40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
505 lines
31 KiB
Markdown
505 lines
31 KiB
Markdown
---
|
||
titel: Besluit Tijdelijke wet Groningen
|
||
bwb_id: BWBR0043726
|
||
type: AMvB
|
||
status: geldend
|
||
datum_inwerkingtreding: '2023-10-26'
|
||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0043726
|
||
citeertitel: Besluit Tijdelijke wet Groningen
|
||
---
|
||
|
||
# Besluit Tijdelijke wet Groningen
|
||
|
||
### Paragraaf 1. Begripsbepalingen
|
||
|
||
### Artikel 1
|
||
|
||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||
|
||
- *aanvraag om schadevergoeding:* aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet;
|
||
- *coördinator:* coördinator als bedoeld in artikel 10l;
|
||
- *NPR:* door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Praktijkrichtlijn;
|
||
- *programma:* programma van aanpak als bedoeld in artikel 13g, eerste lid, van de wet;
|
||
- *rijksambtenaren:* degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn;
|
||
- *samenloop:* situatie waarin een gebouw in een programma is opgenomen en de eigenaar van dat gebouw een aanvraag om schadevergoeding heeft ingediend waarop nog niet is beslist;
|
||
- *tegemoetkoming:* tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1b;
|
||
- *typologie:* bij ministeriële regeling vastgestelde verzameling gebouwen met dusdanig vergelijkbare constructieve kenmerken dat hun gedrag bij en weerstand tegen aardbevingen zich op een vergelijkbare wijze laat beschrijven;
|
||
- *versterkingsmaatregelen:* maatregelen als bedoeld in artikel 13j, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
|
||
- *waardedaling:* waardedaling van een woning als gevolg van het risico op beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg;
|
||
- *wet:*
|
||
Tijdelijke wet Groningen.
|
||
|
||
### Paragraaf 1a. Andere taken en bevoegdheden van het Instituut
|
||
|
||
### Artikel 1a
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Het Instituut heeft tot taak en is bevoegd aan een gedupeerde een tegemoetkoming toe te kennen ten bedrage van het verschil tussen de vergoeding voor schade door waardedaling van zijn woning die is toegekend door de exploitant en de vergoeding voor deze schade die zou zijn toegekend door het Instituut indien hij recht zou hebben op deze vergoeding, indien:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de gedupeerde een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de exploitant ter compensatie van aantoonbare waardedaling bij een volledig afgeronde verkoop en de daaropvolgende juridische levering van zijn woning; en
|
||
b. b.
|
||
de gedupeerde ter zake van dezelfde waardedaling voor een hogere vergoeding van het Instituut in aanmerking zou komen.
|
||
|
||
**2.** Artikel 2, vierde lid, aanhef en onderdelen c tot en met e, van de wet zijn op de uitoefening van deze bevoegdheid van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
### Artikel 1b
|
||
|
||
**1.** Het Instituut kent een tegemoetkoming toe aan de gedupeerde die een aanvraag heeft ingediend.
|
||
|
||
**2.** Artikel 11, eerste en tweede lid, onderdelen a tot en met c, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
|
||
|
||
**3.** Het Instituut besluit op de aanvraag om een tegemoetkoming binnen acht weken na indiening van de aanvraag.
|
||
|
||
### Paragraaf 1b. Overlastvergoeding
|
||
|
||
### Artikel 1c
|
||
|
||
De vergoeding voor overlast, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de wet wordt vastgesteld op een bedrag van ten hoogste € 1.000,–.
|
||
|
||
### Paragraaf 2. Procedure omtrent benoeming, schorsing en ontslag en de rechtspositie van leden van het Instituut
|
||
|
||
### Artikel 2
|
||
|
||
**1.** Een voordracht als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet geschiedt op basis van een enkelvoudig advies aan de hand van een door het Instituut opgesteld functieprofiel van een door het Instituut ingestelde benoemingsadviescommissie.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Het Instituut houdt bij het opstellen van het functieprofiel rekening met de onpartijdigheid van de leden van het Instituut alsmede met het streven naar een Instituut waarbij:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het Instituut als geheel beschikt over een diepgaande en actuele kennis van de aardbevings-problematiek in Groningen;
|
||
b. b.
|
||
tenminste één lid beschikt over voldoende juridische kennis en ervaring; en
|
||
c. c.
|
||
tenminste één lid beschikt over voldoende technische of bouwkundige kennis.
