rijk/amvb/besluit-vergoedingen-rechtsbijstand-2000/BWBR0011018/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

52 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 BWBR0011018 AMvB geldend 2000-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011018 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. wet: de Wet op de rechtsbijstand; b. b. procedure:

      1.
      een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij:
      
        
          
          de burgerlijke rechter,
        
        
          
          de bestuursrechter,
        
        
          
          een bij verdrag met rechtspraak belast internationaal college of een daarmee vergelijkbaar internationaal college,
        
        
          
          het bestuursorgaan dat in administratief beroep oordeelt,
        
        
          
          het bestuursorgaan dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht oordeelt over een bezwaar,
        
        
          
          het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een commissie als bedoeld in artikel 671a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in het kader van voorafgaande toestemming om een arbeidsovereenkomst op te zeggen,
        
        
          
          de huurcommissie die oordeelt in het kader van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte,
        
        
          
          de instantie die oordeelt over een geschil dat is onderworpen aan arbitrage of bindend advies,
        
        
          
          de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtprocedure,
        
        
          
          Onze Minister van Justitie en Veiligheid in het kader van het inbrengen van een zienswijze op het voornemen om:
          
            
              1.
              een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
            
            
              2.
              een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel
            
            
              3.
              een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;
            
          
        
        
          2.
          de behandeling door Onze Minister van Justitie en Veiligheid van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
    1. een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij:
      
      
          
          de burgerlijke rechter,
      
      
          
          de bestuursrechter,
      
      
          
          een bij verdrag met rechtspraak belast internationaal college of een daarmee vergelijkbaar internationaal college,
      
      
          
          het bestuursorgaan dat in administratief beroep oordeelt,
      
      
          
          het bestuursorgaan dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht oordeelt over een bezwaar,
      
      
          
          het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een commissie als bedoeld in artikel 671a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in het kader van voorafgaande toestemming om een arbeidsovereenkomst op te zeggen,
      
      
          
          de huurcommissie die oordeelt in het kader van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte,
      
      
          
          de instantie die oordeelt over een geschil dat is onderworpen aan arbitrage of bindend advies,
      
      
          
          de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtprocedure,
      
      
          
          Onze Minister van Justitie en Veiligheid in het kader van het inbrengen van een zienswijze op het voornemen om:
      
      
              1.
              een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
      
      
              2.
              een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel
      
      
              3.
              een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;
      
      
      
      
          2.
          de behandeling door Onze Minister van Justitie en Veiligheid van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
      

de burgerlijke rechter, de bestuursrechter, een bij verdrag met rechtspraak belast internationaal college of een daarmee vergelijkbaar internationaal college, het bestuursorgaan dat in administratief beroep oordeelt, het bestuursorgaan dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht oordeelt over een bezwaar, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een commissie als bedoeld in artikel 671a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in het kader van voorafgaande toestemming om een arbeidsovereenkomst op te zeggen, de huurcommissie die oordeelt in het kader van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, de instantie die oordeelt over een geschil dat is onderworpen aan arbitrage of bindend advies, de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtprocedure, Onze Minister van Justitie en Veiligheid in het kader van het inbrengen van een zienswijze op het voornemen om:

              1.
              een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
            
            
              2.
              een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel
            
            
              3.
              een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;
    1.         een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
      
    1.         een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel
      
    1.         een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;
      
    1.     de behandeling door Onze Minister van Justitie en Veiligheid van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
      

c. c. advieszaak: een zaak op het terrein van het tuchtrecht of het burgerlijk of bestuursrecht die geen procedure is; d. d. strafzaak: een strafzaak jegens een verdachte als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering en een andere zaak die in de bijlage als strafrechtelijke zaak is aangemerkt; e. e. piketzaak: een zaak waarin een rechtsbijstandverlener rechtsbijstand heeft verleend in het kader van een door het bestuur getroffen regeling voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand in de gevallen, bedoeld in de artikelen 23 en 23a.

Artikel 2

1. Rechtsbijstandverleners ontvangen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit een vergoeding voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging als bedoeld in artikel 37 van de wet alsmede voor de verlening van rechtsbijstand in een piketzaak.

2.

De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, omvat:

a. a. de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding voor het verrichten van juridische werkzaamheden voor de zaak; b. b. de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding voor bepaalde kosten en het tijdverlet in verband met reizen voor de desbetreffende zaak, en c. c. de omzetbelasting die is verschuldigd over de vergoedingen, bedoeld onder a en b.

3. Ten behoeve van de berekening van de vergoeding worden de krachtens dit besluit toegekende punten vermenigvuldigd met het basisbedrag, genoemd in het eerste lid van artikel 3.

