rijk/ministeriele-regeling/aanwijzingen-voor-de-regelgeving/BWBR0005730/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

198 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Aanwijzingen voor de regelgeving BWBR0005730 ministeriele-regeling geldend 2018-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0005730 Aanwijzingen voor de regelgeving

Aanwijzingen voor de regelgeving

Hoofdstuk 1. Toepassingsbereik

Artikel 1.1

Deze aanwijzingen hebben betrekking op regelingen die onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen, en, voor zover uitdrukkelijk aangegeven, op verdragen, bindende besluiten van instellingen van de Europese Unie en andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 1.2

1. Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende personen die bij de voorbereiding en vaststelling van regelingen zijn betrokken.

2. Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving niet tot aanvaardbare resultaten zou leiden.

Artikel 1.3

1.

Onder regelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan:

a. a. algemeen verbindende voorschriften; b. b. interne regels; c. c. beleidsregels.

2.

Onder EU-regelgeving wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde:

a. a. verordeningen; b. b. richtlijnen.

3.

Onder bindende EU-rechtshandelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde:

a. a. verordeningen; b. b. richtlijnen; c. c. besluiten zonder vermelding van adressaten; d. d. besluiten met vermelding van adressaten, voor zover mede tot Nederland gericht.

Hoofdstuk 2. Algemene onderwerpen van regelgeving

Paragraaf 2.1. Uitgangspunten voor het gebruik van regelgeving als instrument

Artikel 2.1

Voor het normeren van gedragingen, handelingen of bevoegdheden worden algemeen verbindende voorschriften, interne regels of beleidsregels gebruikt.

Artikel 2.2

Tot het tot stand brengen van een regeling wordt alleen besloten indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.

Artikel 2.3

Alvorens tot het tot stand brengen van een regeling wordt besloten, worden de volgende stappen gezet:

a. a. kennis wordt vergaard over de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp; b. b. de doelen die moeten worden bereikt, worden zo concreet en nauwkeurig mogelijk vastgesteld; c. c. onderzocht wordt of de doelen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren, of dat daarvoor overheidsinterventie noodzakelijk is; d. d. indien overheidsinterventie noodzakelijk is, wordt onderzocht of de gekozen doelen kunnen worden bereikt door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, welke nieuwe instrumenten kunnen worden ingezet om de doelen te bereiken; e. e. de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.

Artikel 2.4

Met het doen van uitspraken en toezeggingen over nieuwe regelingen wordt grote terughoudendheid betracht.

Artikel 2.5

Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie om een doel te bereiken wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de maatschappij.

Artikel 2.6

Gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.

Artikel 2.7

1. Tot het tot stand brengen van een regeling wordt niet besloten dan nadat is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt.

2. Hierbij wordt onderzocht of handhaving het beste langs bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel op andere wijze kan plaatsvinden.

Artikel 2.8

Een regeling wordt op zodanige wijze ingericht dat zij zo weinig mogelijk conflicten oproept. Daartoe wordt onder meer aan het volgende voldaan:

a. a. het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, wordt tot een minimum beperkt; b. b. ingeval bestuurlijke boetes mogelijk worden gemaakt, worden daarvoor bindende boetemaxima vastgesteld; c. c. de aard en omvang van uitkeringen, voorzieningen en andere voordelen worden zo duidelijk mogelijk omschreven.

Artikel 2.9

Bij het opstellen van een regeling wordt tevens bezien welke neveneffecten op bestaande of voorgenomen regelgeving of beleidsvelden kunnen optreden en welke consequenties dit dient te hebben voor het voorstel.

Artikel 2.10

1. Bij de keuzes met betrekking tot vorm en inhoud van een regeling wordt gestreefd naar zo beperkt mogelijke lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, alsmede voor de overheid zelf.

2. Tevens wordt rekening gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling.

3. Bij het ontwerpen van een regeling wordt mede rekening gehouden met de uitvoerbaarheid daarvan, in het bijzonder wat betreft de aanpassing of ontwikkeling van de voor de uitvoering vereiste ICT-systemen.

Artikel 2.11

1. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een voorgenomen regeling mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

2. Waar nodig voorziet een regeling in voldoende mogelijkheden om het bestuursorgaan in staat te stellen een besluit met onevenredige hardheid in een concreet geval te voorkomen.

Artikel 2.12

Bij het opstellen van een regeling wordt rekening gehouden met de overige relevante eisen en voorwaarden die deel uitmaken van het kabinetsbeleid inzake regelgeving.

Artikel 2.13

Taken en bevoegdheden worden op decentraal niveau gelegd, tenzij het onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door decentrale organen kan worden behartigd.

Artikel 2.14

1. Bij de toekenning van bestuursbevoegdheden wordt de uitoefening daarvan zoveel mogelijk genormeerd.

2. Met het oog hierop worden discretionaire bevoegdheden en bevoegdheden met vage toepassingscriteria niet toegekend, tenzij daarvoor goede gronden zijn.

Artikel 2.15

Bij het opstellen van een regeling wordt onderzocht welke hogere regels de vrijheid van regeling ten aanzien van het betrokken onderwerp hebben ingeperkt.

Paragraaf 2.2. Europees en Caribisch Nederland

Artikel 2.16

Bij het opstellen van een regeling wordt onderzocht of de regeling moet gelden voor het gehele grondgebied van Nederland, of uitsluitend voor het Europese deel van Nederland, dan wel uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Paragraaf 2.3. Algemeen verbindende voorschriften

Artikel 2.17

Als algemeen verbindend voorschrift, vastgesteld vanwege het Rijk, wordt beschouwd een naar buiten werkende algemene regel, vastgesteld bij of krachtens wet dan wel, in bijzondere gevallen, bij of krachtens zelfstandige algemene maatregel van bestuur.

Artikel 2.18

Algemeen verbindende voorschriften worden vanwege het Rijk niet op andere wijze vastgesteld dan bij:

a. a. wet; b. b. algemene maatregel van bestuur; c. c. ministeriële regeling; of d. d. regeling van een zelfstandig bestuursorgaan met inachtneming van aanwijzing 5.10.

Artikel 2.19

Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.

Artikel 2.20

1. In ieder geval worden in de wet opgenomen voorschriften ten aanzien van onderwerpen waarvoor de Grondwet een regeling bij wet eist en geen delegatie toelaat.

2.

Een in de Grondwet neergelegd verbod tot delegatie houdt in dat:

a. a. alle wezenlijke bepalingen ten aanzien van het betrokken onderwerp in de wet worden vastgelegd; en b. b. in de wet niet wordt volstaan met het toekennen van algemene bestuursbevoegdheden waarvan de invulling geheel of grotendeels aan bestuursorganen wordt overgelaten.

Artikel 2.21

Zoveel mogelijk worden in de wet opgenomen voorschriften:

a. a. die de grondslag vormen voor een stelsel van vergunningen of een stelsel waarbij anderszins de toelaatbaarheid van handelingen afhankelijk wordt gesteld van toestemming van de overheid; b. b. die andere overheden in medebewind roepen; c. c. waarbij bestuursorganen in het leven worden geroepen; d. d. betreffende rechtsbescherming; e. e. inzake sancties van bestuursrechtelijke of civielrechtelijke aard; f. f. waarbij toezichts- of opsporingsbevoegdheden worden toegekend; g. g. omtrent rechten en verplichtingen van burgers jegens elkaar; h. h. die beogen aan de burger procedurele waarborgen te bieden ten aanzien van het gebruik van bevoegdheden door de overheid.

Artikel 2.22

Voor het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften wordt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet gebruikt, behoudens in uitzonderlijke situaties bij wijze van tijdelijke voorziening.

Paragraaf 2.4. Delegatie en mandaat van regelgevende bevoegdheid

Artikel 2.23

Delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk begrensd.

Artikel 2.24

1. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.

2. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard.

Artikel 2.25

Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister geschiedt, indien mogelijk, rechtstreeks in de wet.

Artikel 2.26

1. Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de regering wordt de formulering bij algemene maatregel van [rijks]bestuur gebruikt.

2. Om subdelegatie door de regering mogelijk te maken wordt de formulering bij of krachtens algemene maatregel van [rijks]bestuur gebruikt.

Artikel 2.27

Ten aanzien van de voordracht en ondertekening van een algemene maatregel van bestuur worden in de delegerende wet geen voorschriften gegeven. Indien wenselijk kunnen afspraken daarover worden vermeld in de toelichting.

Artikel 2.28

1. Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt de formulering bij ministeriële regeling of bij regeling van Onze Minister gebruikt.

2. Indien uit de delegerende regeling niet reeds voortvloeit welke minister bevoegd is, of indien een afwijkende bevoegdheidstoedeling is beoogd, wordt de formulering bij regeling van Onze Minister van/voor ... gebruikt.

3. Indien het wenselijk is te bepalen dat een ministeriële regeling onder verantwoordelijkheid van meer dan een bewindspersoon wordt vastgesteld, wordt daarvoor de formulering bij regeling van Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ... gebruikt, tenzij Onze Minister in de delegerende regeling reeds is gedefinieerd als: Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ....

Artikel 2.29

Bij delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt over regels stellen gesproken, indien in de delegerende regeling over het betrokken onderwerp nog niets is geregeld. In andere gevallen wordt over nadere regels stellen gesproken.

Artikel 2.30

In een regeling wordt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet voorzien in mandaatverlening van regelgevende bevoegdheid.

Artikel 2.31

1. In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat daarvan bij lagere regeling wordt afgeweken.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het wenselijk is in de hogere regeling de mogelijkheid te creëren voor:

a. a. afwijkende regelingen die bij wijze van experiment worden ingevoerd; b. b. afwijkende regelingen ten behoeve van noodsituaties.

Artikel 2.32

1. In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat deze bij lagere regeling wordt gewijzigd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. a. het volgens vaste systematiek aanpassen van bedragen, tarieven en percentages; b. b. wetstechnische aanpassingen van verwijzingen naar bindende EU-rechtshandelingen en verdragen of onderdelen daarvan.

3. In een delegatiebepaling waarin wijziging van een hogere regeling door een lagere regeling mogelijk wordt gemaakt, wordt, evenals in de lagere regeling, uitsluitend de term wijzigen of vervangen gebruikt.

Artikel 2.33

1. Een algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de wet waarop deze is gebaseerd, is vastgesteld.

2. In uitzonderlijke situaties kan een algemene maatregel van bestuur reeds worden vastgesteld nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt door de Tweede Kamer is aanvaard.

3. Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt het in aanwijzing 4.22, onder E, bedoelde model gebruikt.

4. Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een ministeriële regeling.

Artikel 2.34

Indien een regeling voorziet in de verplichting of de bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringsregelingen, wordt ter uitvoering van de hogere regeling zo mogelijk één algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling vastgesteld.

Paragraaf 2.5. Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving

Artikel 2.35

In de wet wordt geen formele betrokkenheid van het parlement bij gedelegeerde regelgeving geregeld tenzij daarvoor bijzondere redenen bestaan.

Artikel 2.36

1. Gecontroleerde delegatie wordt slechts toegepast ingeval een materie regeling bij wet rechtvaardigt maar zich daarvoor toch niet goed leent vanwege haar sterk technische karakter, de noodzaak van snelle wijzigingen of de grote omvang van de te stellen regels.

2.

Voor gecontroleerde delegatie wordt het volgende model gebruikt:

De voordracht voor een krachtens artikel [...] vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 2.37

1. Met toepassing van voorwaardelijke delegatie wordt grote terughoudendheid betracht. Zij wordt slechts toegepast indien in het algemeen voor de regeling van een materie kan worden volstaan met een lagere regeling, maar het wenselijk is de mogelijkheid open te houden dat in bepaalde gevallen voor de totstandkoming de wetsprocedure wordt gevolgd.

2.

Voor voorwaardelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:

Een krachtens artikel [...] vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat [het onderwerp / de inwerkingtreding] van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 2.38

1. Voor een mededeling of overlegging aan beide Kamers van de Staten-Generaal als bedoeld in de aanwijzingen 2.36 en 2.37 wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste drievierde deel van de in die aanwijzingen bedoelde termijn buiten een reces van de Kamers valt.

2. Indien het eerste lid niet in acht genomen kan worden, wordt dit bij de mededeling of overlegging uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.

3. Indien bij een mededeling of overlegging als bedoeld in aanwijzing 2.36 het eerste lid niet in acht kan worden genomen, wordt zo mogelijk een na het reces liggende datum genoemd vóór welke de Kamers hun zienswijze kenbaar kunnen maken.

4. Indien een verlenging als bedoeld in het derde lid naar het oordeel van de betrokken minister niet mogelijk is, wordt dat uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.

Artikel 2.39

1. Tijdelijke delegatie blijft beperkt tot gevallen waarin te stellen voorschriften gelet op hun betekenis bij wet moeten worden vastgesteld maar de totstandkoming van een wet niet kan worden afgewacht.

2.

Voor tijdelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt:

Na de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.

Artikel 2.40

1. Delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet blijft beperkt tot gevallen waarin tijdelijke delegatie aanvaardbaar is en het gaat om regelingen die de Tweede Kamer in beginsel slechts kan goedkeuren of weigeren goed te keuren.

2.

Voor delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet wordt het volgende model gebruikt:

Na het tot stand komen van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel van wet tot goedkeuring van de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken.

Paragraaf 2.6. Experimentele regelgeving

Artikel 2.41

1.

Indien het gewenst is de mogelijkheid te bieden dat in een lagere regeling bij wijze van experiment van een hogere regeling wordt afgeweken, wordt in die hogere regeling bepaald:

a. a. wat het oogmerk is van het experiment; b. b. wat het bereik is van de experimenteerregeling; c. c. van welke onderdelen van de hogere regeling kan worden afgeweken; en d. d. wat de maximale geldingsduur is van de afwijking.

2. Van een wet in formele zin wordt slechts afgeweken bij algemene maatregel van bestuur, waarbij kan worden voorzien in subdelegatie.

3. In de experimenteerregeling wordt vermeld van welke onderdelen van de hogere regeling wordt afgeweken.

Artikel 2.42

1. In de toelichting bij een experimenteerregeling wordt aangegeven hoe evaluatie van de regeling plaatsvindt.

2.

Indien een experimenteerregeling een evaluatiebepaling bevat wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

Onze Minister [van/voor ...] zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] negen maanden voor het einde van de werkingsduur van [een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel .../ dit besluit] aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van [die maatregel / dit besluit] anders dan als experiment.

Paragraaf 2.7. Beleidsregels

Artikel 2.43

In een wettelijk voorschrift op grond waarvan een beleidsregel wordt vastgesteld en in het opschrift en de citeertitel van de beleidsregel, wordt het woord beleidsregel uitdrukkelijk gebruikt.

Artikel 2.44

Bij de vaststelling van een beleidsregel krachtens mandaat geschiedt deze vaststelling ten minste op het niveau van directeur-generaal of een daarmee vergelijkbare functionaris.

Paragraaf 2.8. Harmonisatie

Artikel 2.45

1. In gevallen waarin soortgelijke onderwerpen worden geregeld, wordt gestreefd naar harmonisatie van regelgeving.

2. Bij wijziging van een regeling wordt nagegaan welke wijzigingen uit een oogpunt van harmonisatie kunnen worden meegenomen.

Artikel 2.46

1. In bijzondere wetten wordt alleen afgeweken van algemene wetten, indien dit noodzakelijk is. De afwijking wordt in de bijzondere wet opgenomen en als zodanig benoemd, tenzij uit de algemene wet volgt dat de afwijking in de algemene wet moet worden opgenomen. Een afwijking wordt in de memorie van toelichting bij de bijzondere wet gemotiveerd.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanvullingen in bijzondere wetten op een regeling in een algemene wet die uitputtend is bedoeld.

Artikel 2.47

1. De termen bestuursorgaan, belanghebbende, besluit, beschikking, aanvraag, beleidsregel, bestuursrechter, bezwaar, administratief beroep, beroep, subsidie, subsidieplafond, dwangbevel, overtreder, toezichthouder, last onder bestuursdwang, last onder dwangsom, bestuurlijke boete, mandaat en delegatie worden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.

2. De termen adviseur, overtreding, bestuurlijke sanctie, herstelsanctie, bestraffende sanctie en goedkeuring worden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, zoveel mogelijk gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.

3. In bestuursrechtelijke regelingen die gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt aangesloten bij de terminologie van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikel 2.48

1. Voor de kennisgeving van een besluit aan de daarbij betrokkenen waardoor het besluit zijn werking als rechtshandeling kan verkrijgen, wordt de term bekendmaking gebruikt.

2. In de overige gevallen wordt de term mededeling gebruikt.

Hoofdstuk 3. Aspecten van vormgeving

Paragraaf 3.1. Algemene terminologische punten

Artikel 3.1

Bepalingen worden beknopt geformuleerd.

Artikel 3.2

Voorschriften worden niet met behulp van de werkwoorden moeten of dienen geformuleerd, tenzij dit onvermijdelijk is.

Artikel 3.3

1. Het normale spraakgebruik wordt zoveel mogelijk gevolgd.

2. Woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is, worden niet gebruikt.

Artikel 3.4

Voor de terminologie van een uitvoeringsregeling wordt aangesloten bij die van de regeling waarop zij is gebaseerd.

Artikel 3.5

1. Voor de terminologie in nationale regelingen wordt in beginsel aangesloten bij die van verwante bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen.

2.

Van het eerste lid kan worden afgeweken indien:

a. a. de terminologie van de bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen niet voldoende is gepreciseerd; b. b. daardoor beter wordt aangesloten bij elders in nationale regelingen gehanteerde terminologie; of c. c. dit beter Nederlands oplevert.

Artikel 3.6

De Woordenlijst Nederlandse Taal wordt gevolgd, tenzij woorden die uit vreemde talen afkomstig zijn of van vreemde talen zijn afgeleid, de bedoeling duidelijker weergeven dan Nederlandse woorden en in het spraakgebruik ingang hebben gevonden.

Artikel 3.7

1. Hetzelfde begrip wordt niet met verschillende termen aangeduid.

2. Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.

Artikel 3.8

1. Indien mogelijk worden persoonsaanduidingen gebruikt die sekseneutraal zijn.

2. Combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen worden niet gebruikt.

Artikel 3.9

Afkortingen worden alleen gebruikt indien dit redelijkerwijs niet te vermijden is. Bij gebruik ervan worden zij in de begripsbepalingen opgenomen.

Artikel 3.10

1. Formulering van een regel in de vorm van een fictie wordt vermeden.

2. Voor een weerlegbaar rechtsvermoeden wordt de formulering wordt/worden vermoed gebruikt.

Artikel 3.11

1. In plaats van indien en voor zover wordt de uitdrukking voor zover gebruikt.

2. De uitdrukking voor zover wordt in een wettelijk voorschrift slechts gebruikt in de betekenis van in de mate dat.

Artikel 3.12

Het gebruik van de uitdrukking en/of blijft achterwege.