|
||
|
||
**3.** Voor het opstellen van een functieprofiel voor de voorzitter van het Instituut worden belanghebbende partijen gehoord.
|
||
|
||
**4.** De benoemingsadviescommissie bestaat uit tenminste drie leden, onder wie de voorzitter van het Instituut. Indien de vacature de functie van voorzitter van het Instituut betreft, maakt de plaatsvervangend voorzitter van het Instituut onderdeel uit van de benoemingsadviescommissie.
|
||
|
||
**5.** Een vacature voor een lid van het Instituut en de te volgen selectieprocedure worden door het Instituut openbaar gemaakt.
|
||
|
||
### Artikel 3
|
||
|
||
**1.** Een voordracht voor schorsing of ontslag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet bevat de gronden voor ontslag en wordt niet gedaan dan nadat de voorzitter van het Instituut daarover is gehoord.
|
||
|
||
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de plaatsvervangend voorzitter van het Instituut gehoord indien de voordracht voor schorsing of ontslag de voorzitter betreft.
|
||
|
||
### Artikel 4
|
||
|
||
**1.** Een lid van het Instituut legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in bijlage 1 bij dit besluit.
|
||
|
||
**2.** De voorzitter van het Instituut legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister voor Rechtsbescherming. De andere leden van het Instituut leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van het Instituut.
|
||
|
||
**3.** Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid van het Instituut en degene te wiens overstaan de eed of belofte is afgelegd.
|
||
|
||
### Artikel 5
|
||
|
||
Onze Minister voor Rechtsbescherming verstrekt aan een lid van het Instituut een afschrift van het koninklijk besluit waarbij hij is benoemd. Voorts doet Onze Minister voor Rechtsbescherming aan een lid van het Instituut schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld.
|
||
|
||
### Artikel 6
|
||
|
||
**1.** Aan de voorzitter en de leden wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij het maximum van de salarisschaal bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week gelijk is aan het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
|
||
|
||
**2.** Een lid van het Instituut wordt door Onze Minister voor Rechtsbescherming aangesteld voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week.
|
||
|
||
**3.** Een lid van het Instituut dat is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor, bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor het lid van het Instituut vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer uit het getal 36 bestaat.
|
||
|
||
**4.** Op eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van het Instituut is aangesteld, door Onze Minister voor Rechtsbescherming worden gewijzigd.
|
||
|
||
**5.** Onze Minister voor Rechtsbescherming neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de voorzitter van het Instituut.
|
||
|
||
**6.** Het vijfde lid is niet van toepassing voorzover het de aanstelling van de voorzitter van het Instituut betreft.
|
||
|
||
### Artikel 7
|
||
|
||
De leden van het Instituut hebben aanspraak op vakantie en verlof overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De bevoegdheden die op grond van de eerste volzin van toepassing zijn worden uitgeoefend door de voorzitter van het Instituut.
|
||
|
||
### Artikel 8
|
||
|
||
Ten aanzien van de leden van het Instituut is hetgeen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren is bepaald met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend door de voorzitter van het Instituut.
|
||
|
||
### Artikel 9
|
||
|
||
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een lid van het Instituut wordt door Onze Minister voor Rechtsbescherming een overlijdensuitkering vastgelegd overeenkomstig hetgeen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren is overeengekomen.
|
||
|
||
### Paragraaf 3. Jaarverslag
|
||
|
||
### Artikel 10
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bevat over het verstreken boekjaar een rapportage en verantwoording over de volgende onderdelen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een rapportage overeenkomstig bijlage 2;
|
||
b. b.
|
||
een verantwoording van de uitgaven;
|
||
c. c.
|
||
een managementverklaring inzake rechtmatigheid; en
|
||
d. d.
|
||
een toelichting inzake doelmatigheid van de gemaakte uitvoeringskosten ten opzichte van de uitgekeerde vergoedingen.
|
||
|
||
**2.** De rapportage en verantwoording gaan vergezeld van een rapport van bevindingen van de Auditdienst Rijk, opgesteld in opdracht van het Instituut, bestaande uit een verslag van bevindingen over in ieder geval de specifieke werkzaamheden als bedoeld in bijlage 3.
|
||
|
||
### Paragraaf 3a. Versterking van gebouwen in de provincie Groningen
|
||
|
||
### Artikel 10a
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 13ba van de wet, is niet van toepassing op:
|
||
|
||
a. a.
