40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
63 KiB
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Kleine serie-regeling | BWBR0009158 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-09-13 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0009158 | Kleine serie-regeling |
Kleine serie-regeling
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
Deze regeling is van toepassing op de typegoedkeuring van motorrijtuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG worden vervaardigd en op de typegoedkeuring van motorfietsen en driewielige motorrijtuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van richtlijn 92/61/EEG worden vervaardigd.
Artikel 1a
Onder de vermelding in deze regeling van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.1a van het Voertuigreglement, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.7, eerste lid, van het Voertuigreglement bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.7, tweede lid, van het Voertuigreglement is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2
1.
Per jaar wordt voor een familie van typen als bedoeld in richtlijn 70/156/EEG, bijlage XII, onderdeel A, die op grond van deze regeling zijn goedgekeurd, een kenteken opgegeven voor ten hoogste:
a. a. vijfhonderd personenauto’s; b. b. honderd bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg; c. c. honderd bedrijfsautochassis met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg; d. d. vijfentwintig bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg; e. e. vijfentwintig bedrijfsautochassis met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.
2. Per jaar wordt voor ten hoogste honderd voertuigen van een type voertuig als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van richtlijn 92/61/EEG, die op grond van deze regeling zijn goedgekeurd, een kenteken opgegeven.
Artikel 3
1. De artikelen en leden van artikelen van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement, genoemd in de artikelen 4 tot en met 4c, zijn van toepassing voor zover in de artikelen 4 tot en met 4c niet anders is bepaald. De voertuigen moeten voldoen aan de nadere eisen die in de artikelen 4 tot en met 4c zijn vermeld.
2. De artikelen en leden van artikelen van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement die niet in de artikelen 4 tot en met 4c zijn genoemd, zijn onverkort van toepassing.
Hoofdstuk 2. Personenauto's
Artikel 4
1. Personenauto’s zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring. Richtlijn 70/156/EEG is niet van toepassing.
2.
Artikel 3.2.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge de bijlage bij richtlijn 76/114/EEG, paragraaf 2.1.2, vereiste vermelding van het nummer van de EEG-goedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3.
Artikel 3.2.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren. b. b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:
1°.
de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°.
de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en 2°. 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4.
Artikel 3.2.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
5.
Artikel 3.2.16, eerste lid, Voertuigreglement
De proeven worden niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdeling 2 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de massa van de personenauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.
6. Artikel 3.2.16, tweede lid, van het Voertuigreglement is niet van toepassing.
7.
Artikel 3.2.17, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuring van het onderdeel zijn niet vereist.
8.
Artikel 3.2.18, tweede lid, Voertuigreglement
Het bepaalde in richtlijn 80/1269/EEG is niet van toepassing. De fabrikant doet opgave van het motorvermogen.
9.
Artikel 3.2.23, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de wijze van monteren van de banden is goedkeuring niet vereist.
10.
Artikel 3.2.25, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG, Bijlage 1, punt 4.1, met uitzondering van de testen volgens de punten 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5. b. b. Het overigens bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is niet van toepassing.
11.
Artikel 3.2.27, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. De deuren, sloten en scharnieren van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG, bijlage I, punt 3, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 3.4.2. b. b. Het overigens bepaalde in richtlijn 70/387/EEG is niet van toepassing.
12.
Artikel 3.2.28 Voertuigreglement
Personenauto’s moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan het bepaalde in de bijlage bij deze regeling.
Het bepaalde in richtlijn 77/649/EEG is niet van toepassing.
13.
Artikel 3.2.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG. b. b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen. c. c. Indien geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mag de achterruit geen beeldvertekening vertonen. d. d. Het materiaal van de ruiten van personenauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel:
1°.
het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°.
het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
1°. 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en 2°. 2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas. e. e. Het overigens bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.
14.