Artikel 3.13

Zinnen of zinsneden worden niet tussen haakjes geplaatst.

Artikel 3.14

Het einde van een periode of reeks wordt aangeduid met de uitdrukking tot en met.

Artikel 3.15

1.

De uitdrukking onderscheidenlijk wordt gebruikt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

Indien het betreft de verkiezing van de leden van provinciale staten of de gemeenteraad, geschiedt de kennisgeving op de in de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, gebruikelijke wijze.

2. Het gebruik van de uitdrukking c.q. blijft achterwege.

Artikel 3.16

Een ontwerp voor een formele wet wordt vanaf de voordracht aan de Koning in officiële stukken aangeduid als voorstel van wet. Bij rijkswetgeving wordt gesproken van voorstel van rijkswet.

Artikel 3.17

Voor het aanduiden van door de regering vast te stellen of vastgestelde besluiten wordt de term algemene maatregel van [rijks]bestuur of koninklijk besluit gebruikt.

Artikel 3.18

Een door een minister of staatssecretaris vastgesteld algemeen verbindend voorschrift of ander besluit van regelende aard wordt aangeduid als ministeriële regeling.

Artikel 3.19

1. Het geheel van dienstonderdelen onder leiding van een minister wordt aangeduid als ministerie.

2. Als bijvoeglijke aanduiding voor ministerie wordt de term departementaal gebruikt.

Artikel 3.20

1. Bij de aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van Nederland worden de woorden het Europese deel van Nederland gebruikt. In een regeling die uitsluitend in het Europese deel van Nederland geldt, kan ter aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van Nederland tevens het woord Nederland worden gebruikt.

2. In een regeling van het Koninkrijk of een regeling die (mede) in Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt het woord Nederland uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het grondgebied van het Europese deel van Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk.

3. Bij de aanduiding van het grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten gezamenlijk wordt het woord Koninkrijk gebruikt.

4. Het woord land wordt gebruikt ter aanduiding van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten als component van het Koninkrijk.

5. Het woord Rijk als aanduiding van Nederland of van het Koninkrijk wordt vermeden, indien over de betekenis daarvan onduidelijkheid kan bestaan.

Artikel 3.21

1. Voor de aanduiding van bedragen in euro's wordt het euroteken ‘€’ gebruikt.

2.

Voor de aanduiding van bedragen in de munteenheden van de Caribische delen van het Koninkrijk worden de volgende NEN/ISO-aanduidingen gebruikt:

a. a. Aruba (de Arubaanse florin): AWG; b. b. Curaçao en Sint Maarten (de Nederlands-Antilliaanse gulden): ANG; c. c. Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Amerikaanse dollar): USD.

Artikel 3.22

Voor meeteenheden worden de wettelijk vastgestelde aanduidingen gebruikt.

Paragraaf 3.2. Aanduiding van ministers en staatssecretarissen

Artikel 3.23

In een wet, een algemene maatregel van bestuur of een koninklijk besluit wordt een minister aangeduid met Onze Minister van [aanduiding ministerie] / Onze Minister voor [aanduiding minister zonder portefeuille] of, indien die aanduiding in de begripsbepalingen is gedefinieerd, met Onze Minister.

Artikel 3.24

1. In geval van formele betrokkenheid van meer dan één minister bij de uitvoering van een wet of algemene maatregel van bestuur, worden zij, indien mogelijk, met de naam van hun ministerie genoemd.

2. Indien vermelding bij naam niet doelmatig is, kan de formulering Onze Minister[s] die het mede aangaat worden gebruikt.

Artikel 3.25

In een rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur wordt een minister, belast met de zorg voor een koninkrijksaangelegenheid, aangeduid als Onze Minister van/voor [...] in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk, tenzij daaromtrent geen verwarring kan bestaan.

Artikel 3.26

1. In het opschrift, de aanhef en de ondertekening van een regeling wordt een staatssecretaris aangeduid als de Staatssecretaris van [aanduiding ministerie].

2. In een regeling worden taken en bevoegdheden altijd aan een minister opgedragen, ook indien een staatssecretaris op het desbetreffende terrein als verantwoordelijk bewindspersoon fungeert.

Paragraaf 3.3. Aanhaling en verwijzing

Artikel 3.27

1. Verwijzing naar andere bepalingen wordt vermeden indien de toegankelijkheid van de regeling daardoor onnodig wordt geschaad.

2. Verwijzing naar bepalingen die zelf een verwijzing inhouden en verwijzing naar latere bepalingen van de regeling worden bij voorkeur vermeden.

3. In een regeling wordt niet verwezen naar een met name genoemde lagere regeling.

4. Verwijzing binnen een artikel wordt zoveel mogelijk vermeden.

Artikel 3.28

1. De verwijzing naar een regeling wordt zo mogelijk verbijzonderd tot een verwijzing naar artikelen.

2. Indien dit de duidelijkheid van de verwijzing vergroot, wordt de verwijzing naar een artikel verbijzonderd tot een verwijzing naar een onderdeel van het artikel.

Artikel 3.29

1. Verwijzing naar een lid van een artikel geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: Artikel 5, tweede lid, is van toepassing.

2. Naar het voorafgaande artikel of lid van een artikel wordt verwezen door vermelding van het nummer van dat artikel of lid.

3. Verwijzing naar een onderdeel van een opsomming geschiedt met behulp van de aanduidingen onder of onderdeel. Verwijzing naar een verdere onderverdeling geschiedt met een combinatie van deze aanduidingen of met behulp van de aanduiding subonderdeel.

4. Indien de aard van een verwijzing dit noodzakelijk maakt, wordt bij verwijzing naar een onderdeel van een opsomming mede verwezen naar de aanhef van de opsomming.

Artikel 3.30

1. Een volledige zin wordt aangeduid als zin, een deel van een zin als zinsnede.

2. Indien een zinsnede wordt aangehaald door vermelding van de volledige tekst of van het begin en einde daarvan, kan de aanduiding zinsnede worden weggelaten.

Artikel 3.31

1. Met de uitdrukking genoemd wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die met name worden aangeduid.

2. Met de aanduiding bedoeld wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die in algemene of omschrijvende zin worden aangeduid.

3. De aanduiding als bedoeld wordt gebruikt indien het voorafgaande begrip een onbepaald lidwoord of geen lidwoord heeft.

Artikel 3.32

1. De uitdrukking is van toepassing wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, letterlijk kan worden toegepast.

2. De uitdrukking is van overeenkomstige toepassing wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe te passen tekst uitgesloten is.

3. De uitdrukking is van [overeenkomstige] toepassing, met dien verstande dat ... wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, gedeeltelijk of met wijziging van bepaalde onderdelen moet worden toegepast.

Artikel 3.33

1. De aanduiding deze wet wordt uitsluitend gehanteerd bij verwijzing naar een ander onderdeel van de wet zelf waarin de verwijzing is opgenomen.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling.

Artikel 3.34

Verwijzing naar een artikel uit het Burgerlijk Wetboek geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 3.35

De uitdrukkingen onverminderd artikel ... en in afwijking van artikel ... worden alleen gebruikt, indien dit noodzakelijk is om de onderlinge verhouding tussen de ene en de andere bepaling duidelijk te maken.

Artikel 3.36

Bij aanhaling van een regeling met de citeertitel wordt het Staatsblad of de Staatscourant waarin zij is geplaatst, niet vermeld.

Artikel 3.37

Een regeling zonder citeertitel wordt aangehaald door vermelding van het opschrift van die regeling, gevolgd door (Stb. [jaartal, volgnummer]) respectievelijk (Stcrt. [jaartal, volgnummer]).

Artikel 3.38

1.

Een verdrag wordt aangehaald overeenkomstig het volgende voorbeeld:

het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud ( Trb. 1957, 121 ).

2. Bij verdragen met een citeertitel of daarmee vergelijkbare aanduiding kunnen datum en plaats van totstandkoming en het nummer van het Tractatenblad worden weggelaten.

Artikel 3.39

Verkorte verwijzing in de toelichting bij een regeling naar artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geschiedt respectievelijk overeenkomstig de volgende voorbeelden:

    *artikel 6 VEU;*

    *artikel 18 VWEU;*

    *artikel 150 VEGA;*

    *artikel 6 EVRM;*

    *artikel 17 IVBPR.*

Artikel 3.40

In regelingen worden de instellingen, verdragen, regelgeving en de lidstaten van de Europese Unie, dan wel de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede hun grondgebied als volgt aangeduid:

    *het Europees Parlement;*

    *de Europese Raad;*

    *de Raad van de Europese Unie;*

    *de Europese Commissie;*

    *het Hof van Justitie van de Europese Unie;*

    *de Europese Centrale Bank;*

    *de Europese Rekenkamer;*

    *het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;*

    *het Verdrag betreffende de Europese Unie;*

    *het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;*

    *EU-verordeningen, EU-richtlijnen, EU-besluiten;*

    *bindende EU-rechtshandelingen, EU-rechtshandelingen, EU-regelgeving;*

    *Euratom-verordeningen, Euratom-richtlijnen, Euratom-besluiten;*

    *lidstaten van de Europese Unie;*

    *gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.*

Artikel 3.41

Indien bindende EU-rechtshandelingen tevens gelden voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, worden de betrokken staten, respectievelijk hun grondgebied, aangeduid als:

    *de lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;*

    *de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;*

    *Zwitserland.*

Artikel 3.42

1. Bij het aanhalen van bindende EU-rechtshandelingen wordt de titel gebruikt die daaraan in het Publicatieblad van de Europese Unie is gegeven.

2. Indien vermelding van de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie wenselijk wordt geacht, geschiedt dat op de wijze zoals in aanwijzing 3.46 beschreven.

Artikel 3.43

1.

Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

      *Kamerstukken II 2009/10, 27858, nr. 88, p. 3;*

      *Kamerstukken I 2008/09, 31700 VI, D, p. 4*;

      *Handelingen II 2007/08, nr. 108, p. 79097943 (tot en met 31 december 2010);*

      *Handelingen II 2010/11, nr. 108, item 5, p. 2536 (vanaf 1 januari 2011);*

      *Aanhangsel Handelingen I 2014/15, nr. 12.*

2.

Verwijzing naar een wetsvoorstel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

      *het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Meststoffenwet (differentiatie fosfaatgebruiksnorm) (Kamerstukken 31945); *

      *het bij geleidende brief van 13 september 2016 aanhangig gemaakte voorstel van wet van de leden Siderius en Van Meenen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs ter bevordering van kleinere klassen in het basisonderwijs (Kamerstukken 34538).*

Artikel 3.44

Verwijzingen naar gepubliceerde jurisprudentie geschiedt door het gebruik van de European Case Law Identifier (ECLI) overeenkomstig het volgende voorbeeld:

HR 7 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7440.

Artikel 3.45

1.

Vermelding van vindplaatsen in het Staatsblad, de Staatscourant en het Tractatenblad geschiedt door toevoeging tussen haakjes van aanduidingen overeenkomstig de volgende voorbeelden:

      *Stb. 2011, 35;*

      *Stcrt. 2015, 10247;*

      *Trb. 2008, 175*.

2. Indien de regeling waarnaar wordt verwezen nog niet in het Staatsblad, de Staatscourant of het Tractatenblad is bekendgemaakt, wordt de vindplaats in ontwerpen van die regeling aangeduid door aanduiding van het jaartal en nummer van het publicatieblad met puntjes, overeenkomstig het volgende voorbeeld: Stb. ..., ....

3. Het invullen van het jaartal en nummer van het desbetreffende publicatieblad geschiedt door het betrokken ministerie, uiterlijk bij de bekendmaking van de regeling.

Artikel 3.46

Voor het Publicatieblad van de Europese Unie wordt de afkorting PbEU gebruikt. Bij aanduiding van een nummer van het Publicatieblad gaat aan het nummer vooraf de aanduiding L (Legislatio) of C (Communicatio).

Artikel 3.47

1. Indien een regeling verwijst naar normen die zijn vervat in een andere Nederlandse publiekrechtelijke regeling of een bindende EU-rechtshandeling, omvat die verwijzing mede nadien in werking getreden wijzigingen van die regeling of EU-rechtshandeling, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld.

2. Indien een regeling verwijst naar normen die niet publiekrechtelijk van aard zijn, geschiedt de verwijzing in beginsel naar die normen zoals zij op een gegeven tijdstip luidden. Omvat de verwijzing mede latere wijzigingen, dan wordt tevens voorzien in mededeling van deze wijzigingen in de Staatscourant.

Artikel 3.48

Verwijzing in een regeling naar toe te passen normalisatienormen geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze.

Artikel 3.49

Verwijzing in een regeling naar toe te passen ICT-standaarden of ICT-voorzieningen geschiedt slechts indien verplichte toepassing van de desbetreffende standaarden of voorzieningen noodzakelijk is. In zo'n geval wordt waar mogelijk gekozen voor een open standaard die is aangewezen door het Nationaal Beraad Digitale Overheid, of voor voorzieningen die op dergelijke standaarden zijn gebaseerd, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen.

Artikel 3.50

1. In een regeling wordt terughoudendheid betracht bij verwijzing naar informatie op internet door middel van een internetadres als onderdeel van de normstelling.

2.

Een verwijzing naar informatie op internet voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. a. de verwijzing heeft betrekking op informatie die is neergelegd in een welomlijnd en zelfstandig benoemd informatieobject; b. b. het informatieobject wordt rechtstreeks en in de vorm van een volledig uitgeschreven internetadres aangewezen door de verwijzing; c. c. het informatieobject is tijdig en permanent beschikbaar op de met de verwijzing aangeduide locatie; d. d. het informatieobject is leesbaar zonder dat bijzondere beperkingen gelden voortvloeiend uit het formaat waarin de informatie wordt aangeboden; e. e. de authenticiteit van het aangeboden informatieobject is voldoende geborgd.

Artikel 3.51

1. Indien een regeling verwijst naar normen die niet in de Nederlandse taal zijn gesteld en op overtreding van die normen een strafrechtelijke of bestraffende bestuurlijke sanctie is gesteld, worden die normen in het Nederlands vertaald.

2. De vertaling wordt in de Staatscourant geplaatst. Indien de vertaalde normen slechts van belang zijn voor een kleine groep personen of de kenbaarheid van de vertaling op een andere wijze voldoende is verzekerd voor alle belanghebbenden, kan de vertaling worden gepubliceerd door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium. Van deze wijze van publicatie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op normen die worden vertaald krachtens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.

4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing in geval bij wet is bepaald dat een overtreding van een voorschrift als strafbaar feit wordt aangemerkt dan wel wordt bestraft met een bestuurlijke sanctie, indien dit voorschrift in de Engelse taal is gesteld en bekendgemaakt.

Paragraaf 3.4. Gebruik van hoofdletters

Artikel 3.52

1. Het gebruik van hoofdletters wordt zoveel mogelijk beperkt.

2. Het gebruik van hoofdletters in de Grondwet en in basisregelingen wordt zoveel mogelijk gevolgd of als uitgangspunt genomen bij de schrijfwijze van daarin gebezigde uitdrukkingen of vastgestelde benamingen.

3. Bij nieuwe benamingen wordt in beginsel alleen het eerste woord met een hoofdletter geschreven.

4. Aanduidingen van afzonderlijke ministers en ministeries, als eigennaam gebruikt, worden met een hoofdletter geschreven.

Paragraaf 3.5. Indeling van regelingen

Artikel 3.53

Een regeling is opgebouwd uit de volgende elementen:

a. a. opschrift; b. b. aanhef; c. c. lichaam; d. d. slotformulier; e. e. ondertekening; f. f. eventuele bijlagen.

Artikel 3.54

1. Het lichaam van een regeling wordt vervat in een of meer artikelen.

2. De artikelen worden doorlopend genummerd met Arabische cijfers. In een omvangrijke regeling kunnen de artikelen per hoofdstuk worden genummerd, onder vermelding van het hoofdstuknummer voor het artikelnummer.

3. Bestaat een regeling uit één artikel, dan wordt daarboven de aanduiding Enig artikel geplaatst.

Artikel 3.55

De hierna genoemde bepalingen van een regeling worden in voorkomende gevallen in afzonderlijke artikelen en in de aangegeven volgorde aan het slot van een regeling opgenomen:

a. a. bepaling inzake evaluatie; b. b. bepaling inzake overgangsrecht; c. c. bepaling over intrekking van een regeling; d. d. bepaling inzake publicatie van de integrale tekst van een regeling; e. e. bepaling inzake inwerkingtreding; f. f. bepaling tot vaststelling van een citeertitel.

Artikel 3.56

1. Indien dit voor de toegankelijkheid van een regeling van belang is, wordt deze systematisch in Arabisch genummerde onderdelen verdeeld.

2. Bij een verdeling op één niveau worden de onderdelen hoofdstuk of paragraaf genoemd.

3. Bij een verdeling op twee niveaus worden de onderdelen van het eerste niveau hoofdstuk en de onderdelen van het tweede niveau paragraaf genoemd.

4. Bij een verdeling op meer dan twee niveaus worden de onderdelen in volgorde van omvang deel, hoofdstuk, titel, afdeling en paragraaf genoemd, met dien verstande dat in ieder geval de aanduidingen hoofdstuk en paragraaf worden gebruikt.

Artikel 3.57

1. De in aanwijzing 3.56 bedoelde onderdelen van een regeling worden voorzien van een opschrift, waarin de inhoud van het onderdeel beknopt wordt aangeduid.

2. Artikelen kunnen van een opschrift worden voorzien.

Artikel 3.58

1. Artikelen kunnen worden verdeeld in leden die worden aangeduid met Arabische cijfers.

2. Een lid wordt niet verdeeld in alinea's.

3. Indien de inhoud van een artikel zou leiden tot een groot aantal leden, wordt het artikel zo mogelijk gesplitst in meer artikelen.

Artikel 3.59

1.

Indien het bij een opsomming in een artikel omwille van de duidelijkheid wenselijk is elk onderdeel daarvan op een nieuwe regel te laten beginnen, wordt de volgende werkwijze gevolgd:

a. a. de onderdelen worden aangegeven met de letters a, b, c enzovoort, een eventuele verdere onderverdeling met 1°, 2°, 3° enzovoort, waarbij achter deze letters en cijfers een punt wordt geplaatst; b. b. binnen de onderdelen wordt niet met een nieuwe zin begonnen; c. c. de onderdelen worden, met uitzondering van het laatste onderdeel, afgesloten met een puntkomma.

2. Na het laatste onderdeel van een opsomming wordt geen tekst opgenomen die betrekking heeft op alle onderdelen, tenzij dit onvermijdelijk is.

3. In een opsomming van begripsbepalingen wordt bij voorkeur een alfabetische volgorde zonder nummering of lettering gehanteerd.

