel voor de duur van diens werkzaamheden op de huidige standplaats.
Artikel 25
Bij de benoeming van de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie van Beroep kan, in afwijking van artikel 145, eerste lid, onderdeel a, derde volzin, van het RDBZ, eenmalig worden afgeweken van het vereiste dat deze tot de Nederlandse rechterlijke macht dient te behoren of te hebben behoord.
Artikel 26
1. Bezwaarschriften die op het tijdstip van inwerkingtreding van het RDBZ krachtens artikel 115 van het RBD, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van het RDBZ, in behandeling zijn bij de commissie van bijstand voor personeelszaken voor de buitenlandse dienst, worden afgehandeld door de Commissie van Beroep, bedoeld in artikel 144 van het RDBZ. Bezwaarschriften ten aanzien waarvan ten tijde van het inwerkingtreden van het RDBZ de voorbereiding tot oordeelvorming is voltooid, worden evenwel afgehandeld door de commissie van bijstand voornoemd.
2. Tegen besluiten als bedoeld in artikel 115 van het RBD zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het RDBZ, en waarvan de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op bedoeld tijdstip nog niet is verstreken, kan belanghebbende tot het verstrijken van de in het zesde lid van genoemd artikel genoemde termijn van zestig dagen, een bezwaarschrift indienen bij de Commissie van Beroep, bedoeld in artikel 144 van het RDBZ.
Artikel 27
Uitvoeringsvoorschriften, zoals deze door Onze Minister vóór de inwerkingtreding van het RDBZ zijn vastgesteld, en regelingen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 8, zevende lid en 12, derde lid, van het RDBZ, blijven van overeenkomstige toepassing totdat deze door nieuwe voorschriften krachtens het RDBZ zijn vervangen.
Artikel 28
De eed of belofte die is afgelegd door degenen, bedoeld in artikel 4, wordt gelijkgesteld met de op hen van toepassing zijnde eed of belofte, als geregeld in het RDBZ. Hetzelfde geldt voor de eed of belofte krachtens het RBD afgelegd door de in artikel 10 bedoelden.
Artikel 29
Degenen die bij hun aanstelling de integratieclausule hebben ondertekend treden, wanneer zij op grond van het daarin bepaalde bezwaar aantekenen en hun bezwaar gegrond wordt verklaard, alsdan toe als niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ wanneer voor hen het ARAR van toepassing was, en als overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ als voor hen het RBD van toepassing was; in dit geval zijn de artikelen 5, eerste lid, 11, 12 en 13 op hen van toepassing.
Artikel 30
1. Voor degenen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, die bij het inwerkingtreden van het RDBZ zijn gedetacheerd, buitengewoon verlof genieten of op non-actief zijn, gelden de artikelen 6 en 7, al naar gelang het reglement dat op hen van toepassing is. Detacheringen alsmede buitengewoon verlofperioden en non-activiteitsperioden worden op de gestelde voorwaarden voltooid.
2. Indien een specifieke functie op het departement werd aangewezen, waarin betrokkene na beëindiging van de in het eerste lid bedoelde perioden zou worden geplaatst, vervalt die aanwijzing indien de betrokkene gekozen heeft voor overgang naar de DBZ als overplaatsbaar ambtenaar.
Artikel 31
1. Degene die vóór de inwerkingtreding van het RDBZ is geschorst op grond van artikel 94 van het RBD, wordt gelijkgesteld met degene die is geschorst op grond van artikel 93, eerste lid, van het RDBZ.
2. Degene die vóór de inwerkingtreding van het RDBZ is ontslagen op grond van de artikelen 98, eerste lid onder b en d, van het RBD, dan wel 99a van het RBD, wordt gelijkgesteld met degene die is ontslagen op grond van artikel 98, eerste lid, 101, eerste lid, onder f, onderscheidenlijk 101, vierde lid, van het RDBZ.
Artikel 32
Arbeidsovereenkomsten welke door of namens Onze Minister zijn gesloten op de voet van het AOB dan wel het RBD, worden geacht te zijn gesloten op de voet van het RDBZ overeenkomstig het gestelde in artikel 8 van dit besluit.
Artikel 33
In afwijking van artikel 18, vierde lid onder a, van het RDBZ, kan Onze Minister bepalen, dat de proeftijd wordt verlengd tot ten hoogste vijf jaar ten aanzien van de ambtenaar bedoeld in artikel 6 van dit besluit op wie voorheen artikel 146a, tweede lid, van het RBD van toepassing was.
Artikel 34
Onze Minister kan regelen treffen in gevallen waarin de artikelen 4 tot en met 33 van dit besluit niet voorzien.
Artikel 35
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit operationalisering RDBZ.