Artikel 3.2.30, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. b. b. Personenauto’s moeten zijn uitgerust met ten minste één automatische ruitenwisser, dat wil zeggen een ruitenwisser die bij lopende voertuigmotor kan functioneren zonder enige andere tussenkomst van de bestuurder dan die welke voor het in- en uitschakelen van de ruitenwisserinstallatie nodig is. c. c. De ruitenwisser moet ten minste twee wissnelheden hebben. d. d. Een der wissnelheden moet gelijk zijn aan of meer bedragen dan 45 slagen per minuut. Onder slag wordt verstaan een volledige heen- en teruggaande beweging van de wisserarm. e. e. Een andere wissnelheid moet ten minste 10 en ten hoogste 55 slagen per minuut bedragen. f. f. Het verschil tussen de hoogste wissnelheid en ten minste een van de laagste wissnelheden, moet ten minste 15 slagen per minuut bedragen. g. g. Wanneer de ruitenwisser wordt uitgeschakeld met de bedieningsschakelaar moeten de wisserarmen automatisch in de ruststand terugkeren. h. h. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitensproeier-installatie die tenminste het gehele wisvlak van de ruitenwissers bereikt. De opgesproeide vloeistof wordt binnen niet meer dan twee volledige passages van de ruitenwissers van het gehele wisvlak weggewist. i. i. Het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG is niet van toepassing.
15.
Artikel 3.2.31 Voertuigreglement
a. a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die tenminste het directe en indirecte zichtveld, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen, van de bestuurder bereikt. b. b. Het bepaalde in richtlijn 78/317/EEG is niet van toepassing.
16.
Artikel 3.2.32, eerste en tweede lid, Voertuigreglement
In afwijking van het hieromtrent bepaalde in richtlijn 71/127/EEG en richtlijn 2003/97/EG, mag door een persoon van gemiddelde gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats, worden beoordeeld of wordt voldaan aan de vereiste gezichtsvelden op de weg.
Bij de beoordeling van het gezichtsveld van een spiegel moet de positie van het hoofd van de beoordelaar ten opzichte van de spiegel onveranderd blijven.
17.
Artikel 3.2.33 Voertuigreglement
a. a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de kleur van de verklikkerlichten voldoen aan het bepaalde in bijlage II van richtlijn 78/316/EEG. b. b. Het overigens bepaalde in richtlijn 78/316/EEG is niet van toepassing.
18.
Artikel 3.2.34 Voertuigreglement
De bepalingen in bijlage IV tot en met VI van richtlijn 2001/56/EG omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
19.
Artikel 3.2.35, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen:
1°.
richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;
2°.
het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm;
3°.
Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig;
4°.
De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd;
5°.
Het stuurwiel ****moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3.
1°. 1°.
richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;
2°. 2°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm; 3°. 3°. Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig; 4°. 4°. De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd; 5°. 5°. Het stuurwiel ****moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3. b. b. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG is niet van toepassing.
20.
Artikel 3.2.35, derde lid, Voertuigreglement
a. a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de inrichting, de sterkte en de bevestiging van de naar voren gerichte zitplaatsen voldoen aan het volgende:
1°.
voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien;
2°.
Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats;
3°.
De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd;
4°.
Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld;
5°.
Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld;
6°.
Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
1°. 1°. voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien; 2°. 2°. Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats; 3°. 3°. De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd; 4°. 4°. Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld; 5°. 5°. Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld; 6°. 6°. Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld. b. b. Personenauto’s moeten op iedere zijzitplaats voorin zijn voorzien van hoofdsteunen. c. c. Hoofdsteunen:
1°.
moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°.
mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°.
moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig;
4°.
mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
1°. 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken; 2°. 2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten; 3°. 3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig; 4°. 4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig. d. d. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG is niet van toepassing.
21. Artikel 3.2.35, vijfde tot en met zevende lid, van het Voertuigreglement zijn niet van toepassing.
22.
Artikel 3.2.36, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge richtlijn 76/115/EEG voorgeschreven methoden voor de beproeving van de bevestigingspunten voor autogordels kunnen worden vervangen door andere beproevingsmethoden indien deze ten minste gelijkwaardig zijn aan de methoden van de richtlijn.
23.
Artikel 3.2.36, vijfde lid, Voertuigreglement,
Het is toegestaan personenauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. a. in het in richtlijn 77/541/EEG, bijlage II, bedoelde goedkeuringsformulier dat ander type voertuig is vermeld, b. b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd, en c. c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.
24.
