rijk/amvb/besluit-vangnetregeling-huursubsidie/BWBR0009632/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

13 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit vangnetregeling huursubsidie BWBR0009632 AMvB geldend 2002-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009632 Besluit vangnetregeling huursubsidie

Besluit vangnetregeling huursubsidie

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Huursubsidiewet.

Artikel 2

Burgemeester en wethouders stellen bij de aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de huurlasten de identiteit van de huurder vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan op in de administratie, bedoeld in artikel 48a, eerste lid, van de wet.

Hoofdstuk 2. Vaststelling bijzondere bijdrage in de huurlasten

Paragraaf 1. Vaststelling actueel inkomen

Artikel 3

1. Het actueel inkomen, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, onder a, van de wet, wordt vastgesteld aan de hand van door de huurder en de medebewoners over te leggen stukken die naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor een deugdelijke onderbouwing van dat inkomen noodzakelijk zijn.

2. Voor het vaststellen van het recht op een bijzondere bijdrage in de huurlasten stellen burgemeester en wethouders het actueel inkomen forfaitair vast aan de hand van het inkomen over een langere periode dan over de eerste kalendermaand van het betreffende bijdragetijdvak, voorzover het patroon van de inkomensverwerving of de hoogte van het inkomen over een langere periode daartoe aanleiding geeft.

3. Voor de toepassing van artikel 26a, eerste lid, onder a, van de wet worden inkomsten aangemerkt als te zijn genoten op het tijdstip, bedoeld in artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bepaling van het actueel inkomen. Daartoe kunnen regels behoren over de bepaling van het netto inkomen. Daarbij kunnen voorts gevallen worden aangegeven waarin bij de bepaling van het actueel inkomen medebewoners of inkomensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. Bij de bepaling van het netto inkomen of het geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten van inkomensbestanddelen kan van het derde lid worden afgeweken.

Paragraaf 2. Vaststelling overige van belang zijnde feiten en omstandigheden

Artikel 4

Burgemeester en wethouders stellen, aan de hand van een door de verhuurder gedane opgave, de rekenhuur vast.

Paragraaf 3. Nadere regels voor onderzoek door gemeenten

Artikel 5

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het onderzoek door burgemeester en wethouders van de aanvragen om een bijzondere bijdrage in de huurlasten.

Paragraaf 4. Gevallen waarin geen bijzondere bijdrage in de huurlasten wordt toegekend of deze bijdrage niet nader wordt vastgesteld

Artikel 6

1. Indien blijkt dat het verschil tussen het actueel inkomen en het rekeninkomen ten minste gelijk is aan het verschil, genoemd in artikel 26b, eerste lid, van de wet, maar deze omstandigheid niet of nauwelijks tot een daling van het netto inkomen heeft geleid, is artikel 26b, eerste lid, van de wet niet van toepassing.

2. Een wijziging van feiten en omstandigheden die van belang is voor de vaststelling van het actueel inkomen en zich gedurende het betreffende bijdragetijdvak voordoet, kan eerst voor het daaropvolgende tijdvak in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht op een bijzondere bijdrage in de huurlasten.

3. Artikel 26b, eerste lid, van de wet is niet van toepassing indien de inkomensdaling een vrijwillig karakter heeft.

Hoofdstuk 3 Financiële. afwikkeling gemeenten rijk

Paragraaf 1. Voorschotverlening

Artikel 7

1. Voorschotverlening door Onze Minister aan burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, heeft zowel betrekking op de vergoeding van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en de voorschotten daarop als op de vergoeding van de uitvoeringskosten van de gemeente.

2. Een aanvraag tot het verlenen van een voorschot wordt ingediend na afloop van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.

3. Het aanvragen van een voorschot vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.

4.

Burgemeester en wethouders verstrekken bij de aanvraag tot het verlenen van een voorschot de volgende gegevens:

a. a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voorschotten op de vergoeding van de uitvoeringskosten; b. b. het totaalbedrag aan betaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop; c. c. de in de maand waarop de voorschotaanvraag betrekking heeft van de huurder terugontvangen bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop; d. d. een verklaring van burgemeester en wethouders omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens.

5.

Het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:

a. a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205; b. b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een voorschot kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.

6. Onze Minister onderzoekt of aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk vier weken na ontvangst van een aanvraag om voorschotverlening over tot het betaalbaar stellen van het voorschot.

7. Indien niet aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, kan Onze Minister de voorschotverlening opschorten.

Paragraaf 2. Einddeclaratie

Artikel 8

1. De einddeclaratie van de kosten, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.

2.

Burgemeester en wethouders verstrekken bij de einddeclaratie de volgende gegevens:

a. a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de vergoeding van de uitvoeringskosten; b. b. het totaalbedrag aan uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop; c. c. het totaal aan betaalbaar gestelde voorschotbedragen, bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, over de maanden in het subsidiejaar onderverdeeld naar verstrekte bijzondere bijdrage in de huurlasten en naar de vergoeding van de uitvoeringskosten; d. d. de ontvangsten van de van de huurder teruggevorderde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop in het betreffende subsidiejaar; e. e. een uiteenzetting over het beleid dat de gemeente heeft gevoerd ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijzondere bijdrage in de huurlasten; f. f. indien de declaratie van uitbetaalde bijdragen en uitvoeringskosten van de gemeenten € 18 500 of meer bedraagt, de verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet.