Artikel 3.60

1. Indien dit voor de duidelijkheid nodig is, wordt door gebruik van het woord of dan wel en aan het slot van het voorlaatste onderdeel van een opsomming het alternatieve, onderscheidenlijk cumulatieve karakter van de opsomming tot uitdrukking gebracht. In zo'n geval wordt in afwijking van aanwijzing 3.59, eerste lid, onderdeel c, het voorlaatste onderdeel afgesloten met ; of dan wel ; en.

2. Uit de formulering van het artikel blijkt of een opsomming een limitatief of een enuntiatief karakter heeft.

Artikel 3.61

Bij een regeling wordt geen bijlage opgenomen, tenzij het gaat om de vaststelling van een tabel, formulier, model, kaart of lijst van regelingen of bepalingen dan wel dit anderszins onvermijdelijk is.

Artikel 3.62

1. Een bijlage bij een regeling wordt voorzien van een opschrift waarin is vermeld bij welk artikel van de regeling de bijlage hoort, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.

2. Indien dit voor de toegankelijkheid van een bijlage van belang is, wordt in het opschrift de inhoud van de bijlage beknopt aangeduid.

Artikel 3.63

In een uitvoeringsregeling worden zo mogelijk de indeling en volgorde van de onderdelen, de opschriften van die onderdelen, de wijze van nummering van de artikelen en de volgorde van de artikelen van de hogere regeling in acht genomen.

Artikel 3.64

In een regeling worden, tenzij dit onvermijdelijk is, bepalingen uit een andere regeling, die hetzelfde onderwerp regelen, niet herhaald.

Hoofdstuk 4. Algemene bestanddelen van regelingen

Paragraaf 4.1. Opschrift

Artikel 4.1

Regelingen worden voorzien van een opschrift.

Artikel 4.2

1.

Voor het opschrift van een regeling wordt een van de volgende modellen gebruikt:

a. a. bij een (rijks)wet:

      *Rijkswet / Wet van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];*

b. b. bij een algemene maatregel van (rijks)bestuur:

      *Besluit van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];*

c. c. bij een ministeriële regeling:

      *Regeling van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];*

d. d. bij een beleidsregel:

      *Beleidsregel van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] over / tot [aanduiding inhoud].*

2. In een wetsvoorstel worden in het opschrift de woorden Rijkswet / Wet van (...) tot /, houdende niet opgenomen.

Artikel 4.3

1. Het opschrift bevat zo mogelijk enige materiële aanduiding van het onderwerp van de regeling.

2. Het opschrift wordt beknopt gehouden.

Artikel 4.4

Indien aan een regeling een citeertitel wordt gegeven, wordt deze aan het slot van het opschrift tussen haakjes vermeld.

Artikel 4.4a

Indien beschikbaar wordt onder het opschrift van een regeling tussen haken het KetenID vermeld.

Toelichting

De vermelding van het KetenID stelt de lezer in staat om via de Wetgevingskalender relevante informatie met betrekking tot het voorstel te vinden, zoals het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport. Het KetenID wordt ontleend aan het interdepartementale wetgevingsinformatiesysteem Kiwi, waarin de meeste regelgeving in wording is opgenomen vanaf de ontwerpfase. Informatie over deze regelgeving in wording wordt aangeboden op de Wetgevingskalender.

Ten behoeve van geautomatiseerde herkenning van dit kenmerk wordt het KetenID weergegeven in de vorm WGK[nnnnnn], waarbij een nummer van minder dan zes cijfers waar nodig van voorloopnullen wordt voorzien.

Voorbeelden

Wet:

    *Wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES in verband met het toekennen van preferentie aan de verschuldigde uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en in de kosten van levensonderhoud en studie van jong meerderjarigen*
  
  
    *(KetenID WGK012963)*

Algemene maatregel van bestuur:

    *Besluit van [...], houdende regels ter uitvoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Uitvoeringsbesluit Wtza)*
  
  
    *(KetenID WGK008987)*
  
  
    *Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg, van [...], kenmerk [...], gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;*

Ministeriële regeling:

    *Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [PM] 2022, nr. CZW/S&B/...., houdende nadere eisen en regels voor het verlenen van een toelating voor publieke en private identificatiemiddelen (Regeling nadere eisen identificatiemiddelen, authenticatiediensten en machtigingsdiensten Wdo)*
  
  
    *(KetenID WGK010753)*

Paragraaf 4.2. Aanhef

Artikel 4.5

1.

Voor de aanhef van een wet wordt het volgende model gebruikt:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [considerans];

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

2.

Indien het een rijkswet betreft, luidt de laatste alinea:

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 4.6

1.

Voor de aanhef van een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard wordt het volgende model gebruikt:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, gedaan in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...];

Gelet op ...;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. ...);

Gezien het nader rapport van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, uitgebracht in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...];

Hebben goedgevonden en verstaan:

2.

In de aanhef van een algemene maatregel van rijksbestuur wordt gesproken van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk en wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

3.

Voor de aanhef van een koninklijk besluit, niet zijnde een koninklijk besluit van regelende aard, wordt het volgende model gebruikt:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...;

Gelet op ...;

Hebben goedgevonden en verstaan:

4.

In de aanhef van een koninklijk rijksbesluit, niet zijnde een algemene maatregel van rijksbestuur, wordt niet naar het Statuut verwezen, tenzij de raad van ministers van het Koninkrijk ter zake heeft overlegd. In dat geval wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:

Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Artikel 4.7

1. Indien bij de voordracht tot een voorstel van wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard meer dan één bewindspersoon is betrokken, geschiedt de voordracht door één van hen, in overeenstemming met de ander(en).

2. Indien er bijzondere redenen zijn om te bepalen dat een wet of besluit wordt gecontrasigneerd door alle voordragende bewindspersonen geschiedt de voordracht door één van hen, mede namens de ander(en).

3.

Indien er zeer bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen ook in de voordracht tot uitdrukking te brengen, wordt gebruik gemaakt van de volgende formulering:

Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] en [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...].

Artikel 4.8

Voor de aanhef van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:

De Minister van/voor .../ Staatssecretaris van ...,

[Handelende in overeenstemming met de Minister(s) van/voor... / Staatssecretaris(sen) van ... / in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad];

Gelet op ...;

Besluit:

Artikel 4.9

Voor de aanhef van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:

De Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...,

Gelet op ...;

Besluit:

Artikel 4.10

1. De uitdrukking Gelet op verwijst naar de hogere regeling waarop de regelgevende bevoegdheid berust en in voorkomend geval naar de internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling ter uitvoering waarvan de regeling strekt.

2. Verwezen wordt naar de afzonderlijke artikelen van de hogere regeling, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.

Paragraaf 4.3. Considerans

Artikel 4.11

1. In de aanhef van een wet wordt een considerans opgenomen.

2. In een andere regeling wordt geen considerans opgenomen.

Artikel 4.12

1. In een considerans worden de strekking van en, indien daartoe aanleiding is, het motief tot de vaststelling van de wet in hoofdzaak kort weergegeven.

2. In de considerans worden geen elementen opgenomen die niet in het lichaam van de wet zelf voorkomen.

Artikel 4.13

Strekt een wet tot uitvoering van de Grondwet, een verdrag of een bindende EU-rechtshandeling, dan wel een ander besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wordt dit in de considerans vermeld.

Paragraaf 4.4. Inwerkingtreding

Artikel 4.14

1. Een regeling voorziet in haar inwerkingtreding.

2. Bij de vaststelling van het moment van inwerkingtreding wordt geen onderscheid gemaakt tussen categorieën van gevallen waarop de regeling toepasselijk wordt.

Artikel 4.15

1. Het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt zodanig geregeld dat dit blijkt uit het Staatsblad waarin de regeling is geplaatst of af te leiden is uit een ander Staatsblad.

2. Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling wordt niet afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van een verdrag of van een andere niet uit het Staatsblad of de Staatscourant blijkende gebeurtenis.

Artikel 4.16

1. Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling ligt in ieder geval na het tijdstip van haar bekendmaking.

2. De datum van bekendmaking van een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur ligt in ieder geval vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur.

Artikel 4.17

1. Een wet of een algemene maatregel van bestuur treedt in werking met ingang van 1 januari of 1 juli.

2. Een ministeriële regeling treedt in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor regelingen over het onderwijs de volgende vaste verandermomenten:

a. a. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari en 1 augustus; b. b. voor ministeriële regelingen betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari, 1 april, 1 augustus en 1 oktober; c. c. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het hoger onderwijs: 1 januari en 1 september; d. d. voor ministeriële regelingen betreffende het hoger onderwijs: 1 januari, 1 april, 1 september en 1 oktober.

4. De termijn tussen de publicatiedatum van een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Indien een regeling direct relevant is voor medeoverheden, is deze termijn minimaal drie maanden.

5.

Uitzondering op de vaste verandermomenten of de minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover:

a. a. dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt; b. b. het spoed- of noodregelgeving betreft; c. c. het reparatieregelgeving betreft; of d. d. het implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, verdragen of andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties betreft.

6. De toepassing van een uitzonderingsgrond wordt gemotiveerd in de toelichting bij de regeling of in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit.

Artikel 4.18

Vervallen

Artikel 4.19

De inwerkingtreding van bepalingen betreffende inwerkingtreding, inwerkingstelling, toepassingsmomenten en bekendmaking van een regeling, vaststelling van een citeertitel, delegatie van regelgevende bevoegdheid of parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van een regeling hoeft niet uitdrukkelijk te worden geregeld. Deze bepalingen gelden vanaf het tijdstip van totstandkoming van de regeling.

Artikel 4.20

Een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur voorziet niet in zijn eigen inwerkingtreding.

Artikel 4.21

1.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een wet wordt zoveel mogelijk het volgende model gebruikt:

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur wordt een van de volgende modellen gebruikt:

A. A.

      *Dit besluit treedt in werking met ingang van ...*

B. B.

      *Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.*

3.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:

Deze regeling treedt in werking met ingang van ...

4.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ...

Artikel 4.22

Zo nodig kan voor de inwerkingtredingsbepaling van een regeling ook een van de volgende modellen worden gebruikt:

A. A.

    *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ..., met uitzondering van de artikelen ..., die in werking treden met ingang van ... .*

B. B.

    *Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop de artikelen ... in werking treden.*

C. C.

    *Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.*

D. D.

    *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel ... van] [citeertitel of aanduiding andere regeling] in werking treedt.*

E. E.

    *Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, treedt deze wet / dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.*

F. F.

    *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag van de ... kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.*

G. G.

    *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.*

H. H.

    *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van [beoogde datum van inwerkingtreding]. Indien het Staatsblad / de Staatscourant waarin deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt geplaatst, wordt uitgegeven na [de dag voor de beoogde datum van inwerkingtreding], treedt zij/het/zij/hij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/ zij/hij wordt geplaatst, en werkt zij/het/zij/hij terug tot en met [beoogde datum van inwerkingtreding].*

Artikel 4.23

Vervallen

Paragraaf 4.5. Citeertitel

Artikel 4.24

1. Een regeling heeft een citeertitel, tenzij aan aanhaling van de regeling in de praktijk geen behoefte zal bestaan.

2. Een wijzigingsregeling heeft slechts een citeertitel indien daaraan behoefte bestaat.

3. Indien naar verwachting de behoefte zal bestaan een regeling veelvuldig met een afkorting aan te halen, wordt in de toelichting bij de regeling een aanbeveling gegeven voor de te gebruiken afkorting.

Artikel 4.25

1. Een citeertitel wordt kernachtig geformuleerd, heeft voldoende onderscheidend vermogen en bevat geen afkortingen tenzij dit onvermijdelijk is.

2.

Voor de bepaling tot vaststelling van de citeertitel wordt het volgende model gebruikt:

Deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt aangehaald als: ...

3. In beginsel wordt slechts het eerste woord van een citeertitel met een hoofdletter geschreven.

4. In een citeertitel wordt alleen een jaartal opgenomen indien daartoe behoefte bestaat ter onderscheiding van de betrokken regeling van een andere regeling. In dat geval kan in een wet of een algemene maatregel van bestuur de formulering met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin [zij/het] zal worden geplaatst worden gebruikt.

5. In de citeertitel van een rijkswet, een algemene maatregel van rijksbestuur of een ministeriële regeling over een koninkrijksaangelegenheid wordt tot uitdrukking gebracht dat het rijkswetgeving betreft.

6. In de citeertitel van een regeling die uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt door de toevoeging BES tot uitdrukking gebracht dat het een regeling voor die eilanden betreft. Deze toevoeging blijft achterwege, indien de eilanden reeds voluit in de citeertitel worden genoemd.

Paragraaf 4.6. Bekendmaking

Artikel 4.26

1. In een regeling worden geen bepalingen opgenomen over de plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant van de regeling zelf of daarop berustende algemeen verbindende voorschriften.

2. Een regeling schrijft, behoudens in uitzonderlijke gevallen, niet voor dat op grond van de regeling genomen besluiten in het Staatsblad worden geplaatst.

Artikel 4.27

Regelingen worden na hun vaststelling zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.

Artikel 4.28

Een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging, indien:

a. a. de bijlage niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en b. b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen daarmee voldoende verzekerd is.

Artikel 4.29

Indien in een regeling normen van niet-publiekrechtelijke aard van toepassing worden verklaard, wordt, tenzij de kenbaarheid van deze normen voor alle betrokkenen voldoende verzekerd is, mededeling van de normen in de Staatscourant voorgeschreven. Aanwijzing 4.28 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.30

Indien het wenselijk is aan een regeling een inhoudsopgave toe te voegen, wordt deze bij de bekendmaking van de regeling achter de regeling opgenomen.

Paragraaf 4.7. Slotformulier

Artikel 4.31

1.

Voor het slotformulier van een (rijks)wet wordt het volgende model gebruikt:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

2.

Voor het slotformulier van een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.

3.

Voor het slotformulier van een koninklijk (rijks)besluit van regelende aard, niet zijnde een algemene maatregel van bestuur, en van een koninklijk (rijks)besluit betreffende de inwerkingtreding van een (rijks)wet of een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt:

Onze Minister van/voor ... is belast met de uitvoering van dit besluit dat [met de daarbij behorende nota van toelichting] in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.

4.

Voor het slotformulier van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] worden geplaatst.

5.

Voor het slotformulier van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:

Deze beleidsregel zal [met de toelichting] in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 4.32

Indien een bij een regeling behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, wordt in de modellen voor het slotformulier, genoemd in aanwijzing 4.31, na geplaatst telkens ingevoegd: , met uitzondering van [de] bijlage[n] ..., die [zal / zullen] worden geplaatst op het in artikel ... vermelde internetadres.

Paragraaf 4.8. Ondertekening

Artikel 4.33

1. Een regeling wordt ondertekend door één bewindspersoon, tenzij de voordracht tot het voorstel van wet of de algemene maatregel van bestuur is gedaan mede namens een of meer andere bewindspersonen of er bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen in de ondertekening tot uitdrukking te brengen.

2. Indien de uitvoering van de regeling geheel of in belangrijke mate geschiedt door ambtenaren die ressorteren onder een andere bewindspersoon dan de ondertekenaar of ondertekenaars krachtens het eerste lid, wordt medeondertekening door die andere bewindspersoon overwogen. Hetzelfde geldt indien de regeling deel gaat uitmaken van een regeling die onder een andere bewindspersoon ressorteert.

Artikel 4.34

1. De ondertekening van een wet door een bewindspersoon brengt niet mee dat die bewindspersoon ook alle uitvoeringsregelingen mede moet voordragen en ondertekenen.

2. Het niet ondertekenen van een wet door een bewindspersoon sluit niet uit dat die bewindspersoon als daartoe aanleiding is een of meer uitvoeringsregelingen (mede) ondertekent.

Artikel 4.35

Bij een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt volstaan met voordracht en ondertekening door één bewindspersoon.

Artikel 4.36

1.

Ondertekeningen worden geplaatst in deze volgorde:

a. a. de Minister-President; b. b. de in het bijzonder bij de zaak betrokken minister(s) of staatssecretaris(sen), naar de mate van hun betrokkenheid.

2. Bij gelijke mate van betrokkenheid is de volgorde van de hoofdstukken van de rijksbegroting bepalend.

3. De Vice-Minister-President wordt alleen als zodanig aangeduid indien hij ondertekent als vervanger van de Minister-President. Hij wordt dan als eerste vermeld.

Artikel 4.37

De Minister-President tekent als De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, tenzij hij uitsluitend tekent als hoofd van zijn ministerie. In dat geval tekent hij als De Minister van Algemene Zaken.

Artikel 4.38

Een minister die een andere minister bij tijdelijke afwezigheid vervangt, tekent als De Minister van/voor ... a.i..

Artikel 4.39

1. Bij een wijziging in de portefeuilleverdeling, een naamswijziging van een ministerie of het vervallen van een functie in het kabinet, wordt de aanduiding van de ondertekenende bewindspersoon in de tijdens de parlementaire behandeling van een voorstel van wet in te dienen stukken en in de vastgestelde wet dienovereenkomstig aangepast.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur.

Artikel 4.40

1. De tijdens de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel door de regering in te dienen stukken worden bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon.

2. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in de tekst tot uitdrukking gebracht.

Artikel 4.41

Bij een wijziging in een regeling van niet uit tekst bestaande informatie die niet kan worden geconsolideerd of bij een wijziging van een bij een regeling behorende bijlage die is bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, wordt die informatie of bijlage opnieuw vastgesteld.

Paragraaf 4.9. Toelichting

Artikel 4.42

1. Een wetsvoorstel, een algemene maatregel van bestuur of ander koninklijk besluit van regelende aard en een ministeriële regeling worden voorzien van een toelichting.

2. De toelichting bij een wetsvoorstel wordt aangeduid als memorie van toelichting, de toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard als nota van toelichting.

3. Een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt alleen van een nota van toelichting voorzien indien dit gelet op de inhoud ervan nodig is.

Artikel 4.43

De toelichting bevat een verantwoording van de regeling. Daarbij komen, voor zover van toepassing, in ieder geval de volgende punten aan de orde:

a. a. de doelen die met de regeling worden nagestreefd of, in het geval van een implementatieregeling, de aanleiding en achtergronden van de te implementeren internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling; b. b. de noodzaak tot overheidsinterventie, mede bezien in relatie tot het zelfregulerende vermogen in de betrokken sector of sectoren, alsmede de overwogen varianten en de te verwachten neveneffecten van de regeling; c. c. de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de regeling, zoals de keuze van het handhavingsstelsel en de mate waarin te verwachten is dat de toepassing van de regeling aanleiding geeft tot conflicten; d. d. de gevolgen voor de informatievoorziening van de rijksoverheid en voor de verwerking van persoonsgegevens; e. e. de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen en de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan rechtsbescherming; f. f. de wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling; g. g. de verenigbaarheid met hoger recht en de verhouding tot andere regelingen; h. h. de wijze waarop recht is gedaan aan het primaat van de wetgever, alsmede een motivering van de keuze van de overheidslaag waaraan bevoegdheden zijn toegedeeld; i. i. de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de wijze waarop rekening is gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden waardoor die eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland; j. j. het overgangsrecht en de inwerkingtreding van de regeling; k. k. de inbreng van externe partijen bij de totstandkoming van de regeling, alsmede de bij de totstandkoming van de regeling voorgeschreven bijzondere procedures; l. l. de voorgenomen evaluatie van de regeling; m. m. overige aspecten van de regeling waarop kabinetsbeleid inzake regelgeving toepasselijk is.