Artikel 3

1. Het basisbedrag bedraagt € 143,04.

2.

Het basisbedrag en de vergoeding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari door Onze Minister gewijzigd met een percentage dat overeenkomt met 0,6 x (A B) + (0,4 x C), waarbij:

a. a. A gelijk is aan het procentuele verschil tussen het indexcijfer van de CAO-lonen per uur, inclusief de bijzondere beloningen van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bekendgemaakt; b. b. B gelijk is aan de percentuele volumemutatie van de toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) per arbeidsjaar van het jaar t-2, zoals dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek is bekendgemaakt; c. c. C gelijk is aan het procentuele verschil tussen de consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens op de meest recente tijdsbasis van het jaargemiddelde van het jaar t-2 en het daaraan voorafgaande jaargemiddelde, zoals die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bekendgemaakt, en d. d. onder t-2 wordt verstaan het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de gewijzigde bedragen zullen gelden.

3. De vaststelling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid van artikel 2, vindt plaats met toepassing van het basisbedrag en de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 25 en 27, eerste lid, die golden ten tijde van de afgifte van de toevoeging op grond waarvan de rechtsbijstand is verleend of het tijdstip waarop rechtsbijstand is verleend in een piketzaak.

Artikel 4

1. De rechtsbijstandverlener brengt aan de rechtzoekende de eigen bijdrage die deze overeenkomstig artikel 35 van de wet verschuldigd is, in rekening.

2.

De rechtsbijstandverlener mag voorts aan de rechtzoekende geen andere kosten in rekening brengen dan die ter zake van:

a. a. griffierechten; b. b. getuigen en deskundigen; c. c. uittreksels uit de openbare registers; d. d. telegrammen, internationale telex, internationale telefax en internationale telefoongesprekken; e. e. rolverrichtingen in zaken die door de kantonrechter van de rechtbank worden behandeld.

3. De kosten, bedoeld in het tweede lid, worden steeds aan de rechtzoekende gespecificeerd.

Hoofdstuk II. Vergoedingsnormen

Paragraaf par. 1. zaken op het terrein van het burgerlijk en bestuursrecht en het tuchtrecht

Artikel 5

1. Aan een procedure wordt het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

2. Indien de procedure is beëindigd omdat partijen tijdens een aanhangige gerechtelijke procedure nadat zij de gerechtelijke oproeping hebben ontvangen een vaststellingsovereenkomst ondertekenen ter beëindiging van het geschil en voordat de in artikel 1 bedoelde instantie uitspraak of tussenuitspraak heeft gedaan of een beslissing heeft genomen dan wel voordat de rechtsbijstandverlener een zitting als bedoeld in het artikel 7, eerste lid, heeft bijgewoond, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3. Indien de procedure om andere redenen dan genoemd in het tweede lid is beëindigd voordat de in artikel 1 bedoelde instantie uitspraak of tussenuitspraak heeft gedaan of een beslissing heeft genomen dan wel voordat de rechtsbijstandverlener een zitting als bedoeld in artikel 7, eerste lid heeft bijgewoond, zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Indien ten tijde van de beëindiging van de procedure uitsluitend een bestuursrechtelijke uitspraak over de proceskosten is gedaan, zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

5. In de gevallen, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn de overige bepalingen van deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 5a

1. De vergoeding, bedoeld in de rijen A58, A59 en A60 van de bijlage wordt telkens met twee punten verlaagd, indien de in die rijen bedoelde rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk is verleend in de vorm van rechtshulp door een ander dan de toegevoegde rechtsbijstandverlener.

2.

De vergoeding, bedoeld in de rijen A58, A59 en A60 van de bijlage wordt eenmaal met drie en een halve punt verhoogd, indien na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in artikel 3.110 en 3.115 van het Vreemdelingenbesluit 2000:

a. a. de vreemdeling wordt onderworpen aan een aanvullend nader gehoor; b. b. na een eerder voornemen een nieuw voornemen wordt uitgebracht om de asielaanvraag af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen; c. c. op verzoek van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aanvullend medisch onderzoek wordt verricht of een individueel ambtsbericht door Onze Minister van Buitenlandse Zaken wordt uitgebracht.

3. Indien een of meer gezinsleden aan wie geen toevoeging is verleend in de periode voorafgaand aan de bekendmaking van de beschikking op de asielaanvraag worden onderworpen aan een nader gehoor als bedoeld in de artikelen 3.109c, vierde lid, 3.109ca, vierde lid, en 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000, wordt de vergoeding, bedoeld in de rijen A58, A59, A60 en A61 van de bijlage eenmaal met drie en een halve punt verhoogd.