|
||
in bijlage 4 opgenomen scholen;
|
||
b. b.
|
||
in bijlage 5 opgenomen zorggebouwen;
|
||
c. c.
|
||
gebouwen die functioneel verbonden zijn met installaties van bedrijven:
|
||
|
||
|
||
1°.
|
||
op een locatie waarop een Seveso-inrichting wordt geëxploiteerd als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||
|
||
|
||
2°.
|
||
op een locatie waarop een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt verricht, met uitzondering van activiteiten als bedoeld bijlage VII, onder B, onder 3 en 5, en onder E, onder 13, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
|
||
|
||
|
||
3°.
|
||
op een locatie waarop een milieubelastende activiteit wordt verricht voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||
|
||
|
||
4°.
|
||
op locaties waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn worden opgeslagen waarvoor het risico op ongevallen op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 45 van de Wet veiligheidsregio’s op de in dat artikel bedoelde risicokaart wordt vermeld;
|
||
1°. 1°.
|
||
op een locatie waarop een Seveso-inrichting wordt geëxploiteerd als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||
2°. 2°.
|
||
op een locatie waarop een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt verricht, met uitzondering van activiteiten als bedoeld bijlage VII, onder B, onder 3 en 5, en onder E, onder 13, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
|
||
3°. 3°.
|
||
op een locatie waarop een milieubelastende activiteit wordt verricht voor zover het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
|
||
4°. 4°.
|
||
op locaties waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht waarbij gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn worden opgeslagen waarvoor het risico op ongevallen op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 45 van de Wet veiligheidsregio’s op de in dat artikel bedoelde risicokaart wordt vermeld;
|
||
d. d.
|
||
gebouwen die functioneel verbonden zijn met installaties van bedrijven of inrichtingen waarop hoofdstuk 2, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing is;
|
||
e. e.
|
||
nieuw te bouwen gebouwen, waaronder begrepen een zelfstandige uitbouw of aanbouw van een bestaand gebouw, anders dan nieuw te bouwen gebouwen die dienen ter vervanging van gebouwen die zijn opgenomen in de versterkingsoperatie;
|
||
f. f.
|
||
gebouwen behorend tot batch 1.588 als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de wet.
|
||
|
||
**2.** Hoofdstuk 5, met uitzondering van de artikelen 13ba en 13n, van de wet is niet van toepassing op gebouwen behorend tot Zandplatenbuurt Zuid te Delfzijl.
|
||
|
||
### Artikel 10b
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Bij de vaststelling van de risicoprofielen van gebouwen, bedoeld in artikel 13e, eerste lid, van de wet, hanteert Onze Minister de volgende categorieën risicoprofielen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
gebouw met een normaal risico: gebouw met een verwachtingswaarde die aangeeft dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, en waarvan de berekeningen aangeven dat het gebouw in meer dan 90% van de gevallen aan de veiligheidsnorm voldoet;
|
||
b. b.
|
||
gebouw met een licht verhoogd risico: gebouw met een verwachtingswaarde die aangeeft dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, en waarvan de berekeningen aangeven dat het gebouw in minder dan 90% van de gevallen aan de veiligheidsnorm voldoet;
|
||
c. c.
|
||
gebouw met een verhoogd risico: gebouw met een verwachtingswaarde die aangeeft dat het gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet.
|
||
|
||
**2.** Het vaststellen van een risicoprofiel van een gebouw vindt plaats door Onze Minister met gebruikmaking van een analyse van de verwachte bodembeweging op regioniveau en een analyse van de risico’s van de verwachte bodembeweging voor omwonenden of gebouwen, die door een op grond van artikel 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet aangewezen instelling zijn uitgevoerd.
|
||
|
||
**3.** Indien de aard, locatie of staat van het gebouw daar aanleiding toe geeft, stelt Onze Minister het risicoprofiel van dat gebouw dat voortvloeit uit de analyses, bedoeld in het tweede lid, bij op basis van kennis van en ervaring met gelijksoortige gebouwen. Deze bijstelling kan er niet toe leiden dat een gebouw een lager risicoprofiel krijgt dan deze zou krijgen op basis van de uitkomsten van de analyses, bedoeld in het tweede lid.
|
||
|
||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de bijstelling, bedoeld in het derde lid.
|
||
|
||
### Artikel 10c
|
||
|
||
**1.** De meerjarige planning voor het opnemen en beoordelen van gebouwen, bedoeld in artikel 13g, tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt bepaald op basis van de overeenkomstig artikel 10b vastgestelde risicoprofielen.