Artikel 4.44

1. In de toelichting wordt, voor zover mogelijk en relevant voor de inhoud van de regeling, vermeld welke externe partijen inbreng hebben geleverd bij de totstandkoming van de regeling, op welke wijze dat is gebeurd, wat de strekking van de inbreng was en wat er met de inbreng is gedaan.

2. Indien voor de totstandkoming van een regeling een bijzondere procedure wettelijk is voorgeschreven, wordt aan het volgen daarvan in de toelichting aandacht geschonken.

3. Indien op hoofdpunten in een regeling wordt afgeweken van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt de reden hiervan in de toelichting weergegeven.

Artikel 4.45

1. Indien een wetsvoorstel financiële gevolgen heeft, wordt in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting of in een bijlage bij de memorie van toelichting aangegeven in welke omvang daaraan hogere of lagere uitgaven of ontvangsten verbonden zullen zijn.

2. In het in het eerste lid bedoelde overzicht wordt een onderscheid gemaakt tussen gevolgen voor het Rijk en gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren.

3. In de memorie van toelichting wordt tevens aangegeven of en zo ja, in hoeverre de financiële gevolgen begrepen zijn in de laatst ingediende begroting of in de ramingen voor de vier op het begrotingsjaar volgende jaren.

4. Indien op grond van compenserende maatregelen per saldo geen budgettair effect te verwachten valt, worden in de memorie van toelichting ook de bruto financiële gevolgen van een wetsvoorstel vermeld.

5. Indien een wetsvoorstel geen financiële gevolgen heeft, blijkt dit uitdrukkelijk uit de memorie van toelichting.

6. Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor het Rijk, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.

Artikel 4.46

1. Indien een wetsvoorstel leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt dit aangegeven in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de uitvoering van artikel 105, derde lid, van de Provinciewet, artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet of artikel 136, derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, respectievelijk artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet of artikel 87 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de in het eerste lid bedoelde financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.

3. Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.

Artikel 4.47

Een toelichting wordt niet gebruikt voor het stellen van nadere regels.

Artikel 4.48

1. Een toelichting wordt verdeeld in een algemeen en een artikelsgewijs gedeelte, indien dit de toegankelijkheid bevordert.

2. Onderdelen van een toelichting worden genummerd, indien dit met het oog op verwijzing wenselijk is.

Artikel 4.49

1. In een toelichting wordt heldere en bondige taal gebruikt en een logische indeling gevolgd.

2. Bij het formuleren van een nota van toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard, of een toelichting bij een ministeriële regeling of een beleidsregel wordt ervan uitgegaan dat de betrokken regeling al is vastgesteld.

3. De paragrafen 3.1, 3.3 en 3.4 van deze aanwijzingen zijn voor de formulering van een toelichting van overeenkomstige toepassing, voor zover zij verenigbaar zijn met de aard van een toelichting.

Artikel 4.50

1.

Verwijzing naar artikelen of onderdelen van regelingen die in de toelichting met een afkorting of andere verkorte aanduiding worden aangehaald, geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

      *artikel 10, tweede lid, Wob;*

      *artikel 7, tweede lid, Sr;*

      *titel 5.2 Awb;*

      *artikel 21 Arbowet.*

2. Indien in de toelichting gebruik wordt gemaakt van een afkorting of verkorte aanduiding voor het aanhalen van een regeling, wordt daarbij bij voorkeur het hoofdlettergebruik in de citeertitel van de aangehaalde regeling gevolgd.

Artikel 4.51

Verwijzing in een toelichting naar andere stukken geschiedt door een nauwkeurige aanduiding van de vindplaats.

Artikel 4.52

1. Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging, een nota van toelichting, een toelichting op een ministeriële regeling en een toelichting op een beleidsregel worden ondertekend.

2. Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging die aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt voorgelegd en een nota van toelichting worden ondertekend na de behandeling van het betrokken voorstel in de ministerraad en voordat het aan het Kabinet van de Koning wordt toegezonden voor advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.

Artikel 4.53

1. Bij de voordracht tot een voorstel van wet of een algemene maatregel van bestuur mede namens andere bewindspersonen wordt de memorie of nota van toelichting alleen door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon ondertekend.

2. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.

Hoofdstuk 5. Bijzondere bestanddelen van regelingen

Paragraaf 5.1. Begripsbepalingen

Artikel 5.1

1. Termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben, worden gedefinieerd.

2. In een begripsbepaling wordt aan een term geen sterk van het normale spraakgebruik afwijkende betekenis gegeven.

3. Het gebruik van begripsbepalingen voor inhoudelijke normering wordt vermeden.

Artikel 5.2

Herhaling in een regeling van omvangrijke omschrijvingen wordt vermeden door in de begripsbepalingen een verkorte aanduiding op te nemen.

Artikel 5.3

1.

Voor begripsbepalingen wordt de volgende formulering gebruikt:

In [deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel] [en de daarop berustende bepalingen] wordt [, tenzij anders bepaald,] verstaan onder:

2. De term verstaan wordt gebruikt, indien een begrip in algemene zin wordt gedefinieerd.

3. De term mede verstaan wordt gebruikt, indien aan de, al dan niet gedefinieerde, betekenis van een begrip uitbreiding wordt gegeven.

4. In een begripsbepaling worden geen aanhalingstekens gebruikt.

Paragraaf 5.2. Caribisch Nederland

Artikel 5.4

1. Indien een regeling van toepassing is of mede van toepassing is in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt dit in de regeling uitdrukkelijk bepaald.

2. De bepaling die de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt, wordt bij voorkeur in de inleidende bepalingen van de regeling opgenomen.

3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een regeling van het Koninkrijk betreft of indien de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onmiskenbaar uit een ander wettelijk voorschrift volgt.

4. In een regeling die uitsluitend van toepassing is in het Europese deel van Nederland, behoeft geen bepaling te worden opgenomen die de werkingssfeer van de regeling uitdrukkelijk tot dat deel van Nederland beperkt.

Artikel 5.5

1. In een regeling die zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is, worden, indien dat de toegankelijkheid van de regeling ten goede komt, bepalingen die specifiek betrekking hebben op de toepassing van de regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een apart hoofdstuk of een aparte paragraaf opgenomen.

2. Het aparte hoofdstuk of de aparte paragraaf voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgenomen aan het einde van de regeling, voor de slotartikelen.

Paragraaf 5.3. Adviescolleges

Artikel 5.6

1. In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld of een adviestaak wordt opgedragen, wordt gemotiveerd waarom onafhankelijke advisering op het desbetreffende terrein noodzakelijk wordt geacht.

2. In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld, wordt gemotiveerd waarom de adviestaak niet aan een bestaand adviescollege wordt opgedragen.

Artikel 5.7

In een regeling wordt niet voorzien in de verplichting advies te vragen over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.

Paragraaf 5.4. Zelfstandige bestuursorganen

Artikel 5.8

In de toelichting bij een regeling waarbij een zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld of een taak aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt opgedragen, wordt de noodzaak daartoe gemotiveerd.

Artikel 5.9

1. Een zelfstandig bestuursorgaan wordt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet ingesteld.

2. Het toekennen van openbaar gezag geschiedt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet.

3. Voor de verstrekking van subsidies kan met inachtneming van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht worden afgeweken van het tweede lid.

Artikel 5.10

1.

Regelgevende bevoegdheden worden aan een zelfstandig bestuursorgaan uitsluitend toegekend:

a. a. voor zover het organisatorische of technische onderwerpen betreft; of b. b. in bijzondere gevallen mits voorzien is in de bevoegdheid tot goedkeuring van de regeling door een minister.

2. Aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt geen adviestaak opgedragen ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.

Artikel 5.11

1.

Indien het toekennen van rechtspersoonlijkheid wenselijk is, wordt in de wet waarbij een zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld het volgende model gebruikt:

      *Er is een [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].*
      *[naam rechtspersoon] is gevestigd te ... .*
      *[naam rechtspersoon] bezit rechtspersoonlijkheid.*

2.

In de instellingswet wordt in dat geval, indien mogelijk, duidelijk onderscheid gemaakt tussen het zelfstandig bestuursorgaan en de rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt. Daarbij wordt het volgende model gebruikt:

      *Aan het hoofd van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] staat [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan].*
      *[aanduiding zelfstandig bestuursorgaan] heeft tot taak ... / de volgende taken: ...*

3. In de instellingswet wordt in dat geval de wijze van bekostiging van de rechtspersoon geregeld.

Artikel 5.12

1. De inrichting van het zelfstandig bestuursorgaan, alsmede de termijn waarvoor de leden van het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd, wordt in de instellingswet geregeld.

2. Indien het zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld omdat participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht (artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), wordt in de instellingswet bepaald dat personen afkomstig van maatschappelijke organisaties in het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd. Zo mogelijk wordt daarbij bepaald dat voor elk lid een plaatsvervangend lid wordt benoemd.

Artikel 5.13

1. Indien binnen een organisatie of rechtspersoon naast het publiekrechtelijke zelfstandig bestuursorgaan nog andere organen of nevenorganen worden ingesteld, worden in de instellingswet de onderlinge verhoudingen en bevoegdheden van deze organen vastgelegd.

2. Aanwijzing 5.12, eerste lid, is op deze andere organen en nevenorganen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.14

Aan een minister wordt niet de bevoegdheid toegekend bijzondere aanwijzingen te geven aan een zelfstandig bestuursorgaan.

Artikel 5.15

1. In de instellingswet wordt in voorkomende gevallen bepaald hoe de overgang van personeel, rechten, bezittingen en verplichtingen van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden op een andere rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, wordt geregeld.

2.

Hiervoor worden de volgende modellen gebruikt:

(Artikel ...)

      *Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van [naam dienstonderdeel], van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].*
      *De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel].*
      *De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van [naam dienstonderdeel], en van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, zijn op dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel].*

(Artikel ...)

      *Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan [naam dienstonderdeel] worden toegerekend, worden toebedeeld aan [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].*
      *De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op [naam dienst] tegen een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.*
      *Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.*

Artikel 5.16

1. Indien aan de orde, wordt bij wet bepaald op welke wijze de op het moment van instelling van een zelfstandig bestuursorgaan dat geen onderdeel uitmaakt van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden, lopende wettelijke procedures en rechtsgedingen, respectievelijk onderzoeken door de Nationale ombudsman, worden afgehandeld.

2.

Hiervoor wordt het volgende model gebruikt:

      *In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij [naam dienstonderdeel] is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, dan wel zelfstandig bestuursorgaan] in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister.*
      *In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan [naam dienstonderdeel], treedt [naam zelfstandig bestuursorgaan] op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister.*

Paragraaf 5.5. Toekenning en terminologie van bestuursbevoegdheden

Artikel 5.17

1. Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt de term vrijstelling gebruikt.

2. Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term ontheffing gebruikt.

3. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term vergunning gebruikt.

4. Voor een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling aan bepaalde eisen voldoet, wordt de term erkenning gebruikt.

Artikel 5.18

1. Voor de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term goedkeuring gebruikt.

2. Voor de voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term verklaring van geen bezwaar gebruikt.

Artikel 5.19

Indien de bevoegdheid wordt toegekend om bij het verlenen van een vrijstelling, ontheffing of vergunning een begrenzing naar tijd of plaats dan wel anderszins aan te brengen, wordt de term beperking gebruikt.

Artikel 5.20

1. Indien wordt beoogd de verplichtingen van een belanghebbende die hem bij het geven van een beschikking zijn opgelegd, door middel van straffen te handhaven, wordt deze strafbaarstelling uitdrukkelijk geregeld.

2. Voor dergelijke en andere bij het geven van een beschikking op te leggen verplichtingen wordt de term voorschriften gebruikt.

Artikel 5.21

1. Indien het nodig is een op een regeling berustende beschikking te kunnen intrekken of wijzigen, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.

2. De gronden voor het intrekken of wijzigen van een beschikking worden in de regeling gespecificeerd.

Artikel 5.22

In een wet wordt geen delegatie van bestuursbevoegdheden aan ondergeschikten mogelijk gemaakt.

Artikel 5.23

1.

Indien bevoegdheden aan gemeenten, provincies of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden toegekend:

a. a. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, het vaststellen van de kaders van het beleid en het nemen van een besluit dat een sterke democratische legitimatie nodig heeft, in beginsel toegekend aan de gemeenteraad, provinciale staten of de eilandsraad; b. b. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen of uitvoeren van beleid en het vaststellen van besluiten, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, in beginsel toegekend aan het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het bestuurscollege.

2. De termen gemeentebestuur, provinciebestuur en eilandsbestuur worden vermeden. De term gemeente of provincie wordt uitsluitend gehanteerd als aanduiding van de rechtspersoon gemeente of provincie of het gebied van de gemeente of provincie.

3. De term openbare lichamen als aanduiding van de rechtspersonen openbaar lichaam Bonaire, openbaar lichaam Sint Eustatius of openbaar lichaam Saba of als aanduiding van het gebied van die openbare lichamen, wordt uitsluitend gebruikt, indien uit de regeling volgt dat de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoeld zijn.

Artikel 5.24

Indien de uitvoering van een wet wordt opgedragen aan organen van gemeenten of provincies, wordt in die wet niet voorzien in toezicht op de uitvoering.

Artikel 5.25

1. In een regeling wordt een hardheidsclausule opgenomen, indien er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen.

2. Alvorens een hardheidsclausule op te nemen, wordt bezien of toepassing kan worden gegeven aan aanwijzing 2.11, tweede lid.

3. In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen voor situaties waarin het buiten toepassing laten of het afwijken van de regeling nadelige effecten heeft of in het algemeen kan hebben voor derden-belanghebbenden.

4. Indien de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, wordt dit bestendige beleid in een algemeen verbindend voorschrift neergelegd.

Artikel 5.26

1. Indien in een regeling een hardheidsclausule wordt opgenomen, wordt zo concreet en nauwkeurig mogelijk aangegeven op welke onderdelen van de regeling de clausule van toepassing is.

2.

Voor een hardheidsclausule wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

[aanduiding bestuursorgaan] kan artikel ... buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van [aanduiding doel of strekking van de regeling] zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Paragraaf 5.6. Overgang van rechten krachtens publiekrecht

Artikel 5.27

Indien een publiekrechtelijke regeling voorziet in het ontstaan van enigerlei recht dat zich naar zijn aard leent voor overgang op anderen, wordt die overgang óf uitgesloten óf geregeld.

Paragraaf 5.7. Regels betreffende goederen, keuringen en diensten

Artikel 5.28

1. Voor zover een regeling die niet strekt tot implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, eisen stelt aan goederen, keuringen of diensten, wordt tevens een clausule van wederzijdse erkenning opgenomen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op regelingen die uitsluitend gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

3.

Voor een clausule van wederzijdse erkenning worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen:

(Goederen)

Met [aanduiding van de desbetreffende goederen] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld [desbetreffende goederen] die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

(Keuringen)

Met een [aanduiding van het desbetreffende document] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

(Diensten)

Met de beroepseisen ter zake van [aanduiding van de desbetreffende dienst] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 5.29

1.

Een vergunningstelsel in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Dienstenwet:

a. a. wordt slechts opgenomen indien dit geen discriminerende werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter, dit noodzakelijk is wegens een dwingende reden van algemeen belang, en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn; b. b. wordt uitsluitend van de werking van paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van de belangen van derden.

2. Indien de conflictregel van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn en artikel 2, derde lid, onder a, sub 3, van de Dienstenwet op een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, wordt dit toegelicht.

3. Indien bij een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, wordt een selectieprocedure ingesteld die alle waarborgen voor transparantie en onpartijdigheid biedt voor gegadigden, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.

Artikel 5.30

1. In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen gesteld aan de verrichting van diensten door dienstverrichters die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn, die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu en evenredigheid.

2. In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 15, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen opgenomen die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens een dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid.

Paragraaf 5.8. Informatievoorziening en gegevensverwerking

Artikel 5.31

Indien voor de uitvoering van een regeling gegevens van burgers, bedrijven of instellingen nodig zijn, wordt voor de omschrijving van de daaraan ten grondslag liggende begrippen zoveel mogelijk verwezen naar of aangesloten bij de definities uit de wetten inzake de basisregistraties.

Artikel 5.32

Indien voor de uitvoering van een regeling de beschikbaarheid of uitwisseling van informatie tussen overheidsorganisaties van betekenis is, wordt in een aparte informatieparagraaf in de toelichting aandacht besteed aan de wijze waarop de informatievoorziening organisatorisch en technisch is ingericht.

Artikel 5.33

Bij het opnemen in een regeling van bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens bevat de regeling een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking en bevat de toelichting een expliciete afweging van de belangen van verwerkingsverantwoordelijken en betrokkenen in relatie tot die doeleinden.

Artikel 5.34

Indien het noodzakelijk is dat op structurele basis wordt voorzien in de onderlinge verstrekking van persoonsgegevens tussen bestuursorganen of toezichthouders, terwijl geldende geheimhoudingsbepalingen daaraan in de weg staan, wordt op het niveau van de formele wet voorzien in een uitdrukkelijke regeling van de gegevensverstrekking, met inbegrip van de vaststelling van het doel van de gegevensverstrekking.

Paragraaf 5.8a. Openbaarheid van overheidsinformatie

Artikel 5.34a

1. Indien er zwaarwegende redenen zijn om af te wijken van het openbaarheidsregime van de Wet open overheid, wordt de afwijking in de bijlage bij die wet vermeld.

2.