4. Indien het verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting is behandeld, anders dan gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend met de hoofdzaak, wordt de vergoeding, bedoeld in de rijen A56, A57, A67, A68, A69 en A70 van de bijlage, met vijf en een halve punt verhoogd. Artikel 7, tweede lid, is niet van toepassing.

5.

De vergoeding, bedoeld in de rijen A58, A59, A60, A61, A65 en A66 van de bijlage, wordt eenmalig met drie en een halve punt verhoogd, indien na gegrondverklaring van het beroep of het hoger beroep, dan wel na intrekking van het besluit hangende dat beroep of hoger beroep:

a. a. de vreemdeling wordt onderworpen aan een aanvullend nader gehoor; of b. b. na een eerder voornemen een nieuw voornemen wordt uitgebracht om de asielaanvraag af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen.

6. In afwijking van artikel 13 wordt in een procedure als bedoeld in de rijen A58, A59, A60 en A61, van de bijlage, waarin de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven de 20 uur, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, heeft goedgekeurd.

Artikel 5b

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

1. Als zitting wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt elk optreden van een instantie bij welke de procedure wordt gevoerd die dient ter behandeling van de zaak en waarbij de rechtsbijstandverlener aanwezig kan zijn, met uitzondering van rolzittingen.

2. Indien de rechtsbijstandverlener meer dan één zitting heeft bijgewoond, wordt voor de tweede en elke daaropvolgende bijgewoonde zitting het aantal toe te kennen punten telkens met drie en een half verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing in zaken als bedoeld in de rijen A58, A59, A60, A61, A62, A65 en A66 van de bijlage.

Artikel 8

In een procedure in eerste aanleg betreffende echtscheiding of beëindiging geregistreerd partnerschap met nevenvorderingen of beëindiging samenwoning als bedoeld in de rijen A1, A1A en A2 van de bijlage, wordt het aantal toe te kennen punten telkens met vijf en een half verhoogd, indien in die procedure:

a. a. eens of meermalen op tegenspraak een voorlopige voorziening is verkregen, anders dan in het kader van partneralimentatie, een gezags- of omgangsregeling of financiële bijdragen voor één of meer minderjarige kinderen; b. b. bij rechterlijke uitspraak eens of meermalen partneralimentatie is toegekend; c. c. rechtsbijstand is verleend in het kader van een gezags- of omgangsregeling, dan wel financiële bijdragen voor één of meer minderjarige kinderen.

Artikel 9

Indien in een procedure rechtsbijstand is verleend door achtereenvolgens twee of meer rechtsbijstandverleners die niet werkzaam zijn in hetzelfde samenwerkingsverband, wordt het aantal toe te kennen punten één maal met twee en een half verhoogd.

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

1. Als samenhangende zaken worden beschouwd procedures en advieszaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

2.

In samenhangende zaken waarin sprake is van twee rechtzoekenden met een of meer procedures of advieszaken, wordt in afwijking van artikel 12, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 5, eerste lid, aan die procedures en advieszaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in artikel 12 voor advieszaken en in de bijlage voor procedures is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te vermenigvuldigen met 150%. Vervolgens wordt in samenhangende zaken waarin sprake is van drie of meer rechtzoekenden met een of meerdere procedures, bij de zaak met het hoogste aantal punten, al naar gelang het aantal toevoegingen, per toevoeging het navolgende percentage opgeteld:

a. a. vanaf de derde tot en met de twintigste toevoeging: + 25% per toevoeging; b. b. vanaf de eenentwintigste tot en met de honderdste toevoeging: + 15% per toevoeging; c. c. bij elke volgende toevoeging: + 10% per toevoeging.

3. In samenhangende zaken waarbij sprake is van één rechtzoekende met meerdere procedures of advieszaken, wordt in afwijking van artikel 12, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 5, eerste lid, aan die procedures en advieszaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door voor advieszaken het aantal punten dat in artikel 12 en voor procedures het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke procedure en advieszaak, met uitzondering van de eerste.

4. Het resultaat van de totaal berekende samenhangtoeslag wordt afgerond op hele punten.

5. Indien samenhangende zaken gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend op een zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 zijn behandeld, wordt deze zitting voor de toekenning van de punten, bedoeld in het tweede lid van artikel 7, aangemerkt als één zitting.

6. Op samenhangende zaken die in cassatie zijn gevoerd zijn het tweede, derde, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt toegepast op 24 punten.

