rijk/ministeriele-regeling/instellingsbesluit-evaluatiecommissie-prestatiebekostiging-hoger-onderwijs/BWBR0038436/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

6.3 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbesluit Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs BWBR0038436 ministeriele-regeling geldend 2016-08-24 https://wetten.overheid.nl/BWBR0038436 Instellingsbesluit Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs

Instellingsbesluit Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *wet:*
    Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

b. b.

    *besluit:*
    Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs;

c. c.

    *experiment:* experiment prestatiebekostiging, bedoeld in het besluit;

d. d.

    *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en voor zover het instellingen met opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving betreft, Minister van Economische Zaken;

e. e.

    *commissie:* commissie, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1. Er is een Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs.

2.

De commissie heeft tot taak:

a. a. het evalueren van het experiment, op basis van de in het besluit vastgestelde criteria, waarbij de effectiviteit en de doelmatigheid van het experiment centraal staan, mede in relatie tot de administratieve lasten; b. b. het onderzoeken van de vraag of het experiment heeft bijgedragen aan de groei van een kwaliteitscultuur binnen het hoger onderwijs; c. c. het opstellen van een rapport met de resultaten van de evaluatie en het onderzoek, bedoeld in de onderdelen a onderscheidenlijk b, ten behoeve van de minister.

3. Het rapport, bedoeld in het tweede lid, wordt voor 1 maart 2017 aan de minister uitgebracht.

Artikel 3

1.

De evaluatie van het experiment, als bedoeld in artikel 2 tweede lid onderdeel a, vindt plaats op basis van de volgende, in het besluit vastgestelde, criteria:

a. a. de mate waarin het toekennen van bekostiging, bedoeld in het besluit, effectief is, in die zin dat:

        1°.
        de onderwijskwaliteit en het studiesucces bij de instellingen waaraan bekostiging is toegekend, is verbeterd;
      
      
        2°.
        profiel en zwaartepuntvorming en valorisatie bij de instellingen waaraan bekostiging is toegekend, is versterkt; en

1°. 1°. de onderwijskwaliteit en het studiesucces bij de instellingen waaraan bekostiging is toegekend, is verbeterd; 2°. 2°. profiel en zwaartepuntvorming en valorisatie bij de instellingen waaraan bekostiging is toegekend, is versterkt; en b. b. de mate waarin de procedure die in het besluit is voorgeschreven efficiënt is, mede in relatie tot de administratieve lasten.

Artikel 4

De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 augustus 2016 en wordt opgeheven per 31 maart 2017.

Artikel 5

1.

Tot leden van de commissie worden benoemd:

a. a. dhr. W.B.H.J. van de Donk, tevens voorzitter b. b. dhr. F. Leijnse, tevens vice-voorzitter c. c. mevr. E.H. Hooge d. d. dhr. H. de Jong e. e. mevr. Y. Moerman-van Heel f. f. dhr. T. Sewbaransingh g. g. dhr. A. Tyson h. h. mevr. E.R.M. Verhoef

2. De leden van de commissie nemen deel aan de beraadslagingen en besluitvorming zonder last of ruggespraak.

3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

4. De commissie wordt ondersteund door een inhoudelijk secretaris. Deze wordt aangewezen door de minister.

5. De secretaris is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.

Artikel 6

1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. Het kan daarbij gaan om experts op de relevante onderwerpen, inclusief, op persoonlijke titel, ambtelijke deskundigen.

Artikel 7

1. De voorzitter en leden van de commissie ontvangen een vaste vergoeding per maand op grond van artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies.

2. De leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland.

Artikel 8

1.

De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

a. a. de kosten voor vergaderingen en voor secretariële en inhoudelijke ondersteuning, b. b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en c. c. de kosten voor publicatie van rapportages.

Artikel 9

De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 10

Rapporten, notities, verslagen en andere producten welke door of namens de commissie worden vervaardigd, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht. Rapporten, notities, verslagen en andere producten die ook betrekking hebben op instellingen die opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen, worden mede uitgebracht aan de minister van Economische Zaken.

Artikel 11

De leden van de commissie werken mee aan het tot stand komen van een overeenkomst indien dit naar het oordeel van de minister noodzakelijk is om te komen tot het kosteloos overdragen aan de minister van rechten met betrekking tot intellectuele eigendom.

Artikel 12

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie organisatie en bedrijfsvoering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 augustus 2016.

2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 juni 2017.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Evaluatiecommissie prestatiebekostiging hoger onderwijs.