rijk/ministeriele-regeling/instellingsbesluit-commissie-dynamisering/BWBR0018532/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

6.2 KiB
Raw Permalink Blame History

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbesluit Commissie Dynamisering BWBR0018532 ministeriele-regeling geldend 2005-08-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0018532 Instellingsbesluit Commissie Dynamisering

Instellingsbesluit Commissie Dynamisering

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

    1. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
    1. commissie: de Commissie, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1. Er is een Commissie Dynamisering.

2.

De Commissie heeft de volgende taken:

a. a. Maatregelen voor te stellen die moeten leiden tot inhoudelijke dynamisering van het universitair onderzoek. In dit proces ligt de prioriteit zowel bij:

        i.
        onderzoek (fundamenteel en/of toegepast) waarbij (precompetitieve) programmatische samenwerking met kenniscentra van bedrijven en andere maatschappelijke organisaties mogelijk is, als bij
      
      
        ii.
        onderzoek van internationale topkwaliteit waarvan de toekomstige positie in het Europese onderzoekslandschap in geding is. De focus van het onderzoek en de kritische massa van de betrokken Nederlandse groepen in het Europese onderzoekslandschap zijn in dit proces belangrijke parameters.
      
    
    Ook de matchingsystematiek zal in deze maatregelen worden betrokken.

i. i. onderzoek (fundamenteel en/of toegepast) waarbij (precompetitieve) programmatische samenwerking met kenniscentra van bedrijven en andere maatschappelijke organisaties mogelijk is, als bij ii. ii. onderzoek van internationale topkwaliteit waarvan de toekomstige positie in het Europese onderzoekslandschap in geding is. De focus van het onderzoek en de kritische massa van de betrokken Nederlandse groepen in het Europese onderzoekslandschap zijn in dit proces belangrijke parameters. b. b. Zich een oordeel te vormen over de efficiency en effectiviteit van de door de universiteiten opgezette resultaat-evaluaties (onderzoek) en de wijze waarop de universiteiten in de verschillende disciplines deze resultaat-evaluaties in hun beleid en beheer verdisconteren.

Zonodig zal de Commissie voorstellen tot verbetering te doen. De vraag of de universiteiten genoeg doen aan zorg voor hun internationale toptalent en de toekomstige positie daarvan in de European Research Area (ERA) is hierbij een belangrijk onderwerp.

Artikel 3

De commissie wordt opgeheven per 1 augustus 2006.

Artikel 4

De minister verstrekt aan de commissie desgevraagd de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen.

Artikel 5

1.

Tot lid van de commissie worden benoemd:

a. a. Dr. K.H. Chang, directeur NWO-FOM, tevens voorzitter, b. b. Dr. H. Pinkster, emeritus-hoogleraar Latijn aan de Universiteit van Amsterdam, tevens secretaris, c. c. Prof. dr. W.H. Gispen, rector magnificus Universiteit van Utrecht, d. d. Prof. dr. E.M. Meijer, algemeen directeur van Unilever Research Foods, e. e. Prof. dr. B. Witholt, directeur instituut voor biotechnologie, ETH-Hoenggerberg HPT Zürich, f. f. Prof. dr. L.E.M. Vet, directeur NIOO-KNAW, g. g. Prof. dr. F.P. van Oostrom, president KNAW.

2. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie.

Artikel 6

1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voorzover dat voor vervulling van haar taak nodig is, waaronder  op persoonlijke titel  ambtelijke deskundigen.

Artikel 7

De commissie brengt in april 2006 haar eindrapport uit aan de minister. Een voortgangsrapportage wordt eind 2005 aan de minister aangeboden.

Artikel 8

De voorzitter en andere leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen per vergadering een beloning op basis van het Vacatiegeldenbesluit 1988 en de daarop gebaseerde voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geldende bepalingen, waarbij de commissie als algemene commissie in de zin van het Vacatiegeldenbesluit 1988 wordt aangemerkt.

Artikel 9

Indien de commissie ten behoeve haar werk deskundigen raadpleegt waaraan kosten zijn verbonden, dient voor vergoeding van deze kosten vooraf door de minister goedkeuring te zijn verleend.

Artikel 10

1.

De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

a. a. de kosten voor vergaderingen en voor secretariële ondersteuning, b. b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en c. c. de kosten voor publicatie van rapportages.

2. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting en een planning aan de minister aan.

Artikel 11

De commissie legt voor 1 juli 2006 volgens de daarvoor geldende regels rekening en verantwoording af over de besteding van de middelen.

Artikel 12

1. De commissie neemt geheimhouding in acht ten aanzien van alle informatie die in het kader van dit besluit bekend wordt en waarvan het karakter als vertrouwelijk is aan te merken.

2. De commissie zorgt ervoor dat door een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie, geheimhouding in acht wordt genomen ten aanzien van alle informatie die in het kader van dit besluit bekend wordt en waarvan het karakter als vertrouwelijk is aan te merken.

Artikel 13

Rapporten, notities, verslagen en andere producten welke door of namens de commissie worden vervaardigd, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht.

Artikel 14

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 15

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in de Staatscourant.

2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 augustus 2006.

Artikel 16

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie Dynamisering.