7. Op een procedure inzake een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

1. Aan een advieszaak waarin minder dan zeven uur rechtsbijstand wordt verleend, worden vier punten toegekend.

2. Aan een advieszaak waarin zeven uur of meer rechtsbijstand wordt verleend, worden tien punten toegekend. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden aan een zaak waarin eenvoudig rechtskundig advies wordt gegeven twee punten verleend.

4. In afwijking van het eerste en tweede lid en behoudens de toepassing van artikel 13, tweede lid, is het aantal punten dat wordt toegekend in een advieszaak niet hoger dan het aantal punten dat voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak in de bijlage wordt toegekend.

Artikel 13

1. Indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak, wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

2. Indien in een advieszaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven de 20 uur, wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

3. Indien in samenhangende zaken de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat op grond van artikel 11, tweede, derde en zesde lid wordt toegekend wordt, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Paragraaf par. 2. strafzaken

Artikel 14

Aan een strafzaak wordt het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

Artikel 14a

Indien in een zaak als bedoeld in rij B34 geen zitting plaatsvindt, of indien wel een zitting plaatsvindt maar die niet wordt bijgewoond door een raadsman, wordt het in die rij genoemde aantal punten met drie en een half verlaagd.

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

1. Indien in een strafzaak in eerste aanleg of in hoger beroep over de gevangenhouding of gevangenneming van de rechtzoekende is geoordeeld, wordt, in afwijking van artikel 18, het aantal toe te kennen punten met drie en een half verhoogd.

2. Bij verlenging van de gevangenhouding, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig het aantal punten met twee verhoogd.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een zaak als bedoeld in rij B34 van de bijlage.

Artikel 17

Indien de rechtsbijstandverlener in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek of een daarmee gelijk gesteld onderzoek bij het verhoor van een getuige of van de verdachte of bij een descente aanwezig is geweest, wordt het aantal toe te kennen punten verhoogd met twee punten per gehoorde getuige, verdachte onderscheidenlijk per descente.

Artikel 18

1.

Onder zitting wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk optreden van de rechter in het kader van het onderzoek ter terechtzitting en elke behandeling in rechte van de hoofdzaak of hoofdvordering alsmede het horen van de verdachte door de officier van justitie, met het oog op het uitvaardigen van een strafbeschikking, met uitzondering van:

a. a. de zitting waarin tot aanhouding wordt besloten zonder dat de zaak inhoudelijk is behandeld, of b. b. de zitting waarin uitsluitend de uitspraak in de zaak is gedaan.

2. Indien de rechtsbijstandverlener meer dan één zitting heeft bijgewoond, wordt voor de tweede en elke daaropvolgende bijgewoonde zitting het aantal toe te kennen punten telkens met drie en een half verhoogd.

Artikel 19

1. Indien een strafzaak vóór het onderzoek ter terechtzitting of voor de behandeling in rechte van de hoofdzaak of hoofdvordering wordt beëindigd, worden in afwijking van artikel 14 vijf punten toegekend, tenzij in de bijlage een lager puntenaantal is bepaald.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op strafzaken als bedoeld in de rijen B2 en B4 van de bijlage.

Artikel 19a

Indien in een strafzaak het hoger beroep wordt ingetrokken, worden, in afwijking van artikel 14, twee punten toegekend.

Artikel 20

Indien in een strafzaak rechtsbijstand is verleend door achtereenvolgens twee of meer rechtsbijstandverleners die niet werkzaam zijn in hetzelfde samenwerkingsverband, wordt het aantal toe te kennen punten één maal met twee en een half verhoogd.

Artikel 21

1. Als samenhangende strafzaken worden beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 18, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

2.

In samenhangende strafzaken waarbij twee rechtzoekenden zijn betrokken bij een of meer zaken, wordt in afwijking van artikel 14, aan de zaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te vermenigvuldigen met 150%. Vervolgens wordt in samenhangende zaken waarin sprake is van drie of meer rechtzoekenden met een of meerdere procedures, bij de zaak met het hoogste aantal punten, al naar gelang het aantal zaken, per zaak het navolgende percentage opgeteld:

a. a. vanaf de derde tot en met de twintigste zaak: + 25% per zaak; b. b. vanaf de eenentwintigste tot en met de honderdste zaak: + 15% per zaak; c. c. bij elke volgende zaak: + 10% per zaak.

3. In samenhangende strafzaken waarbij één rechtzoekende is betrokken bij meer dan één zaak, wordt in afwijking van artikel 14, aan de zaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke zaak, met uitzondering van de eerste.

4. Het resultaat van de totaal berekende samenhangtoeslag wordt afgerond op hele punten.

5. Indien samenhangende strafzaken gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend op een zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 18 zijn behandeld, wordt deze zitting voor de toekenning van de punten, bedoeld in het tweede lid van artikel 18, aangemerkt als één zitting.