Artikel 3.2.37, eerste lid Voertuigreglement
a. a. Aan de buitenzijde van een personenauto bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst voor lichamelijk letsel van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten. b. b. Het bepaalde in richtlijn 74/483 is niet van toepassing.
25.
Artikel 3.2.37, vijfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
26.
Artikel 3.2.37, zesde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
27. Artikel 3.2.37a van het Voertuigreglement is niet van toepassing.
28.
Artikel 3.2.39 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
29.
Artikel 3.2.40 Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
30.
Artikel 3.2.41 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
31.
Artikel 3.2.54, eerste lid Voertuigreglement
a. a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden. b. b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
32.
Artikel 3.2.55 Voertuigreglement
Indien de personenauto is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG, tenzij de inrichting overeenstemt met een reeds eerder op basis van richtlijn 74/61/EEG goedgekeurde inrichting.
33.
Artikel 3.2.56 Voertuigreglement
Een typegoedkeuringscertificaat is niet vereist.
Hoofdstuk 3. Motorfietsen
Artikel 4a
1.
Artikel 3.4.1 Voertuigreglement
Motorfietsen zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring. Richtlijn 92/61/EEG is niet van toepassing.
2.
Artikel 3.4.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge richtlijn 93/34/EEG vereiste vermelding van het nummer van de EG-typegoedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3.
Artikel 3.4.5 Voertuigreglement
Richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.
4.
Artikel 3.4.12 Voertuigreglement
a. a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge hoofdstuk 6 van richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproevingen uitvoeren. b. b. De ingevolge richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproeving van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:
1°.
de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 97/24/EG; en
2°.
de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 97/24/EG; en 2°. 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
5.
Artikel 3.4.14 Voertuigreglement
a. a. Indien de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn overeenkomen met de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement, wordt de elektromagnetische breedbandstraling niet gemeten. b. b. Bij de meting van de elektromagnetische smalbandstraling in het frequentiebereik van 30 tot 1000 MHz mag worden volstaan met het scannen van het frequentiebereik met behulp van een spectrumanalysator of automatische ontvanger, waarbij de referentiegrens niet mag worden overschreden.
6.
Artikel 3.4.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.3.1.3.1 tot en met 2.3.1.4.3.5, van richtlijn 97/24/EG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage I, in de tweede kolom van de tabel voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
7.
Artikel 3.4.16 Voertuigreglement
a. a. De proef, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 2.2.1.1.2, van richtlijn 97/24/EG, wordt eenmaal uitgevoerd indien de voorgeschreven grenswaarden, genoemd in de tabellen I en II niet worden overschreden. b. b. Indien bij de proef, bedoeld in het eerste lid, de voorgeschreven grenswaarden worden overschreden, wordt de procedure, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 3, van richtlijn 97/24/EG gevolgd, waarbij de beschreven grenswaarde niet mag worden overschreden. c. c. De proef, bedoeld in het eerste lid, wordt niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement.
8.
Artikel 3.4.17, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. De motorfiets wordt beproefd bij een snelheid van 50 km/h. b. b. Punt 2.3.3 van de bijlage van richtlijn 2000/7/EG is niet van toepassing. c. c. De snelheidsmeting mag plaatsvinden met inachtneming van richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.1.2.2.
9.
Artikel 3.4.18 Voertuigreglement
a. a.
Richtlijn 95/1/EG is niet van toepassing op de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en het maximumkoppel.
b. b.
Richtlijn 95/1/EG is niet van toepassing op de wijze van meten van het netto maximum vermogen, tenzij het door de fabrikant opgegeven vermogen niet meer bedraagt dan 25 kW.
10.
Artikel 3.4.26, eerste lid, Voertuigreglement
Motorfietsen behoeven niet te voldoen aan de bijzondere voorschriften omtrent de proeven met natte remmen, bedoeld in richtlijn 93/14/EEG, bijlage, aanhangsel, onder 1.3.
11.
Artikel 3.4.32, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde spiegels behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
12.
Artikel 3.4.33 Voertuigreglement
Richtlijn 93/29/EEG is niet van toepassing.
13.
Artikel 3.4.36 Voertuigreglement
In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport, mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 93/32/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.
