rijk/ministeriele-regeling/besluit-buitengewoon-opsporingsambtenaar-regionale-verkeershandhaving-2003/BWBR0015160/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

4.9 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2003 BWBR0015160 ministeriele-regeling geldend 2003-06-07 https://wetten.overheid.nl/BWBR0015160 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2003

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2003

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar: de opsporingsambtenaren omschreven in het tweede artikel van dit besluit.

Artikel 2

1. De personen werkzaam als medewerker verwerking, radarwaarnemer of verkeersassistent binnen het team verkeershandhaving van een regionaal politiekorps en die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

2. Per regionaal politiekorps kunnen maximaal 30 personen worden beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 3

1. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich uit tot ten hoogste de strafbare feiten genoemd in artikel 435, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 34 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV), artikel 5.6.8., eerste en tweede lid van het Voertuigreglement, de artikelen 20, 21, 22, 59, 60, 62, 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en omvat mede de bevoegdheden als omschreven in artikel 160, eerste, derde en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van heel Nederland.

Artikel 4

1. De persoon werkzaam als radarwaarnemer of verkeersassistent, die op grond van dit besluit is beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar, is tevens bevoegd bij de opsporing van de strafbare feiten waarvoor aan hem opsporingsbevoegdheid is toegekend, gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.

2. De persoon werkzaam als radarwaarnemer of verkeersassistent, die op grond van dit besluit is beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar, kan gedurende de uitoefening van zijn dienst gebruik maken van handboeien van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij goedgekeurd merk en type. Hij wordt daadwerkelijk uitgerust met handboeien nadat de direct toezichthouder heeft vastgesteld dat betrokkene beschikt over de vereiste bekwaamheid ten aanzien van het gebruik van en het omgaan met handboeien.

Artikel 5

1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie van het arrondissement waarbinnen de standplaats van de buitengewoon opsporingsambtenaar is gelegen.

2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van de politieregio waarbinnen de standplaats van de buitengewoon opsporingsambtenaar is gelegen.

Artikel 6

Het hoofd van het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) brengt jaarlijks, doch uiterlijk op 1 april, verslag uit aan mij en vermeldt hierin in ieder geval:

a. a. de aantallen binnen de verkeershandhavingsteams werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren; b. b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte opsporingsactiviteiten; c. c. het aantal gevallen waarin gebruik is gemaakt van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993; d. d. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat daadwerkelijk is uitgerust met handboeien en het aantal gevallen waarin daarvan gebruik is gemaakt; e. e. de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van de buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door mij goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor het examen zijn geslaagd.

Artikel 7

Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2000 wordt ingetrokken.

Artikel 8

De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging, de legitimatiebewijzen buitengewoon opsporingsambtenaar en de overige benoemingsbescheiden, welke zijn uitgevaardigd op het in artikel 7 van dit besluit omschreven besluit, zijn van kracht tot aan de in die akten, legitimatiebewijzen en overige benoemingsbescheiden vermelde geldigheidsdatum.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening in de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 10

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2003.