6. Op samenhangende strafzaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn gemaakt zijn het tweede, derde, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt uitgegaan van de strafzaak waaraan op grond van de rijen B1, B2, B3, B4 en B5 van de bijlage het hoogste aantal punten wordt toegekend.

Artikel 22

1.

Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten of daaruit voortvloeiende strafrechtelijke cassatiezaken wordt:

a. a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of in de rijen B1, B2, B3, B4 en B5 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd; b. b. indien in een strafzaak die is beëindigd in de situaties bedoeld in artikel 19, de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat wordt toegekend op grond van artikel 19 voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd; c. c. indien in samenhangende strafzaken de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat op grond van artikel 21, tweede, derde en zesde lid, wordt toegekend, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

2.

Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht niet-verdachten of daaruit voortvloeiende strafrechtelijke cassatiezaken wordt:

a. a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of in de rijen B1, B2, B3, B4 en B5 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd; b. b. indien in een strafzaak die is beëindigd in de situaties bedoeld in artikel 19, de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat wordt toegekend op grond van artikel 19, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd; of c. c. indien in samenhangende strafzaken de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan twee maal het aantal punten dat op grond van artikel 21, tweede, derde en zesde lid, wordt toegekend, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Paragraaf par. 3. piketzaken

Artikel 23

1.

In een piketzaak wordt 1,5 punt toegekend, indien rechtsbijstand wordt verleend:

a. a. aan in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, in het politiebureau, b. b. aan in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, tijdens een voorgeleiding voor de rechter-commissaris, c. c. aan in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering in geval van hoger beroep van de officier van justitie tegen de beschikking tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte, d. d. op grond van artikel 7:2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, of e. e. op grond van artikel 31 Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, f. f. aan personen die krachtens de Vreemdelingenwet 2000 in hun vrijheid zijn beperkt of wier vrijheid krachtens de Vreemdelingenwet 2000 is ontnomen.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt in een piketzaak 0,75 punt toegekend, indien rechtsbijstand wordt verleend voorafgaand aan één of meer verhoren:

a. a. van in verzekering gestelde verdachten als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering; b. b. in het kader van het ophouden voor onderzoek als bedoeld in artikel 56a, eerste en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering van:

        1°.
        verdachten van een strafbaar feit waarvoor een bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend;
      
      
        2°.
        kwetsbare verdachten als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van een strafbaar feit waarvoor geen bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend.

1°. 1°. verdachten van een strafbaar feit waarvoor een bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend; 2°. 2°. kwetsbare verdachten als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van een strafbaar feit waarvoor geen bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend.

3. In afwijking van het eerste lid wordt voor verleende rechtsbijstand in een piketzaak na het verhoor als bedoeld in het tweede lid aanvullend 0,75 punt toegekend.

4. Indien rechtsbijstand wordt verleend aan personen die op grond van artikel 154a of 176a van de Gemeentewet tijdelijk worden opgehouden wordt voor de verlening van rechtsbijstand, met uitzondering van het doen van een verzoek om een voorlopige voorziening, aan alle personen gezamenlijk 1,5 punt toegekend.

5. Indien in de periode voorafgaand aan het verzoek om een voorlopige voorziening rechtsbijstand wordt verleend aan een uithuisgeplaatste die de wens, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, te kennen heeft gegeven, wordt 1,5 punt toegekend.

6. Indien de rechtsbijstand in een piketzaak is verleend op een zaterdag, zondag, een algemeen erkende feestdag of een bij of krachtens de Algemene termijnenwet met algemeen erkende feestdagen gelijkgestelde dag, wordt aanvullend 0,5 punt toegekend.

Artikel 23a

1.

Indien in een piketzaak als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, tijdens een verhoor door een opsporingsambtenaar rechtsbijstand wordt verleend aan een rechtens zijn vrijheid ontnomen verdachte van een strafbaar feit waarvoor een bevel tot inverzekeringstelling kan worden verleend, wordt in aanvulling op de vergoeding op grond van artikel 23 een vergoeding toegekend van:

a. a. 3 punten, indien er sprake is van een verdenking van:

        
        een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van twaalf jaar of meer;
      
      
        
        een misdrijf met een slachtoffer dat is overleden dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen; of
      
      
        
        een seksueel misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van acht jaar of meer, het feit strafbaar gesteld in artikel 245, eerste lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafrecht, of een in de artikelen 251 tot en met 253 van die wet omschreven feit waarbij de strafverzwaringsgrond van artikel 254, eerste lid, onderdeel d, van toepassing is omdat het is begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onderdeel a, omschreven omstandigheden;

een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van twaalf jaar of meer; een misdrijf met een slachtoffer dat is overleden dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen; of een seksueel misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van acht jaar of meer, het feit strafbaar gesteld in artikel 245, eerste lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafrecht, of een in de artikelen 251 tot en met 253 van die wet omschreven feit waarbij de strafverzwaringsgrond van artikel 254, eerste lid, onderdeel d, van toepassing is omdat het is begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onderdeel a, omschreven omstandigheden; b. b. 1,5 punt in alle overige gevallen.