14.
Artikel 3.4.37, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Aan de buitenzijde van een motorfiets bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst van verwondingen van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten. b. b. De uiteinden en buitenste randen van het koppelingshendel en het remhendel zijn afgerond, waarbij de kromtestraal minstens zeven mm bedraagt. c. c. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.
15.
Artikel 3.4.40, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
16.
Artikel 3.4.41, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, de installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en de niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
17.
Artikel 3.4.54, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
18.
Artikel 3.4.55 Voertuigreglement
Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan richtlijn 93/33/EG.
19.
Artikel 3.4.57 Voertuigreglement
a. a. Een motorfiets op twee wielen is voorzien van ten minste één standaard ten behoeve van de stabiliteit in de parkeerstand. b. b. Het bepaalde omtrent de stabiliteitsproef en de proefprocedure in richtlijn 93/31/EEG is niet van toepassing.
Hoofdstuk 4. Driewielige motorrijtuigen
Artikel 4b
1.
Artikel 3.5.1, eerste lid, Voertuigreglement
Driewielige motorrijtuigen zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring. Richtlijn 92/61/EEG is niet van toepassing.
2.
Artikel 3.5.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge richtlijn 93/34/EEG vereiste vermelding van het nummer van de EG-typegoedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3.
Artikel 3.5.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge hoofdstuk 6 van richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproevingen uitvoeren. b. b. De ingevolge richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproeving van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:
1°.
de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 97/24/EG; en
2°.
de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 97/24/EG; en 2°. 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4.
Artikel 3.5.14 Voertuigreglement
a. a. Indien de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn overeenkomen met de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement, wordt de elektromagnetische breedbandstraling niet gemeten. b. b. Bij de meting van de elektromagnetische smalbandstraling in het frequentiebereik van 30 tot 1000 MHz mag worden volstaan met het scannen van het frequentiebereik met behulp van een spectrumanalysator of automatische ontvanger, waarbij de referentiegrens niet mag worden overschreden.
5.
Artikel 3.5.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.3.1.3.1 tot en met 2.3.1.4.3.5 van richtlijn 97/24/EG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage I, in de tweede kolom van de tabel voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
6.
Artikel 3.5.16 Voertuigreglement
a. a. De proef, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 2.2.1.1.2, van richtlijn 97/24/EG, wordt eenmaal uitgevoerd indien de voorgeschreven grenswaarden, genoemd in de tabellen I en II niet worden overschreden. b. b. Indien bij de proef, bedoeld in het eerste lid, de voorgeschreven grenswaarden worden overschreden, wordt de procedure, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 3, van richtlijn 97/24/EG gevolgd, waarbij de beschreven grenswaarde niet mag worden overschreden. c. c. De proef, bedoeld in het eerste lid, wordt niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement.
7.
Artikel 3.5.17, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Het driewielige motorrijtuig wordt beproefd bij een snelheid van 50 km/h. b. b. Punt 2.3.3 van de bijlage van richtlijn 2000/7/EG is niet van toepassing. c. c. De snelheidsmeting mag plaatsvinden met inachtneming van richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.1.2.2.
8.
Artikel 3.5.18 Voertuigreglement
a. a.
Richtlijn 95/1/EG is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen voorzien van drie wielen.
b. b.
Richtlijn 95/1/EG is niet van toepassing op de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en het maximumkoppel van driewielige motorrijtuigen voorzien van vier wielen.
9.
Artikel 3.5.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. De voorruiten in een driewielig motorrijtuig voorzien van een carrosserie belemmeren niet het directe en indirecte gezichtsveld van de bestuurder, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen. b. b. Het goedkeuringsmerk en het goedkeuringscertificaat mogen worden vervangen door een verklaring van de fabrikant dat het materiaal en de door de fabrikant gebruikte methode om de ruit vorm te geven, overeenkomen met goedkeuringen die betrekking hebben op reeds eerder door de fabrikant gebruikt materiaal en gebruikte vormgevingsmethode.
10.