3.

De totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:

a. a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205; b. b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een vergoeding kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.

4. Onze Minister vergoedt uitsluitend de kosten voorzover deze door een in het tweede lid, onder f, bedoelde verklaring met een goedkeurende strekking zijn gedekt.

5. Onze Minister onderzoekt of aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk acht weken na ontvangst van de einddeclaratie over tot vaststelling van de vergoeding van de kosten.

6. Indien niet aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, stelt Onze Minister burgemeester en wethouders in de gelegenheid om alsnog binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn aan de voorwaarden te voldoen. Onze Minister kan de vaststelling van de vergoeding opschorten tot uiterlijk acht weken na het verstrijken van deze termijn.

Artikel 9

1. De verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, dient ter vaststelling van de naleving van de in artikel 8 aan burgemeester en wethouders gestelde voorwaarden, ter vaststelling van de uitvoeringskosten en ter vaststelling van de deugdelijkheid van de door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens.

2. De verklaring wordt opgesteld met inachtneming van het in de bijlage opgenomen protocol en overeenkomstig het in de bijlage opgenomen model.

3.

De verklaring dient in ieder geval betrekking te hebben op:

a. a. de naleving door burgemeester en wethouders van de in de wet en de daarop berustende bepalingen gestelde voorwaarden en b. b. de getrouwheid van de door burgemeester en wethouders in het betreffende subsidiejaar gedeclareerde kosten.

4.

De verklaring heeft uitsluitend een goedkeurende strekking voorzover, naar het oordeel van de deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, de som van de fouten bij de uitbetalingen van bijzondere bijdragen in de huurlasten niet meer bedraagt dan:

a. a. indien het totale bedrag van de in het subsidiejaar uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten meer dan € 900 000 bedraagt: 2% van het uitbetaalde bedrag; b. b. indien dat bedrag meer dan € 450 000, doch € 900 000 of minder bedraagt: 3% van het uitbetaalde bedrag; c. c. indien dat bedrag meer dan € 220 000, doch € 450 000 of minder bedraagt: 4% van het uitbetaalde bedrag; d. d. indien dat bedrag meer dan € 110 000, doch € 220 000 of minder bedraagt: 5% van het uitbetaalde bedrag; e. e. indien dat bedrag meer dan € 50 000, doch € 110 000 of minder bedraagt: 6% van het uitbetaalde bedrag, of f. f. indien dat bedrag € 50 000 of minder bedraagt: 10% van het uitbetaalde bedrag.

5. De deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, stelt een rapport van bevindingen bij de verklaring op, waarin hij zijn oordeel geeft over de wijze waarop burgemeester en wethouders de juistheid en volledigheid van de bij de aanvragen verstrekte gegevens hebben onderzocht en over het verdere gevoerde beleid op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Hoofdstuk 4. Terugvordering en verrekening

Artikel 10

Burgemeester en wethouders verrekenen of vorderen geheel of gedeeltelijk de bijzondere bijdrage in de huurlasten, dan wel het daarop verstrekte voorschot terug, indien deze ten onrechte is verstrekt doordat:

a. a. de huurder of de medebewoners een onjuiste opgave hebben gedaan van het rekeninkomen of het netto inkomen; b. b. het rekenvermogen meer bedraagt dan het toepasselijke bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, van de wet; c. c. de huurder een onjuiste opgave van de huurprijs heeft gedaan of d. d. de huurder een onjuiste opgave van de samenstelling van het huishouden, aanwezige medebewoners of onderhuurders heeft gedaan.

Hoofdstuk 5. Wijziging van het huursubsidiebesluit

Artikel 11

Wijzigt het Huursubsidiebesluit.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 12

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1998.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vangnetregeling huursubsidie.

Bijlage . bij

Accountantsverklaring

Geadresseerde

De accountantsverklaring dient te zijn geadresseerd overeenkomstig de voor de opdracht geldende omstandigheden en nationale regelgeving. In het onderhavige geval burgemeester en wethouders van de gemeente.

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben we overeenkomstig artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet de bijgevoegde door ons gewaarmerkte einddeclaratie Vangnetregeling Huursubsidie over het subsidiejaar ............... van de gemeente .......... gecontroleerd. Deze einddeclaratie is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring bij de einddeclaratie te verstrekken. Deze verklaring is bestemd voor het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controle-opdrachten en met inachtneming van het accountantsprotocol dat door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de gemeenten is verstrekt. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de einddeclaratie geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen in de einddeclaratie. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat:

de in de einddeclaratie opgenomen gegevens juist en volledig zijn weergegeven;

de bepalingen van de Huursubsidiewet, het Besluit vangnetregeling huursubsidie alsmede de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde nadere regelgeving zijn nageleefd.

(plaats, datum)

(naam accountant en ondertekening)