|
||
|
||
**2.** In de meerjarige planning krijgen gebouwen met een verhoogd risico voorrang op gebouwen met een licht verhoogd risico.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
In afwijking van het tweede lid kunnen gebouwen met een licht verhoogd risico voorrang krijgen op gebouwen met een verhoogd risico indien dit geen onredelijke vertraging oplevert voor de versterking van gebouwen met een verhoogd risico, en dit:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de snelheid van de uitvoering van de meerjarige planning ten goede komt; of
|
||
b. b.
|
||
het draagvlak voor de versterking ten goede komt.
|
||
|
||
**4.** Onder de voorwaarden, genoemd in het derde lid, kunnen ook gebouwen met een normaal risico worden opgenomen in de meerjarige planning en kan aan die gebouwen voorrang worden gegeven.
|
||
|
||
### Artikel 10d
|
||
|
||
In het kader van zijn advies over het ontwerp van het programma van aanpak, bedoeld in artikel 13g, derde lid, onderdeel a, van de wet, beoordeelt de inspecteur-generaal der mijnen, met inachtneming van de veiligheid van de versterkingsoperatie, of het programma:
|
||
|
||
a. a.
|
||
voldoende gericht is op het zo snel mogelijk realiseren van de versterkingsopgave; en
|
||
b. b.
|
||
voldoet aan artikel 10c, tweede, derde of vierde lid.
|
||
|
||
### Artikel 10e
|
||
|
||
**1.** Een verzoek om te onderzoeken of een gebouw mogelijk versterking behoeft als bedoeld in artikel 13g, zesde lid, van de wet, kan worden ingediend door de eigenaar van een gebouw dat niet is opgenomen in een programma van aanpak als bedoeld in artikel 13g, eerste lid, van de wet.
|
||
|
||
**2.** Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend met gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar gesteld formulier.
|
||
|
||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het aantal verzoeken per jaar dat Onze Minister ten hoogste in behandeling neemt.
|
||
|
||
### Artikel 10f
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
De vaststelling of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet vindt plaats:
|
||
|
||
a. a.
|
||
door het gebouw toe te delen aan een typologie en te beoordelen aan de hand van de typologie, de locatie, de ontwerpdatum en afmetingen van het gebouw en volgens de NPR 9998;
|
||
b. b.
|
||
door het gebouw toe te delen aan een typologie en te beoordelen aan de hand van de typologie en de locatie; of
|
||
c. c.
|
||
indien een toedeling als bedoeld in onderdeel a of b niet mogelijk is, aan de hand van een individuele beoordeling volgens de NPR 9998.
|
||
|
||
**2.** De bepaling welk soort maatregelen nodig is voor een aan een typologie toegedeeld gebouw waarvoor aan de hand van de typologie, de locatie, de ontwerpdatum en afmetingen van het gebouw en volgens de NPR 9998 is vastgesteld dat het niet aan de veiligheidsnorm voldoet, vindt plaats volgens de NPR 9998.
|
||
|
||
**3.** De bepaling welk soort maatregelen nodig is indien een aan een typologie toebedeeld gebouw waarvoor aan de hand van de typologie en de locatie is vastgesteld dat het niet aan de veiligheidsnorm voldoet, vindt plaats volgens de NPR 9998 aan de hand van de typologie en de locatie.
|
||
|
||
**4.** De bepaling welk soort maatregelen nodig is indien een individueel beoordeeld gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, vindt plaats volgens de NPR 9998.
|
||
|
||
**5.**
|
||
|
||
Bij ministeriële regeling wordt aangewezen welke versie van de NPR 9998 wordt gehanteerd en worden nadere regels gesteld over:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de toedeling en de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b;
|
||
b. b.
|
||
de individuele beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
|
||
c. c.
|
||
de bepaling welke soort maatregelen nodig is, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.
|
||
|
||
**6.** Bij de vaststelling of het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid, en de bepaling welke soort maatregelen nodig is indien is vastgesteld dat het gebouw niet voldoet, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, vindt een opname op locatie plaats.
|
||
|
||
### Artikel 10g
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
De aanspraak van de eigenaar, bedoeld in artikel 13j, eerste lid, onderdeel b, van de wet, bestaat voor zover van toepassing uit:
|
||
|
||
a. a.