2. Indien na rechtsbijstandverlening als bedoeld in het eerste lid rechtsbijstand wordt verleend tijdens één of meer opvolgende verhoren door een opsporingsambtenaar, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met 1,5 punt verhoogd.

3. Voor de toepassing van het tweede lid worden niet als opvolgende verhoren aangemerkt verhoren die aansluitend of nagenoeg aansluitend op elkaar volgen.

4. Artikel 23, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III. Vergoedingen in verband met reistijdverlet en overige kosten

Artikel 24

1. Voor het tijdverlet in verband met reizen ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand in een andere zaak dan een piketzaak wordt, uitgaande van de totale afstand die is afgelegd bij reizen naar de zitting, bedoeld in het eerste lid van artikel 7 en het eerste lid van artikel 18, en naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt, per volle gereisde 50 kilometer een halve punt toegekend. Onder reizen naar de zitting is mede begrepen het reizen in verband met de behandeling van de gevangenhouding of gevangenneming, bedoeld in artikel 16, alsmede in verband met het verhoor, bedoeld in artikel 17.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de vergoeding voor het tijdverlet in verband met reizen overeenkomstig door het bestuur gestelde regels naar een Aanmeldcentrum in verband met de verlening van rechtsbijstand tijdens het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Indien naar en in het buitenland wordt gereisd per vliegtuig wordt per volle gereisde 500 kilometer een halve punt toegekend.

4. Het bestuur bepaalt de reisafstand op gestandaardiseerde wijze.

5. Indien een reis wordt afgelegd ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand aan meerdere rechtzoekenden op dezelfde locatie, wordt het tijdverlet in verband met deze reis slechts eenmaal vergoed.

Artikel 25

1. Voor de kosten die worden gemaakt voor reizen naar de zitting, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, en 18, eerste lid, en naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt, wordt een kilometervergoeding toegekend ter hoogte van het bedrag, genoemd in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dezelfde kilometervergoeding wordt toegekend voor de kosten die worden gemaakt voor reizen in verband met de behandeling van de gevangenhouding of gevangenneming, bedoeld in artikel 16, alsmede in verband met het verhoor, bedoeld in artikel 17.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de vergoeding van de kosten voor reizen overeenkomstig door het bestuur gestelde regels naar een Aanmeldcentrum in verband met de verlening van rechtsbijstand tijdens het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Ten behoeve van de berekening van de kilometervergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepaalt het bestuur de reisafstand op gestandaardiseerde wijze.

4. Indien een reis wordt afgelegd ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand aan meerdere rechtzoekenden op dezelfde locatie, wordt in verband met deze reis slechts eenmaal een kilometervergoeding toegekend.

Artikel 26

De kosten die de rechtsbijstandverlener heeft moeten maken doordat hij zich bij de verlening van rechtsbijstand in een strafzaak of een piketzaak van een tolk heeft moeten bedienen, worden vergoed tot ten hoogste het bedrag waarop een tolk ingevolge het Besluit tarieven in strafzaken 2003 aanspraak heeft.

Artikel 27

1. Voor de administratieve kosten die in het kader van de rechtsbijstandverlening worden gemaakt, wordt per toevoeging een vergoeding van € 25,36 toegekend.

2. Het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin op grond van de wet aan een rechtzoekende op last van de rechter een raadsman wordt toegevoegd door het bestuur, alsmede in geval van een procedure in het kader van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000.

Hoofdstuk IV. Toepassing

Paragraaf par. 1. vaststelling van de vergoeding

Artikel 28

1. Na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand dient de rechtsbijstandverlener bij het bestuur een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. De aanvraag gaat vergezeld van een specificatie van de met die rechtsbijstandverlening gemoeide tijdsbesteding overeenkomstig door het bestuur gestelde regels.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een procedure of een strafzaak, voegt de rechtsbijstandverlener hierbij de uitspraak of beslissing in de zaak, voorzover deze in schriftelijke vorm beschikbaar is.