Artikel 3.5.30 Voertuigreglement
a. a. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. b. b. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitensproeierinstallatie die tenminste het gehele wisvlak van de ruitenwissers bereikt. De opgesproeide vloeistof wordt binnen niet meer dan twee volledige passages van de ruitenwissers van het gehele wisvlak weggewist. c. c. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.
11.
Artikel 3.5.31 Voertuigreglement
a. a. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die tenminste het directe en indirecte zichtveld, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen, van de bestuurder bereikt. b. b. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.
12.
Artikel 3.5.32, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde spiegels behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
13.
Artikel 3.5.33 Voertuigreglement
Richtlijn 93/29/EEG is niet van toepassing.
14.
Artikel 3.5.36, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge richtlijn 97/24/EG voorgeschreven methoden voor de beproeving van de bevestigingspunten voor autogordels kunnen worden vervangen door andere beproevingsmethoden indien deze ten minste gelijkwaardig zijn aan de methoden genoemd in de richtlijn.
15.
Artikel 3.5.36, zesde lid, Voertuigreglement
Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. a. in het goedkeuringscertificaat bedoeld in richtlijn 97/24/EG, bijlage XI, dat andere type voertuig wordt vermeld; b. b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig waarvoor goedkeuring wordt gevraagd overeenstemt met de positie van het voertuig waarin de autogordels zijn goedgekeurd; en c. c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.
16.
Artikel 3.5.37, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst van verwondingen van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten. b. b. De uiteinden en buitenste randen van het koppelingshendel en het remhendel van een driewielig motorrijtuig zonder carrosserie zijn afgerond, waarbij de kromtestraal ten minste zeven mm bedraagt. c. c. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.
17.
Artikel 3.5.40, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
18.
Artikel 3.5.41, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, de installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en de niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
19.
Artikel 3.5.54, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
20.
Artikel 3.5.55 Voertuigreglement
Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan richtlijn 93/33/EG.
Hoofdstuk 5. Bedrijfsauto’s
Artikel 4c
1.
Artikel 3.3.1 Voertuigreglement
Bedrijfsauto’s zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring.
2.
Artikel 3.3.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge de bijlage bij richtlijn 76/114/EEG, paragraaf 2.1.2 vereiste vermelding van het nummer van de EEG-typegoedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3.
Artikel 3.3.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren. b. b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:
1°.
de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°.
de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en 2°. 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4.
Artikel 3.3.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
5.
Artikel 3.3.16, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Indien het voertuig wordt getoetst volgens het bepaalde in richtlijn 70/220/EEG en de referentiemassa is ten hoogste 2840 kg, worden de proeven niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2 of 3 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de ledige massa van de bedrijfsauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd. b. b. In afwijking van onderdeel a mogen mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg naar keuze voldoen aan richtlijn 2005/55/EG of richtlijn 97/68/EG.
6. Artikel 3.3.16, tweede en derde lid, van het Voertuigreglement zijn niet van toepassing.
7.
Artikel 3.3.17, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuring van het onderdeel zijn niet vereist.
8.
Artikel 3.3.18, tweede lid, Voertuigreglementt
Richtlijn 80/1269/EEG is niet van toepassing. De fabrikant doet opgave van het motorvermogen.
9.
Artikel 3.3.23, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de wijze van monteren van de banden is goedkeuring niet vereist.
10.
Artikel 3.3.25, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, moeten voldoen aan richtlijn 70/311/EEG, bijlage I, punt 4.1 en punt 4.2.4.1.1, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5. b. b. Voor mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg, is krabbengang toegestaan. c. c. Het overige bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg niet van toepassing.
11.
Artikel 3.3.26, eerste lid, Voertuigreglement
Voor een aanvulling op een reeds beproefd remsysteem is het bepaalde omtrent de wijze van keuren in richtlijn 71/320/EEG niet van toepassing.
12.
Artikel 3.3.27, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. De deuren, sloten en scharnieren van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 en bestemd voor het vervoer van goederen, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG, bijlage I, punt 3. b. b. Het overige bepaalde in richtlijn 70/387/EEG is niet van toepassing.
13.
Artikel 3.3.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG. b. b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen. c. c. Indien er bij het voor vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mogen de achterruiten geen beeldvertekening veroorzaken waardoor de bestuurder kan worden gehinderd. d. d. Het materiaal van de ruiten van bedrijfsauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel:
1°.
het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°.
het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
1°. 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en 2°. 2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas. e. e. Het overige bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.
