rijk/amvb/interim-bijdrageregeling-beeldende-kunst-en-vormgeving/BWBR0005571/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

4.7 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Interim bijdrageregeling beeldende kunst en vormgeving BWBR0005571 AMvB geldend 1992-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0005571 Interim bijdrageregeling beeldende kunst en vormgeving

Interim bijdrageregeling beeldende kunst en vormgeving

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; b. b. inwonertal: het aantal personen dat op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft volgens opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek in de desbetreffende provincie woont.

Artikel 2

1. Ter bekostiging van voorzieningen in de provincies die ten doel hebben de mogelijkheden voor productie, spreiding en afname van werken van beeldende kunst en vormgeving te bevorderen, verstrekt onze Minister in 1991 en in 1992 aan de provincies een bijdrage.

2. Ter bekostiging van voorzieningen in de gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, die ten doel hebben de mogelijkheden voor productie, spreiding en afname van werken van beeldende kunst en vormgeving te bevorderen, verstrekt Onze Minister in 1992 aan genoemde gemeenten een bijdrage.

Artikel 3

1. De hoogte van de bijdrage die aan de provincies worden toegekend, wordt berekend door het inwonertal van de desbetreffende provincie te delen door het totale inwonertal van de twaalf provincies en te vermenigvuldigen met f 20 miljoen.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage aan de provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland berekend door het inwonertal van de desbetreffende provincie te verminderen met het aantal inwoners van de gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, voor zover in die provincie gelegen.

3. De gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam ontvangen een bijdrage van onderscheidenlijk f 1 305 000,- mln., f 6 893 000,- mln., f 3 025 000,- mln. en f 3 777 000,- mln.

4. De bijdrage wordt jaarlijks uiterlijk in de maand juli verstrekt.

Artikel 4

De bijdrage wordt slechts verleend onder de voorwaarde dat:

a. a. de bijdrage niet besteed wordt ter bekostiging van tegemoetkomingen in beroepskosten van beeldende kunstenaars, voor welke kosten de mogelijkheid van een vergoeding openstaat bij de Stichting Fonds voor beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving, tenzij de tegemoetkoming verleend wordt in de uitvoeringskosten van een bepaald project. b. b. de provincie respectievelijk de gemeente bij het nemen van beslissingen met betrekking tot de bekostiging van voorzieningen als bedoeld in artikel 2 zich uitsluitend laat leiden door een beoordeling van artistieke kwaliteit, waartoe zij zich laat adviseren door onafhankelijke deskundigen; c. c. de deskundigen, bedoeld in onderdeel b, geen directe of indirecte inkomsten in het kader van deze regeling ontvangen anders dan een vergoeding voor de door hen als zodanig bewezen diensten; d. d. de provincie respectievelijk de gemeente binnen negen maanden na het jaar waarin de bijdrage is verstrekt een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 144 van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 265 van de gemeentewet aan Onze Minister overlegt, inhoudende dat bij de gehouden controle van de administratie over het afgelopen jaar is gebleken dat de ontvangen bijdrage in dat jaar is besteed ter bekostiging van voorzieningen als bedoeld in artikel 2 of aan kosten als bedoeld in artikel 5; e. e. de provincie respectievelijk de gemeente binnen zes maanden na het jaar waarin de bijdrage is uitgekeerd een verslag betreffende de toepassing van dit besluit aan Onze Minister overlegt, waarbij tevens inzicht wordt verstrekt in het totaal van de bekostiging van voorzieningen voor beeldende kunst en vormgeving door de provincie, onderscheidenlijk de gemeente.

Artikel 5

In afwijking van het bepaalde in artikel 2 mogen de provincies en de gemeenten jaarlijks ten hoogste zeven procent van de bijdrage besteden aan andere kosten mits die direct verband houden met de toepassing van dit besluit.

Artikel 6

Onze Minister kan, indien uit de op grond van de verklaring, bedoeld in artikel 4, onderdeel d, blijkt dat de over dat jaar verstrekte bijdrage de kosten, bedoeld in de artikelen 2 en 5 overtreft, de te veel betaalde bijdrage terugvorderen.

Artikel 7

Artikel 4, onderdeel a, is niet van toepassing op de voor 1991 te verstrekken bijdrage aan de provincies.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1992.

Artikel 9

Dit besluit kan worden aangehaald als: Interim bijdrageregeling beeldende kunst en vormgeving.