Artikel 29

1. Het bestuur kan de juistheid of volledigheid van de door de rechtsbijstandverlener verstrekte informatie of overgelegde bescheiden bij de desbetreffende instantie controleren.

2. Het bestuur stelt de vergoeding vast op grond van de door de rechtsbijstandverlener verstrekte informatie en met inachtneming van artikel 2.

3. Indien de bij de aanvraag verstrekte informatie onjuist of onvolledig is, kan het bestuur de vergoeding vaststellen met inachtneming van de beschikbare juiste informatie.

4. De vergoeding wordt op nihil gesteld indien bij de vaststelling blijkt dat de zaak onder het bereik van een toevoeging van een andere zaak valt.

Artikel 30

Indien na de vaststelling van de vergoeding feiten of omstandigheden bekend worden waarvan het bestuur redelijkerwijs niet bij de vaststelling op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de vergoeding lager zou zijn vastgesteld, dan wel indien de vaststelling onjuist was en de rechtsbijstandverlener dit wist of behoorde te weten, kan het bestuur de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken, tenzij vijf jaren zijn verstreken sedert de dag van de vaststelling.

Artikel 31

1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

3. Nadat de tijd waarmee het bestuur heeft ingestemd is verstreken, dient de rechtsbijstandverlener een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de desbetreffende werkzaamheden en kan hij daarbij een begroting indienen met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf par. 2. betaling en verrekening

Artikel 32

1. Het bestuur betaalt overeenkomstig de vaststelling, bedoeld in het tweede lid van artikel 29, de vergoeding met inachtneming van het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de wet.

2. In zaken, waarin krachtens een besluit van het bestuur als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onder c van de wet de verlening van rechtsbijstand tussentijds is beëindigd, is het voorgaande lid slechts van toepassing voor zover de rechtzoekende het van hem verlangde voorschot, of de verhoging daarvan, heeft voldaan.

3. Indien uit de opgave van de rechtsbijstandverlener aan het bestuur een veroordeling in de kosten van verlening van rechtsbijstand ten behoeve van een partij aan wie een toevoeging is verleend krachtens de wet blijkt, wordt het bedrag van deze kostenveroordeling tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding, op die vergoeding in mindering gebracht.

4. Onverschuldigd betaalde vergoedingen kunnen worden teruggevorderd of verrekend met nog verschuldigde vergoedingen.

5. Indien aan de kostenveroordeling, bedoeld in het derde lid, geheel of gedeeltelijk niet is voldaan en er redelijkerwijs ook geen zicht is op voldoening, laat het bestuur het derde lid buiten toepassing.

Artikel 33

Indien in een zaak achtereenvolgens door twee of meer rechtsbijstandverleners, niet werkzaam in hetzelfde samenwerkingsverband, rechtsbijstand is verleend, wordt de vergoeding betaald aan de rechtsbijstandverlener die het laatst is toegevoegd. De rechtsbijstandverleners verdelen het bedrag in onderling overleg naar verhouding van de verrichte werkzaamheden.

Artikel 34

Vervallen

Paragraaf par. 3. bevoorschotting

Artikel 35

1. Het bestuur verleent aan de advocaat die is ingeschreven op grond van artikel 14 van de wet, telkens in de eerste maand van elk kwartaal een voorschot voor de krachtens dit besluit toe te kennen vergoedingen.

2. Per jaar is de hoogte van het kwartaalvoorschot gelijk aan 10 procent van het door Onze Minister vast te stellen normbedrag vermenigvuldigd met een vierde deel van het aantal toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in de periode van 1 september van het voorlaatste jaar tot 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het kwartaalvoorschot wordt verleend.

3. Indien het normbedrag wijzigt, wijzigt het bestuur met ingang van het eerstvolgende kwartaal dienovereenkomstig de verlening van het kwartaalvoorschot.

4. Het voorschot bedraagt ten hoogste een door Onze Minister te bepalen bedrag. Het voorschot wordt op nihil gesteld indien het aantal toevoegingen als bedoeld in het tweede lid blijft beneden een door Onze Minister te bepalen aantal.

5. Indien de hoogte van het kwartaalvoorschot niet overeenkomstig de norm in het tweede lid kan worden berekend kan het bestuur gedurende de periode dat voornoemde norm niet kan worden toegepast, telkens een voorschot verlenen dat is gerelateerd aan het aantal toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in het voorafgaande kwartaal. In afwijking van de eerste volzin wordt bij het berekenen van het eerste kwartaalvoorschot dat aan de betrokken advocaat wordt verleend het voorschot gerelateerd aan het aantal toevoegingen dat aan de advocaat is afgegeven in de voorafgaande maand. De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing.