14.
Artikel 3.3.30 Voertuigreglement
De bepalingen omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
15.
Artikel 3.3.31 Voertuigreglement
De bepalingen omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
16.
Artikel 3.3.33 Voertuigreglement
a. a. Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft de kleur van de verklikkerlichten voldoen aan het bepaalde in bijlage II van richtlijn 78/316/EEG. b. b. Het overige bepaalde in richtlijn 78/316/EEG is niet van toepassing.
17.
Artikel 3.3.34 Voertuigreglement
De bepalingen van richtlijn 2001/56/EG omtrent de wijze van keuren in bijlage IV t/m VI zijn niet van toepassing.
18.
Artikel 3.3.35, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen:
1°.
de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd;
2°.
Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3;
3°.
het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en
4°.
het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig.
1°. 1°. de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd; 2°. 2°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3; 3°. 3°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en 4°. 4°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig. b. b. Het overige bepaalde in richtlijn 74/297/EEG is niet van toepassing.
19.
Artikel 3.3.35, tweede lid, Voertuigreglement
a. a. De bepalingen van richtlijn 74/408/EEG omtrent de wijze van keuren van bevestiging van de stoelen, zijn niet op bussen van toepassing. b. b. Hoofdsteunen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg:
1°.
moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°.
mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°.
moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en
4°.
mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
1°. 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken; 2°. 2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten; 3°. 3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en 4°. 4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
20. Artikel 3.3.35, derde lid, van het Voertuigreglement is niet van toepassing.
21.
Artikel 3.3.36, vijfde lid, Voertuigreglement
Het is toegestaan bedrijfsauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. a. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd; b. b. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels, en c. c. voor autogordels met specifieke eigenschappen de geschiktheid wordt aangetoond.
22.
Artikel 3.3.37, eerste lid, Voertuigreglement
a. a. Uitstekende delen die niet meer dan 5 mm uitsteken, zijn afgerond. b. b. Uitstekende delen die meer dan 5 mm uitsteken moeten zijn afgerond met een kromtestraal van ten minste 2,5 mm. c. c. In afwijking van de onderdelen a en b:
1°.
hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt;
2°.
zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm;
3°.
zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en
4°.
hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben.
1°. 1°. hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt; 2°. 2°. zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm; 3°. 3°. zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en 4°. 4°. hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben. d. d. Buitenspiegels en hun bevestiging, evenals accessoires zoals antennes en bagagerekken worden buiten beschouwing gelaten. e. e. Het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG is niet van toepassing.
23.
Artikel 3.3.37, vijfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
24.
Artikel 3.3.37, twaalfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
25.
Artikel 3.3.37, dertiende lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
26. Artikel 3.3.37a van het Voertuigreglement is niet van toepassing.
27.
Artikel 3.3.39 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
28.
Artikel 3.3.40 Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
29.
Artikel 3.3.41, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
30.
Artikel 3.3.46, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
31.
Artikel 3.3.54 Voertuigreglement
a. a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden. b. b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
32.
Artikel 3.3.55 Voertuigreglement
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan richtlijn 74/61/EEG.
33.
Artikel 3.3.56 Voertuigreglement
Een typegoedkeuringscertificaat is niet vereist.
Hoofdstuk 6. Wijze van keuren
Artikel 5
1. De wijze waarop de keuring wordt verricht is voor zover mogelijk gelijk aan de wijze waarop dit voor de betreffende artikelen van het Voertuigreglement is bepaald.
2. In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van reeds op grond van een desbetreffende richtlijn goedgekeurde voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van bestuurders en passagiers, wordt nagegaan of de betrokken voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van bestuurders en passagiers in overeenstemming zijn met die waarvoor de goedkeuring is verleend en of de goedkeuring haar geldigheid niet heeft verloren. Indien in de betreffende richtlijn bijzondere voorwaarden zijn gesteld die met de goedkeuring verband houden, moet worden aangetoond dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.
3.
Met betrekking tot het bepaalde in de onderstaande leden van artikel 4 vindt de keuring tevens plaats op de navolgende wijze:
a. a.
