40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
6.2 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Instellingsbesluit Commissie-Oosting II | BWBR0037653 | ministeriele-regeling | geldend | 2016-02-24 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0037653 | Instellingsbesluit Commissie-Oosting II |
Instellingsbesluit Commissie-Oosting II
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a.
*Minister:* de Minister van Veiligheid en Justitie;
b. b.
*Commissie:* de commissie, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
Artikel 2
1. Er is een onafhankelijke commissie belast met de taak, bedoeld in het tweede lid.
2.
In het verlengde van de werkzaamheden van de Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking:
a. a. zal de Commissie nader onderzoek doen naar de reconstructie van de feiten in 2014 en 2015 met betrekking tot de ontnemingsschikking in 2001; b. b. kan de Commissie alle onderzoeksvragen formuleren die zij dienstig acht voor een zo volledig mogelijk feitelijk beeld van deze reconstructie, met name waar het betreft de verlening van de opdracht daartoe en de informatieverstrekking over de activiteiten ter uitvoering daarvan; c. c. geldt als vertrekpunt voor het nader onderzoek de e-mailwisseling zoals opgenomen in de bijlage bij de brief van 25 januari 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 34 362, nr. 8, bijlage); d. d. is de Commissie bevoegd om andere vragen te formuleren, deze te onderzoeken en te beantwoorden.
3. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies kan de Commissie aanbevelingen doen, die mede betrekking kunnen hebben op het huidige wettelijke kader en de toepassing daarvan.
Artikel 3
1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.
2. Tot voorzitter van de Commissie wordt benoemd: mr. dr. M. Oosting.
3.
Tot leden van de Commissie worden benoemd:
– – mr. F.G. Bauduin, en – – mr. J.W. van den Berge.
4. De benoeming geschiedt voor de duur van de werkzaamheden van de Commissie.
5. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter of een ander lid kan de Minister een andere voorzitter c.q. een ander lid benoemen.
6. De voorzitter en de overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de Minister.
Artikel 4
1. De Commissie wordt ingesteld met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
2. De Commissie wordt opgeheven vier weken nadat het eindrapport is uitgebracht, behoudens voor zover de Commissie nog wordt verzocht toelichting te geven op het eindrapport.
Artikel 5
1. De Commissie voorziet zelf in haar secretariaat.
2. Het secretariaat is voor de uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de Commissie.
3. De Minister draagt, op verzoek van de voorzitter van de Commissie, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de Commissie.
Artikel 6
1. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
2. De Commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover zij dat voor de vervulling van haar taak nodig acht.
3. De Commissie stelt een protocol vast over de wijze waarop zij het onderzoek uitvoert, waaronder in ieder geval over de wijze waarop zij personen hoort en daarvan verslag doet.
4. De Commissie bepaalt welke bevindingen zij, in het kader van hoor en wederhoor, voorlegt aan personen of instanties die door deze bevindingen worden geraakt of die daartegen bedenkingen zouden kunnen hebben.
Artikel 7
1. De Commissie is bevoegd zich voor het inwinnen van inlichtingen te wenden tot personen en instellingen en hen te verzoeken die medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onderzoek.
2. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het openbaar ministerie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met inbegrip van de baten-lastendienst SSC-ICT, verlenen de Commissie de verlangde medewerking, voor zover deze samenhangt met de ambtelijke taak en binnen de van toepassing zijnde wettelijke kaders. De Commissie krijgt toegang tot alle informatie die zij nodig heeft, met inachtneming van de protocollen die daartoe tussen de Commissie en de betrokken instanties worden opgesteld.
3. De Commissie is bevoegd, door tussenkomst van de Voorzitter van het College van procureurs-generaal de rijksrecherche te benaderen voor het doen van onderzoek.
4. De Commissie zal zich over de aan haar geboden medewerking verantwoorden in het onderzoeksrapport.
Artikel 8
1. De Commissie brengt zo spoedig mogelijk haar eindrapport uit aan de Minister.
2. De Commissie kan desgewenst een of meer tussenrapporten uitbrengen.
Artikel 9
De voorzitter en de andere leden van de Commissie ontvangen een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitter en de andere leden is schaal 18, trede 10, van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduur van de voorzitter wordt vastgesteld op 4/10 en die van de leden op 2/10 van een volledige taak.
Artikel 10
1.
De kosten van de Commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:
a. a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning, b. b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek en c. c. de kosten voor publicatie van rapportages.
2. De Commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting aan de Minister aan.
Artikel 11
1. Het archief van de Commissie wordt na afloop van het onderzoek overgebracht naar het archief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
2. Het beheer vindt plaats met inachtneming van de door de Commissie in haar protocol aangegeven vertrouwelijkheid, waarover met de Commissie nadere afspraken kunnen worden gemaakt.
Artikel 12
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 januari 2016.
2. Dit besluit vervalt vier werken na het uitbrengen van het onderzoeksrapport.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie-Oosting II.