Artikel 36

1. Het bestuur kan besluiten de hoogte van de voorschotten te verlagen met ten hoogste 10% indien het door Onze Minister voor het bestuur vastgestelde budget dreigt te worden overschreden.

2. Het bestuur kan in uitzonderlijke gevallen besluiten het voorschot te verlagen of niet langer te verlenen.

3. In afwijking van artikel 35 kan het bestuur in uitzonderlijke gevallen een ander voorschot toekennen. Het bestuur stelt beleidsregels vast voor de toepassing van dit lid en vermeldt deze beleidsregels in het verslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de wet.

Artikel 37

Indien de inschrijving van de advocaat door het bestuur wordt doorgehaald overeenkomstig artikel 17 van de wet, is de advocaat gehouden op vordering van het bestuur het verleende voorschot met verrekening van de toegekende vergoedingen onverwijld terug te betalen.

Artikel 38

1. Het bestuur kan een vordering jegens een advocaat als bedoeld in artikel 37 overdragen aan een door Onze Minister voor dit doel erkende rechtspersoon indien de advocaat niet voldoet aan zijn betalingsverplichting.

2. De advocaat die een voorschot ontvangt, is jaarlijks een nader door Onze Minister te bepalen bedrag verschuldigd aan de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon.

Hoofdstuk V. Afwijkende vergoedingen

Artikel 39

1. In afwijking van de hoofdstukken II en III kan het bestuur de vergoeding bepalen met inachtneming van nader vast te stellen kwaliteitscriteria, mits de desbetreffende rechtsbijstandverlener of rechtsbijstandverleners daarmee instemmen.

2. Het bestuur kan met instemming van de rechtsbijstandverlener afwijken van het bepaalde in hoofdstuk IV over de wijze van aanvragen en de overige procedureregels inzake de vaststelling van de vergoeding.

3. Het bestuur stelt beleidsregels vast voor de toepassing van het eerste en tweede lid en vermeldt deze beleidsregels in het jaarplan, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 40

1. Gerechtsdeurwaarders aan wie in een zaak waarin op grond van een toevoeging rechtsbijstand wordt verleend dan wel waarin een verklaring is afgegeven overeenkomstig artikel 7, derde lid, onder e van de wet waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de bepalingen van hoofdstuk V, afdeling 1 van de wet, het uitbrengen van een exploot of het opmaken van een proces-verbaal is opgedragen, of die bijstand hebben verleend bij de tenuitvoerlegging van de in een zodanige zaak gegeven uitspraak, ontvangen van rijkswege 75% van het bedrag dat zij volgens het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders zouden hebben mogen berekenen, met dien verstande dat de verschotten voor rekening van de opdrachtgever blijven.

2. Gerechtsdeurwaarders die overeenkomstig het eerste lid aan een rechtsbijstandverlener bijstand hebben verleend, zenden met een afschrift van het exploot of de akte, vermeldende dat in de desbetreffende zaak rechtsbijstand is verleend, een aanvraag in voor vergoeding van de verrichte werkzaamheden bij een door Onze Minister aan te wijzen instantie. Deze instantie draagt zorg voor de uitbetaling van de vergoeding.

Artikel 41

1. De dag- en nieuwsbladen ontvangen van rechtswege een vergoeding voor de door hen geplaatste oproepingen of aankondigingen, bedoeld in artikel 39 van de wet, ten bedrage van het normale in rekening te brengen advertentietarief voorzover niet een afwijkend tarief met die bladen overeen is gekomen.

2. Indien een rechtsbijstandverlener een dag- of nieuwsblad opdracht heeft gegeven tot het krachtens wettelijk voorschrift of rechterlijk bevel plaatsen van een oproeping of mededeling, zendt hij onder overlegging van een exemplaar van de editie, waarin de oproeping of aankondiging is opgenomen de nota in bij een door Onze Minister aan te wijzen instantie. Deze instantie draagt zorg voor de uitbetaling van de vergoeding.

Artikel 42

Wijzigt het Besluit regels vergoeding advocaat voor rechtsbijstand ex artikel 817 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 43

Wijzigt het Deurwaardersreglement.

Artikel 44

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 wordt ingetrokken.

Artikel 45

1. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór het moment van inwerkingtreding van dit besluit.

2. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand, met uitzondering van de hoofdstukken V en VI, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór 1 januari 1994.

3. Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand in strafzaken, met uitzondering van de hoofdstukken VII en VIII, blijft van toepassing op toevoegingen afgegeven vóór 1 januari 1994.

Artikel 46

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

Artikel 47

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.

Bijlage . bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000