Voor het wijzigen van de bijlage bij de Wet open overheid wordt het volgende voorbeeld als uitgangspunt gebruikt:

In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

      *Waterschapswet: de artikelen 37 en 43.*

Toelichting

De Wet open overheid (Woo) bevat regels voor de openbaarheid van overheidsinformatie. Het uitgangspunt is dat de Woo van toepassing is, tenzij op grond van de bijlage bij de Woo een bijzonder openbaarheidsregime van toepassing is dat in een bijzondere wet is neergelegd. Dit volgt uit artikel 8.8 Woo en de daarbij behorende bijlage. Een uitzondering op het openbaarheidsregime van de Woo is alleen mogelijk op het niveau van de wet en slechts in geval van zwaarwegende redenen (zie ook aanwijzing 2.46). Daarbij moet altijd eerst overwogen worden of de uitzonderingsgronden in de Woo toereikend zijn om de gewenste beperking van de openbaarheid te realiseren. Ter beoordeling hiervan vindt afstemming plaats met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met het oog op de kenbaarheid en eenheid van wetgeving is het van belang dat een uitzondering op de Woo wordt geregeld in de bijlage bij artikel 8.8 Woo. Het volstaat om in die bijlage de artikelen uit de wet te noemen waarin het bijzondere openbaarheidsregime is neergelegd en waarmee dus wordt afgeweken van het algemene openbaarheidsregime van de Woo. Het wetsvoorstel waarin de uitzondering op de Woo wordt geregeld dient in de consultatiefase te worden voorgelegd aan het Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding (dit volgt uit artikel 7.2, derde lid, Woo).

Paragraaf 5.9. Toezicht op de naleving en opsporing

Artikel 5.35

1. De werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd, worden aangeduid als toezicht op de naleving van die voorschriften.

2. De werkzaamheden ter vaststelling in concrete gevallen of een strafbaar feit is gepleegd op basis van een redelijk vermoeden dat dit het geval is, worden aangeduid als opsporing van die feiten.

Artikel 5.36

Voor de regeling van de aanwijzing van toezichthouders worden de volgende modellen gebruikt:

a. a. bij aanwijzing van toezichthouders bij de wet:

    *Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast [aanduiding ambtenaren of andere personen].*

b. b. bij aanwijzing van toezichthouders krachtens de wet:

      1.
      
        *Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast de bij besluit van [aanduiding bestuursorgaan] aangewezen [ambtenaren / personen].*
      
    
    
      2.
      
        *Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.*
        *Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast de bij besluit van [aanduiding bestuursorgaan] aangewezen [ambtenaren / personen].*
        *Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.*

Artikel 5.37

Voor het uitsluiten van toezichtsbevoegdheden wordt het volgende model gebruikt:

De toezichthouder beschikt niet over de [bevoegdheid / bevoegdheden], genoemd in [artikel / de artikelen ...] van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.38

1.

Indien het in bijzondere gevallen wenselijk wordt geacht ook anderen dan de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen algemene opsporingsambtenaren te belasten met de opsporing van bepaalde strafbare feiten die geen economisch delict zijn, wordt daarvoor het volgende model gebruikt:

      *Met de opsporing van de bij [artikel / de artikelen ...] strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering / artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES], belast [aanduiding ambtenaren]. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in [de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht / de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht BES], voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.*
      *Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.*

2. Aan buitengewoon opsporingsambtenaren worden in beginsel naast de hun op grond van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten toekomende bevoegdheden geen bijzondere opsporingsbevoegdheden toegekend.

Artikel 5.39

1.

Het regelen van de mogelijkheid om bij de uitoefening van een bevoegdheid de assistentie van de politie in te roepen, geschiedt overeenkomstig het volgende model:

De [omschrijving bevoegde personen] oefenen hun [omschrijving bevoegdheid] zo nodig uit met behulp van de sterke arm.

2. Indien het de bedoeling is taken of bevoegdheden slechts op te dragen aan ambtenaren van politie die executieve werkzaamheden verrichten, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

3. Indien het de bedoeling is ook andere ambtenaren van politie taken of bevoegdheden op te dragen, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie.

Paragraaf 5.10. Sancties

Artikel 5.40

Als bestuurlijke sancties worden met name de volgende mogelijkheden overwogen: intrekken of schorsen van een beschikking, opleggen van een last onder bestuursdwang, opleggen van een last onder dwangsom of opleggen van een bestuurlijke boete.

Artikel 5.41

1. Indien intrekking of schorsing van een beschikking bij wijze van sanctie mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.

2. De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of schorsen van een beschikking bij wijze van sanctie, worden in de regeling gespecificeerd.

Artikel 5.42

Voor het verlenen van de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wordt het volgende model gebruikt:

[aanduiding bestuursorgaan] is bevoegd tot oplegging van een [last onder bestuursdwang / last onder dwangsom] ter handhaving van [aanduiding desbetreffende verplichtingen].

Artikel 5.43

1. Bij het vaststellen van een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt verwezen naar een van de boetecategorieën in het Wetboek van Strafrecht, tenzij het noodzakelijk is aan te sluiten bij afwijkende bedragen in een bestaand stelsel.

2.

Voor de bepaling waarin een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt vastgesteld, wordt het volgende model gebruikt:

De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de [...] categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES].

3.

Indien het vanwege de afschrikkende werking of grote financiële belangen noodzakelijk is om aan ondernemingen een zeer hoge bestuurlijke boete te kunnen opleggen die aansluit bij de hoogste boetecategorie in het Wetboek van Strafrecht of die, indien dat meer is, gerelateerd is aan de omzet van de desbetreffende onderneming, wordt het volgende model gebruikt:

De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES] of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.

Artikel 5.44

Door sancties te handhaven bepalingen worden zo nauwkeurig mogelijk geformuleerd.

Artikel 5.45

1. Indien de omschrijving van een strafbaar feit aan een lagere regeling wordt overgelaten, wordt in de wet geregeld welke straf kan worden opgelegd.

2. De geldboete die ten hoogste kan worden opgelegd, wordt aangegeven door het noemen van een van de geldboetecategorieën, vermeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onderscheidenlijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.

3.

Voor de strafbaarstelling van een feit dat niet alleen met een geldboete maar ook met een vrijheidsstraf wordt bedreigd, wordt het volgende model gebruikt:

Overtreding van artikel ... wordt gestraft met [gevangenisstraf / hechtenis] van ten hoogste [aantal maanden of jaren] of een geldboete van de ... categorie.

Artikel 5.46

Ten aanzien van elk strafbaar feit dat door een wet in het leven wordt geroepen of dat krachtens een wet bij lagere regeling in het leven kan worden geroepen, wordt in de wet aangegeven of het een misdrijf of een overtreding is. Daarvoor worden de volgende modellen gebruikt:

A. A.

    *De in artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.*

B. B.

    *De [in / krachtens] artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.*

Artikel 5.47

1. Strafbaarstelling als economisch delict geschiedt door de betrokken regeling in artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten op te nemen.

2. Bij aanwijzing van economische delicten worden de artikelen van de betrokken regeling waarvan overtreding een economisch delict oplevert, opgesomd. Zo nodig worden ook de afzonderlijke leden genoemd.

3.

De aanwijzing van economische delicten wordt overeenkomstig het volgende voorbeeld geformuleerd:

In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de artikelen 2 en 5, tweede en vierde lid;.

4.

Indien de Wet op de economische delicten wordt gewijzigd in verband met de wijziging van een regeling die reeds economische delicten bevat, wordt de wijziging overeenkomstig de volgende voorbeelden geformuleerd:

A. A.

      *In artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Meststoffenwet de artikelen 7, 14, eerste lid, 19, 20, eerste lid, 21, 22, derde lid, en 26, zesde lid; vervangen door (...).*

B. B.

      *In artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet bodembescherming. De desbetreffende zinsnede wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.*

Paragraaf 5.11. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming

Artikel 5.48

1. In een bijzondere wet worden in beginsel geen bepalingen over bestuursrechtelijke rechtsbescherming opgenomen.

2. Naast de bestaande gerechten worden geen nieuwe organen met bestuursrechtspraak belast.

Artikel 5.49

Indien er aanleiding is voor een van de volgende afwijkingen van een in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen hoofdregel van bestuursprocesrecht, wordt die afwijking in de bijlagen bij die wet geregeld:

a. a. rechtstreeks beroep; b. b. geen beroep; c. c. beroep in één instantie; d. d. beroep bij een andere rechtbank dan volgens de regels over relatieve competentie; e. e. hoger beroep bij een andere bestuursrechter dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; f. f. verlaagd griffierecht.

Artikel 5.50

Bij het toedelen van rechtsmacht aan een bestuursrechter wordt aangesloten bij de bestaande competentieverdeling.

Artikel 5.51

Voor één wet wordt zoveel mogelijk één rechtsgang gekozen.

Artikel 5.52

Voor het wijzigen van een bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht worden de volgende voorbeelden als uitgangspunt gebruikt:

A. A.

    *In bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:*
  
  
    *Wet tijdelijk huisverbod*

B. B.

    *In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht komt de zinsnede met betrekking tot de Telecommunicatiewet te luiden:*
  
  
    *Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid*

C. C.

    *In artikel 4 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:*
  
  
    *Zeewet, met uitzondering van:*
  
  
    
      a.
      
        *artikel 5, voor zover het betreft een aanwijzing*
      
    
    
      b.
      
        *artikel 6, voor zover het betreft:*
      
      
        
          1°.
          
            *een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing*
          
        
        
          2°.
          
            *een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden*

a. a.

        *artikel 5, voor zover het betreft een aanwijzing*

b. b.

        *artikel 6, voor zover het betreft:*
      
      
        
          1°.
          
            *een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing*
          
        
        
          2°.
          
            *een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden*

1°. 1°.

            *een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing*

2°. 2°.

            *een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden*

D. D.

    *In de artikelen 4 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.*

E. E.

    *In de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt Tabakswet en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:*
  
  
    *Tabaks- en rookwarenwet*

F. F.

    *In artikel 9 van bijlage 2 en artikel 2 van bijlage 3 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet werk en bijstand en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:*
  
  
    *Participatiewet: de artikelen ...*

Artikel 5.53

Indien de besluitvorming uiteenvalt in een reeks achtereenvolgende besluiten, wordt overwogen om slechts tegen één besluit bestuursrechtelijke rechtsbescherming open te stellen.

Artikel 5.54

1.

Administratief beroep wordt slechts opengesteld, indien:

a. a. sprake is van een niet in overwegende mate gebonden besluit, en b. b. het belang van de eenheid van beleid of van sturing door een hoger bestuursorgaan op een beleidsterrein waarvoor dit orgaan medeverantwoordelijkheid draagt, niet afdoende door andere bestuursinstrumenten kan worden verzekerd.

2. Tegen besluiten van bestuursorganen wordt, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat, geen administratief beroep opengesteld bij een ander orgaan van hetzelfde openbare lichaam.

Artikel 5.55

Indien het wenselijk is dat de werking van een besluit wordt opgeschort zolang het besluit nog door de bestuursrechter kan worden vernietigd, wordt het volgende model gebruikt:

De werking van het besluit wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Paragraaf 5.12. Doorberekening van toelatings- en handhavingskosten

Artikel 5.56

Bij het opnemen van bepalingen over de doorberekening van kosten voor toelating, voor toezicht op de naleving of voor repressieve handhaving van wet- en regelgeving wordt het toetsingskader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten Maat houden 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 24036, nr. 407) in acht genomen.

Artikel 5.57

1.

Indien het wenselijk is kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

      *[Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van [de vergunning / de ontheffing / het diploma / de concessie etc.] en van de overige documenten die bij of krachtens deze wet worden afgegeven [, alsmede van duplicaten en gewaarmerkte afschriften van deze documenten], ten laste van de aanvrager van het document.*
      *De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.*

2.

Indien het wenselijk is kosten voor het verrichten van werkzaamheden en diensten door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

      *[Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel ... ten laste van degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht.*
      *De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.*

3.

Indien het wenselijk is bedragen in de wet op te nemen en vervolgens via indexering aan te passen, wordt in plaats van een tweede lid dat voorziet in vaststelling van de bedragen bij ministeriële regeling het volgende model als uitgangspunt genomen:

      *De bedragen ter vergoeding van de kosten zijn als volgt: ...*
      *De bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de [naam index, bijvoorbeeld de consumentenprijsindex] daartoe aanleiding geeft.*

Paragraaf 5.13. Evaluatiebepaling

Artikel 5.58

Indien het wenselijk is te bepalen dat een wet wordt geëvalueerd, of dat over de uitvoering daarvan verslag wordt gedaan, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

Onze Minister van/voor ... zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk [of nadere omlijning van aspecten of onderdelen van de wet].

Paragraaf 5.14. Overgangsrecht

Artikel 5.59

Bij een nieuwe regeling of wijziging van een regeling wordt overwogen of overgangsbepalingen noodzakelijk zijn.

Artikel 5.60

Indien bij een wijziging van een regeling overgangsbepalingen noodzakelijk zijn, worden deze in de te wijzigen regeling opgenomen, tenzij dit gelet op de doelgroep, de geldigheidsduur of de toegankelijkheid, onwenselijk is.

Artikel 5.61

1. Een nieuwe regeling is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen (onmiddellijke werking).

2. Indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, wordt dit uitdrukkelijk bepaald.

Artikel 5.62

1. Aan een regeling wordt slechts terugwerkende kracht verleend, indien daarvoor een bijzondere reden bestaat.

2. Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling.

3. Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend.

4. Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.

Artikel 5.63

1. Het verlenen van terugwerkende kracht geschiedt niet door de regeling in werking te laten treden op een tijdstip dat in het verleden ligt.

2.

Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de volgende modellen gebruikt:

A. A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van ...; zie aanwijzing 4.21] en werkt [ten aanzien van artikel... / de artikelen...] terug tot en met... B. B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat [artikel ... / de artikelen ... van] deze wet / dit besluit [terugwerkt / terugwerken] tot en met [... / een in dat besluit te bepalen tijdstip] [, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld].

3. Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde bepalingen opgenomen.

4. In de toelichting wordt vermeld om welke reden en tot en met welk tijdstip het verlenen van terugwerkende kracht noodzakelijk is of kan zijn.

Artikel 5.64

1. Een nieuwe regeling kan een daarvoor geldende regeling blijvend (eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde werking) van toepassing laten op nader aangeduide feiten of verhoudingen, dan wel blijvend of voor een bepaalde periode gelding toekennen aan door een daarvoor geldende regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen.

2. Bij het verlenen van eerbiedigende of uitgestelde werking of het toekennen van gelding aan door een eerdere regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen blijkt uit de regeling duidelijk welke rechtsgevolgen beoogd worden.

Artikel 5.65

In geval van nieuwe regels voor procedures en bevoegdheden van organen ter zake van geschillen wordt met betrekking tot de zaken die voor de inwerkingtreding van deze regels aanhangig zijn gemaakt, uitdrukkelijk geregeld of het oude dan wel het nieuwe recht van toepassing is.

Artikel 5.66

Bij de beëindiging van een taak van een overheidsorgaan of de overgang van een taak op een ander overheidsorgaan wordt in het overgangsrecht een voorziening opgenomen voor de op die taak betrekking hebbende archiefbescheiden. Daarbij worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen:

A. A.

    *Archiefbescheiden van [overheidsorgaan A] betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan [overheidsorgaan B], voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.*

B. B.

    *Archiefbescheiden van [voorheen bevoegde overheidsorgaan] met betrekking tot taken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn beëindigd, worden overgedragen aan Onze Minister [van/voor ...]. Indien zij ingevolge de Archiefwet 1995 voor blijvende bewaring in aanmerking komen worden zij, zo nodig door tussenkomst van Onze Minister [van/voor ...], overeenkomstig de Archiefwet 1995 overgebracht naar een archiefbewaarplaats.*

C. C.

    *Onze Minister [van/voor ...] is met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zorgdrager voor de archiefbescheiden die door [voorheen bevoegde overheidsorgaan] ter beschikking zijn gesteld aan privaatrechtelijke rechtspersonen.*

Paragraaf 5.15. Samenloop van wetsvoorstellen

Artikel 5.67

Bij een wetsvoorstel wordt bezien of het noodzakelijk is de samenloop met een ander wetsvoorstel te regelen.

Artikel 5.68

1.

Indien de formulering van een wetsvoorstel tot wijziging van een wet afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel... van] die wet eerder in werking is getreden of treedt dan [artikel... van] deze wet, wordt [artikel... van] deze wet als volgt gewijzigd:....

2.

Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft voor de formulering van een ander wetsvoorstel tot wijziging van diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....

3.

Indien er tussen twee wetsvoorstellen tot wijziging van dezelfde wet een wederzijdse tekstuele afhankelijkheid bestaat, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet:

a. a.

      *eerder in werking treedt of is getreden dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ...;*

b. b.

      *later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ... .*

4.

Indien een wetsvoorstel gevolgen heeft voor de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....

5.

Indien de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, afhankelijk is van een ander wetsvoorstel, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen:

Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ....

Artikel 5.69

1. Indien door samenloop van twee of meer voorstellen van wet nog geen duidelijkheid bestaat over de uiteindelijke aanduiding van een artikel, een lid of een onderdeel, kan voor die aanduiding in het desbetreffende wetsvoorstel gebruik worden gemaakt van het symbool #, waarbij tussen blokhaken wordt vermeld op welke wijze de aanduiding in de bestaande nummering of lettering wordt opgenomen.

2. In de drukproeffase wordt het symbool # vervangen door de uiteindelijke aanduiding. De tussen blokhaken geplaatste tekst wordt daarbij geschrapt.

Artikel 5.70

1.

Indien daaromtrent niets is geregeld en de bedoeling van de wetgever niet uit de regeling of de toelichting kan worden afgeleid, is voor de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer regelingen die op hetzelfde tijdstip in werking treden, bepalend:

a. a. de datum van vaststelling van de regeling; b. b. indien de datum van vaststelling van beide regelingen dezelfde is: de datum van uitgifte van het Staatsblad of de Staatscourant; c. c. indien de datum van vaststelling en de datum van uitgifte van beide regelingen dezelfde zijn: het volgnummer van het Staatsblad of de Staatscourant.

2.

Voor het regelen van de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer wetten of algemene maatregelen van bestuur door middel van een inwerkingtredingsbesluit wordt een van de volgende modellen gebruikt:

A. A.

      *Met ingang van [datum] treden de volgende [wetten/besluiten] in werking, in de hieronder aangegeven volgorde:*
    
    
      
        a.
        
          *(...);*
        
      
      
        b.
        
          *(...).*

a. a.

          *(...);*

b. b.

          *(...).*

B. B.

      *Met ingang van [datum] treedt [wet/besluit] in werking, met dien verstande dat die wet/dat besluit in werking treedt voordat/nadat [wet/besluit] in werking treedt.*

Paragraaf 5.16. Tijdelijke regelingen

Artikel 5.71

1.

Voor het regelen van de werkingsduur van een tijdelijke regeling wordt een van de volgende modellen gebruikt:

A. A.

      *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt [met ingang van ... / ... jaar na het tijdstip van inwerkingtreding].*

B. B.

      *Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt op een bij [koninklijk besluit / door Onze Minister van/voor ... / door de Minister van/voor ...] te bepalen tijdstip.*

2. De verlenging van een tijdelijke regeling geschiedt door een wijziging van de vervaldatum die in de regeling (in geval van toepassing van model A) of het koninklijk of ministerieel besluit (in geval van toepassing van model B) is opgenomen, en die uiterlijk met ingang van de oorspronkelijke datum in werking kan treden.