|
||
en aanspraak op de gehele of gedeeltelijke uitvoering door Onze Minister van de werkzaamheden ter uitvoering van de versterkingsmaatregelen;
|
||
b. b.
|
||
een budget voor het in eigen beheer door de eigenaar uitvoeren van de werkzaamheden ter uitvoering van de versterkingsmaatregelen die niet in opdracht van Onze Minister worden uitgevoerd; en
|
||
c. c.
|
||
een vergoeding van de schade die optreedt ten gevolge van de voorbereiding en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Indien Onze Minister ondanks een verzoek van de eigenaar om zijn gebouw niet te versterken als bedoeld in artikel 13i, zesde lid, van de wet, een versterkingsbesluit neemt omdat door dat verzoek de belangen van gebruikers of derde belanghebbenden zouden worden geschaad, bestaat de aanspraak in afwijking van het eerste lid uit:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een aanspraak op de gehele uitvoering door Onze Minister van de werkzaamheden ter uitvoering van de versterkingsmaatregelen; en
|
||
b. b.
|
||
indien van toepassing een vergoeding van de schade die optreedt als gevolg van de uitvoering van de versterkingsmaatregelen.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:
|
||
|
||
a. a.
|
||
de wijze waarop de hoogte van de aanspraak van de eigenaar wordt bepaald;
|
||
b. b.
|
||
de wijze waarop de aanspraak aan de eigenaar ter beschikking wordt gesteld; en
|
||
c. c.
|
||
de verplichtingen van de eigenaar inzake de aanspraak.
|
||
|
||
**4.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen wordt vastgesteld.
|
||
|
||
**5.** Bij ministeriële regeling worden gevallen aangewezen waarvoor de redelijke termijn, bedoeld in artikel 13j, eerste lid, van de wet, maximaal zes maanden bedraagt en waarvoor de verlenging, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, maximaal zes maanden bedraagt.
|
||
|
||
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop Onze Minister bij de aanspraak rekening houdt met de door het Instituut uitgekeerde of uit te keren vergoeding van schade als bedoeld in artikel 13j, achtste lid, van de wet.
|
||
|
||
### Paragraaf 3b. Onderlinge afstemming bij mogelijke samenloop
|
||
|
||
### Artikel 10h
|
||
|
||
**1.** Voor gebouwen in de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt verstrekken Onze Minister en het Instituut elkaar desgevraagd of eigener beweging de gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van samenloop, de gecoördineerde behandeling bij samenloop, bedoeld in paragraaf 3c, of het meenemen van schadeherstel bij het treffen van versterkingsmaatregelen, bedoeld in paragraaf 3e.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Voor de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister aan het Instituut in ieder geval verstrekken:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een overzicht van gebouwen die in een programma zijn opgenomen en de fase van besluitvorming over de versterking daarvan;
|
||
b. b.
|
||
gegevens over versterkingsbesluiten;
|
||
c. c.
|
||
gegevens over besluiten dat een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en geen versterkingsmaatregelen nodig zijn als bedoeld in artikel 13i, tweede lid, van de wet;
|
||
d. d.
|
||
gegevens over beoordelingen dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet als bedoeld in artikel 13i, derde lid, van de wet;
|
||
e. e.
|
||
gegevens over besluiten dat een gebouw niet wordt versterkt op verzoek van de eigenaar als bedoeld in artikel 13i, zesde lid, van de wet;
|
||
f. f.
|
||
gegevens over besluiten dat een gebouw niet wordt versterkt indien door toedoen van de eigenaar of gebruiker niet kan worden vastgesteld of aan de veiligheidsnorm wordt voldaan als bedoeld in artikel 13k, eerste lid, van de wet.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
Voor de toepassing van het eerste lid kan het Instituut aan Onze Minister in ieder geval gegevens verstrekken over:
|
||
|
||
a. a.
|
||
in behandeling zijnde aanvragen om schadevergoeding;
|
||
b. b.
|
||
besluiten over schadevergoeding;
|
||
c. c.
|
||
door deskundigen uitgebrachte adviezen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet.
|
||
|
||
### Artikel 10i
|
||
|
||
Onze Minister en het Instituut voorzien in elk van de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt in één gezamenlijke locatie waar in ieder geval:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een ieder op zijn verzoek informatie krijgt over de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5 van de wet en de schadevergoeding op grond van hoofdstuk 2 van de wet; en
|
||
b. b.
|
||
een eigenaar op verzoek informatie krijgt over de afhandeling van zijn aanvraag om schadevergoeding en de versterking van zijn gebouw en de samenhang daartussen.
