rijk/ministeriele-regeling/kostenregeling-pensioen-en-spaarfondsenwet-1993/BWBR0006124/README.md
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00

5.3 KiB

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993 BWBR0006124 ministeriele-regeling geldend 1993-09-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0006124 Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993

Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt jaarlijks voor 31 december een begroting op waarin de in het daarop volgende jaar te verwachten kosten als zodanig zijn weergegeven.

2. Van de begroting wordt door de Pensioen- & Verzekeringskamer voor 1 februari van het jaar waarop zij betrekking heeft, mededeling gedaan in de Staatscourant. Gelijktijdig met de mededeling zendt de Pensioen- & Verzekeringskamer de begroting ter kennisneming aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 3

1. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt elk jaar de heffingsgrondslag van ieder fonds over het laatstverstreken jaar vast. Onder laatstverstreken jaar wordt verstaan het jaar voorafgaande aan dat waarin de begroting, bedoeld in artikel 2, wordt opgesteld.

2. Bij het vaststellen van de heffingsgrondslag gaat de Pensioen- & Verzekeringskamer uit van de door elk fonds over het betrokken jaar ingediende staten.

3. De heffingsgrondslag bedraagt voor een fonds niet meer dan € 544 536 259.

4. Voor zover een fonds de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de toepassing van de wet heeft overgenomen van een fonds dat in de loop van het laatstverstreken jaar heeft opgehouden te bestaan, wordt de heffingsgrondslag van het laatstbedoelde fonds toegerekend aan het overnemende fonds.

Artikel 4

In afwijking van artikel 3, tweede lid:

a. a. kan de Pensioen- & Verzekeringskamer voor een door haar te bepalen tijdstip van een fonds een schriftelijke opgave van de heffingsgrondslag verlangen; b. b. schat de Pensioen- & Verzekeringskamer ambtshalve de heffingsgrondslag, indien zij niet aan de staten of aan een opgave als bedoeld in onderdeel a, de benodigde gegevens kan ontlenen.

Artikel 5

1. De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt de begrote kosten voor een jaar geheel of gedeeltelijk door middel van een aanslag in rekening bij de fondsen. De aanslag bestaat uit een vast bedrag van € 681, vermeerderd met een bedrag dat van jaar tot jaar wordt vastgesteld als een percentage van de heffingsgrondslag.

2. Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de begrote kosten, verminderd met het totaal van de vaste bedragen, te delen door het totaal van de heffingsgrondslagen van alle fondsen tezamen.

3. Aan fondsen waaraan in het jaar van oprichting een aanslag wordt opgelegd, wordt het in het eerste lid bedoelde vaste bedrag in rekening gebracht.

4. Het verschil tussen de in een jaar gemaakte kosten en de ontvangsten wordt verrekend met de begrote kosten voor het volgende jaar. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet in haar jaarstukken opgave van de in de vorige zin bedoelde ontvangsten en de gemaakte en begrote kosten.

Artikel 6

1. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt de aanslag aan het fonds bekend onder vermelding van de in aanmerking genomen heffingsgrondslag en het percentage, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

2. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de betaling moet geschieden.

3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan het vaste bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, verminderen, teneinde tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die voor het fonds uit de aanslag mochten voortvloeien.

4. Gedurende twee jaar na de dagtekening van de bekendmaking van de aanslag kan de Pensioen- & Verzekeringskamer deze herzien, indien haar de onjuistheid van de aanslag is gebleken.

Artikel 7

1. Na de inwerkingtreding van deze regeling brengt de Pensioen- & Verzekeringskamer de begrote kosten met betrekking tot het resterende deel van het jaar door middel van een aanslag in rekening bij de fondsen. De bepalingen van deze regeling zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het vaste bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, naar evenredigheid wordt verminderd.

2. Met betrekking tot de kosten gemaakt vóór de inwerkingtreding van deze regeling legt de Pensioen- & Verzekeringskamer zo spoedig mogelijk na die inwerkingtreding een aanslag op, voor zover deze kosten nog niet werden verhaald. Onverminderd het bepaalde in artikel 8, eerste lid, is de Kostenbeschikking Pensioen- en spaarfondsenwet daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aanslag wordt gebaseerd op de bijdrage, bedoeld in die beschikking, over het voorafgaande jaar en dat het gelijke bedrag, bedoeld in artikel 4, onder a, van die beschikking, naar evenredigheid wordt verminderd.

Artikel 8

1. De Kostenbeschikking Pensioen- en spaarfondsenwet wordt ingetrokken.

2. Aanslagen, opgelegd ingevolge de beschikking, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld met aanslagen, opgelegd ingevolge deze regeling.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 1993.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Kostenregeling Pensioen- en spaarfondsenwet 1993.