Artikel 5.72

De tijdelijkheid van een regeling wordt in het opschrift en de citeertitel tot uitdrukking gebracht.

Artikel 5.73

1.

Indien het gewenst is tijdelijk van een bestaande regeling af te wijken, geschiedt dit in de vorm van:

a. a. een zelfstandige afwijkende regeling met tijdelijke werking; of b. b. een wijzigingsregeling die opeenvolgende wijzigingen aanbrengt in de tijdelijk te wijzigen regeling.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien mogelijk, de opvolgende wijziging opgenomen in de tijdelijk te wijzigen regeling zelf, en wordt daarin ook tot uitdrukking gebracht op welk tijdstip de opvolgende wijziging effect zal krijgen.

Paragraaf 5.17. Bijzondere vormen van geldingsmomenten en bekendmaking

Artikel 5.74

Om aan te geven dat aan een regeling of een onderdeel daarvan tijdelijk gelding kan worden verleend of de gelding daarvan kan worden opgeschort wordt de term in werking stellen, respectievelijk buiten werking stellen, gebruikt.

Toelichting

Met name in noodwetgeving komt het voor dat een regeling of regelingsonderdeel tijdelijk in of buiten werking gesteld moet kunnen worden. Het is niet wenselijk dat te regelen door middel van de inwerkingtreding daarvan. Van nog niet in werking getreden (onderdelen van) regelingen wordt in beginsel de tekst niet getoond in het Basiswettenbestand, terwijl bovendien onduidelijkheden optreden hoe zon regeling of regelingsonderdeel vervolgens weer gedeactiveerd moet worden en op een later moment weer in werking gesteld moet worden.

Voorbeeld

    1. Indien de beperkte noodtoestand is afgekondigd, worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor Nederland of een gedeelte daarvan bepalingen in werking gesteld die voorkomen op de bij deze wet behorende lijst A.
    1. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het in het eerste lid bedoelde besluit in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

(Artikel 7 van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)

Artikel 5.74a

1. Indien het noodzakelijk is om te regelen dat een regeling of regelingsonderdeel niet direct bij inwerkingtreding zal gelden voor één of meer categorieën van gevallen wordt dit tot uitdrukking gebracht door een afwijkend moment vast te stellen met ingang waarvan die regeling of dat onderdeel van toepassing wordt voor de desbetreffende categorie.

2. Een wet kan bepalen dat een daarin aangewezen toepassingsmoment bij koninklijk besluit wordt vastgesteld.

Eerste lid. Voorkomen moet worden dat voor verschillende categorieën verschillende inwerkingtredingsmomenten van een regeling worden vastgesteld (zie aanwijzing 4.14). Normaliter is een regeling of regelingsonderdeel algemeen toepasselijk vanaf het moment van inwerkingtreding daarvan. Indien het noodzakelijk is van deze hoofdregel af te wijken door voor een of meer categorieën van gevallen een later toepassingsmoment vast te stellen, krijgt een in werking getreden regeling(selement) uitgestelde werking ten aanzien van die gevallen waarvoor het toepassingsmoment nog niet is bereikt. Deze figuur kan met name bruikbaar zijn bij de implementatie van Europese regelgeving waarin verschillende data van toepassing zijn vastgesteld voor verschillende categorieën van gevallen.

Indien bij een wijziging van regelgeving een later toepassingsmoment van de nieuwe regeling moet gelden voor een categorie van gevallen, kan ook door middel van overgangsrecht uitgestelde werking aan de nieuwe regeling worden verleend voor de aangewezen categorie (zie aanwijzing 5.64).

Tweede lid. Deze figuur is vergelijkbaar met de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding bij afzonderlijk koninklijk besluit.

Deze wet is van toepassing met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende categorieën van inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 5.75

Indien bij of krachtens de wet wordt voorzien in de mogelijkheid om bekendmaking van daarop gebaseerde regelingen of besluiten in bijzondere gevallen te laten plaatsvinden in een andere vorm of op een andere wijze of locatie dan gebruikelijk, wordt daarbij eveneens bepaald dat deze regelingen of besluiten tevens zo spoedig mogelijk op de reguliere wijze worden gepubliceerd, met vermelding van de wijze waarop de bekendmaking heeft plaatsgevonden alsmede de datum en in voorkomend geval het tijdstip daarvan.

Toelichting

Deze aanwijzing ziet op de situatie dat in regelgeving de mogelijkheid wordt geboden om de bekendmaking van regelingen of besluiten in bijzondere omstandigheden, veelal met het oog op de snelheid daarvan, te laten plaatsvinden in een andere dan de gebruikelijke vorm of op een andere wijze of locatie. Daarbij valt te denken aan bekendmaking via de media in plaats van door plaatsing in de Staatscourant of het Staatsblad, door plaatsing van het besluit op een ander dan het gebruikelijke webadres, of door uitgifte in papieren vorm. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet dieren en artikel 3 van de Bekendmakingsregeling. Deze andere wijze van bekendmaken biedt veelal minder garanties over het behoud en de toegankelijkheid van deze bekendmaking op langere termijn. Daarom dient de bekendmaking van zon regeling of besluit gevolgd te worden door publicatie op de reguliere wijze. Omdat de eerste publicatie formeel geldt als moment van bekendmaking, dient de tweede publicatie de informatie daarover te vermelden.

Artikel 5.76

Een wet, algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling of beleidsregel kan na voorafgaande instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling of beleidsregel aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, indien:

a. a. de bijlage wegens aard of omvang niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en b. b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen op die wijze voldoende verzekerd is.

Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet: bekendmaking door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, bijvoorbeeld de website van (een dienstonderdeel van) de rijksoverheid.

De in aanwijzing 3.50, tweede lid, neergelegde eisen aan de vorm en locatie van bekendmaking zijn in zon geval overigens van toepassing.

Blijkens de wetsgeschiedenis moet deze uitzondering terughoudend worden toegepast. Uit de term bijlage volgt dat het bij de toepassing van artikel 7 van de Bekendmakingswet niet kan gaan om het gehele algemeen verbindend voorschrift of de gehele beleidsregel. Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor het Staatsblad en de Staatscourant geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 218, nr. 3, p. 41). Om te bewaken dat artikel 7 terughoudend wordt toegepast, is in dat artikel de figuur opgenomen van de instemming door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Omdat de uitzondering in de bekend te maken publicatie dient te worden opgenomen, zal die instemming voorafgaand aan de vaststelling moeten worden verkregen. Bij wetten en algemene maatregelen van bestuur wordt de instemming van de ministerraad met het voorstel van wet onderscheidenlijk het ontwerpbesluit geacht de instemming in te houden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de publicatie door middel van het aangewezen andere algemeen toegankelijk elektronisch medium.

Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium, geschiedt door middel van een bepaling in het lichaam van de regeling zelf, en wordt naar die bepaling verwezen in het slotformulier: zie aanwijzing 4.32. Wanneer de in de regeling aangegeven locatie moet worden aangepast, bijvoorbeeld omdat het internetadres wordt gewijzigd, dient dat ook te leiden tot wijziging van het aangegeven adres in die regeling.

Hoofdstuk 6. Wijziging en intrekking van regelingen

Paragraaf 6.1. Algemene uitgangspunten

Artikel 6.1

1. Wijziging of intrekking van een regeling geschiedt door een regeling van gelijke orde.

2. Intrekking door een regeling van hogere orde komt alleen in aanmerking in de situatie, bedoeld in aanwijzing 6.24, tweede lid.

Artikel 6.2

1. Indien het voornemen bestaat in een regeling een omvangrijke wijziging aan te brengen, wordt overwogen de regeling in te trekken en een nieuwe regeling vast te stellen.

2. Bij vervanging van een regeling door een nieuwe regeling wordt de oude regeling uitdrukkelijk ingetrokken.

Artikel 6.3

Indien de vaststelling van een nieuwe regeling een groot aantal wijzigingen in andere regelingen nodig maakt, wordt overwogen deze wijzigingen in een afzonderlijke regeling onder te brengen.

Artikel 6.4

Tot een wijzigingswet waarin meerdere inhoudelijke onderwerpen worden geregeld wordt in principe slechts overgegaan indien:

a. a. de verschillende onderdelen samenhang hebben; b. b. de verschillende onderdelen niet van een omvang en complexiteit zijn die een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigen; en c. c. het op voorhand niet de verwachting is dat één van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt.

Artikel 6.5

Indien een regeling strekt tot wijziging van meerdere regelingen, kunnen de wijzigingsbepalingen worden geplaatst:

a. a. in volgorde naar omvang of aard van de wijziging; b. b. in alfabetische volgorde van de te wijzigen regelingen; c. c. in volgorde naar het eerstverantwoordelijke ministerie waaronder de te wijzigen regelingen ressorteren.

Artikel 6.6

1. Een regeling die slechts betrekking heeft op wijziging of intrekking van een of meer bestaande regelingen, wordt ingedeeld in artikelen met Romeinse cijfers.

2. Indien een nieuwe regeling tevens strekt tot wijziging of intrekking van bestaande regelingen, worden ook de wijzigings- of intrekkingsbepalingen genummerd met Arabische cijfers.

3. In een omvangrijke aanpassings- of invoeringsregeling waarin regelingen van verschillende ministeries worden gewijzigd of ingetrokken, kan voor een andere nummering worden gekozen.

Paragraaf 6.2. Wijziging van regelingen

Artikel 6.7

Het opschrift en de aanhef van een regeling worden niet gewijzigd.

Artikel 6.8

1.

Indien een gewijzigde dan wel nieuwe regeling een nieuwe grondslag biedt aan bestaande uitvoeringsregelingen kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:

Na de inwerkingtreding van deze wet / dit besluit berust [betrokken uitvoeringsregeling] [mede] op artikel [de nieuwe delegatiebepaling] van deze wet / dit besluit.

2.

Indien het wenselijk is dat niet in de hogere regeling, maar in de uitvoeringsregeling de nieuwe grondslag wordt vermeld, kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen:

Dit besluit / Deze regeling berust [mede] op [artikel / de artikelen ...] van [delegerende wet / delegerend besluit].

3. Indien een regeling een nieuwe grondslag biedt aan een bestaande uitvoeringsregeling of indien een uitvoeringsregeling wordt gewijzigd met gebruikmaking van een nieuwe grondslag, wordt in de toelichting bij die regeling een overzicht opgenomen van de verschillende onderdelen van de integrale uitvoeringsregeling en de grondslagen waarop zij berusten.

Artikel 6.9

1. Vervanging van een tekst in een regeling wordt vormgegeven met de uitdrukking wordt vervangen door of, voor zover dit taalkundig mogelijk is, met de uitdrukking komt te luiden:.

2. Bij de vervanging van woorden of zinsneden wordt zowel de te vervangen tekst als de nieuwe tekst tussen aanhalingstekens geplaatst.

3. Indien een artikel of onderdeel daarvan wordt vervangen, begint de nieuwe tekst met de aanduiding van het artikel of het onderdeel.

Artikel 6.10

Bij wijziging van een bepaling wordt ten minste een gehele lees- of begripseenheid vervangen door een nieuwe lees- of begripseenheid.

Artikel 6.11

1. Voor het opnemen van een nieuw artikel of ander onderdeel van een regeling of het aanvullen van de bestaande tekst van een artikel of ander onderdeel van een regeling wordt het werkwoord invoegen of toevoegen gebruikt.

2. In een wijzigingsbepaling worden in of toe te voegen woorden en zinsneden tussen aanhalingstekens geplaatst.

Artikel 6.12

1. Het schrappen van een artikel of ander onderdeel van een regeling of het schrappen van een woord of zinsnede wordt aangeduid met het werkwoord vervallen. Het werkwoord intrekken wordt slechts gebruikt voor het beëindigen van de gelding van een gehele regeling.

2. In een wijzigingsbepaling worden woorden of zinsneden die vervallen tussen aanhalingstekens geplaatst.

Artikel 6.13

Bij wijziging van een regeling kunnen bestaande bepalingen strekkende tot wijziging van andere regelingen en andere uitgewerkte bepalingen van die regeling vervallen.

Artikel 6.14

Het vervallen van een bijlage bij een regeling wordt uitdrukkelijk geregeld.

Artikel 6.15

1. In een wijzigingsregeling en in de slotbepalingen van een nieuwe regeling wordt voor iedere te wijzigen regeling een artikel gebruikt.

2. Binnen een afzonderlijk artikel worden de verschillende wijzigingen van een regeling aangeduid met hoofdletters.

3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden de verschillende wijzigingen in een artikel van een regeling aangeduid met Arabische cijfers of kleine letters.

Artikel 6.16

1. De nummering van bij wijziging ingevoegde artikelen, boeken, delen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen geschiedt met behulp van letters, die worden toegevoegd aan de bestaande nummers.

2. Een eenmaal aangevangen wijze van nummering wordt voortgezet.

Artikel 6.17

1. Bij wijziging van regelingen worden artikelen, boeken, delen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen niet vernummerd, tenzij dit voor een logische nummering van de regeling wenselijk is.

2. De leden, onderdelen en subonderdelen van een artikel worden wel vernummerd of verletterd, tenzij daartegen overwegend bezwaar bestaat.

Artikel 6.18

1.

Het invoegen of vervallen van een artikellid geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

A. A.

      *Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:*
    
    
      
        2.
        
          *(...)*
          *(...)*

B. B.

      *Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid.*

2.

Het wijzigen van de aanduiding van een artikelonderdeel of het invoegen of toevoegen van een artikelonderdeel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

A. A.

      *Onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot d tot en met g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:*
    
    
      
        c.
        
          *(...)*

c. c.

          *(...)*

B. B.

      *Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:*
    
    
      
        e.
        
          *(...)*

e. e.

          *(...)*

C. C.

      *Onder vervanging van ; of aan het slot van onderdeel c door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door ; of wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:*
    
    
      
        e.
        (...)

e. e. (...)

3.

Het toevoegen van een of meer leden aan een artikel dat nog niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

      *Voor de tekst wordt de aanduiding 1. geplaatst.*
      *Er wordt een lid toegevoegd, luidende:*
    
    
      
        2.
        
          *(...)*
          *(...)*

4.

Het wijzigen van een uit leden bestaand artikel tot een artikel dat niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

Het tweede lid alsmede de aanduiding 1. voor het eerste lid vervallen.

Artikel 6.19

Indien een artikel, lid of onderdeel in één wijzigingsregeling zowel wordt vernummerd of verletterd als gewijzigd, wordt dat artikel, lid of onderdeel ten behoeve van die wijziging aangeduid met de nieuwe nummering of lettering, met toevoeging van de vermelding (nieuw).

Artikel 6.20

In een overgangsbepaling ter zake van een wijziging van een voorschrift wordt verwezen naar het gewijzigde voorschrift en niet naar de wijzigingsbepaling.

Artikel 6.21

Bij complexe wijzigingsvoorstellen wordt ter verduidelijking van de voorgestelde wijzigingen in een wet of algemene maatregel van bestuur, een vergelijkend overzicht van de te wijzigen bepalingen en de voorgestelde bepalingen aan de Afdeling advisering van de Raad van State, respectievelijk aan de Tweede en Eerste Kamer gezonden.

Artikel 6.22

1. Na wijziging van een regeling wordt geen integrale tekst van die regeling in het Staatsblad of de Staatscourant geplaatst.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een integrale tekst worden geplaatst, indien het gewenst is tevens tot vernummering van de gehele gewijzigde regeling over te gaan, of de tekst van de gewijzigde regeling die in oude spelling is geformuleerd, over te brengen naar de geldende spelling. In die gevallen wordt daartoe een bepaling opgenomen in de wijzigingsregeling, overeenkomstig het volgende model:

De tekst van [aanduiding van de betrokken regeling] wordt in [het Staatsblad / de Staatscourant] geplaatst.

3.

In geval van vernummering wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:

Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] stelt [Onze Minister / de Minister (van/voor...)] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van [aanduiding van de betrokken regeling] opnieuw vast en brengt hij de in [die wet / dat besluit / die regeling] voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.

4.

Ingeval van overbrenging in de geldende spelling wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd:

Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] wordt de tekst door [Onze Minister /de Minister (van/voor...)] overgebracht in de geldende spelling.

Paragraaf 6.3. Intrekken en vervallen van regelingen

Artikel 6.23

Intrekking van een regeling geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld:

De Vuurwapenwet 1919 wordt ingetrokken.

Artikel 6.24

1. Bij de gehele of gedeeltelijke intrekking van een regeling wordt mede ingetrokken de op deze regeling of het in te trekken gedeelte daarvan gebaseerde uitvoeringsregelgeving, tenzij voor die regelgeving een andere grondslag bestaat of specifiek bij die gelegenheid tot stand wordt gebracht.

2. De intrekking kan geschieden in de regeling die strekt tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de delegerende regeling.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het laten vervallen van bepalingen in een uitvoeringsregeling in verband met het vervallen van de grondslag daarvan.

Artikel 6.25

1. Een regeling die terstond is uitgewerkt nadat zij in werking is getreden, wordt niet ingetrokken.

2. Evenmin wordt in een dergelijke regeling voorzien in het vervallen van de regeling.

Artikel 6.26

1. Het wijzigen van een al uitgevoerde wijzigingsopdracht leidt niet tot aanpassing van de aangebrachte wijzigingen. Evenmin maakt het laten vervallen van een al uitgevoerde wijzigingsopdracht de aangebrachte wijzigingen ongedaan.

2. Een ingetrokken regeling of een vervallen bepaling herleeft niet door het laten vervallen van de bepaling, krachtens welke zij is ingetrokken of vervallen.

Paragraaf 6.4. Wijziging van wetsvoorstellen

Artikel 6.27

1. Door de regering gewenste veranderingen in door haar ingediende voorstellen van wet krijgen de vorm van een nota van wijziging.

2. Het opstellen van een nota van wijziging geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen 6.9 tot en met 6.12 en 6.16.

3. In het opschrift worden een tweede, derde en volgende nota van wijziging als zodanig aangeduid.

4. De aanhef van een nota van wijziging luidt: Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

5. Een nota van wijziging wordt niet ingedeeld in artikelen. De onderdelen worden met hoofdletters of Arabische cijfers aangeduid. Een eventuele verdere onderverdeling geschiedt met Arabische cijfers of kleine letters.

Artikel 6.28

1. Een nota van wijziging wordt van een toelichting voorzien.

2. Betreft het een nota van wijziging die tegelijk met een nota naar aanleiding van het verslag wordt ingediend, dan kan ter toelichting worden volstaan met een verwijzing naar een bepaald gedeelte van de nota naar aanleiding van het verslag.