|
||
|
||
### Artikel 10j
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Indien het Instituut een aanvraag om schadevergoeding ontvangt van een eigenaar van een gebouw dat in een programma is opgenomen, en een opname van het gebouw als bedoeld in artikel 10f, vierde lid, heeft plaatsgevonden:
|
||
|
||
a. a.
|
||
informeert het de eigenaar over de mogelijkheid om de afhandeling van zijn aanvraag om schadevergoeding en de versterking van zijn gebouw gecoördineerd te laten behandelen; en
|
||
b. b.
|
||
biedt het de eigenaar de keuze voor gecoördineerde behandeling aan, waarbij de eigenaar kan aangeven of hij coördinatie door Onze Minister of het Instituut wenst.
|
||
|
||
**2.** Indien het Instituut een aanvraag om schadevergoeding ontvangt van een eigenaar van een gebouw waarbij sprake is van samenloop, en er een coördinator is aangewezen voor de afhandeling van de reeds in behandeling zijnde aanvraag om schadevergoeding, biedt het Instituut de eigenaar de mogelijkheid dat de reeds aangewezen coördinator ook de coördinatie voor de afhandeling van de nieuwe aanvraag om schadevergoeding op zich neemt.
|
||
|
||
**3.** In een geval als bedoeld in het tweede lid worden voor de toepassing van de artikelen 10l, derde en vierde lid, 10m en 10o, de in het tweede lid bedoelde aanvraag om schadevergoeding betrokken, indien dit redelijkerwijs mogelijk is.
|
||
|
||
### Artikel 10k
|
||
|
||
Indien het Instituut een aanvraag om schadevergoeding ontvangt van een eigenaar van een gebouw dat in een programma is opgenomen, en nog geen opname van het gebouw als bedoeld in artikel 10f, vierde lid, heeft plaatsgevonden:
|
||
|
||
a. a.
|
||
informeert het de eigenaar over de mogelijkheid dat Onze Minister bij de opname van het gebouw gelijktijdig de schade opneemt als bedoeld in artikel 10n; en
|
||
b. b.
|
||
biedt het de eigenaar de mogelijkheid binnen acht weken na ontvangst van de informatie, bedoeld in onderdeel a, de keuze te maken voor de totaalopname, bedoeld in artikel 10m, eerste lid, indien de totaalopname redelijkerwijs mogelijk is.
|
||
|
||
### Paragraaf 3c. Gecoördineerde behandeling bij samenloop
|
||
|
||
### Artikel 10l
|
||
|
||
**1.** Indien een eigenaar van een gebouw de keuze heeft gemaakt voor gecoördineerde behandeling, wijzen Onze Minister en het Instituut gezamenlijk een coördinator aan, die ressorteert onder Onze Minister of het Instituut.
|
||
|
||
**2.** De aanwijzing van een coördinator vindt, indien redelijkerwijs mogelijk, plaats overeenkomstig de keuze van de eigenaar.
|
||
|
||
**3.**
|
||
|
||
De coördinator verstrekt aan de eigenaar een informatiedocument waarin in ieder geval is opgenomen:
|
||
|
||
a. a.
|
||
een beschrijving van de processtappen die nodig zijn voor de afhandeling van de aanvraag om schadevergoeding en het voorziene tijdpad;
|
||
b. b.
|
||
een beschrijving van de processtappen die nodig zijn voor de versterking van het gebouw en het voorziene tijdpad; en
|
||
c. c.
|
||
de samenhang daartussen.
|
||
|
||
**4.** De coördinator houdt de eigenaar op de hoogte van de afhandeling van zijn aanvraag om schadevergoeding en de versterking van zijn gebouw en de samenhang daartussen, en fungeert daarvoor als aanspreekpunt voor de eigenaar.
|
||
|
||
### Paragraaf 3d. Totaalopname en gelijktijdige opname van schade
|
||
|
||
### Artikel 10m
|
||
|
||
**1.** Onze Minister voert op verzoek van de eigenaar van een gebouw waarbij sprake is van samenloop een totaalopname uit, door bij de opname van het gebouw op locatie, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, gelijktijdig ook schade aan het gebouw op te nemen, indien dit redelijkerwijs mogelijk is.