Artikel 4, tweede lid
Visuele controle.
b. b.
Artikel 4, vierde lid
Bij de referentiemeting kan het benodigde toerental door de fabrikant worden opgegeven.
c. c.
Artikel 4, vijfde lid
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van de documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
d. d.
Artikel 4, zevende lid
Indien de Dienst Wegverkeer hiermee instemt, mag de fabrikant zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
e. e.
Artikel 4, negende lid
De fabrikant mag zelf de testen aangaande de montage van banden uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
f. f.
Artikel 4, elfde lid
Visuele controle.
g. g.
Artikel 4, twaalfde lid
De keuring vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de bijlage bij deze regeling.
h. h.
Artikel 4, dertiende lid
Visuele controle.
i. i.
Artikel 4, veertiende lid
Visuele controle van het wisveld waarbij de ruitensproeiers en ruitenwissers in werking worden gesteld bij een snelheid van het voertuig van 120 km/h, of de topsnelheid als deze lager is.
j. j.
Artikel 4, vijftiende lid
Controle of de installatie warme lucht op de voorruit blaast dan wel op andere wijze de voorruit verwarmt.
k. k.
Artikel 4, achttiende lid
Visuele controle.
l. l.
Artikel 4, negentiende lid
1.
Meting met daarvoor bestemde meetmiddelen.
2.
Visuele controle.
3.
Visuele controle, door de aanwezigheid van kruiskoppelingen, inschuifbare constructies of andere constructies, kan worden aangenomen dat hierdoor de verplaatsing van de stuurinrichting wordt verminderd bij een frontale botsing.
-
-
Meting met daarvoor bestemde meetmiddelen.
-
-
-
Visuele controle.
-
-
-
Visuele controle, door de aanwezigheid van kruiskoppelingen, inschuifbare constructies of andere constructies, kan worden aangenomen dat hierdoor de verplaatsing van de stuurinrichting wordt verminderd bij een frontale botsing.
-
m. m.
Artikel 4, twintigste lid, onderdeel c
1°.
Visuele controle, waarbij enige kracht op de hoofdsteunen wordt uitgeoefend;
2°.
Visuele controle, waarbij bij twijfel de bekleding van de hoofdsteun wordt verwijderd om ook de inwendige constructie te kunnen beoordelen. Delen met een afrondingsstraal van tenminste 5 mm worden niet als scherp aangemerkt. Bij twijfel meten;
3°.
Nagaan of de hoofdsteun niet hard aanvoelt;
4°.
Visuele controle.
1°. 1°. Visuele controle, waarbij enige kracht op de hoofdsteunen wordt uitgeoefend; 2°. 2°. Visuele controle, waarbij bij twijfel de bekleding van de hoofdsteun wordt verwijderd om ook de inwendige constructie te kunnen beoordelen. Delen met een afrondingsstraal van tenminste 5 mm worden niet als scherp aangemerkt. Bij twijfel meten; 3°. 3°. Nagaan of de hoofdsteun niet hard aanvoelt; 4°. 4°. Visuele controle. n. n.
Artikel 4, drieëntwintigste lid
Visuele controle.
o. o.
Artikel 4, vierentwintigste lid
Visuele controle.
p. p.
Artikel 4, vijfentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
q. q.
Artikel 4, zesentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
r. r.
Artikel 4, achtentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
s. s.
Artikel 4, negenentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
t. t.
Artikel 4, dertigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
u. u.
Artikel 4, eenendertigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
v. v.
Artikel 4, drieëndertigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
4.
Met betrekking tot het bepaalde in de onderstaande leden van artikel 4a vindt de keuring plaats op de navolgende wijze:
a. a.
Artikel 4a, tweede lid
Visuele controle.
b. b.
Artikel 4a, vijfde lid, onderdeel a
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
c. c.
Artikel 4a, zevende lid, onderdeel b
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
d. d.
Artikel 4a, achtste lid
De test mag tegelijkertijd worden uitgevoerd met de geluidsmeting die op grond van artikel 3.4.15 van het Voertuigreglement moet plaatsvinden.
e. e.