Artikel 6.29

1. Een nota van wijziging wordt niet ondertekend, de toelichting op een nota van wijziging wel.

2. De toelichting op een nota van wijziging wordt bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.

Artikel 6.30

Indien tijdens de schriftelijke behandeling van een wetsvoorstel een nota van wijziging met inhoudelijke betekenis wordt overwogen, wordt overlegd met het Ministerie van Justitie en Veiligheid of die nota van wijziging aan een wetgevingstoets zal worden onderworpen.

Artikel 6.31

Indien de regering een ingediend amendement overneemt, blijft de indiening van een nota van wijziging ter zake achterwege.

Artikel 6.32

Tijdens de behandeling van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt geen wijziging aangebracht in de nummering van de artikelen of, bij wijzigingswetten, in de lettering van de verschillende onderdelen van een artikel, tenzij dit onvermijdelijk is.

Artikel 6.33

1.

Indien er de voorkeur aan wordt gegeven dat de (eerst)verantwoordelijke bewindspersoon en niet de voorzitter van de Tweede Kamer zorg draagt voor een doorlopende nummering van een wet, wordt dit bepaald overeenkomstig het volgende model:

Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister [van/voor ...] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.

2.

In dat geval geschiedt de vaststelling van de nieuwe nummering en het daarmee in overeenstemming brengen van de desbetreffende aanhalingen bij een door de betrokken bewindspersoon vastgesteld en ondertekend besluit overeenkomstig het volgende model:

De Minister van/voor ... / de Staatssecretaris van ...,

Gelet op artikel ... [bepaling overeenkomstig het in het eerste lid gegeven model];

Besluit:

Enig artikel

Overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage wordt de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van de ... [citeertitel van de wet] opnieuw vastgesteld en worden de in die wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.

Artikel 6.34

Indien het gewenst is ten aanzien van een wetsvoorstel tijdens of na de behandeling in de Eerste Kamer maar voor de bekrachtiging door de Koning een wijzigingsvoorstel in te dienen, wordt dit voorstel geformuleerd overeenkomstig het volgende model:

ARTIKEL I

Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: ...

Hoofdstuk 7. Procedures

Paragraaf 7.1. Interdepartementale voorbereiding

Artikel 7.1

Bij de voorbereiding van een regeling worden de onderdelen van andere ministeries betrokken die bemoeienis hebben met het te regelen onderwerp of een onderdeel daarvan of met onderwerpen die door de regeling worden geraakt.

Artikel 7.2

1. Over een regeling die van betekenis is voor het rijksbeleid inzake decentrale overheden, overlegt het eerstverantwoordelijke ministerie in een vroegtijdig stadium met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Indien de regeling wijziging brengt in de taken en bevoegdheden van decentrale overheden, vindt tijdig overleg plaats met de beheerders van het gemeentefonds, het provinciefonds of het BES-fonds over de financiële gevolgen daarvan.

Artikel 7.3

1. Bij de voorbereiding van een regeling die een koninkrijksaangelegenheid betreft, vindt overleg plaats met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt van contacten met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers op de hoogte gehouden.

2. Het eerste lid is eveneens van toepassing bij de voorbereiding van een regeling ten aanzien waarvan concordantie is voorgeschreven.

Artikel 7.4

1.

Vanwege de primaire verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de toetsing van wetgeving op rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit, met inbegrip van de constitutionele, Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke toetsing van wetgeving, worden de volgende stukken, voordat zij ter behandeling aan de ministerraad of een onderraad worden aangeboden, ter toetsing aan de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorgelegd:

a. a. voorstellen van wet; b. b. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur; c. c. ingrijpende notas van wijziging op een wetsvoorstel; d. d. een voorstel van wet of ontwerp van een algemene maatregel van bestuur en het nader rapport daarbij, ingeval het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State daarop ingrijpende kritiek op inhoud of vormgeving bevat.

2. Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het beheer van de Grondwet werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de constitutionele toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3. Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4. Het voorleggen geschiedt dusdanig tijdig, dat er voldoende ruimte is voor reëel overleg over alternatieve mogelijkheden, indien de Directie Wetgeving en Juridische Zaken dat noodzakelijk acht.

5. Het eerste lid is niet van toepassing op stukken als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, waarover in overleg tussen het betrokken ministerie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid is bepaald dat deze niet ter toetsing voorgelegd hoeven worden.

Artikel 7.5

1. In de toelichting bij een regeling worden door het eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende gevallen de gevolgen van de regeling voor bedrijven en voor het milieu uiteengezet en waar nodig gekwantificeerd.

2. De wijze waarop de gevolgen voor bedrijven in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Artikel 7.5a

    1. In de toelichting bij een regeling worden de gevolgen van de regeling voor de regeldruk uiteengezet en gekwantificeerd.
    1. De wijze waarop de gevolgen voor de regeldruk in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk.

Toelichting

Eerste lid. Zie ook aanwijzing 4.45.

Tweede lid. Zie voor de wijze van toetsing het Instellingsbesluit Adviescollege toetsing regeldruk.

Artikel 7.5b

Bij een regeling met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 wordt advies gevraagd aan het Adviescollege ICT-toetsing.

Toelichting

Ingevolge het Instellingsbesluit Adviescollege ICT-toetsing dienen ICT-projecten met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 van de ministeries, publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 4 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, de politie of de Raad voor de rechtspraak voorgelegd te worden aan het Adviescollege ICT-toetsing teneinde een advies te verkrijgen over de risicos en slaagkans, alsmede een oordeel over de mate van beheersbaarheid daarvan. Het adviestraject leidt tot een openbaar advies.

Artikel 7.6

1. In de toelichting bij een regeling worden door het eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende gevallen de gevolgen van de regeling voor decentrale overheden uiteengezet.

2. De wijze waarop dit aspect is verantwoord in de toelichting bij de regeling wordt getoetst door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Paragraaf 7.2. Notificatie van ontwerpregelingen

Artikel 7.7

1. Bij de voorbereiding van regelingen beziet het voor de regeling eerstverantwoordelijke ministerie steeds of bindende EU-rechtshandelingen of andere internationale verplichtingen ertoe noodzaken het ontwerp van de regeling te notificeren aan een instelling van de Europese Unie of van een andere internationale organisatie.

2. Bij de bepaling van het tijdstip van vaststelling van de regeling wordt in voorkomend geval de voorgeschreven standstillperiode in acht genomen dan wel stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van de desbetreffende instelling afgewacht.

Artikel 7.8

1.

Indien in een regeling voorschriften worden vastgesteld die ingevolge een bindende EU-rechtshandeling of andere internationale verplichting in ontwerp zijn genotificeerd aan een instelling van de Europese Unie of van een andere internationale organisatie, wordt dat vermeld in het algemeen deel van de toelichting bij die regeling, onder verwijzing naar de desbetreffende EU-rechtshandeling of internationale verplichting. Voor de vermelding wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

[Het voorstel van wet / Het ontwerpbesluit / De ontwerpregeling] is op [datum notificatie] ingevolge artikel ... van [aanduiding bindende EU-rechtshandeling of internationale verplichting] voorgelegd aan [aanduiding instelling]. Naar aanleiding van de reacties van [aanduiding instelling of andere betrokkenen] wordt het volgende opgemerkt. [reactie of doorgevoerde aanpassingen].

2.

Indien het een notificatie in het kader van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) betreft, wordt daarvan tevens mededeling gedaan in de Staatscourant. Voor de mededeling wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

  • Ter voldoening aan [artikel 2, negende lid, / artikel 5, zesde lid,] van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235), deelt de Minister [van / voor ...] mee dat een [voorstel van wet / ontwerpbesluit / ontwerpregeling tot / , houdende ...] waarin [technische voorschriften / voorschriften omtrent keuringen] worden gesteld aan [aanduiding soort goederen], is gemeld aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie. Informatie over deze technische voorschriften kan worden ingewonnen bij het Ministerie van [...].*

Paragraaf 7.3. Advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State

Artikel 7.9

1. Aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden geen voorstellen van wet of ontwerpen voor een algemene maatregel van bestuur voorgelegd, ten aanzien waarvan de beleidsvoorbereiding en de besluitvorming in de ministerraad nog niet is afgerond.

2. Een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur wordt in beginsel niet eerder aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd, dan nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt, door de Tweede Kamer is aanvaard.

Artikel 7.10

Bij een adviesaanvraag aan de Afdeling advisering van de Raad van State over een voorstel van wet of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur worden de volgende adviezen over dat voorstel of ontwerp die door het ministerie zijn ontvangen, aan de Afdeling advisering toegezonden:

a. a. adviezen van de Europese Commissie; b. b. adviezen van adviescolleges; c. c. adviezen van belangrijke organisaties van belanghebbenden indien kennisneming ervan kan dienen tot een beter inzicht in de in het voorstel of het ontwerp en de toelichting vervatte beleidskeuzen; d. d. overige adviezen waarnaar in de memorie of nota van toelichting wordt verwezen; e. e. overige adviezen, waarvan de verantwoordelijke bewindspersoon toezending wenselijk acht.

Artikel 7.11

Het vragen van een spoedbehandeling van een adviesaanvraag kan slechts worden gedaan met machtiging van de ministerraad.

Artikel 7.11a

Een beslissing als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet open overheid, tot het uitstellen van de openbaarmaking van een ontwerpregeling, de bijbehorende adviesaanvraag en het daarop betrekking hebbende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, wordt slechts genomen met machtiging van de ministerraad.

De Woo voorziet in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, in een uitzondering op de hoofdregel dat ontwerpregelingen waarover advies wordt gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen een termijn van twee weken actief openbaar worden gemaakt. Deze uitzondering geldt tevens voor de openbaarmaking van het uitgebrachte advies, waarvoor als hoofdregel eveneens een tweewekentermijn geldt (deze hoofdregel vloeit thans voort uit artikel 10.2b Woo, dat voorziet in overgangsrecht zolang artikel 3.3, tweede lid, Woo inzake actieve openbaarmaking nog niet in werking is getreden). De mogelijkheid om de openbaarmaking uit te stellen is uitsluitend bedoeld voor situaties waarin openbaarmaking conform de tweewekentermijn afbreuk zou doen aan een met de regeling beoogd doel. In de parlementaire geschiedenis van de Woo genoemde voorbeelden zijn de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius en fiscale wetten die anticiperend gedrag kunnen uitlokken. Een dergelijke situatie zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.

De beslissing om de openbaarmaking van de genoemde stukken uit te stellen behoort primair tot de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Van belang is dat aan deze beslissing een zorgvuldige afweging voorafgaat. Daarbij dient afstemming plaats te vinden met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Voor het voorstel aan de ministerraad om deze uitzondering uit de Woo toe te passen kan worden volstaan met het ontwerp van de brief van de verantwoordelijke minister aan de vice-president van de Raad van State waarin gemotiveerd kennis wordt gegeven van de uitgestelde openbaarmaking. Deze brief wordt in concept aan de ministerraad voorgelegd.

Artikel 3.3, vijfde lid, onder a, Woo is eveneens van toepassing op eventuele adviesaanvragen voorafgaand aan adviesaanvragen aan de Afdeling advisering. In die fase is geen instemming van de ministerraad noodzakelijk. In dergelijke gevallen zal echter als genoemde bepaling aan de orde is, terughoudend worden omgegaan met andere formele adviesaanvragen dan het wettelijk verplichte advies van de Afdeling advisering.

Artikel 7.12

Indien tijdens de adviesprocedure bij de Afdeling advisering van de Raad van State blijkt dat aan de voortzetting van de behandeling van een wetsvoorstel of het ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur geen behoefte meer bestaat, bevordert de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de ministerraad, dat de adviesaanvraag wordt ingetrokken.

Artikel 7.13

In het nader rapport aan de Koning wordt het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State integraal opgenomen en wordt de reactie daarop te bestemder plaatse tussengevoegd.

Artikel 7.14

Indien een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van een wetsvoorstel of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur bevat, wordt het wetsvoorstel of ontwerp opnieuw in de ministerraad aan de orde gesteld.

Artikel 7.15

1. Indien in een wetsvoorstel of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur waarover de Afdeling advisering van de Raad van State advies heeft uitgebracht, vóór de indiening, onderscheidenlijk de vaststelling, daarvan ingrijpende wijzigingen worden aangebracht die niet het gevolg zijn van het advies van de Afdeling advisering, wordt de Afdeling over deze wijzigingen gehoord.

2. Indien in een ingediend wetsvoorstel door de regering ingrijpende wijzigingen worden aangebracht, wordt de Afdeling advisering over deze wijzigingen gehoord, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.

3. De aanwijzingen 7.9, eerste lid, en 7.10 tot en met 7.14 zijn van overeenkomstige toepassing op de advisering over een nota van wijziging.

Artikel 7.16

Over een bij amendement voorgestelde ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel wordt de Afdeling advisering van de Raad van State alleen gehoord, indien de betrokken bewindspersoon daaraan met het oog op zijn oordeelsvorming over het amendement behoefte gevoelt.

Paragraaf 7.4. Parlementaire behandeling van regeringsvoorstellen van wet

Artikel 7.17

De in aanwijzing 7.10 bedoelde adviezen over een voorstel van wet worden aan de Tweede Kamer toegezonden.

Artikel 7.18

1. De nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling en de volgorde van het verslag.

2. Indien dat wenselijk is met het oog op verwijzing worden in de nota naar aanleiding van het verslag de onderdelen of vragen van het verslag genummerd wanneer dat niet is gebeurd in het verslag zelf.

3. Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op andere stukken die het karakter hebben van een puntsgewijze reactie op voorgelegde vragen of opmerkingen.

Artikel 7.19

De beantwoording van een verslag van de Tweede Kamer vindt in beginsel plaats binnen eenzelfde termijn als die welke de Kamercommissie heeft genomen voor het uitbrengen van het verslag, waarbij als aanvangsdatum geldt de datum van de koninklijke boodschap.

Artikel 7.20

Leden van de Tweede Kamer die een amendement willen voorstellen, kunnen het betrokken ministerie bijstand verzoeken bij het formuleren van amendementen. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.

Artikel 7.21

1. Een memorie van antwoord op een voorlopig verslag van de Eerste Kamer wordt uiterlijk veertien dagen vóór de beoogde datum van openbare behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel bij de Eerste Kamer ingediend.

2. In spoedeisende gevallen kan van deze termijn in overleg met de griffie van de Eerste Kamer worden afgeweken.

Artikel 7.22

1. Intrekking van een bij de Tweede of de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel geschiedt bij brief van de betrokken bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de Koning.

2. Is het wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer, dan wordt ook aan de voorzitter van de Tweede Kamer mededeling gedaan van de intrekking.

Paragraaf 7.5. Behandeling van initiatiefvoorstellen van wet

Artikel 7.23

Leden van de Tweede Kamer die een initiatiefvoorstel van wet aanhangig willen maken, kunnen de betrokken bewindspersoon bijstand verzoeken bij het formuleren daarvan. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.

Artikel 7.24

1. Bewindspersonen geven zowel bij de schriftelijke als bij de mondelinge behandeling van een initiatiefvoorstel alle inlichtingen en adviezen die van hen worden gevraagd en waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Bij de mondelinge behandeling zijn de bewindspersonen steeds aanwezig.

2. Bewindspersonen maken ook eigener beweging, zowel in de schriftelijke als in de mondelinge fase, alle opmerkingen die zij dienstig achten om te komen tot een goed wetgevingsproduct.

3. Ook tijdens de parlementaire behandeling van een initiatiefvoorstel wordt desgewenst aan de initiatiefnemers zoveel mogelijk en zo snel mogelijk ambtelijke bijstand van juridische en wetgevingstechnische aard verleend.

Tweede lid. De bewindspersoon maakt in ieder geval eigener beweging opmerkingen, indien de bewindspersoon meent dat het initiatiefvoorstel op een of meer punten onverenigbaar is met materiële of procedurele verplichtingen die voortvloeien uit hoger recht. De bewindspersoon zet in het kader van diens inbreng uiteen dat en in welke zin het voorstel onverenigbaar is met hoger recht, en wat dit volgens de bewindspersoon betekent voor het initiatiefvoorstel.

Dit betekent bijvoorbeeld dat indien nog niet de ingevolge richtlijn (EU) 2018/958 verplichte evenredigheidsbeoordeling door het betrokken lid van de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden ten aanzien van een initiatiefvoorstel dat een beperking van de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep omvat, de bewindspersoon deze onverenigbaarheid met die richtlijn vermeldt in diens inbreng. Zie ook aanwijzing 2.15.

Artikel 7.25

Bewindspersonen dragen er zorg voor dat zij in voorkomende gevallen over initiatiefvoorstellen kunnen spreken namens het kabinet. Daartoe stellen zij deze tijdig in de ministerraad aan de orde.

Artikel 7.26

Zo spoedig mogelijk, maar niet later dan drie maanden na aanneming van een initiatiefvoorstel door de Eerste Kamer doet de betrokken bewindspersoon mededeling aan de Staten-Generaal omtrent de besluitvorming over het al dan niet bekrachtigen van het voorstel, of, indien een besluit nog niet is genomen, van de stand van zaken daaromtrent en van het tijdstip waarop nieuwe mededelingen als vorenbedoeld zullen worden gedaan.

Bij deze aanwijzing is ook van belang dat indien niet-bekrachtiging wordt overwogen, advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State dient te worden gevraagd, hetgeen consequenties heeft voor de procedure en de termijn daarvan.

Hoofdstuk 8. Voorbereiding, goedkeuring en implementatie van verdragen

Paragraaf 8.1. Verdragen

Artikel 8.1

1. Onder verdrag wordt verstaan: iedere op schrift gestelde overeenkomst die volgens volkenrechtelijke criteria voor de staat verbindend is.

2. In de Nederlandse titel van een verdrag wordt bij voorkeur de grondwettelijke term verdrag gebruikt en niet de term overeenkomst.

3. In verdragen wordt het Koninkrijk der Nederlanden als zodanig aangeduid als partij bij het verdrag.

4. Bij de onderhandelingen over ontwerpverdragen wordt er naar gestreefd de staat en derhalve niet de regering als verdragspartij aan te duiden.

Artikel 8.2

1. De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij de totstandbrenging van verdragen die voor de landen mede kunnen gelden of deze landen anderszins kunnen raken en bij de ter zake te volgen procedures.

2. De afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderhoudt de contacten hierover met de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Artikel 8.3

1. Over de voorbereiding van verdragen wordt in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Internationaal Recht en de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2. Over de goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt met het oog op de coördinatie ter verzekering van een consistent verdragsbeleid in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

3. In gevallen dat het initiatief met betrekking tot verdragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt, zoekt de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken op haar beurt in een zo vroeg mogelijk stadium daarover contact met eventuele andere betrokken ministeries.