|
||
|
||
**2.** Indien Onze Minister bij de opname van een gebouw, bedoeld in artikel 10f, vijfde lid, schade aan het gebouw constateert waarvoor de eigenaar van het gebouw nog geen aanvraag om schadevergoeding heeft gedaan, neemt hij op verzoek van de eigenaar gelijktijdig ook die schade op, indien dit redelijkerwijs mogelijk is.
|
||
|
||
### Paragraaf 3e. Schadeherstel meenemen bij treffen van versterkingsmaatregelen
|
||
|
||
### Artikel 10n
|
||
|
||
De coördinator of Onze Minister, indien er geen coördinator is aangewezen, informeert de eigenaar over de mogelijkheid dat Onze Minister tijdens het treffen van versterkingsmaatregelen ook schade aan het gebouw herstelt als bedoeld in artikel 10o.
|
||
|
||
### Artikel 10o
|
||
|
||
**1.**
|
||
|
||
Op verzoek van de eigenaar van een gebouw herstelt Onze Minister gelijktijdig met het treffen van de versterkingsmaatregelen ook die schade aan het gebouw waarvoor het Instituut een schadevergoeding in de vorm van het treffen van maatregelen in natura heeft vastgesteld, indien:
|
||
|
||
a. a.
|
||
het Instituut met instemming van de eigenaar het uitvoeren van de te treffen maatregelen in natura heeft overgedragen aan Onze Minister; en
|
||
b. b.
|
||
de belangen van een gebruiker of derde belanghebbende niet worden geschaad.
|
||
|
||
**2.**
|
||
|
||
Op verzoek van de eigenaar van een gebouw herstelt Onze Minister gelijktijdig met het treffen van de versterkingsmaatregelen ook die schade aan het gebouw waarvoor het Instituut een schadevergoeding in geld heeft vastgesteld:
|
||
|
||
a. a.
|
||
indien de eigenaar de kosten van het herstel van die schade draagt door het geheel of gedeeltelijk inzetten van de schadevergoeding;
|
||
b. b.
|
||
indien de belangen van een gebruiker of derde belanghebbende niet worden geschaad; en
|
||
c. c.
|
||
voor zover Onze Minister geen toepassing heeft gegeven aan artikel 13j, achtste lid, van de wet.
|
||
|
||
### Paragraaf 3f. Effectgebied bewijsvermoeden
|
||
|
||
### Artikel 10oa
|
||
|
||
Het vermoeden, bedoeld in artikel 177a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geldt in ieder geval in het gebied dat valt:
|
||
|
||
a. a.
|
||
binnen de reikwijdte van de beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk waar een minimale trilling van 2 millimeter per seconde met een overschrijdingskans van 1 procent is berekend; of
|
||
b. b.
|
||
binnen 6 kilometer van de grens van het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
|
||
|
||
### Paragraaf 4. Overige bepalingen
|
||
|
||
### Artikel 10p
|
||
|
||
Wijzigt dit besluit.
|
||
|
||
### Artikel 11
|
||
|
||
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.
|
||
|
||
### Artikel 12
|
||
|
||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Tijdelijke wet Groningen.
|
||
|
||
### Artikel 13
|
||
|
||
Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2020.
|
||
|
||
## Bijlage 1. – Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een lid van het Instituut Mijnbouwschade Groningen als bedoeld in
|
||
|
||
Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.
|
||
|
||
Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
|
||
|
||
Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij betrokken is of zal zijn bij een onderzoek waarbij mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
|
||
|
||
Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.
|
||
|
||
Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een lid/plaatsvervangend lid van het Instituut Mijnbouwschade Groningen betaamt.
|
||
|
||
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
|
||
|
||
Op ........................, werd te .....................
|
||
|
||
ten overstaan van (1) ..............................
|
||
|
||
door (2) .............................
|
||
|
||
de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.
|
||
|
||
(1) ...........................
|
||
|
||
(2) .............................
|
||
|
||
## Bijlage 2. – Rapportage bedoeld in
|
||
|
||
## Bijlage 3. – Specifieke werkzaamheden bedoeld in
|
||
|
||
De Auditdienst Rijk stelt een rapport van bevindingen op als uitkomst van een opdracht van het Instituut voor het uitvoeren van «specifiek overeengekomen werkzaamheden» bestaande uit het beantwoorden van in ieder geval de volgende vragen:
|
||
|
||
## Bijlage 4. Overzicht uit te zonderen scholen, bedoeld in
|
||
|
||
## Bijlage 5. Overzicht uit te zonderen zorggebouwen, bedoeld in
|