Artikel 4a, negentiende lid, onderdeel a
Controle of de motorfiets stabiel staat op de standaard.
5.
Met betrekking tot het bepaalde in de onderstaande leden van artikel 4b vindt de keuring plaats op de navolgende wijze:
a. a.
Artikel 4b, vierde lid, onderdeel a
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
b. b.
Artikel 4b, zesde lid, onderdeel b
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
c. c.
Artikel 4b, zevende lid
De test mag tegelijkertijd worden uitgevoerd met de geluidsmeting, bedoeld in artikel 3.5.15 van het Voertuigreglement.
d. d.
Artikel 4b, negende lid, onderdeel a
Visuele controle.
e. e.
Artikel 4b, negende lid, onderdeel b
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
f. f.
Artikel 4b, tiende lid
Visuele controle van het wisveld waarbij de ruitensproeiers en ruitenwissers in werking worden gesteld bij een snelheid van het voertuig van 120 km/h, of de topsnelheid als deze lager is.
g. g.
Artikel 4b, elfde lid, onderdeel a
Controle of de installatie warme lucht op de voorruit blaast dan wel op andere wijze de voorruit verwarmt.
h. h.
Artikel 4b, vijftiende lid
Visuele controle.
6.
Met betrekking tot het bepaalde in de onderstaande leden van artikel 4c vindt de keuring plaats op de navolgende wijze:
a. a.
Artikel 4c, tweede lid
Visuele controle.
b. b.
Artikel 4c, vierde lid
Bij de referentiemeting kan het benodigde toerental door de fabrikant worden opgegeven.
c. c.
Artikel 4c, vijfde lid, onderdeel a
De overeenkomstigheid wordt geverifieerd aan de hand van de documentatie van de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie.
d. d.
Artikel 4c, zevende lid
Indien de Dienst Wegverkeer hiermee instemt, mag de fabrikant zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
e. e.
Artikel 4c, negende lid
De fabrikant mag zelf de testen aangaande de montage van banden uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
f. f.
Artikel 4c, tiende lid
De wijze van keuren vindt plaats op een door de Algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer bekendgemaakte wijze.
g. g.
Artikel 4c, elfde lid
De wijze van keuren vindt plaats op een door de Algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer bekendgemaakte wijze.
h. h.
Artikel 4c, dertiende lid
Visuele controle.
i. i.
Artikel 4c, veertiende lid
Visuele controle van het wisveld waarbij de ruitensproeiers en ruitenwissers in werking worden gesteld bij een snelheid van het voertuig van 120 km/h, of de topsnelheid als deze lager is.
j. j.
Artikel 4c, vijftiende lid
Controle of de installatie warme lucht op de voorruit blaast dan wel op andere wijze de voorruit verwarmt.
k. k.
Artikel 4c, zestiende lid
Visuele controle.
l. l.
Artikel 4c, achttiende lid
Visuele controle.
m. m.
Artikel 4c, negentiende lid, onderdeel b
1°.
visuele controle, waarbij enige kracht op de hoofdsteunen wordt uitgeoefend.
2°.
visuele controle.
3°.
nagaan of de steun niet hard aanvoelt.
4°.
visuele controle.
1°. 1°. visuele controle, waarbij enige kracht op de hoofdsteunen wordt uitgeoefend. 2°. 2°. visuele controle. 3°. 3°. nagaan of de steun niet hard aanvoelt. 4°. 4°. visuele controle. n. n.
Artikel 4c, eenentwintigste lid
Visuele controle
o. o.
Artikel 4c, tweeëntwintigste lid
Visuele controle
p. p.
Artikel 4c, vierentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
q. q.
Artikel 4c, vijfentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
r. r.
Artikel 4c, achtentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
s. s.
Artikel 4c, negenentwintigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
t. t.
Artikel 4c, drieëndertigste lid
De fabrikant mag zelf de testen uitvoeren en zelf het technisch rapport opstellen.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 6
De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 december 1994, nr. RV 187532, houdende eisen en wijze van keuren van voertuigen die in een kleine serie worden vervaardigd (Stcrt. 244), wordt ingetrokken.
Artikel 7
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 8
Deze regeling wordt aangehaald als: Kleine serie-regeling.