4. Over de voorbereiding en goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt eveneens contact gezocht met de onderdelen van andere ministeries die bemoeienis hebben met het onderwerp waarop het verdrag of een onderdeel daarvan betrekking heeft of met onderwerpen die door het verdrag worden geraakt.

Artikel 8.4

1. Bij de voorbereiding van en de onderhandelingen over een verdrag wordt tijdig en zorgvuldig aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wet- en regelgeving.

2. Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over een verdrag dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij in een zo vroeg mogelijk stadium worden ingeschakeld.

3. De onderhandelingsdelegaties nemen in hun verslag datgene op wat van belang is voor de implementatie en voor de parlementaire goedkeuring.

Artikel 8.5

De opstelling van de authentieke Nederlandse tekst van een verdrag of van de Nederlandse vertaling geschiedt door of onder verantwoordelijkheid van de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Paragraaf 8.2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties

Artikel 8.6

1. Regeringsvertegenwoordigers die zitting hebben in een orgaan van een volkenrechtelijke organisatie dat besluiten neemt die de lidstaten van die organisatie binden, dragen er zorg voor dat, indien besluiten in voorbereiding zijn die het regeringsbeleid betreffen of anderszins van groot belang zijn, de ontwerpen voor deze besluiten voorwerp van overleg vormen tussen de betrokken ministeries en in de ministerraad aan de orde worden gesteld.

2. Indien het om bindende besluiten gaat wordt ook de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het voorbereidende stadium betrokken.

Artikel 8.7

1. Bij de voorbereiding van besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wetgeving.

2. Wanneer een het Koninkrijk bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot stand is gekomen dat voor zijn uitvoering wettelijke voorschriften vereist, worden deze zo spoedig mogelijk en binnen de eventueel voorgeschreven termijn tot stand gebracht.

3. Indien het besluit bepalingen bevat die een ieder kunnen verbinden en niet verenigbaar zijn met geldende wettelijke voorschriften, worden onverwijld maatregelen getroffen tot aanpassing van de desbetreffende wettelijke voorschriften.

Artikel 8.8

1. Indien een verdrag een verwijzing bevat naar een instantie die voor het Koninkrijk bindende besluiten kan nemen en die instantie niet kan worden aangemerkt als orgaan van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van de artikelen 92, 93 en 94 van de Grondwet, wordt het verdrag goedgekeurd bij wet.

2. In het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag wordt in dat geval een machtigingsbepaling opgenomen, inhoudende dat de besluiten die door deze instantie worden genomen, geen goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven.

Paragraaf 8.3. Voorbereiding van wetgeving inzake goedkeuring en implementatie

Artikel 8.9

1. Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt onderzocht in hoeverre de naleving door het Koninkrijk wettelijke voorschriften vereist.

2. Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt eveneens onderzocht of het verdrag mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat als bedoeld in artikel 93 Grondwet.

3. Indien tot stand te brengen voorschriften bij wet moeten worden vastgesteld, wordt het desbetreffende wetsvoorstel in beginsel gelijktijdig met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag bij de Tweede Kamer ingediend.

Artikel 8.10

1. De uitdrukkelijke goedkeuring van verdragen die krachtens een territorialiteitsbepaling of naar hun aard binnen het Koninkrijk alleen voor Nederland gelden, geschiedt niet bij rijkswet, maar bij wet.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring van verdragen waarbij medegelding voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten weliswaar mogelijk is, maar waarbij reeds bij de indiening van het goedkeuringswetsvoorstel definitief is vastgesteld dat het verdrag niet mede voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten zal gaan gelden.

Artikel 8.11

Indien in een wet de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt gedelegeerd naar een lagere regeling, wordt voor de delegatiebepaling het volgende model als uitgangspunt genomen:

[Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur / Bij ministeriële regeling] worden regels gesteld ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 8.12

1.

Voor een voorstel van (rijks)wet tot goedkeuring van een verdrag wordt het volgende model gevolgd:

Goedkeuring van het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... [zie aanwijzing 3.38]

Wij Willem-Alexander, [zie verder aanwijzing 4.5]

(...)

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State [van het Koninkrijk] gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, [de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde,] hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... , waarvan de ... tekst [en de vertaling in het Nederlands] [is/zijn] geplaatst in Tractatenblad [jaartal], nr. [ nummer] , wordt goedgekeurd voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk].

Artikel 2

Deze [rijks]wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen ... [zie verder aanwijzing 4.31, eerste lid].

2.

Voor de goedkeuring van een voorbehoud bij een verdrag wordt het volgende model gebruikt:

Artikel (...)

Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in artikel 1 genoemde verdrag voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk] het volgende voorbehoud wordt gemaakt: [tekst voorbehoud].

3.

Voor een machtigingsbepaling als bedoeld in aanwijzing 8.8, tweede lid, wordt het volgende model gebruikt:

Artikel (...)

De besluiten, bedoeld in [artikel / de artikelen ...] van het in artikel 1 genoemde verdrag, behoeven niet de goedkeuring van de Staten-Generaal.

Artikel 8.13

1. Een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag wordt voorzien van een memorie van toelichting.

2. Een voorstel tot stilzwijgende goedkeuring van een verdrag gaat vergezeld van een toelichtende nota.

3. Toelichtingen op verdragen worden beperkt tot hetgeen voor een goed begrip nodig is. In voorkomend geval wordt daarin aangegeven dat wijziging van een bijlage die een integrerend onderdeel vormt van het verdrag en waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het verdrag zelf, geen parlementaire goedkeuring behoeft, tenzij de Staten-Generaal zich het recht daartoe voorbehouden.

4. Indien een verdrag gevolgen heeft voor de nationale wet- en regelgeving, wordt dit in de toelichting besproken. Bij de binding van het Koninkrijk te maken voorbehouden en af te leggen verklaringen die geen voorbehouden inhouden, worden eveneens in de toelichting besproken.

5. In de toelichting op een verdrag wordt besproken of een verdrag naar de mening van de regering mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat.

6. In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, worden de redenen beschreven om aan dat verdrag wel of geen gelding of medegelding voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verlenen.

7. In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, wordt aangegeven of het verdrag wel of geen gelding of medegelding heeft voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Paragraaf 8.4. Behandeling in de (rijks)ministerraad

Artikel 8.14

1. Met betrekking tot verdragen worden in de (rijks)ministerraad gelijktijdig aan de orde gesteld de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag, alsook de parlementaire goedkeuringsstukken.

2. Het eerste lid geldt niet indien het noodzakelijk wordt geacht dat eerst alleen de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag aan de orde worden gesteld.

3. Bij de beraadslaging over de sluiting van een verdrag of de goedkeuring ervan spreekt de (rijks)ministerraad zich erover uit of het verdrag Aruba, Curaçao en Sint Maarten al dan niet raakt in de zin van artikel 2, derde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.

Paragraaf 8.5. Bewaring en bekendmaking

Artikel 8.15

Originele ondertekende exemplaren van bilaterale verdragen en gewaarmerkte afschriften van multilaterale verdragen dienen aan de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken te worden gezonden ter deponering in het archief der verdragen, dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd.

Artikel 8.16

Teksten van besluiten van volkenrechtelijke organisaties en verdragsrechtelijke gegevens worden met het oog op de bekendmaking toegezonden aan de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 8.17

Wanneer een verdrag is ondertekend of anderszins tot stand komt, wordt zo nodig overleg gevoerd met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over spoedige bekendmaking van de tekst in het Tractatenblad.

Paragraaf 8.6. Stilzwijgende en uitdrukkelijke goedkeuring

Artikel 8.18

1. Voorstellen tot goedkeuring van verdragen worden op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken bij de Afdeling advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) aanhangig gemaakt, met het oog op advisering.

2. In spoedgevallen kan een voorstel tot goedkeuring van een verdrag bij de Afdeling advisering aanhangig worden gemaakt, voordat het verdrag is ondertekend of anderszins tot stand is gekomen, mits de besluitvorming in de (rijks)ministerraad over de tekst van het verdrag, de toelichting daarop en de overige voor de goedkeuring door de Staten-Generaal noodzakelijke stukken en het gebruik van de spoedprocedure is afgerond.

3. Na ontvangst van het advies wordt een nader rapport opgesteld, waarin op de eventuele opmerkingen van de Afdeling advisering wordt ingegaan.

Artikel 8.19

In geval van stilzwijgende goedkeuring van een verdrag wordt dit, na daartoe van de Koning verkregen machtiging, door de Minister van Buitenlandse Zaken overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en, indien het verdrag Aruba, Curaçao, Sint Maarten of al die landen raakt, gelijktijdig aan de Staten van de betrokken landen.

Artikel 8.20

1. Voor overlegging van een verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter stilzwijgende goedkeuring wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste tweederde van de in artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bedoelde termijn buiten een reces van de Kamers valt.

2. Voor overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat uitsluitend de uitvoering betreft van een goedgekeurd verdrag, zoals bedoeld in artikel 7, onder b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.

3. Voor de overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat de verlenging van een aflopend verdrag betreft, zoals bedoeld in artikel 7, onder e, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 9, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.

4. Indien de voorgaande leden niet in acht genomen kunnen worden, wordt dit bij de overlegging dan wel de kennisgeving door de Minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.

Paragraaf 8.7. Totstandbrenging van binding

Artikel 8.21

Voordat de Minister van Buitenlandse Zaken, na verkregen parlementaire goedkeuring, de binding van het Koninkrijk voor enig deel daarvan aan een verdrag tot stand doet brengen, vergewist de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken zich ervan bij de medebetrokken ministeries en in voorkomend geval bij de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten dat er geen bezwaar bestaat tegen de totstandbrenging van de binding voor dat deel van het Koninkrijk.

Hoofdstuk 9. Voorbereiding, totstandkoming en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen

Paragraaf 9.1. Begripsbepaling en toepassingsbereik

Artikel 9.1

Onder implementatie wordt in dit hoofdstuk verstaan: de uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen in het nationale recht door middel van het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 9.2

De hoofdstukken 2 tot en met 8 zijn van toepassing op de voorbereiding en totstandkoming van regelingen ter implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, voor zover hiervan niet wordt afgeweken in dit hoofdstuk.

Paragraaf 9.2. Algemene uitgangspunten bij implementatie

Artikel 9.3

Indien de te implementeren bindende EU-rechtshandeling tevens geldt voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt hier rekening mee gehouden bij de vaststelling van het toepassingsbereik van de implementatieregeling.

Artikel 9.4

Bij implementatie worden in de implementatieregeling geen andere regels opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn.

Artikel 9.5

1. Bij implementatie wordt gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan de door de regeling geraakte bedrijven.

2. Bij afwijking van het eerste lid wordt dit expliciet vermeld in de toelichting en worden de overwegingen geschetst die tot deze keuze hebben geleid.

Artikel 9.6

Bepalingen uit bindende EU-rechtshandelingen die verplichten tot feitelijk handelen van de centrale overheid zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken, worden niet geïmplementeerd.

Artikel 9.7

Bij implementatie wordt zoveel mogelijk aangesloten bij instrumenten waarin de bestaande regelgeving reeds voorziet.

Artikel 9.8

Bij de afweging op welk niveau van regeling implementatie dient plaats te vinden, komt, onverminderd de aanwijzingen 2.20 en 2.21, delegatie van regelgevende bevoegdheid eerder in aanmerking naarmate:

a. a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de Nederlandse wetgever bij de uitvoering minder ruimte laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard; b. b. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling gedetailleerder van aard is; c. c. de termijn waarbinnen volgens de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de implementatie moet geschieden korter is; d. d. verwacht mag worden dat in de toekomst de te implementeren bindende EU-rechtshandelingen vaker wijzigingen zal ondergaan; e. e. in het bestaande systeem van regelgeving waarin de implementatieregeling een plaats zal krijgen, vaker is gekozen voor delegatie van regelgevende bevoegdheid.

Artikel 9.9

Bepalingen van een EU-verordening worden niet in nationale regelingen overgenomen, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat.

Artikel 9.10

1. Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals deze met inbegrip van toekomstige wijzigingen zal luiden (dynamische verwijzing), geschiedt door de enkele verwijzing in de tekst van de implementatieregeling naar de tekst van de Europese bepaling.

2.

Bij een dynamische verwijzing naar bepalingen van een EU-richtlijn wordt afzonderlijk aangegeven vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen doorwerken in het Nederlandse recht. Hiervoor wordt in de implementatieregeling het volgende model gebruikt:

Een wijziging van [aanduiding van (bepaling uit) de EU-richtlijn waarnaar is verwezen] gaat voor de toepassing van [aanduiding van de nationale regeling of de nationale bepaling waarin de verwijzing is opgenomen] gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.

3. Indien het gewenst is dat een ander tijdstip kan worden gekozen, wordt aan het model, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

4.

Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals die op een bepaald moment luidt (statische verwijzing), geschiedt door verwijzing naar de tekst van die bepaling volgens de volgende voorbeelden:

A. A.

      *Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.*

B. B.

      *Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016.*

Artikel 9.11

In de eerste alinea van de toelichting bij een implementatieregeling wordt vermeld:

a. a. dat de regeling strekt tot implementatie, met een verwijzing naar de bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42; b. b. de uiterste datum waarop de implementatie moet zijn gerealiseerd; c. c. een verwijzing naar het onderdeel van de toelichting waarin de transponeringstabel is opgenomen.

Artikel 9.12

1. De toelichting bij een regeling ter implementatie van een bindende EU-rechtshandeling bevat een transponeringstabel waaruit blijkt of en hoe de afzonderlijke bepalingen van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn of worden geïmplementeerd. De transponeringstabel bevat een verwijzing naar de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42.

2. Indien een bepaling uit de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling ruimte laat voor, dan wel verplicht tot het maken van beleidskeuzes, wordt dit in de transponeringstabel aangegeven en wordt verwezen naar de passages in de toelichting waarin de door de regering gemaakte keuzes worden toegelicht.

3. Indien een bepaling uit een bindende EU-rechtshandeling geen implementatie behoeft, wordt dit vermeld in de transponeringstabel. Hierbij wordt aangegeven wat de reden daarvan is, en wordt indien noodzakelijk verwezen naar de passages in de toelichting waar daar nader op wordt ingegaan.

4. De transponeringstabel maakt onderdeel uit van de toelichting bij de implementatieregeling.

Artikel 9.13

Indien een bindende EU-rechtshandeling implementatie behoeft en aan deze verplichting reeds uitvoering wordt gegeven door middel van bestaand recht, doet de eerstverantwoordelijke bewindspersoon onverwijld na het van kracht worden van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling mededeling in de Staatscourant van:

a. a. de te implementeren bindende EU-rechtshandeling; b. b. de bestaande nationale regelingen door middel waarvan reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling wordt voldaan; c. c. de datum met ingang waarvan de te implementeren regeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing is dan wel vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van de bindende EU-rechtshandeling doorwerken in het Nederlandse recht; d. d. de in aanwijzing 9.12 bedoelde transponeringstabel.

Paragraaf 9.3. Voorbereiding van procedures bij implementatie

Artikel 9.14

1. Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over bindende EU-rechtshandelingen dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij worden ingeschakeld.

2. De inschakeling vindt plaats in een zo vroeg mogelijk stadium, doch uiterlijk bij de invulling van het in aanwijzing 9.15 bedoelde formulier.

Artikel 9.15

1. Met betrekking tot een aan Nederland toegezonden voorstel voor een bindende EU-rechtshandeling vult het eerstverantwoordelijke ministerie op verzoek van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen het daarvoor bestemde fiche in.

2. Indien meer ministeries bij de uitvoering van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn betrokken, geschiedt de invulling in overeenstemming met die ministeries.

3. De invulling geschiedt door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het voor de implementatie eerstverantwoordelijke ministerie.

4. De ingevulde formulieren berusten bij het secretariaat van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen.

Artikel 9.16

1. Bij nieuwe voorstellen voor bindende EU-rechtshandelingen wordt door de eerstverantwoordelijke minister steeds bezien of er aanleiding is om ten behoeve van de bepaling van het Nederlandse standpunt adviescolleges en representatieve organisaties van belanghebbenden te raadplegen die de regering zou horen indien het regeringsvoorstellen betrof.

2. In beginsel wordt over het ontwerp van een implementatieregeling geen advies gevraagd of extern overleg gevoerd en wordt een zodanig ontwerp niet voorgepubliceerd, ter inzage gelegd of anderszins extern bekendgemaakt.

Artikel 9.17

1. Indien vereist, wordt van een voorstel voor een EU-richtlijn door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het eerstverantwoordelijke ministerie een implementatieplan opgesteld, zo nodig samen met andere betrokken ministeries.

2. Het implementatieplan wordt uiterlijk binnen twee maanden na vaststelling van de desbetreffende EU-richtlijn bij de ICER-I ingediend.

3. Het implementatieplan geeft zo gedetailleerd mogelijk weer op welke wijze de betrokken EU-richtlijn zal worden geïmplementeerd.

4. Het eerstverantwoordelijke ministerie verwerkt de gegevens van het implementatieplan in de interdepartementale implementatiedatabase.

Artikel 9.18

1. Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een algemene maatregel van bestuur nodig is, wordt het ontwerp daarvoor ten minste 9 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.

2. Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een wet nodig is, wordt een voorstel daarvoor ten minste 18 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.

3. In afwijking van het eerste of het tweede lid wordt het ontwerp respectievelijk het voorstel zo snel mogelijk doch uiterlijk 2 maanden na vaststelling van de bindende EU-rechtshandeling aan de ministerraad voorgelegd, indien de implementatietermijn bij vaststelling korter is dan 9 respectievelijk 18 maanden.

Artikel 9.19

1. Bij de voorbereiding en vaststelling van implementatieregelingen beziet het eerstverantwoordelijke ministerie steeds of Europese verplichtingen ertoe noodzaken de Europese Commissie van het ontwerp van de implementatieregeling dan wel van de vastgestelde implementatieregeling in kennis te stellen.

2. De notificatie van regelingen ter implementatie van EU-richtlijnen geschiedt elektronisch via het daartoe bestemde notificatiesysteem van de Europese Commissie.

3. De notificatie van regelingen ter implementatie van andere soorten bindende EU-rechtshandelingen geschiedt schriftelijk aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de gegevens doorzendt aan de Europese Commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de Raad van de Europese Unie.

4.

Door middel van de notificatie wordt de Europese Commissie in kennis gesteld van:

a. a. de daartoe voorgenomen of vastgestelde implementatieregelingen en de bijbehorende transponeringstabel(len); b. b. de bestaande nationale regelingen die reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling voldoen; c. c. de datum met ingang waarvan de regelingen ter omzetting van de te implementeren bindende EU-rechtshandeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing zijn, of met ingang waarvan de effectieve werking ervan verzekerd is.

Bijlage . Afkortingen