rijk/ministeriele-regeling/instellingsbesluit-commissie-vooronderzoek-naar-geweld-in-de-jeugdzorg/BWBR0036914/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

5.2 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbesluit Commissie Vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg BWBR0036914 ministeriele-regeling geldend 2015-08-04 https://wetten.overheid.nl/BWBR0036914 Instellingsbesluit Commissie Vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg

Instellingsbesluit Commissie Vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *de ministers:* de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. b.

    *de commissie:* de commissie, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

Er is een Commissie Vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg.

Artikel 3

De commissie heeft tot taak een vooronderzoek te doen naar:

a. a. de mogelijkheden om een onderzoek in te stellen naar geweld jegens minderjarigen die tussen 1945 en heden onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en in pleeggezinnen; b. b. een afbakening van het begrip geweld, om te gebruiken binnen een onderzoek als bedoeld onder a; c. c. de mogelijkheden om de reactie van de overheid op signalen van geweld te onderzoeken binnen een onderzoek als bedoeld onder a; d. d. de mogelijkheden om psychisch geweld te onderzoeken binnen een onderzoek als bedoeld onder a; e. e. een tijdshorizon en een plan van aanpak voor een onderzoek als bedoeld onder a.

Artikel 4

1. De commissie bestaat uit een voorzitter en een aantal andere leden.

2. De voorzitter en de andere leden worden door de ministers benoemd.

3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in artikel 3 genoemde taak.

4. De voorzitter en de andere leden worden op eigen verzoek door de ministers tussentijds ontslagen.

5. De voorzitter en de andere leden kunnen voorts door de ministers worden ontslagen.

6. Nieuwe leden worden, op aanbeveling van de voorzitter, door de ministers benoemd.

Artikel 5

De commissie wordt ingesteld met ingang van 3 juli 2015 en wordt opgeheven per 1 mei 2016.

Artikel 6

1.

Met ingang van 3 juli 2015 wordt tot en met 1 mei 2016 tot lid van de commissie benoemd:

a. a. prof. dr. M. de Winter, tevens voorzitter, wonende te Groenekan; b. b. prof. dr. mr. C.C.J.H. Bijleveld, wonende te Oegstgeest; c. c. prof. mr. drs. M.R. Bruning, wonende te Amstelveen; d. d. prof. dr. J.J.H. Dekker, wonende te Zwolle; e. e. dr. G.T.M. Mooren, wonende te Overveen; f. f. prof. dr. C.H.C.J. van Nijnatten, wonende te Utrecht; g. g. prof. dr. N.W. Slot, wonende Amsterdam.

Artikel 7

De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

Artikel 8

1. De leden van de commissie zijn, na overleg met de voorzitter, bevoegd zich voor het inwinnen van inlichtingen te wenden tot personen en instellingen en hen te verzoeken die medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het vooronderzoek.

2. De commissie stelt een privacyreglement op.

Artikel 9

1. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat.

2. Het secretariaat is voor de uitvoering van zijn werkzaamheden verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.

3. De ministers dragen, na overleg met de commissie, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van de commissie.

4. In het secretariaat wordt voorzien door de ministers.

Artikel 10

1. De commissie brengt vóór 1 mei 2016 een rapport uit aan de ministers.

2. Indien de commissie daartoe aanleiding ziet, doet zij tussentijds verslag van haar werkzaamheden aan de ministers.

Artikel 11

1.

De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de ministers. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

a. a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning, b. b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en c. c. de kosten voor publicatie van het rapport.

2. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting en een planning aan de ministers aan.

Artikel 12

De voorzitter en de andere leden voor zover niet vallend onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, ontvangen een vaste vergoeding per maand, gebaseerd op salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter is 16/36 en voor de andere leden 8/36.

Artikel 13

De archiefbescheiden van de commissie worden na het beëindigen van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Artikel 14

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 juli 2015.

2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 mei 2016.

Artikel 15

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie Vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg.